Besluit van Gedeputeerde Staten van 4 juli 2017, PZH-2017-604726109 (DOS 2013-0010135) tot vaststelling van het Openstellingsbesluit POP-3 fysieke investeringen duurzame innovaties landbouw Zuid-Holland 2017 (Openstellingsbesluit POP-3 fysieke investeringen duurzame innovaties landbouw Zuid-Holland 2017)

 

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland;

Gelet op artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling POP- 3 Zuid-Holland;

Overwegende dat het wenselijk is om het ontwikkelen, beproeven, demonstreren van duurzame innovaties in de grondgebonden landbouw te stimuleren;

Besluiten:

Vast te stellen het volgende besluit:

Openstellingsbesluit POP-3 fysieke investeringen duurzame innovaties landbouw Zuid-Holland 2017

Artikel 1 Aanvraagperiode

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie, als bedoeld in paragraaf 2.2 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland kan worden ingediend in de periode van 21 augustus 2017 tot 18 oktober 2017 17:00uur .

  • 2.

    Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze binnen de in het eerste lid genoemde periode is ontvangen.

Artikel 2 Deelplafond

  • 1.

    Het deelplafond voor dit openstellingsbesluit bedraagt € 3.000.000,-.

  • 2.

    Het deelplafond, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit 50% uit ELFPO middelen en voor 50% uit provinciale middelen.

Artikel 3 Subsidiabele activiteit

In afwijking van artikel 2.2.1 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland kan subsidie worden verstrekt voor fysieke investeringen die nodig zijn voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen in de grondgebonden landbouw.

Artikel 4 Subsidievereiste

In afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland heeft de activiteit betrekking op ten minste één van de volgende thema’s:

  • a.

    verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.

    versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen;

  • c.

    maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • d.

    behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

Artikel 5 Subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 2.2.4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • b.

    de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

  • c.

    bijdragen in natura voor zover het betreft onbetaalde eigen arbeid, onbetaalde arbeid van vrijwilligers, gronden of onroerende goederen;

  • d.

    personeelskosten.

Artikel 6 Niet-subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.2.4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland komen de kosten van tweedehands goederen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 7 Subsidiehoogte

Indien toepassing van artikel 2.2.6 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 50.000,-, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 8 Selectiecriteria

  • 1.

    Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 2.2.7 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland de volgende criteria:

    • a.

      de mate van effectiviteit van de activiteit;

    • b.

      de kosteneffectiviteit;

    • c.

      de mate van innovatie;

    • d.

      de haalbaarheid van de activiteit.

  • 2.

    Voor ieder criterium, bedoeld in het eerste lid, kan een tot en met vier punten worden behaald.

  • 3.

    De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor van 3;

    • b.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor van 2;

    • c.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor van 2;

    • d.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor van 1.

  • 4.

    Indien een aanvraag minder dan 19 punten behaalt, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

  • 5.

    Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd.

  • 6.

    Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben verkregen en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, wordt met inachtneming van het subsidieplafond subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 7.

    Indien de aanvragen, bedoeld in het zesde lid, een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 8.

    Indien de aanvragen, bedoeld in het zevende lid, een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

  • 9.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het achtste lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

  • 10.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het negende lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d , wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd.

Artikel 9 Bevoorschotting

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.19, derde lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland heeft een aanvraag om een voorschot betrekking op minimaal € 50.000,-.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.21 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland verstrekken gedeputeerde staten geen voorschoten vooruitlopend op realisatie.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin dit besluit is geplaatst.

Artikel 11 Werkingsduur

Dit besluit vervalt op 31 december 2024.

Artikel 12 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit POP-3 fysieke investeringen duurzame innovaties landbouw Zuid-Holland 2017.

Den Haag, 4 juli 2017

drs. J. Smit, voorzitter

drs. J.H. de Baas, Secretaris.

 

 

Toelichting

Algemeen

Uit de sterkte/zwakte (SWOT) analyse in het Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland 2014-2020 (hierna: POP programma) blijkt dat de land- en tuinbouw in Nederland moet blijven innoveren om economisch rendement met maatschappelijk verantwoord ondernemen (d.w.z.: rekening houdend met milieu, dierwelzijn, biodiversiteit enz.) te kunnen blijven combineren.

Het Ambitiedocument InnovatieAgenda Duurzame Landbouw van de provincie Zuid-Holland (juni 2016) en het POP programma sluiten goed op elkaar aan. In het Ambitiedocument InnovatieAgenda Duurzame Landbouw is het volgende opgenomen:

We willen met ons bestaand instrumentarium een duurzame bedrijfsvoering op het agrarisch bedrijf bevorderen, en waar dat nuttig en nodig is hierover aanvullende afspraken maken met betrokken partijen.

Alleen door middel van duurzame innovatie in de landbouwsector houden we een duurzame, sterke en toekomstbestendige landbouw in de provincie.

Artikel 3

Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen in agrarische ondernemingen die behoren tot de grondgebonden landbouw.

Niet alle fysieke investeringen komen voor subsidie in aanmerking. De fysieke investering moet worden gedaan voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties.

Tot de grondgebonden landbouw behoren:

• akkerbouw;

• opengronds-groenteteelt;

• vollegronds-tuinbouw;

• fruit(boom)teelt en melkrundveehouderij.

Ook de teelten op of in het water worden tot de grondgebonden landbouw gerekend. Essentieel is dat de agrarische bedrijfsvoering geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Een landbouwbedrijf met bijvoorbeeld “vrije uitloop kippen” behoort niet tot de grondgebonden landbouw.

Artikel 4

In artikel 2.2.3 van de Uitvoeringsregeling Pop-3 Zuid-Holland staan zeven thema’s opgenomen waarop een activiteit betrekking kan hebben. Dit openstellingsbesluit heeft betrekking op 4 van deze thema’s:

  • a.

    verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.

    versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen;

  • c.

    maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • d.

    behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

De volgorde waarin de thema’s genoemd staan is niet hiërarchisch. Aan de thema’s worden geen verschillende gewichten toegekend.

Deze drie thema’s sluiten namelijk aan bij de doelen van het Ambitiedocument InnovatieAgenda Duurzame Landbouw.

In het Ambitiedocument worden de volgende doelen genoemd:

  • 1.

    Verbeteren kwaliteit van de leefomgeving via verduurzaming door:

    • a.

      sluiten van kringlopen;

    • b.

      versterken van regionale voedselketens;

    • c.

      versterken biodiversiteit bij normale agrarische bedrijfsvoering door nieuwe verdienmodellen.

  • 2.

    Versterken van volhoudbare sterke economische sector door de landbouwsector als sterk economisch cluster op lange termijn in stand te houden.

Artikel 5 en 6

Op grond van dit openstellingsbesluit komen de volgende kosten, voor zover ze redelijk zijn in relatie tot het doel van de activiteit, voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;

  • b.

    de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • c.

    de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

  • d.

    de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

  • e.

    de kosten van haalbaarheidsstudies;

  • f.

    de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • g.

    de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

  • h.

    bijdragen in natura voor zover het betreft onbetaalde eigen arbeid, onbetaalde arbeid van vrijwilligers, gronden of onroerende goederen;

  • i.

    personeelskosten.

De subsidiabele hoogte van de personeelskosten kan op twee manieren worden berekend:

  • 1.

    op basis van IKS. Uw organisatie moet dan beschikken over een door de minister van Economische Zaken goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, of

  • 2.

    op basis van een per medewerker bepaald individueel uurtarief.

Het uurtarief per medewerker wordt als volgt berekend:

• Het bruto jaarsalaris (op basis van de meest recente loonstaat) inclusief niet prestatie gebonden eindejaarsuitkering, maar exclusief vakantie uitkering.

• Verhoogd met 43,5% voor de werkgeverslasten.

• Verhoogd met 15% voor de indirecte kosten.

• De uitkomst hiervan wordt gedeeld door 1720 uur op basis van een werkweek van 40 uur.

Een voorbeeld: Het bruto jaarsalaris bedraagt inclusief een niet prestatie gebonden eindejaarsuitkering 50.000 euro. De 50.000 euro wordt verhoogd met 43,5% tot 71.750 euro. De 71.750 euro wordt vervolgens verhoogd met 15% tot 82.512,50 euro. Het subsidiabele uurtarief bedraagt dan 82.512,50 euro gedeeld door 1720 uur is 47,97 euro.

De kosten van tweedehandsgoederen (machines en installaties) komen niet voor subsidie in aanmerking.

Het betekent niet dat er geen tweedehandsgoederen of andere vormen van bijdragen in natura bij de uitvoering van het project mogen worden ingezet. De inzet komt alleen niet voor subsidie in aanmerking.

Voor meer informatie over (onder andere) de subsidiabele kosten kunt u het handboek POP3 subsidie raadplegen. Het handboek is te raadplegen via https:https://regiebureau-pop.eu/sites/default/files/u111/Handboek%20aanvragers%2023%2003%202017.pdf.

Artikel 7

De hoogte van de subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten (artikel 2.2.6 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland).

Op basis van dit openstellingsbesluit worden geen subsidies verstrekt van minder dan € 50.000,-.

Artikel 8

Alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt. Om de rangschikking te bepalen worden de aanvragen getoetst aan vier criteria. Aan de selectiecriteria kan een wegingsfactor worden toegekend van 1, 2 of 3. Op basis van het doel van de openstelling wordt de wegingsfactor per criterium toegekend.

Criterium a: de mate van effectiviteit van de activiteit.

De gesubsidieerde activiteit draagt bij aan de thema’s die in artikel 4 staan opgesomd. Met dit criterium wordt gekeken naar de effectiviteit van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Een activiteit is minder effectief (matig) als er met de investering slechts een kleine bijdrage aan een thema wordt geleverd. Dat kan zijn als een grondstof wordt hergebruikt, maar dat de kringloop niet wordt gesloten.

Een activiteit is zeer effectief als bijvoorbeeld een kringloop wordt gesloten, er tegelijk meerwaarde creatie plaats vindt en de biodiversiteit versterkt wordt.

In het kort: hoe groter de bijdrage aan de thema’s hoe beter de aanvraag gekwalificeerd wordt op effectiviteit.

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie matig is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

Criterium b. de kosteneffectiviteit;

Met dit criterium wordt gekeken naar de kosten van de investering in relatie met de effectiviteit van de investering. De kosten van een investering kunnen zeer hoog zijn, maar tegelijk kan de investering ook heel effectief zijn (door de investering wordt een hele kringloop gesloten en de investering draagt ook bij aan de andere twee thema’s).

Zijn de kosten van de investering relatief hoog ten opzichte van het effect (het gaat om een relatief kostbare investering met bijvoorbeeld een beperkt effect op de biodiversiteit), dan al de kosteneffectiviteit matig zijn.

1 punt wordt toegekend indien de totale subsidiabele kosten zeer hoog zijn ten opzichte van het effect op de in artikel 4 genoemde thema’s.

2 punten worden toegekend indien de totale subsidiabele kosten hoog zijn ten opzichte van het effect op de in artikel 4 genoemde thema’s.

3 punten worden toegekend indien de totale subsidiabele kosten redelijk zijn ten opzichte van het effect op de in artikel 4 genoemde thema’s.

4 punten worden toegekend indien de totale subsidiabele kosten zeer redelijk zijn ten opzichte van het effect op de in artikel 4 genoemde thema’s.

Er is niet gekozen om dit criterium te beoordelen op basis van normkosten. Onder dit openstellingsbesluit kunnen vele investeringen gesubsidieerd worden. Het is dan ook niet mogelijk om voor deze openstelling een uitputtende lijst van investeringen met normkosten daaraan gekoppeld vast te stellen.

Criterium c. de mate van innovatie

Met dit criterium wordt bekeken in welke mate de investering innovatief is. Een investering die net is ontwikkeld en getest in een proeftuin wordt als innovatiever gezien dan een investering die al enige tijd beschikbaar is. Ook de mate waarin en de locatie waar de investering wordt toegepast is van belang. Betreft de activiteit het doen van een investering die nog beperkt wordt toegepast in Europa, dan wordt dat als innovatiever gezien dan het doen van een investering die nog beperkt in Nederland wordt toegepast.

Om de mate van innovativiteit te beoordelen wordt in samenhang gekeken naar:

• de aard van de innovatie;

• het vernieuwende karakter van de innovatie.

Op basis van bovenstaande punten wordt de mate van innovatie als matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie matig is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

Criterium d. de haalbaarheid van de activiteit.

Met dit criterium wordt naar de haalbaarheid van de investering gekeken.

De invulling van dit criterium hangt af van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd. Wordt subsidie gevraagd in het kader van het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van een innovatie, waarbij het risico van mislukken reëel is, dan is primair de kwaliteit van het projectplan van belang. Voor de haalbaarheid worden de volgende aspecten in samenhang bezien:

  • -

    de eisen die gesteld worden aan de projectleider (ervaring en opleiding);

  • -

    kent het project een realistische planning, opzet en begroting;

  • -

    de kwaliteit van het projectplan. Een kwalitatief goed projectplan is een plan dat realistisch is, waarin risico’s zijn geïdentificeerd en beheersbaar zijn gemaakt en zijn gereduceerd;

  • -

    zijn de relevante partijen bij de investering betrokken.

Op basis van bovenstaande punten wordt de haalbaarheid van de activiteit als matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie matig is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

Wegingsfactoren

De selectiecriteria kunnen een wegingsfactor van 1, 2 of 3 hebben.

Het doel van de openstelling is om te stimuleren dat er investeringen gedaan worden die bijdragen aan de thema’s die in artikel 4 genoemd staan:

  • -

    verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • -

    versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen;

  • -

    maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • -

    behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

Het criterium ‘mate van effectiviteit van de activiteit’ is dan ook het belangrijkste selectiecriterium en heeft een wegingsfactor van 3.

Het criterium ‘de mate van innovatie’ is tevens van belang voor het doel van de openstelling en de maatregel. Het ‘Ambitiedocument InovatieAgenda Duurzame Landbouw’ richt zich namelijk op innovatie in de landbouw. De mate van innovatie heeft daarom een wegingsfactor van 2.

Het criterium ‘kosten effectiviteit ‘ is minder van belang voor het doel van de openstelling, maar is van belang voor een goede besteding van de subsidies (value for money) en heeft een wegingsfactor van 2.

Het criterium ‘haalbaarheid’ heeft een wegingsfactor van 1 en is daarmee het selectiecriterium met de laagste wegingsfactor. Het doel van de openstelling is innovatie in de landbouw. Kenmerk van een innovatieproject is dat het de innovatie mag mislukken. In het geval de gevraagde subsidie betrekking heeft op de bredere uitrol van innovaties is haalbaarheid minder van belang. De innovatieve investering heeft zich namelijk al eens bewezen. Het criterium ‘haalbaarheid’ heeft bij deze openstelling dus de functie van een extra onderscheidend criterium. Het is een pre voor de aanvraag als de haalbaarheid als zeer goed te kwalificeren is.

Naar boven