Provinciaal blad van Utrecht

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
UtrechtProvinciaal blad 2017, 2187Verordeningen



Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 18 april 2017, nr. 81ABA850, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht (Uitvoeringsverordening subsidie Binnenstedelijke Ontwikkeling provincie Utrecht 2017).

Gedeputeerde Staten van Utrecht;

 

Gelet op artikel 30 (Bouwen, wonen en stedelijke vernieuwing) en artikel 4 en 6 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht;

 

Overwegende dat vitale dorpen en steden een belangrijke pijler zijn binnen de ruimtelijke ontwikkeling in de Provincie Utrecht waar binnenstedelijke ontwikkeling een belangrijke bijdrage aan levert, maar dat tegelijkertijd de voortgang en kwaliteit van deze binnenstedelijke ontwikkeling onder druk staat en de woningmarkt de afgelopen jaren structureel veranderd is, is het wenselijk dat vanuit de provinciale rol een financiële bijdrage wordt geleverd aan de verbetering danwel het behoud van aantrekkelijke dorpen en steden waar het goed wonen, werken en verblijven en ontmoeten is;

Besluiten de volgende uitvoeringsverordening vast te stellen:

 

Paragraaf 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

b. Beleidskader:

Beleidskader Binnenstedelijke Ontwikkeling, zoals vastgesteld door provinciale staten op 15 december 2016;

 

c. College:

College van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht;

 

d. PRS:

Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013–2028;

 

e. PRV:

Provinciaal Ruimtelijke Verordening 2013–2028;

 

f. Stedelijk gebied:

het gebied binnen de rode contouren zoals opgenomen in de Provinciaal Ruimtelijke Structuurvisie;

 

g. Uitvoeringsprogramma:

Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijke Ontwikkeling 2017–2020, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 18 april 2017;

 

h. Voorkeursvolgorde:

de op de ladder duurzame verstedelijking van het rijk gebaseerde volgorde voor stedelijke ontwikkelingen zoals opgenomen in de PRS 2013–2028.

Artikel 2 Criteria

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten in het stedelijk gebied binnen het grondgebied van de provincie Utrecht zoals bedoeld in artikel 30 van de Asv die gericht zijn op het realiseren van de ambities zoals beschreven in het Beleidskader en het Uitvoeringsprogramma.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meerdere van de volgende ambities uit het Beleidskader:

    • a)

      een aanbod van stedelijke milieus die zowel kwalitatief als kwantitatief passen bij de (toekomstige) vraag, zowel op gebieds- als gebouwniveau;

    • b)

      een toekomstbestendige binnenstedelijke kwaliteit;

    • c)

      optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte.

  • 3.

    Binnen deze ambities versterken de in het eerste lid bedoelde activiteiten één of meerdere onderdelen van de in het Beleidskader beschreven focus voor de provinciale inzet:

    • a)

      Verbinden in gebieden en gebiedsontwikkeling;

    • b)

      Focus op wonen & woonomgeving, werken, winkelen & ontmoeten;

    • c)

      Meekoppelen mogelijkheden in gebieden voor Energietransitie;

    • d)

      Versterken van dan wel aansluiten op kansen voor mobiliteit, bereikbaarheid en infrastructuur in gebieden;

    • e)

      Kansen in gebieden voor ontwikkelen van een meer gezonde leefomgeving;

    • f)

      Kansen in gebieden voor Klimaatadaptatie;

    • g)

      Kansen in gebieden voor (beleefbaarheid van) cultuur en cultuurhistorie;

    • h)

      Verbinden op thematische vraagstukken zoals: huisvesting vergunninghouders, vernieuwing op de woningmarkt, objectgerichte energietransitie, of andere, nog niet geïdentificeerde actuele thema’s in de binnenstedelijke ontwikkeling.

  • 4.

    De te subsidiëren activiteiten dienen daarnaast specifiek te zijn gericht op één of meerdere van de volgende opgaven en/of thema´s, zoals beschreven in het Beleidskader en het Uitvoeringsprogramma:

    • a)

      Binnenstedelijke woningbouw: (versnelling van) op de vraag afgestemde toevoeging van woningen aan de woningvoorraad (waaronder energiezuinige woningen, vernieuwende vormen van opdrachtgeverschap etc.);

    • b)

      Transformatie van leegstaande gebouwen en (monofunctionele) verouderde gebieden naar een nieuwe gebruiksfunctie;

    • c)

      Behouden of vergroten van duurzame binnenstedelijke kwaliteit (zowel milieukwaliteit, groen-blauwe structuren en aantrekkelijke woon-, werk, centrumlokaties & ontmoetingsplekken en het versterken van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad);

    • d)

      Ruimte creëren voor binnenstedelijke ontwikkeling met kwaliteit door het wegnemen van beperkingen/hinderingen (waaronder uitplaatsing van hinderlijke bedrijvigheid);

    • e)

      of een ander, niet expliciet beschreven thema, dat bijdraagt aan de in lid 2 genoemde ambities en lid 3 beschreven focus.

  • 5.

    Om voor een bijdrage in aanmerking te komen moeten de activiteiten daarnaast aan de volgende criteria voldoen:

    • a)

      De gevraagde ondersteuning zoals bedoeld in artikel 3 heeft een aantoonbare meerwaarde voor het project;

    • b)

      Er zijn geen ruimtelijke belemmeringen in de PRS en PRV voor de uitvoering van het project en;

    • c)

      De voorkeursvolgorde is, indien relevant, in acht genomen.

  • 6.

    Indien de gevraagde bijdrage betrekking heeft op de uitplaatsing van hinderlijke bedrijvigheid zoals bedoeld in het vierde lid onder sub d, gelden aanvullend hierop in elk geval de volgende criteria:

    • a)

      Er is sprake van hinder(beleving) danwel gezondheidseffecten danwel milieubelasting en;

    • b)

      De bedrijfsverplaatsing (danwel beëindiging/wijziging bedrijfsvoering) leidt tot aantoonbare en duurzame vermindering van de hinder danwel wel oplossing hiervan.

    Daarnaast is er sprake van één van de volgende criteria:

    • c)

      Op de vrijkomende bedrijfslocatie is een stedelijke ontwikkeling voorzien die past binnen de ambities zoals opgenomen in artikel 2 lid 2;

    • d)

      De aanwezigheid van het bedrijf is de belemmerende factor voor een gewenste stedelijke ontwikkeling die past binnen de ambities zoals opgenomen in artikel 2 lid 2 in de directe omgeving van de bedrijfslocatie.

  • 7.

    Daarnaast voldoen de te subsidiëren activiteiten zoveel mogelijk aan de volgende criteria:

    • a)

      Er is zicht op marktpotentie, haalbaarheid en uitvoerbaarheid binnen een, in overleg te bepalen, redelijke termijn;

    • b)

      De activiteit draagt substantieel bij aan de realisatie van de totale binnenstedelijke opgave in de betreffende gemeente;

    • c)

      De activiteit heeft een integraal karakter waar binnenstedelijke ontwikkeling om vraagt;

    • d)

      De activiteit is innovatief van aard en heeft voldoende potentie om tot een grote uitrol te leiden of op andere wijze een voorbeeldfunctie te vervullen.

Artikel 3 Vorm

De inzet van de subsidie is in beginsel vormvrij, waarbij per project naar de optimale ondersteuningsvorm wordt gezocht. De subsidie kan, maar zeker niet uitsluitend, worden verstrekt in de vorm van:

  • een garantstelling;

  • een renteloze lening;

  • een storting in een (revolverend) fonds;

  • de inzet van externe deskundigheid bij gemeenten (gedurende minimaal 3 en maximaal 12 maanden);

  • de inzet van externe deskundigheid bij collectieven van particulieren (‘initiatiefgroepen’) ten behoeve van vernieuwend opdrachtgeverschap;

  • een bijdrage aan de uitplaatsing van hinderlijke bedrijvigheid.

Artikel 4 Aanvraag

Aanvragen kunnen het gehele kalenderjaar worden ingediend, gedurende de looptijd van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijke Ontwikkeling (2017 t/m 2020). De aanvragen worden op volgorde van binnenkomst beoordeeld.

Artikel 5 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 10 van de Asv, kan subsidie worden geweigerd indien:

  • a)

    de activiteit naar het oordeel van het college niet of onvoldoende bijdraagt aan de ambities zoals geformuleerd in het Beleidskader Binnenstedelijke Ontwikkeling;

  • b)

    activiteiten van gelijke aard met een vergelijkbare doelstelling in het voorgaande kalenderjaar reeds een bijdrage hebben ontvangen;

  • c)

    indien de gemeente geen medewerking wenst te verlenen aan de realisatie van het project.

Artikel 6 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Voor een bijdrage aan de inzet van externe deskundigheid bij gemeenten zoals bedoeld in artikel 3 geldt een maximum van 50% van de daadwerkelijke kosten.

  • 2.

    Voor een bijdrage aan de inzet van externe deskundigheid zoals bedoeld in artikel 3 ten behoeve van collectieven van particulieren (‘initiatiefgroepen’) ten behoeve van vernieuwend opdrachtgeverschap geldt een maximale bijdrage van 50% van de daadwerkelijke kosten met een maximum van € 3000,–.

  • 3.

    De hoogte van de bijdrage aan de uitplaatsing van hinderlijke bedrijvigheid zoals bedoeld in artikel 3 wordt per geval en/of aanvraag bepaald, waarbij geldt dat dit uitsluitend plaats vindt in het geval dat meerdere betrokken partijen financieel bijdragen aan de kosten van uitplaatsing.

Artikel 7 Subsidieplafond

Het subsidieplafond bedraagt € 6 miljoen voor de periode van de looptijd van het Uitvoeringsprogramma.

Artikel 8 Subsidieverlening

Subsidie, in ieder geval wanneer deze wordt verleend in de vorm van een garantstelling, renteloze lening of ten behoeve van de uitplaatsing van hinderlijke bedrijvigheid, wordt verleend onder de voorwaarde dat, indien gewenst door de provincie, tussen de subsidieontvanger en de provincie een overeenkomst ter uitvoering van de subsidiebeschikking tot stand komt.

Artikel 9 Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger dient:

  • 1.

    de opgedane ervaringen en kennis op verzoek van de provincie Utrecht te delen, binnen de grenzen van het redelijke;

  • 2.

    de provincie Utrecht toe te staan in overleg publicitair gebruik te maken van de met de activiteit behaalde resultaten.

Artikel 10 Europese regelgeving

  • 1.

    Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een woningcorporatie wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen volkshuisvesting.

  • 2.

    Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Verordening (EG) 1998/2006, PbEU 2006, L379/5, betreffende de-minimissteun.

     

Paragraaf 2 Slotbepalingen

Artikel 11 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 12 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsverordening subsidie Binnenstedelijke Ontwikkeling provincie Utrecht 2017.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 18 april 2017.

Voorzitter

Secretaris

Toelichting

Algemeen

Deze uitvoeringsverordening vormt de juridische basis voor de uitvoering van het Beleidskader Binnenstedelijke Ontwikkeling (BO) en bijbehorend Uitvoeringsprogramma 2017–2021.

 

De Provinciaal Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) schept de ruimtelijke kaders voor de ontwikkeling van onze provincie. De bijbehorende PRV zorgt voor de doorwerking van de structuurvisie naar gemeenten. Daarop aansluitend geeft het Beleidskader Binnenstedelijke Ontwikkeling invulling aan de provinciale ambitie op binnenstedelijke ontwikkeling. Deze ambitie is verder vertaald in het uitvoeringsprogramma voor de komende 4 jaar waarin ingezet wordt op flexibiliteit en maatwerk.

De opzet van deze uitvoeringsverordening volgt ook deze werkwijze. Het is een uitvoeringsverordening op hoofdlijnen om zo op basis van maatwerk het beschikbare budget zo efficiënt mogelijk in te kunnen zetten. Bij de afweging voor een bijdrage worden de absolute hoogte van de gevraagde subsidie, het percentage dat de gevraagde subsidie vormt van de totale kosten van het project, het percentage dat de gevraagde subsidie vormt van het totale beschikbare programmabudget en de mate waarin het project bijdraagt aan het behalen van de programma doelen worden ten opzichte van elkaar bekeken.

Toelichting artikelgewijs

Artikel 2

Lid 1

De centrale missie, hoofddoel en ambities schematisch weergegeven zoals in het Beleidskader opgenomen:

 

Lid 3

sub a Verbinden in gebieden

Bij gebiedsontwikkeling spelen meerdere vraagstukken en is bij uitstek sprake van een integrale aanpak. Daarbij kan het gaan om omvangrijke ruimtelijke gebiedsontwikkelingsopgaven met meerdere belangen die het lokale niveau overschrijden. Vaak zijn er ook meerdere overheden en (markt)partijen, naast gebruikers en bewoners, bij een gebied betrokken, dat maakt dat het vaak een complex proces is. Dit kan gaan om woonwijken die toe zijn aan herstructurering, maar bijvoorbeeld ook centrumgebieden waarbij ook het vraagstuk van winkelleegstand speelt, of kantorenlocaties met een hoog percentage leegstand, of waar voortvloeiend uit de Thematische Structuurvisie Kantoren de kantorenbestemming wordt weggehaald en moet worden nagedacht over een nieuwe invulling.

 

Binnen een ontwikkelingsgebied kan de daadwerkelijke inzet van binnenstedelijke ontwikkeling ook gericht zijn op een gebouw. De transformatie van een leegstaand kantoorpand in een gebied naar woningen bijvoorbeeld zorgt voor een nieuwe dynamiek, en kan daarmee een verdere ontwikkeling aanjagen.

 

sub b Focus op wonen & woonomgeving, werken, winkelen & ontmoeten

Van betrokkenheid vanuit binnenstedelijke ontwikkeling kan pas sprake zijn, als een of meerdere van deze stedelijke functies aan de orde zijn. Daarbij focussen wij op de ‘hardware’: het vastgoed en de openbare ruimte. De belangrijkste opgave bij ‘Wonen’ is, door middel van het realiseren van binnenstedelijke woningbouw bij te dragen aan het oplossen van het woningtekort in onze provincie. Bij werken en winkelen hebben we te maken met overcapaciteit. De voornaamste opgaven die hier spelen zijn samen te vatten als transformeren, revitaliseren en herstructureren.

 

sub c Meekoppelen mogelijkheden in gebieden voor Energietransitie

Willen we onze energietransitie-doelstelling halen, dan is het nodig hier extra op in te zetten. Daarom zullen we bij de gebiedsontwikkelingen en projecten waar we betrokken zijn altijd de mogelijkheden van energiebesparing en -transitie (laten) onderzoeken en zo mogelijk stimuleren en faciliteren dat de mogelijkheden optimaal worden benut. Voor wat nieuwbouw betreft is ons streven aardgasloze en/of energieneutrale wijken. Wij zien echter met name ook grote kansen voor energiebesparing in de gebouwde omgeving.

 

sub d Versterken van dan wel aansluiten op kansen voor mobiliteit, bereikbaarheid en infrastructuur in gebieden

Het meekoppelen van mobiliteit speelt zich af op 3 niveaus.

Allereerst bij de keuze van de gebiedsontwikkelingen waar we in het kader van binnenstedelijke ontwikkeling op in willen zetten. We willen bevorderen dat bereikbaarheid en binnenstedelijke ontwikkeling elkaar versterken. Bijvoorbeeld door een intensievere stedelijke ontwikkeling rond treinstations en andere OVhaltes, of andersom door de bereidheid om mee te denken over een betere ontsluiting van binnenstedelijke locaties die zich lenen voor stedelijke ontwikkeling. Daarnaast is functiemenging een aspect wat we in deze keuze zullen betrekken.

Ten tweede gaat het om de aansluiting van de gebiedsontwikkeling op het stedelijk weefsel. Dit is van cruciaal belang voor het (toekomstig) functioneren van een gebied. In dit kader kan bijvoorbeeld een nieuwe (fiets)verbinding of een brug nodig zijn.

Tenslotte gaat het om de inrichting van het gebied zelf. Bijvoorbeeld een zodanige inrichting van de openbare ruimte dat fietsen en lopen wordt bevorderd, waarbij uiteraard ook de bereikbaarheid voor andere vervoersmodaliteiten in het oog moet worden gehouden. Ook de wijze waarop parkeren wordt opgelost is hierbij een belangrijk item.

 

sub e Kansen in gebieden voor ontwikkelen van een meer gezonde leefomgeving

In de gebieden waar we vanuit binnenstedelijke ontwikkeling acteren hebben we aandacht voor het gezonder maken van de leefomgeving. We zoeken naar kansen en initiatieven voor het verbeteren van de leefmilieukwaliteit. De instrumenten ‘milieukwaliteitsprofielen’ en GES kunnen daarbij worden ingezet. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om (bovenwettelijke) verbetering van de milieukwaliteit (lucht, geluid), ‘gezond ontwerp’ van de openbare ruimte (uitnodigend voor fietsen/wandelen, rustige gebieden, groen/water) en aandacht voor ontmoetingsplekken (variërend van bankjes tot instandhouden buurthuis), maar ook om het (mede) mogelijk maken van uitplaatsing van een hinderlijk bedrijf (voorheen FUHB).

 

sub f Kansen in gebieden voor Klimaatadaptatie

Bij gebiedsontwikkelingen benutten we kansen in openbare ruimte en vastgoed om een klimaatbestendige leefomgeving te realiseren, vaak door het toevoegen van groen en water en het ‘ontharden’ van het versteende oppervlak. Hierbij kan gedacht worden aan een waterplein, meer bomen, waterdoorlatende tegels, groene daken en gevels, of het op potentieel overstroombare plekken hoger plaatsen van vitale installaties.

 

sub g Kansen in gebieden voor (beleefbaar maken van) Cultuur en Cultuurhistorie

De aanwezigheid van cultuurhistorische objecten geeft identiteit aan een gebied. Theaters, bioscopen, festivals en andere culturele activiteiten zorgen voor levendigheid en bekendheid van een gebied. Andersom kan een gebiedsontwikkeling weer een nieuwe impuls geven aan het benutten van cultuurhistorisch erfgoed. Onze intentie is om via een integrale benaderingswijze deze wederzijdse relatie zo optimaal mogelijk te benutten.

 

sub h Verbinden op thema’s

Verbinden op thematische vraagstukken zoals: huisvestingvergunninghouders, vernieuwing op de woningmarkt, objectgerichte energietransitie, of andere, nog niet geïdentificeerde actuele thema’s in de binnenstedelijke ontwikkeling.

 

Als voorbeeld kan worden gedacht aan de volgende thema’s:

 

  • Vernieuwing op de woningmarkt: bijvoorbeeld ondersteunen van pilotprojecten die beogen de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de woningmarkt te verbeteren;

  • Energietransitie: naast het meekoppelen bij gebiedsaanpak kan ook worden gedacht aan een thematische benadering, bijvoorbeeld het realiseren van Nulopdemeter-woningen of een energiebesparingsaanpak voor kantoren.

Lid 5

sub a De provincie wil met middelen die beschikbaar zijn voor binnenstedelijke ontwikkeling zichtbaar het verschil kunnen maken met haar bijdrage. Uit eerdere subsidieregelingen blijkt bijvoorbeeld dat subsidies die het laatste zetje geven om tot realisatie te komen zeer efficiënt zijn. De aantoonbare meerwaarde van de provinciale bijdrage zit er bij dergelijke gevallen in het wel of niet doorgaan van het project.

sub c In de PRS is een voorkeursvolgorde opgenomen voor voorgenomen verstedelijking, mede gebaseerd op de ladder duurzame verstedelijking van het rijk. Concreet houdt dit in de volgende voorkeursvolgorde in voor stedelijke ontwikkelingen: eerst de mogelijkheden van herstructurering of transformatie, dan de mogelijkheden in de nabijheid van halten en knopen van het OV-netwerk, dan de overige mogelijkheden in het stedelijk gebied (binnen de rode contouren), en als laatste uitbreiding.

Lid 7

sub b Of een project substantiële bijdrage levert aan de binnenstedelijke opgave wordt gerelateerd aan de grootte van de betreffende gemeente en niet alleen beoordeeld op de absolute omvang van het project. Bijvoorbeeld bij het aantal woningen dat een project toevoegt aan de woningvoorraad wordt daarom altijd bekeken in het bredere verband van de totale gemeentelijke opgave en de context van de lokatie.

sub c Binnenstedelijke ontwikkeling beslaat veel verschillende terreinen. Wanneer het gaat om het behouden dan wel realiseren een aantrekkelijke, duurzame en leefbare werk- en woonomgeving zijn zaken als bereikbaarheid, voorzieningen en ruimte voor groen en recreatie van groot belang. Projecten die deze integrale benadering hanteren verdienen de voorkeur.

Artikel 3 Vorm

In dit artikel zijn instrumenten opgenomen die, op basis van eerdere ervaringen, succesvol kunnen zijn om projecten te ondersteunen. De uitgangspunten van het Beleidskader en het Uitvoeringsprogramma zijn echter maatwerk en flexibiliteit, en zodoende is de lijst met instrumenten onder artikel 3 niet uitputtend.

De wijze waarop de ondersteuning en de inzet van middelen plaatsvindt wordt bepaald op basis van dialoog met de partijen die verzoeken om ondersteuning. De typen instrumenten met voorwaarden worden niet vooraf bepaald, maar per geval wordt gekeken welke type instrument voor het specifieke probleem het meest efficiënt is. Hieruit vloeit voort dat met de subsidieontvangers in sommige gevallen, gekoppeld aan de beschikking, een uitvoeringsovereenkomst gesloten zal worden. Hierin worden de specifieke voorwaarden en de wederzijdse resultaatverplichtingen behorend bij de bijdrage opgenomen.

Artikel 4 Aanvraag

Vanuit het oogpunt van flexibiliteit en maatwerk kunnen aanvragen gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend. Hierdoor kan een bijdrage worden toegekend op het moment dat dit het meest efficiënt is voor het project en het grootste effect wordt bereikt.

Omdat de wijze van ondersteuning bepaald wordt op basis van een dialoog tussen aanvrager en provincie, kunnen schriftelijke aanvragen enkel worden ingediend na een mondelinge intake. Tijdens dit gesprek worden de doelstelling, het tijdspad en de te bereiken resultaten van het project besproken tussen potentiële aanvrager en de provincie Utrecht. Samen wordt bekeken in hoeverre de mogelijke aanvraag voldoet aan de criteria in artikel 2 en welke potentie een mogelijke aanvraag heeft. Na deze mondelinge intake heeft de potentiële aanvrager een helder beeld over de kansrijkheid van provinciale ondersteuning van het project, en kan desgewenst een officiële schriftelijke aanvraag indienen.

Artikel 6 Hoogte van de subsidie

Voor alle overige vormen van subsidie wordt per aanvraag op basis van maatwerk bekeken wat de maximale hoogte van het bedrag is, of en in welke mate van co-financiering gewenst is, of en in welke mate de bijdrage een voorwaardelijk is (revolverende inzet), en welke nadere voorwaarden hieraan gekoppeld zijn.

Artikel 7 Subsidieplafond

Er is gekozen voor een programmabudget zonder specifieke verdeling over de verschillende ambities. Dit om te beschikken over maximale flexibiliteit om in te kunnen spelen op actuele situaties en om per project maatwerk te kunnen toepassen. Gedeputeerde staten kunnen op een later tijdstip besluiten het budget, binnen de gestelde ambities in het Beleidskader Binnenstedelijke Ontwikkeling en het Uitvoeringsprogramma, alsnog te verdelen in aparte deelplafonds voor de verschillende opgaven.