Provinciaal blad van Limburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LimburgProvinciaal blad 2017, 2155Overige besluiten van algemene strekking



Openstellingsbesluit 2017 paragraaf 7 subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) Limburg

Gedeputeerde Staten van Limburg stellen ter voldoening aan het bepaalde in artikel 4:27 juncto 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1.3 van de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) Limburg, op 2 mei 2017 het volgende besluit vast:

 

Openstellingsbesluit 2017 paragraaf 7 subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) Limburg.

 

Gelet op artikel 1.3 van de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) Limburg, hierna te noemen ‘Verordening’, besluiten Gedeputeerde Staten Paragraaf 7 ‘Samenwerking voor innovaties’ van Hoofdstuk 2 (hierna te noemen ‘Paragraaf 7’) van deze Verordening onder volgende nadere regels open te stellen.

Artikel 1 Openstellingsperiode

Paragraaf 7 wordt opengesteld voor het indienen van subsidieaanvragen voor de periode vanaf 15 juni 2017 tot en met 14 juli 2017. Een subsidieaanvraag dient uiterlijk 14 juli 2017 te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten. De subsidieaanvraag wordt afgewezen indien deze buiten de openstellingsperiode wordt ingediend.

Artikel 2 Subsidieplafond

Het subsidieplafond wordt voor 2017 voor Paragraaf 7 vastgesteld op € 410.000,00 bestaande uit 50% ELFPO en 50% Provinciale middelen.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

Conform artikel 2.7.1. van de Verordening zijn volgende activiteiten subsidiabel:

  • 3.1

    Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 lid 1 van de Verordening; of

    • b.

      gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie; of

    • c.

      uitvoering van een innovatieproject.

  • Een aanvraag die zich uitsluitend richt op activiteit (a) komt niet voor subsidie in aanmerking en zal worden afgewezen.

  • 3.2

    Activiteiten dienen gericht te zijn op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie alsmede op één of meerdere van de volgende thema’s:

    • a.

      verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

    • b.

      beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

    • c.

      maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en/of een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en/of grond- en oppervlakte water en/of minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

    • d.

      klimaatmitigatie;

    • e.

      klimaatadaptatie;

    • f.

      verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en/of verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

    • g.

      behoud en versterking van de biodiversiteit en/of de omgevingskwaliteit.

  • Deze thema’s zijn sterk gerelateerd aan de speerpunten van de vier investeringslijnen van het Investeringsprogramma Limburgse Land- en Tuinbouw Loont 2 (LLTL2) die nader zijn uitgewerkt in het bijhorende Uitvoeringsplan 2016–2017. Ook het Aanvalsplan Asbest en Energie biedt net als het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL-2014) aanknopingspunten. Een aanvraag zal duidelijk moeten beschrijven en beargumenteren hoe bij te dragen aan provinciaal beleid. Betreffende beleidsdocumenten zijn beschikbaar op www.limburg.nl.

  • 3.3

    In aanvulling op artikel 1.3, derde lid, onderdeel (l), van de Verordening bedraagt de looptijd van het project maximaal 3 jaar na verzenddatum subsidieverstrekking. De subsidieaanvraag wordt afgewezen indien het project een langere looptijd heeft dan 3 jaar na verzenddatum subsidieverstrekking.

Artikel 4 Samenwerkingsverband

In aanvulling op artikel 2.7.1, derde lid, onder b en artikel 2.7.2 van de Verordening bevat het samenwerkingsverband tenminste drie landbouwers of een organisatie die hun vertegenwoordigt.

Artikel 5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers van het samenwerkingsverband of de initiatiefnemer van het samenwerkingsverband in wording. Deelnemers dienen voor de aanvraag een penvoerder te benoemen.

Artikel 6 Aanvraag

  • 6.1

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 van de Verordening bevat de aanvraag:

    • a.

      een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te passen of uit te voeren innovatieve project;

    • b.

      een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;

    • c.

      een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;

    • d.

      een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen.

  • 6.2

    Conform artikel 1.3, derde lid, onderdeel (h) zal voor het projectplan zoals vermeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel (f) het op de website www.limburg.nl/subsidies, Actuele subsidieregelingen, Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 2014–2020 (POP3) beschikbaar gestelde format gehanteerd dienen te worden.

  • 6.3

    In aanvulling op artikel 6.2 dienen bij de aanvraag additioneel diverse van toepassing zijnde bijlagen bijgevoegd te worden (nadere uitleg in de toelichting).

Artikel 7 Subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 2.7.6, eerste lid, van de Verordening wordt er ook subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

  • a.

    de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • b.

    de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

  • c.

    bijdragen in natura;

  • d.

    afschrijvingskosten zoals bedoeld in artikel 69 lid 2 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013;

  • e.

    personeelskosten.

Artikel 8 Niet subsidiabele kosten

Conform artikel 2.7.7. van de Verordening wordt géén subsidie verstrekt voor voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.

Artikel 9 Hoogte subsidie

  • 9.1

    De hoogte van de subsidie wordt bepaald conform artikel 2.7.8 van de Verordening.

  • 9.2

    Het te verstrekken subsidiebedrag per aanvraag bedraagt maximaal € 120.000,00 en minimaal € 50.000,00. De subsidieaanvraag wordt afgewezen indien het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 50.000,00 bedraagt.

Artikel 10 Rangschikking

  • 10.1

    Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking als bedoeld in artikel 1.15, derde lid, van de Verordening voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de volledig ingediende aanvragen op basis van de criteria zoals beschreven in artikel 2.7.9 van de Verordening en hieronder nader weergegeven. Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:

    • i.

      kosteneffectiviteit;

    • ii.

      haalbaarheid/kans op succes;

    • iii.

      mate van effectiviteit van de activiteit;

    • iv.

      mate van innovativiteit.

    i. Selectiecriterium: kosteneffectiviteit

    Kosteneffectiviteit wordt bepaald door de totaal aangevraagde subsidiabele kosten te relateren aan het effect op één of meerdere thema’s als vermeld bij artikel 3, tweede lid.

    Hierbij wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

    • hoogte kosten versus effect;

      • subsidiabele kosten in relatie tot de innovatieopgave;

      • potentieel toepassingsbereik in de landbouwsector.

    • relevantie kosten;

    • efficiënt gebruik kennis en arbeid.

    Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

    4 punten indien de kosteneffectiviteit op genoemde aspecten zeer goed is;

    3 punten indien de kosteneffectiviteit op genoemde aspecten goed is;

    2 punten indien de kosteneffectiviteit op genoemde aspecten gemiddeld is;

    1 punt indien de kosteneffectiviteit op genoemde aspecten onvoldoende is.

    ii. Selectiecriterium: haalbaarheid/Kans op succes

    De haalbaarheid/kans op succes wordt door verschillende aspecten beïnvloed.

    Afhankelijk van de subsidiabele activiteit (artikel 2, eerste lid) wordt bij dit criterium in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

    • kwaliteit plan voor samenwerking en/of ontwikkeling innovatie (randvoorwaarden, risicomanagement e.d.;

    • blijk van oriëntatie op haalbaarheid en voor handen kennis;

    • blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel;

    • kwaliteit versus breedte, samenstelling, kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverband.

    Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

    4 punten indien haalbaarheid/ de kans op succes gelet op genoemde aspecten zeer goed is;

    3 punten indien haalbaarheid/ kans op succes gelet op genoemde aspecten goed is;

    2 punten indien haalbaarheid /kans op succes gelet op genoemde aspecten gemiddeld is;

    1 punt indien de haalbaarheid/kans op succes gelet op genoemde aspecten onvoldoende is.

    iii. Selectiecriterium: mate van effectiviteit van de activiteit

    De mate van effectiviteit van de activiteit is gerelateerd aan bijdragen aan één of meerdere thema’s als vermeld in artikel 3, tweede lid en de meerwaarde van de samenwerking. Er wordt derhalve in samenhang gelet op de volgende aspecten:

    • meerwaarde beoogde innovatie voor betreffende thema;

    • bijdrage aan duurzame nieuwe samenwerkingsverbanden;

    • geschiktheid beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid/uitrol;

    • kwaliteit communicatieplan.

    Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

    4 punten indien de mate van effectiviteit van de activiteit zeer goed is;

    3 punten indien de mate van effectiviteit van de activiteit goed is;

    2 punten indien de mate van effectiviteit van de activiteit gemiddeld is;

    1 punt indien de mate van effectiviteit van de activiteit onvoldoende is.

    iv. Selectiecriterium: mate van innovativiteit

    Innovativiteit kan betrekking hebben op één of meerdere thema’s (artikel 3, tweede lid), de samenwerking of beiden. In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

    • technisch of sociaal grensverleggend karakter van de innovatie;

    • transitie karakter van de innovatie / bijdrage aan toekomstbestendige ‘duurzame landbouw’;

    • innovatieve waarde van het samenwerkingsverband;

    • toepassingsgebied.

    Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

    4 punten indien de mate van innovativiteit gelet op genoemde aspecten zeer goed is;

    3 punten indien de mate van innovativiteit gelet op genoemde aspecten goed is;

    2 punten indien de mate van innovativiteit gelet op genoemde aspecten voldoende is;

    1 punt indien de mate van innovativiteit gelet op genoemde aspecten matig is.

     

  • 10.2

    De selectiecriteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • criterium (i) kosteneffectiviteit heeft een wegingsfactor 2 (maximaal 8 punten);

    • criterium (ii) haalbaarheid/kans op succes heeft een wegingsfactor 2 (maximaal 8 punten);

    • criterium (iii) mate effectiviteit activiteit heeft een wegingsfactor 2 (maximaal 8 punten);

    • criterium (iv) innovativiteit heeft een wegingsfactor 3 (maximaal 12 punten).

    Criterium (iv) mate van innovativiteit heeft wegingsfactor 3. Innoveren is cruciaal voor de landbouwsectoren die voortdurend moeten blijven vernieuwen teneinde oplossingen te vinden voor een duurzame toekomst.

  • 10.3

    Totaal maximaal aantal te behalen punten is 36.

    Indien er met toepassing van de omschreven wegingsfactoren in totaal minder dan 20 punten worden behaald, wordt de aanvraag om subsidie afgewezen.

  • 10.4

    Gedeputeerde Staten stellen conform artikel 1.14 van de Verordening een Adviescommissie POP3 Limburg in voor de beoordeling en selectie van de projecten. Deze adviescommissie stelt een prioriteitenlijst op middels rangschikking door het toekennen van punten op grond van bovenstaande criteria en wegingsfactoren.

  • 10.5

    Indien het subsidieplafond wordt overschreden door meerdere aanvragen en de onderlinge rangschikking tussen de aanvragen gelijk is, dan zal een selectie tussen de betreffende projecten gemaakt worden door te kijken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan de hoogste weging is toegekend. Scoren projecten dan nog altijd gelijk, dan wordt gekeken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan de op één na hoogste weging is toegekend. Zijn er ook na toepassing van deze regels gelijkscorende projecten, dan zal overgegaan worden tot loting. De loting zal worden uitgevoerd door een beëdigd notaris.

Artikel 11 Verplichtingen aanvrager

Conform artikel 2.7.10 van de Verordening is de subsidieontvanger verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken en te verspreiden via de geëigende netwerken.

Artikel 12 Voorschotten

In aanvulling op artikel 1.23 van de Verordening kan er maximaal één keer per jaar een verzoek om een voorschot (op basis van realisatie) worden ingediend.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 15 juni 2017 en heeft een looptijd tot einde POP3 periode.

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

dhr. drs. Th.J.F.M. Bovens

de secretaris,

dhr. drs. G.H.E. Derks MPA

TOELICHTING

Algemeen

Voor een toekomstbestendige landbouw zijn samenwerkingsvormen nodig die het rendement en het imago van de primaire sector, maar ook de leefomgevingskwaliteit verbeteren. Het gaat om innovatie en cross-overs die leiden tot meerwaardecreatie, kosten verlaging en beter risicobeheer en tevens bijdragen aan de realisatie van maatschappelijke opgaven.

 

Voor de bevordering van de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw zijn bruggen nodig tussen kennis en technologie met betrekking tot onderzoek enerzijds en landbouwers, bedrijven (ketens), ngo's bosbeheerders, plattelandsgemeenschappen, en adviesdiensten anderzijds. Daarbij gaat het om innovatie en modernisering van de agrarische sector rond in onderstaand kader vermelde thema’s.

 

Om dit te realiseren wordt de oprichting bevorderd van projectgerichte samenwerkingsverbanden. De beoogde samenwerkingsverbanden werken op projectbasis aan een innovatieopgave die een antwoord moet geven aan een concrete vraag of kans uit de praktijk. Daarbij gaat het om de uitvoering van een gezamenlijke innovatieproject door een samenwerkingsverband.

 

Het betreft met name het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties, met als doel dat die uiteindelijk deel uit gaan maken van een groter ontwikkelingsproces dat gericht is op grootschalige toepassing ervan in de praktijk. Dit proces kan bijvoorbeeld gestart worden door kleine actieve samenwerkingsverbanden (living labs) met een schil van koplopers (early adapters). Zolang de activiteiten nog gericht zijn op het praktijkrijp maken van de kennis en innovatie, vallen ze onder deze paragraaf. Waar wanneer het gaat om het doelgericht communiceren c.q. kennisuitwisselen over en demonstreren van reeds praktijkrijpe (beproefde) innovaties vallen ze onder paragraaf 1 ‘Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties’.

 

Nb. Het belangrijkste verschil met paragraaf 8 (Samenwerking voor innovatie (in het kader van EIP) is dat de samenwerkingsverbanden zich bij paragraaf 8 dienen aan te melden bij en gebruik kunnen maken van het landelijke en Europese EIP-netwerk voor de bevordering van de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Bij paragraaf 8 worden deze samenwerkingsverbanden operationele groepen (OG’s) genoemd.

 

Het gaat om innovaties die betrekking hebben op een of meer van onderstaande thema’s uit de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) Limburg:

 

a) verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaardestrategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen, meerwaardecreatie;

b) beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen, verminderen van marktfalen;

c) geringer grondstoffengebruik en/of een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en/of grond- en oppervlaktewater (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en/of minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid);

d) klimaatmitigatie;

e) klimaatadaptatie;

f) verbetering van dierenwelzijn/diergezondheid en/of verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

g) behoud en versterking van de biodiversiteit en/of de omgevingskwaliteit.

 

Het ‘Investeringsprogramma Limburgse Land- en Tuinbouw Loont 2 (LLTL2)’ is een doorontwikkeling van beleidskader Limburgse Land- en tuinbouw Loont (LLtL1) uit 2013. Het motto van LLTL is ‘In 2025 is ieder Limburgs land- en tuinbouwbedrijf een lust voor haar omgeving’. Middels het programma LLTL2 worden de komende jaren vier investeringen aangescherpt in lijn met de doelen van het Coalitieakkoord ‘In Limburg bereiken we meer’.

  • 1)

    ruim baan voor voorlopers en doorontwikkelaars;

  • 2)

    meerwaarde voor de omgeving;

  • 3)

    perspectief voor ondernemers;

  • 4)

    fundament voor ontwikkeling.

Samenwerking is, nog meer dan in het verleden, de katalysator om te bereiken dat de land- en tuinbouw voor Limburg een factor van belang kan blijven. Voor de toekomst van de land- en tuinbouw is de blijvende afname van het aantal primaire bedrijven, de productie- en kennisinfrastructuur en toenemende diversificatie in markten (o.a. biologisch), producten en diensten relevant. Vergrijzing, veranderde eisen en regels, milieu, duurzame toekomst en marktdynamiek leggen bovendien een extra druk op de bedrijfsvoering. Bij nadere uitwerking hiervan is er bijzondere aandacht voor biologische landbouw.

 

De speerpunten van deze vier investeringslijnen zijn gelinkt aan de relevante thema’s van POP3. Het Aanvalsplan Asbest en Energie biedt net als het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL-2014) ook aanknopingspunten voor de thema’s. Een aanvraag zal in relatie tot de selectiecriteria duidelijk moeten beschrijven en beargumenteren hoe bij te dragen aan provinciaal beleid.

 

Op de provinciale website www.limburg.nl zijn de betreffende beleidsdocumenten beschikbaar.

Subsidiabele activiteiten (artikel 3)

Een aanvraag die zich uitsluitend richt op het oprichten van een projectmatig samenwerkingsverband (a) komt niet voor subsidie in aanmerking. Het is wel mogelijk om subsidie aan te vragen om (b) gezamenlijk een projectplan te formuleren óf (c) om een innovatieproject uit te gaan voeren. Ook komen aanvragen in aanmerking die een van volgende combinatie’s omvatten:

(a)+(b)

(b)+(c)

(a)+(c)

(a)+(b)+(c)

Aanvraag (artikel 6)

De volgende bijlagen dienen additioneel toegevoegd te worden bij de aanvraag, Voor uitleg wordt verwezen naar het Handboek subsidies POP3: zie de website www.limburg.nl/subsidies, Actuele subsidieregelingen, Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 2014–2020 (POP3);

  • bewijsstukken MKB-bedrijf/agrarische onderneming (verplicht);

  • onderbouwing/specificatie van de begroting (verplicht);

  • bewijsstukken begroting/offertes. Indien niet aanwezig aangeven waar de bedragen op gebaseerd zijn (verplicht);

  • toezegging overige financiers of aangeven dat financiering is aangevraagd en daar de stand van zaken van (indien van toepassing);

  • ten aanzien van de ‘verklaring géén financiële moeilijkheden’ (door ondertekening van het aanvraagformulier) moet de jaarrekening worden bijgevoegd (indien van toepassing);

  • samenwerkingsovereenkomst, voorbeeld op website (indien van toepassing);

  • bewijsstukken machtiging (indien van toepassing);

  • vergunningen. Indien de vergunningen niet aanwezig zijn dient toegelicht te worden waarom deze ontbreken (indien van toepassing);

  • documenten ten aanzien van de aanbesteding (indien van toepassing);

  • verklaring belastingdienst inzake niet verrekenbare danwel niet compensabele btw (indien van toepassing).

Rangschikking (artikel 10)

De selectiecriteria zijn een belangrijk sturingsinstrument waarmee de nodige accenten kunnen worden aangebracht om in te spelen op de regionale en lokale context. De selectiecriteria zijn ingesteld om een gelijke en transparante behandeling van de aanvragen mogelijk te maken. De criteria dragen bij aan een zo goed mogelijk gebruik en doelbereik van de financiële middelen.

De aanvragen vinden plaats middels een tender met een sluitingsdatum. Alle aanvragen die tijdig binnen zijn worden eerst getoetst op ontvankelijk- en compleetheid. Vervolgens worden de aanvragen op basis van hun scores op de selectiecriteria gerangschikt door een door Gedeputeerde Staten ingestelde Adviescommissie van hoog naar laag. Wanneer het totaal van goedgekeurde aanvragen een groter beslag legt op de beschikbare middelen (subsidieplafond) krijgen aanvragen met de meeste punten voorrang (ranking). Aanvragen die niet gehonoreerd kunnen worden vanwege gebrek aan middelen, kunnen in de opvolgende tender opnieuw worden ingediend, mits deze aan de dan geldende nadere regels voldoen.

 

 

Selectiecriterium

Weging

Te behalen punten

Maximaal te behalen punten

Te behalen minimumscore

1

Kosteneffectiviteit

2

1–4

8

Minimaal 55% van het maximaal te behalen punten

2

Kans op succes/haalbaarheid1

2

1–4

8

3

Mate van effectiviteit van de activiteit2

2

1–4

8

4

Mate van innovativiteit3

3

1–4

12

 

 

 

 

36

20

 


1

Kans op succes/haalbaarheid

Oprichting samenwerkingsverband (a) en/of de ontwikkeling van een projectplan (b)

Hier wordt de ‘kans op succes’ gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen een werkbare en vruchtbare samenwerking tot stand te brengen, inclusief goede afspraken over taken en verantwoordelijkheden en over lasten en lusten met betrekking tot de beoogde innovatie en er in slagen om de beoogde innovatie goed scherp te krijgen in termen van technische en organisatorische haalbaarheid en in termen van marktmogelijkheden (behoefte). Of hierover goed is nagedacht blijkt uit de kwaliteit van het projectplan en van het beoogde samenwerkingsverband zelf: het aantal deelnemers dat aan de samenwerking meewerkt, de verdeling van die deelnemers over de verschillende ketenpartijen, de ‘kwaliteit’ van de deelnemers in relatie tot de beoogde innovatie.

Ontwikkelen innovatie (c):

Hier wordt de ‘kans op succes’ gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen de beoogde innovatie uit te werken. Dit betekent niet dat het innovatieproject ook moet slagen. Het samenwerkingsverband bestaat (al) en heeft een haalbare innovatie geïdentificeerd. Activiteiten betreffen uitwerking naar technische specificaties, bouwen, uitwerken businessplan, proefopstelling. Ook onderdelen die betrekking hebben op kennisoverdracht en/of marktintroductie (eerste uitrol) kunnen onderdeel zijn van de aanvraag.

2

Mate van effectiviteit van de activiteit

Bij samenwerking gaat het niet alleen om het effect van de innovatie, maar ook om de meerwaarde van het samenwerkingsproces, dat leidt tot meer kennisdeling (regionaal, nationaal, internationaal) en het ontstaan van nieuwe innovatie-verbindingen (zoals cross-overs tussen meerdere sectoren) en ketens.

3

Innovativiteit

Innovativiteit kan betrekking hebben op – één of meerdere thema(s), – de samenwerking of op beide.

Voor de beoordeling van de innovativiteit van het thema (beoogde innovatie) gaat het om de meerwaarde die de innovatie te weeg kan brengen. Betreft de beoogde innovatie slechts een geringe aanpassing van een bestaand product (of dienst, proces, procedé enz), dan worden er minder punten toegekend. Betreft de beoogde innovatie een geheel of vrijwel geheel nieuw product, dan worden meer punten toegekend.

Bij de beoordeling van de innovativiteit van het samenwerkingsproces wordt gekeken in hoeverre de voorgestelde samenwerking NIEUWE verbanden / verbintenissen tot stand brengt. Hoe meer gangbaar de samenwerking tussen de partijen is, hoe minder punten er zullen worden toegekend.