Provinciaal blad van Limburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LimburgProvinciaal blad 2017, 1845Verordeningen



Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014

Artikel I

 

De Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt als volgt gewijzigd:

 

Inhoudsopgave

A

 

In de inhoudsopgave wordt de tekst van <<Hoofdstuk 3 Veehouderijen en Natura 2000>> vervangen door:

 

Hoofdstuk 3 Natuur

§ 3.1 Veehouderijen en Natura 2000

§ 3.2 Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen

§ 3.3 Houtopstanden

§ 3.4 Faunabeheereenheden

§ 3.5 Wildbeheereenheden

§ 3.6 Faunabeheerplan

§ 3.7 Faunaschade

§ 3.8 Vrijstellingen beschermde diersoorten

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

B

 

Artikel 1.1.1 Algemene begripsbepaling komt te luiden:

Hoofdstuk 3 Natuur

C

 

De titel van Hoofdstuk 3 <<Veehouderijen en Natura 2000>> vervalt en komt te luiden:

 

Natuur

D

 

De titel van paragraaf 3.1 komt te luiden:

 

Veehouderijen en Natura 2000

 

E

 

De paragrafen 3.2 tot en met 3.8 komen te luiden:

 

Paragraaf 3.2 Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen

 

Artikel 3.2.1 Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen

Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen:

  • a.

    het weiden van vee en

  • b.

    het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Paragraaf 3.3 Houtopstanden

 

Artikel 3.3.1 Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 5 hectare.

 

Artikel 3.3.2 Melding van een voorgenomen velling

  • 1.

    Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bevat in ieder geval:

    • a.

      naam-, adres- en woonplaatsgegevens, contactgegevens en indien van toepassing bedrijfsgegevens van de melder. Indien de melder niet de eigenaar is, ook voorgenoemde gegevens van de eigenaar;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      gegevens over de te kappen houtopstand:

      • topografische en kadastrale locatie;

      • de oppervlakte van de velling, en indien relevant het aantal bomen;

      • de boomsoort, de leeftijd;

    • d.

      de reden van de velling.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen, wanneer zij dat nodig achten voor een goede uitvoering van de Wet natuurbescherming, aanvullende gegevens bij een melding eisen.

  • 3.

    Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt niet anders gedaan dan via een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld formulier.

Artikel 3.3.3 Termijnen melding

  • 1.

    Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming wordt niet minder dan 6 weken voorafgaand aan de velling gedaan en niet langer dan 1 jaar voorafgaand aan de velling.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere omstandigheden de melder toestaan om eerder dan 6 weken na melding te starten met de velling. Bijzondere omstandigheden zijn in elk geval:

    • a.

      noodvellingen van bomen die acuut gevaar opleveren voor de omgeving;

    • b.

      andere door Gedeputeerde Staten in beleidsregels te duiden gevallen.

Artikel 3.3.4 Eisen aan herbeplantingen

Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de Wet natuurbescherming voldoet in elk geval aan de volgende eisen:

  • a.

    de herbeplante houtopstand kan op termijn ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijk waarden vertegenwoordigen;

  • b.

    de nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;

  • c.

    de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 à 10 jaar na herbeplanting een gesloten kronendak vormen;

  • d.

    er wordt geen gebruik gemaakt van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de biologische diversiteit ter plaatse;

  • e.

    herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming;

  • f.

    de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte.

Artikel 3.3.5 Eisen aan herbeplanting op andere grond

  • 1.

    Herbeplanting op andere grond wordt niet toegestaan als het één of meer van de volgende gevallen betreft:

    • a.

      de gevelde houtopstand betreft een landschapselement of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie;

    • b.

      indien hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt;

    • c.

      indien de gevelde houtopstand deel uitmaakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming;

    • d.

      indien de gevelde houtopstand naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een oude bosgroeiplaats betreft waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt herbeplanting op andere grond wel toegestaan als de houtopstand moet wijken om een werk overeenkomstig een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.1.1 van deze verordening, een provinciaal inpassingsplan of een rijksinpassingsplan mogelijk te maken. Hierbij gelden tevens de vereisten uit deze verordening (artikel 2.6.3, artikel 2.7.2, eerste lid, en artikel 2.8.2, eerste lid).

  • 3.

    Herbeplanting op andere grond voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      de aanplant is bosbouwkundig verantwoord als bedoeld in artikel 3.3.4;

    • b.

      de herbeplanting vindt plaats binnen de provincie Limburg;

    • c.

      de andere grond is onbeplant en vrij van herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming;

    • d.

      de andere grond is vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die ontstaan zijn uit hoofde van andere wet- en regelgeving én die het gevolg zijn van andere vellingen;

    • e.

      beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming eisen stellen aan de te gebruiken soorten, verschijningsvorm, locatie en oppervlakte.

  • 5.

    Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de vereisten in de artikelen 3.3.4 en 3.3.5. Hieraan kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 3.3.6 Vrijstelling meldplicht

Provinciale Staten verlenen vrijstelling van het bepaalde in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, voor het kappen van gaten voor bosverjonging en ten behoeve van structuurvariatie indien deze

  • a.

    niet groter zijn dan 1500 m2, en

  • b.

    de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 10% van de oppervlakte van de houtopstand beslaat, en

  • c.

    indien het kappen maximaal 1 keer per 4 jaar plaatsvindt.

 

Artikel 3.3.7 Vrijstelling herbeplantingsplicht

Provinciale Staten verlenen vrijstelling van het bepaalde in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming voor de volgende gevallen:

  • a.

    oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn;

  • b.

    het tenietgaan van houtopstanden in de volgende gevallen:

    • vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;

    • op natuurlijke wijze tenietgaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen;

    • tenietgaan door vraat van bevers (Castor fiber).

 

Paragraaf 3.4 Faunabeheereenheden

 

Artikel 3.4.1 Eisen aan de faunabeheereenheid

  • 1.

    In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan.

  • 2.

    De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht:

    • a.

      hebben een oppervlakte van ten minste 5000 hectare, gelegen binnen de provincie Limburg;

    • b.

      vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van het samenwerkingsverband en

    • c.

      zijn aaneengesloten.

  • 3.

    Het werkgebied van de faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt of over de provinciegrens.

Artikel 3.4.2 Samenstelling bestuur

  • 1.

    In het bestuur van de faunabeheereenheid zijn drie bestuurszetels beschikbaar ten behoeve van de vertegenwoordiging van verschillende maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort.

  • 2.

    De faunabeheereenheid draagt zelf zorg voor de werving van haar bestuur en de afstemming met de organisaties die in het bestuur zijn vertegenwoordigd.

Paragraaf 3.5 Wildbeheereenheden

 

Artikel 3.5.1 Eisen en begrenzing werkgebied

  • 1.

    De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een oppervlakte van ten minste 5000 hectare binnen de provincie Limburg; dit gebied is aaneengesloten.

  • 2.

    Wildbeheereenheden die niet kunnen voldoen aan de in het eerste lid genoemde eisen gaan met betrekking tot de uitvoering van de wettelijke taken van de wildbeheereenheid een samenwerkingsovereenkomst aan met een naburige wildbeheereenheid, zodanig dat ze gezamenlijk voldoen aan deze eisen.

  • 3.

    Het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt. De wildbeheereenheid publiceert de begrenzing van het werkgebied op het internet, eventueel door tussenkomst van de faunabeheereenheid.

Artikel 3.5.2 Tijdelijke ontheffing eisen werkgebied

Gedeputeerde Staten kunnen – als overgangsmaatregel – ontheffing verlenen van de eisen in artikel 3.5.1, eerste lid.

 

Artikel 3.5.3 Gegevensverzameling

De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.

 

Artikel 3.5.4 Verplichte aansluiting jachthouders met een jachtakte

  • 1.

    Jachthouders met een jachtakte van een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, dienen lid te zijn van deze wildbeheereenheid.

  • 2.

    Wildbeheereenheden bieden ook toegang tot het lidmaatschap aan grondgebruikers, terreinbeheerders, jachtaktehouders die geen jachthouder zijn en jachthouders zonder jachtakte.

  • 3.

    Tot de grondgebruikers en beheerders, bedoeld in het tweede lid, worden in ieder geval gerekend: Stichting het Limburgs Landschap, Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten, Ark Natuurontwikkeling, de waterschappen en de gemeenten, voor zover deze belangen hebben binnen het werkgebied van de wildbeheereenheid.

  • 4.

    De wildbeheereenheid voert ten minste eenmaal per jaar overleg met beheerders en grondgebruikers in het werkgebied, op initiatief van de wildbeheereenheid, waarbij het faunabeheer wordt afgestemd.

  • 5.

    Van het overleg, bedoeld in het vierde lid, wordt een verslag gezonden aan de faunabeheereenheid.

Artikel 3.5.5 Beëindiging lidmaatschap

Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan door het bestuur van de wildbeheereenheid worden opgezegd of geweigerd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.

 

Artikel 3.5.6 Geschillenregeling

De wildbeheereenheden stellen een gezamenlijke geschillenregeling in. Deze geschillenregeling voorziet in ieder geval in de behandeling van geschillen die voortkomen uit bestuursbesluiten zoals bedoeld in artikel 3.5.5 en de behandeling van geschillen welke voortvloeien uit het proces tot vorming van samenwerkingsverbanden zoals bedoeld in artikel 3.5.1, tweede lid, of andere geschillen inzake de begrenzing van wildbeheereenheden.

 

Paragraaf 3.6 Faunabeheerplan

 

Artikel 3.6.1 Reikwijdte faunabeheerplan

Het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.

 

Artikel 3.6.2 Geldigheidsduur en wijzigen faunabeheerplan

  • 1.

    In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren heeft.

  • 2.

    De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan verlengen.

Artikel 3.6.3 Algemene eisen aan een faunabeheerplan

Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

  • b.

    een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

  • c.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en/of schadebestrijding en/of de uitoefening van de jacht wordt voorgesteld, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar, gebaseerd op trendtellingen, inventarisaties of onderbouwde schattingen;

  • d.

    een beschrijving van preventieve maatregelen die worden genomen om schade te voorkomen;

  • e.

    voor zover van toepassing op de betreffende diersoort, gegevens over het aantal dieren dat is gedood op grond van het voorafgaande faunabeheerplan, gespecificeerd per soort en per jaar.

Artikel 3.6.4 Eisen aan een faunabeheerplan inzake populatiebeheer en schadebestrijding

Het faunabeheerplan bevat inzake populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer en schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°, en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet natuurbescherming die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan;

  • b.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel a bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen, waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;

  • c.

    de gewenste stand van de diersoorten waarvoor populatiebeheer geldt, gerelateerd aan de op grond van artikel 3.6.3 verzamelde populatiegegevens;

  • d.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel c, te bereiken of om schade te voorkomen;

  • e.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel b, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel a bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • f.

    voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren evenals de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende gebieden;

  • g.

    een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • h.

    voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen;

  • i.

    een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

Artikel 3.6.5 Eisen aan een faunabeheerplan inzake jacht

Het faunabeheerplan bevat inzake jacht ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    een beschrijving van de maatregelen die de jachthouder kan nemen om de redelijke wildstand te handhaven of te bereiken;

  • b.

    een beschrijving van de maatschappelijke doelstellingen die met de jacht op de betreffende soort worden gediend.

Artikel 3.6.6 Afschotvrij natuurgebied

In het faunabeheerplan dient één natuurgebied te worden aangewezen dat in principe afschotvrij wordt verklaard.

 

Artikel 3.6.7 Goedkeuring

  • 1.

    Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 3.6.1 tot en met 3.6.6.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid.

Artikel 3.6.8 Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze paragraaf buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

Paragraaf 3.7 Faunaschade

 

Artikel 3.7.1 Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg;

  • taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.

Artikel 3.7.2 De aanvraag om tegemoetkoming

  • 1.

    Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier met bijlagen.

  • 2.

    De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

  • 3.

    Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 3.7.3 Taxatie van de schade

  • 1.

    De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.

  • 2.

    Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen 8 werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.

Paragraaf 3.8 Vrijstellingen beschermde diersoorten

 

Artikel 3.8.1 Vrijstelling bestrijding schadeveroorzakende dieren

  • 1.

    Als soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage I van deze paragraaf.

  • 2.

    In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het de grondgebruiker toegestaan om de in bijlage I van deze paragraaf aangewezen soorten opzettelijk te doden, te vangen, en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen op de door hem gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.

  • 3.

    De in het tweede lid genoemde vrijstellingen worden verleend ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom.

  • 4.

    Uitvoering van de in het tweede lid bedoelde handelingen vindt plaats overeenkomstig het door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming goedgekeurde faunabeheerplan.

  • 5.

    Aan de vrijstellingen zijn de volgende beperkingen en voorschriften verbonden:

    • a.

      de vrijstellingen gelden enkel voor het gebruik van de in bijlage I bij de betreffende soort genoemde middelen en onder de hierin genoemde voorschriften en beperkingen;

    • b.

      indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming de vrijstelling door een ander laat uitoefenen, dient die persoon gedurende die uitoefening de door de grondgebruiker afgegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten kunnen de werking van dit artikel geheel of gedeeltelijk opschorten indien bijzondere weersomstandigheden hier naar hun oordeel aanleiding toe geven.

 

Artikel 3.8.2 Vrijstelling bestrijding overlast door dieren binnen bebouwde kom door gemeenten

  • 1.

    Als soorten als bedoeld in artikel 3.16, derde lid, van de Wet natuurbescherming worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage II bij deze paragraaf.

  • 2.

    In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het aan gemeenten toegestaan om van de in bijlage II aangewezen soorten ten behoeve van het bestrijden van overlast de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen binnen de bebouwde kom der gemeenten.

  • 3.

    Gemeenten kunnen de overlastbestrijding bedoeld in het tweede lid laten uitvoeren door eigen medewerkers of laten uitvoeren door anderen.

  • 4.

    De in het eerste lid genoemde vrijstellingen gelden enkel onder de in bijlage II genoemde voorschriften en beperkingen.

 

Artikel 3.8.3 Vrijstelling ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud

  • 1.

    In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, van de Wet natuurbescherming is het aan eenieder toegestaan om de in bijlage III bij dit artikel aangewezen soorten te vangen en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

  • 2.

    De soorten bedoeld in het eerste lid mogen worden gevangen met behulp van schepnetten, schermen, vangemmers, vangkooien en kastvallen.

  • 3.

    Het vangen van dieren bedoeld in het eerste lid is slechts toegestaan wanneer het niet redelijkerwijs mogelijk is om de dieren te verdrijven van de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden.

  • 4.

    De in het eerste lid genoemde vrijstellingen gelden ten behoeve van de volgende belangen:

    • a.

      in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

    • b.

      in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

    • c.

      in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

    • d.

      in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

  • 5.

    De vrijstellingen gelden gedurende de periode genoemd in bijlage III bij de betreffende soort.

 

Artikel 3.8.4 Eén op één-methode wilde zwijnen

  • 1.

    In afwijking van artikel 3.33, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het doden van wilde zwijnen toegestaan door middel van een methode, waarbij één persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven.

  • 2.

    Bij gebruikmaking van de in het eerste lid genoemde vrijstelling is het inzetten van honden niet toegestaan.

  • 3.

    De toepassing van de methode bedoeld in het eerste lid vindt alleen plaats wanneer deze zijn voorzien in het door Gedeputeerde Staten conform artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming goedgekeurde faunabeheerplan.

  • 4.

    Bij de toepassing van de methode bedoeld in het eerste lid dient te worden gehandeld conform een door de faunabeheereenheid vast te stellen veiligheidsprotocol.

Artikel 3.8.5 Amfibieën veilig stellen tegen het verkeer

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder a, artikel 3.5, eerste lid, en artikel 3.6, tweede lid, van de Wet natuurbescherming gelden de verboden op het opzettelijk vangen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort en de verboden op het vervoeren en onder zich hebben van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort niet ten aanzien van beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

Artikel 3.8.6 Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, eerste, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming geldt het verbod van het rapen en onder zich hebben van eieren en het vangen en onder zich hebben van niet vliegvlugge jongen van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming niet voor zover dit geschiedt ten behoeve van activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van niet vliegvlugge jonge vogels tegen landbouwwerkzaamheden.

  • 2.

    De op grond van het eerste lid gevangen niet vliegvlugge jongen worden onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden bedoeld in het eerste lid weer in vrijheid gesteld.

Artikel 3.8.7 Vrijstellingen voor onderzoek en onderwijs

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2, zesde lid, van de Wet natuurbescherming gelden de verboden op het vervoeren en onder zich hebben niet ten aanzien van braakballen en losse veren afkomstig van beschermde vogelsoorten.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts als het vervoer of het onder zich hebben geschiedt met het oog op gebruik van deze producten bij onderzoek en onderwijs.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het vangen niet ten aanzien van de Meerkikker en Middelste groene kikker, de Bruine kikker en de Gewone pad alsmede ten aanzien van het bemachtigen van eieren van deze soorten, voor zover dit geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek en onderwijs.

  • 4.

    De in het derde lid genoemde vrijstelling geldt niet ten aanzien van dieren waarvan de metamorfose is voltooid.

Artikel 3.8.8 Wijzigen bijlagen

Gedeputeerde Staten kunnen de bijlagen I, II en III bij deze paragraaf wijzigen.

 

Hoofdstuk 8 Ontheffingen en meldingen

F

 

Artikel 8.1.5 Ontheffingen hoofdstuk 2 komt te luiden:

  • 1.

    De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op ontheffingen als bedoeld in artikel 2.1.2.

  • 2.

    De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op ontheffingen als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze verordening.

Hoofdstuk 9 Nadeelcompensatie

G

 

Artikel 9.1.1 Toepasselijkheid komt te luiden:

Bijlagen

H

 

De bijlagen behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 worden aangevuld met de navolgende bijlagen:

 

Bijlage I bij paragraaf 3.8 : Bestrijding schadeveroorzakende dieren

 

Veldmuis

Molmuis

 

Voorschriften

  • 1.

    Het doden van veldmuizen en molmuizen vindt plaats met behulp klemmen of met een rodenator.

  • 2.

    Het gebruik van klemmen die niet direct dodelijk zijn, zoals pootklemmen, is niet toegestaan.

  • 3.

    Het opstellen van klemmen gebeurt zodanig dat de vangst van andere beschermde diersoorten zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Bijlage II bij paragraaf 3.8 : Bestrijding overlast door dieren binnen bebouwde kom door gemeenten

 

Steenmarter

 

Voorschriften

  • 1.

    De overlastbestrijding dient te worden uitgevoerd door personen die met goed gevolg de cursus steenmarter van het Kennis en adviescentrum dierplagen hebben gevolgd of zijn aangesloten bij het netwerk steenmarteroverlast van Stichting IKL.

  • 2.

    Voor het verstoren van verblijfplaatsen mag gebruik worden gemaakt van werende middelen zoals geurstoffen of ultrasoon geluid.

  • 3.

    De gebruiker van de vrijstelling dient zich ervan te vergewissen dat bij het afsluiten van de toegang van steenmarters in gebouwen er geen steenmarters worden opgesloten in het gebouw.

Bijlage III bij paragraaf 3.8 : Vrijstelling dieren bij ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud

Nederlandse Naam

periode

bruine kikker

gehele jaar

gewone pad

gehele jaar

kleine watersalamander

gehele jaar

meerkikker

gehele jaar

middelste groene kikker

gehele jaar

hazelworm

juli, augustus en september

levendbarende hagedis

15 augustus tot en met 15 oktober

aardmuis

gehele jaar

bosmuis

gehele jaar

bunzing

gehele jaar

dwergmuis

gehele jaar

dwergspitsmuis

gehele jaar

eekhoorn

maart–april en juli tot en met november

egel

gehele jaar

gewone bosspitsmuis

gehele jaar

haas

gehele jaar

hermelijn

gehele jaar

huisspitsmuis

gehele jaar

konijn

gehele jaar

ondergrondse woelmuis

gehele jaar

ree

gehele jaar

rosse woelmuis

gehele jaar

steenmarter

van 15 augustus tot en met februari

tweekleurige bosspitsmuis

gehele jaar

veldmuis

gehele jaar

vos

gehele jaar

wezel

gehele jaar

woelrat

gehele jaar

molmuis

Gehele jaar

Kaarten

I

 

Kaart 7 <<Veehouderijen en Natura 2000>> behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt vervangen door:

Kaart 7 <<Natuurbescherming>>.

Artikel II

Algemeen

A

 

Aan de toelichting bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt onder Algemeen een nieuw tekstblok toegevoegd, luidende:

 

Implementatie van de nieuwe Wet natuurbescherming

Dit betekent een onderverdeling naar paragrafen binnen hoofdstuk 3, waarbij de reeds bestaande artikelen worden ondergebracht in een eerste paragraaf 3.1, en extra paragrafen worden toegevoegd voor nieuwe regelgeving op grond van nieuwe wettelijke taken en bevoegdheden voor de Provincie.

De naamgeving van hoofdstuk 3 wordt aangepast.

Paragraafgewijs

B

 

De toelichting bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 Hoofdstuk 3 Veehouderijen en Natura 2000 krijgt als titel Hoofdstuk 3 Natuur. Direct daaronder wordt als tussentitel toegevoegd:

Paragraaf 3.1 Veehouderijen en Natura 2000.

 

Direct daaronder wordt de passage toegevoegd, luidende:

 

Toelichting wijziging december 2016

De paragraaf Veehouderijen en Natura 2000 wordt vanaf de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming gebaseerd op artikel 2.4, derde lid, van die wet. De regeling blijft verder ongewijzigd.

C

 

Achter de bestaande toelichting van hoofdstuk 3 wordt de volgende toelichting ingevoegd:

 

Paragraaf 3.2 Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen

D

 

Algemene toelichting

Deze vrijstelling ziet op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen van organische en dierlijke meststoffen en kunstmest.

Het Europese en nationaal wettelijk kader bieden hiervoor voldoende mogelijkheid.

 

In artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is een verbod opgenomen om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, of in uitzonderingsgevallen de minister van Economische Zaken, handelingen te verrichten of projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

 

Op grond van de Wet natuurbescherming zou voor het in de wei laten lopen van vee of voor het uitrijden van mest in de buurt van een Natura 2000-gebied een vergunning moeten worden verleend. In de praktijk is dit niet gewenst. Daarom voorzien we via deze paragraaf in een vrijstelling voor het in de weide laten lopen van vee en het uitrijden van mest.

 

Zoals in de nota van toelichting bij de wijziging van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 uitvoerig is onderbouwd, leidt de vrijstelling voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen niet tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden, gegeven de uitvoering van het Programma Aanpak Stikstof en algemene tendensen (plafonnering mestgebruik door mestgebruiksnormen, regels over de aanwending van meststoffen, de voorziene verdere aanscherping van deze normen en regels, de afname van het landbouwareaal, en de stabilisering van de weidegang op het niveau van 2012). Dat geldt ook voor de vrijstelling als opgenomen in artikel 3.2.1 van deze paragraaf. Inmiddels is ook voorzien in de invoering van een stelsel van fosfaatrechten voor melkvee per 1 januari 2017, waardoor een afname van de rundveestapel zal plaatsvinden. Er is derhalve voldaan aan artikel 2.9, vierde lid, van de Wet natuurbescherming. Het stellen van nadere voorwaarden waaraan de vrijgestelde activiteiten moeten voldoen is dan ook niet noodzakelijk.

 

Paragraaf 3.3 Houtopstanden

E

 

Algemene toelichting

Het doel van het onderdeel bossen in de Wet natuurbescherming is het in stand houden van het Nederlands bosareaal. Dit is van belang om te kunnen voldoen aan internationale verdragen op het gebied van klimaat, duurzame houtproductie en houthandel en biologische diversiteit.

Bossen worden gezien als belangrijke plaatsen voor CO2 opslag, die CO2 duurzaam kunnen vastleggen en de gevolgen van klimaatverandering kunnen beperken. Daarnaast zorgen ze voor houtproductie en vormen ze een belangrijk leefgebied van veel beschermde en bedreigde soorten.

 

Deze paragraaf geeft invulling aan de aan Provinciale Staten toekomende bevoegdheden. Deze zijn beperkt tot de bossen en houtopstanden waarop hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming ziet. De Wet natuurbescherming kent een aantal uitzonderingen, geformuleerd in de artikelen 4.1 en 4.4 van de wet. Deze paragraaf is daarop niet van toepassing.

 

In een afzonderlijke beleidsregel zal worden uitgewerkt hoe Gedeputeerde Staten de haar toekomende bevoegdheden voor houtopstanden, zoals het kapverbod en ontheffingsmogelijkheden, zal inzetten.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Definitie boskern (artikel 3.3.1)

De term wordt ook in de Wet natuurbescherming gebruikt maar niet gedefinieerd. Er wordt gekozen om aan te sluiten bij de definitie die de Boswet ook hanteerde. We beschouwen een houtopstand als ‘aaneengesloten’ als bomen elkaar beïnvloeden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij beschaduwing van kronen.

 

Melding van een voorgenomen velling (artikel 3.3.2)

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen zonder voorafgaande melding daarvan bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten dienen zich aan de hand van de gegevens die de initiatiefnemer verstrekt een goed beeld te kunnen vormen van de aard en omvang van de houtopstand en de reden van de velling, zodat kan worden beoordeeld of een velling kan worden toegestaan. Gedeputeerde Staten zullen een formulier vaststellen waarin de genoemde gegevens verwerkt kunnen worden. Daarbij zullen we digitaal indienen ook mogelijk maken.

 

Termijnen melding (artikel 3.3.3)

Gedeputeerde Staten beoordelen binnen de termijn van zes weken of de velling is toegestaan of dat zij een verbod opleggen ingevolge artikel 4.2, derde lid, van de Wet natuurbescherming. Na die termijn mag, zonder tegenbericht, de houtopstand geveld worden. Er zijn bijzondere omstandigheden denkbaar waarin een velling niet kan wachten. Het is mogelijk om af te wijken van de termijn van zes weken. Dergelijke gevallen kunnen bijvoorbeeld noodvellingen na storm of ijzel zijn. In bijzondere omstandigheden geldt dit ook voor bomen die alleen geveld kunnen worden als er sprake is van bijzondere terreinomstandigheden, zoals droogte of vorst. Gedeputeerde Staten zullen dit in beleidsregels nader duiden. Gedeputeerde Staten zullen tevens een formulier vaststellen waarmee de toestemming om af te wijken van de reguliere wachttermijn kan worden aangevraagd.

 

Eisen aan herbeplantingen (artikel 3.3.4)

Het doel van deze regels is om aan de hoofddoelstelling van de Wet natuurbescherming, om het bosareaal kwalitatief en kwantitatief in stand te houden, te voldoen. Daarbij wordt gelet op de doelstellingen die de betreffende houtopstand kent.

Van belang is dat de houtopstand op de betreffende locatie en voor de eigenaar een goede functievervulling kent voor een of meer van de functies natuur, landschap, houtproductie en recreatie. Gelet op deze punten verdient het begrip ‘bosbouwkundig verantwoord’ om breed uitgelegd te worden. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundige kwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde.

De Boswet stelde in de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 1958–1959, kamerstuknummer 5308 ondernummer 3) dat de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in verhouding diende te staan tot het gevelde. Deze koppeling wordt nu ook weer aangebracht. Derhalve is in artikel 3.3.4, onder a, van deze paragraaf nu gesteld dat de houtopstand ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden moet kunnen vertegenwoordigen. Hiermee wordt niet bedoeld dat er precies dezelfde soorten geplant moeten worden als er voor de velling aanwezig waren. Wel is het de bedoeling dat een houtopstand die een ecologische waarde vertegenwoordigde ook na herbeplanting weer ecologische waarden kan herbergen. Hierbij is het toegestaan deze ecologische waarden uit te wisselen. Als voorbeeld: de inheemse loofboomsoort kan vervangen worden door de andere inheemse loofboomsoort. Het is echter niet de bedoeling om een soortenrijk loofbos te vervangen door bijvoorbeeld een soortenarme populierenplantage.

 

Het vellen van een houtopstand kan grote impact op de omgeving hebben. Het is daarom van belang deze op zo kort mogelijke termijn te herstellen, zodat de functie die de houtopstand vervult ook snel weer hersteld wordt. Daarom worden er eisen gesteld aan de oppervlakte, de te kiezen soorten (het kunnen vormen van een volwaardige duurzame houtopstand) en het spoedig in sluiting kunnen komen van het kronendak. Dit laatste betekent dat er voldoende en kwalitatief goed plantmateriaal gebruikt dient te worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn. Snel groeiende soorten behoeven minder plantmateriaal per hectare.

Het kunnen vormen van een duurzame en volwaardige houtopstand houdt in dat soorten die gebruikt worden volledig tot wasdom kunnen komen op de bodem waarin ze geplant worden. Het planten van meer-eisend naaldhout (bijvoorbeeld fijnspar) op droge (te) arme zandgronden zal bijvoorbeeld niet leiden tot een duurzame houtopstand, omdat bomen voortijdig zullen afsterven en/of niet tot volle wasdom kunnen komen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van beuk op bodems met hoge stagnerende grondwaterstanden. Gezien de vele soorten die er zijn, in combinatie met meestal zeer specifieke gebiedsomstandigheden, hebben Gedeputeerde Staten hier een hoge mate van beoordelingsvrijheid en zullen dit per casus beoordelen.

 

De eigenaar of beheerder houdt in hoge mate vrijheid om een herbeplanting op eigen wijze in te vullen. Het gebruik van op houtteelt gerichte exoten is daarbij over het algemeen toegestaan. De bepalingen (artikel 3.3.4, onder d en e) zijn er op gericht om Gedeputeerde Staten een instrument in handen te geven om in te grijpen als herbeplantingen evident leiden tot mislukte herbebossing of er toe leiden dat (Europees) beschermde natuurwaarden niet gerealiseerd kunnen worden of in gevaar komen.

 

Met het oog op een evenwichtige functievervulling worden sierheesters, tuinsoorten en soorten die een gevaar vormen voor de biologische diversiteit uitgesloten. Bij het laatste moet gedacht worden aan soorten met een woekerend karakter, die inheemse vegetaties volledig kunnen verdringen, en waarvan verwacht kan worden dat deze geen bosbouwkundige waarden en geen natuurwaarden vertegenwoordigen.

Dit kan dus betekenen dat op kapvlaktes een soort actief bestreden moet worden om een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting mogelijk te maken.

 

Het staat een eigenaar of initiatiefnemer uiteraard vrij om vooraf met de Provincie af te stemmen of een door hem gewenste herbeplanting aan de regels voldoet.

 

Eisen aan herbeplanting op andere grond (artikel 3.3.5)

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond. Er zijn omstandigheden dat herbeplanting op een andere locatie echter niet wenselijk is. Het is daarom niet toegestaan om houtopstanden die een belangrijke ecologische of landschappelijke functie vervullen elders te herbeplanten. Doel hiervan is een verdere ecologische of landschappelijke verschraling van het landschap tegen te gaan. Bij landschapselementen en kleine houtopstanden moet bijvoorbeeld gedacht worden aan houtwallen of -singels, lanen en kleine bosjes gelegen in het landelijk gebied. Gezien deze doelen worden Gedeputeerde Staten in de gelegenheid gebracht om eventueel aan het toestaan van een compensatie ook eisen te verbinden aan de te gebruiken boomsoort, de verschijningsvorm (bijvoorbeeld laan, houtwal) en de locatie van de nieuwe houtopstand. Verschil met het kapverbod is, dat in deze gevallen wel velling is toegestaan, maar dat de houtopstand op de plaats van de velling dient terug te komen.

 

Verder kent dit artikel een afwijking voor een werk overeenkomstig een ruimtelijk plan en een inpassingsplan. De Wet ruimtelijke ordening wordt gezien als hogere regelgeving, waar meer integraal afwegingen worden gemaakt voor de ruimtelijke omgeving. Indien daarbij besloten wordt dat een houtopstand dient te verdwijnen voor andere doelen, ligt het niet in de rede vanuit de Wet natuurbescherming een andere afweging te maken. Wel dient een houtopstand gecompenseerd te worden. Daarbij dient tevens rekening gehouden te worden met vereisten die in de Omgevingsverordening Limburg 2014 voor natuurcompensatie zijn opgenomen. Dit betreft met name de eis om in sommige omstandigheden een grotere oppervlakte natuur aan te leggen dan er vernietigd is.

 

Het uitvoeren van een werk overeenkomstig een ruimtelijk plan (inclusief inpassingsplannen) sluit qua inhoud (en jurisprudentie) aan bij de Boswet (oud) en wordt als volgt uitgelegd. Er moet sprake zijn van werkzaamheden, zoals het oprichten van bouwwerken, waarbij de houtopstand of bosgroeiplaats onevenredig wordt aangetast, en die specifiek nodig zijn om invulling te kunnen geven aan het ruimtelijk plan of het inpassingsplan. Hieronder wordt bijvoorbeeld ook verstaan het aanleggen van sportvelden.

Het gaat niet om het kunnen uitvoeren van activiteiten, of alleen het toepassen van een ander grondgebruik of een andere bodemcultuur. Daarom wordt onder het uitvoeren van een werk bijvoorbeeld niet verstaan het vellen en compenseren van houtopstanden die in landelijk gebied staan en die geveld worden om agrarische activiteiten (beter) uit te kunnen voeren.

 

Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam in Nederland. Op deze plaatsen is sprake van een langdurige ongestoorde ontwikkeling van de bosbodem. De bodem krijgt hierdoor specifieke kenmerken die gunstig zijn voor soorten die slechts groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden dienen deze bodems bescherming te krijgen, en is het niet mogelijk om houtopstanden op deze bodems elders te compenseren. Het is aan Gedeputeerde Staten om te beoordelen of op deze bodems ook een kapverbod aan de orde kan zijn. Gedeputeerde Staten zullen in beleidsregels vastleggen hoe getoetst wordt of sprake is van een oude bosbodem.

 

Aan de compensatie worden verder eisen gesteld betreffende de omvang, vorm en locatie van de houtopstand. Het derde lid regelt dat er geen beplanting van grond mag plaatsvinden waar al beschermde natuurwaarden aanwezig zijn. Ter behoud van de algehele biologische diversiteit en landschappelijke waarden dient voorkomen te worden dat percelen actief bebost worden in het kader van compensatie, die al hoge natuurwaarden of bijzondere landschappelijke waarden kennen. Het gaat daarbij over het algemeen om percelen waar al hoogwaardige ecologische waarden aanwezig zijn, maar ook weidevogelgebieden. Gedeputeerde Staten kijken bij de beoordeling hiervan naar het voorkomen van bijzondere soorten en habitats.

 

Indien reeds sprake is van een herbeplantingsplicht op een bepaalde locatie kan hier niet nogmaals gecompenseerd worden, omdat daarmee de totale bosoppervlakte zou verkleinen. Zo is het ook niet toegestaan om te compenseren op plaatsen waar al compensatieverplichtingen voor andere gevallen liggen, die ontstaan zijn uit andere regelgeving. Wel is het toegestaan om verplichtingen tot compensatie uit hoofde van de Wet natuurbescherming, die ontstaan als compensatie voor soorten of beschermde gebieden, te combineren, zolang het om dezelfde ingreep gaat.

 

Specifiek bij de artikelen 3.3.4 en 3.3.5 hebben Gedeputeerde Staten een afwijkingsbevoegdheid om in het geval van bijzondere omstandigheden af te kunnen wijken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan landinrichtingsprojecten waar een nieuwe structuur van het landschap wordt nagestreefd en waarbij de landschappelijke kwaliteit niet afneemt. Ook zouden Gedeputeerde Staten van deze afwijkingsbevoegdheid gebruik kunnen maken als een vergelijkbaar landschapselement elders op een geschikte locatie wordt teruggebracht, waarbij landschap en ecologie in tact blijven.

 

Vrijstellingen (algemeen)

De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te zien van de meldings- en herbeplantingsplicht. Voor groepen van specifiek gedefinieerde en afgebakende gevallen kan dit met een vrijstelling zoals aangegeven in deze paragraaf. Daarnaast is er voor Gedeputeerde Staten ruimte om in individuele gevallen maatwerk te leveren in de vorm van een ontheffing van de herbeplantingsplicht. In een dergelijke ontheffing wordt dan onderbouwd waarom in dat geval afgezien mag worden van de herbeplantingsplicht en welke voorschriften daar eventueel aan verbonden worden. Het instrument ontheffing zetten we in voor gevallen waarin na integrale afweging van alle belangen blijkt dat het in de wet vastgelegde areaalbehoud minder zwaar weegt dan het belang dat met de ingreep wordt nagestreefd. Een voorbeeld hiervan kan zijn het ontwikkelen van bijzondere natuurwaarden.

 

Vrijstelling meldplicht (artikel 3.3.6)

Het kan in bepaalde omstandigheden wenselijk zijn om bossen op kleinschalige wijze te verjongen, omdat dit de functievervulling kan verbeteren. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is en, met het oog op het verbeteren van die kwaliteit, een verjonging van kleine delen van de houtopstand wordt ingezet. Deze handelwijze valt niet onder de definitie van ‘dunnen’ als omschreven in artikel 1 van de Wet natuurbescherming. Daar het om kleinschalige, bosbouwkundig gezien reguliere ingrepen gaat en deze gericht zijn op het verbeteren van het bos, is het niet nodig om een melding te doen. Wel worden daaraan voorwaarden verbonden. Het moet gaan om het kappen van verjongingsgaten die niet groter zijn dan 1500 m2 en gezamenlijk niet meer beslaan dan 10% van de oppervlakte.

Boven deze grenzen zijn de gevolgen van de ingreep mogelijk zo groot dat deze wel beoordeeld dienen te worden. Om te voorkomen dat door het snel opeenvolgende kappen van gaten toch een grootschalige velling ontstaat, is hier tevens de eis aan verbonden dat een dergelijke ingreep maar één keer per vier jaar mag plaatsvinden. Dit betreft een in de bosbouw gebruikelijke cyclus. Als velling vaker plaatsvindt, dan is wel sprake van de reguliere meldingsplicht. De herbeplantingsplicht blijft in deze gevallen dan ook gewoon bestaan en dient binnen de gebruikelijke termijn te zijn ingevuld.

Deze vrijstelling is specifiek bedoeld voor het realiseren van een gevarieerd bos (structuurvariatie) door de inzet van verjonging. Het is niet toegestaan om via deze weg andere doelen te realiseren.

 

Vrijstelling herbeplantingsplicht (artikel 3.3.7)

 

Venoevers

Onder de Boswet was het bestaand beleid om voor het herstel van oevers van vennen een ontheffing van de herbeplantingsplicht te verlenen. Deze regeling wordt door middel van een vrijstelling hier gecontinueerd. Doel ervan is om venherstel mogelijk te maken en de beschaduwing van venoevers te verminderen, omdat dit grote positieve effecten heeft op de natuurwaarden. De regeling houdt in dat er in een zone van 30 meter vanaf de gemiddelde voorjaarswaterlijn vrijstelling van de herbeplantingsplicht wordt verleend. De maatvoering van 30 meter moet gezien worden als een gemiddelde voor het hele ven. Het is dus toegestaan om de zone rond het ven lokaal breder of smaller te maken. Deze regeling is bedoeld voor bestaande vennen. Indien sprake is van het ontwikkelen van nieuwe vennen of het significant groter maken, zal de Provincie per casus bezien of er ontheffing van de herbeplantingsplicht verleend kan worden.

 

Vrijstelling na het tenietgaan van houtopstanden

Er zijn gevallen denkbaar waarbij houtopstanden spontaan tenietgaan en waarbij het niet redelijk is dat eigenaren gehouden worden aan herbeplanting elders, omdat ter plaatse geen bosvorming meer mogelijk is. Het gaat hierbij om de volgende gevallen. Het duurzaam vernatten van bossen brengt soms met zich mee dat het bestaande bos afsterft. Als het bos niet te nat wordt (water blijft onder het maaiveld) zal zich in de meeste gevallen daarna spontaan een nieuwe houtopstand vestigen. In de gevallen waarin dit niet gebeurt, omdat de terreinen blijvend te nat worden, is het niet redelijk dat de eigenaar gedwongen wordt elders de houtopstand te compenseren. Daarom wordt in twee gevallen vrijstelling van de herbeplantingsplicht verleend. Vrijstelling wordt verleend als door natuurlijke processen houtopstanden tenietgaan. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het dichtgroeien van watergangen of het door bevers vernatten van een bosgebied. Verder valt te denken aan de situatie dat door het actief nemen van antiverdrogingsmaatregelen houtopstanden zoveel vernatten dat ter plaatse geen bos meer kan groeien. Verder zijn er ook gronden denkbaar waarop van nature geen bosvorming zou plaatsvinden, bijvoorbeeld veengebieden. Met betrekking tot dergelijke bodemtypen wordt ook vrijstelling verleend van de herbeplantingsplicht als de houtopstand spontaan tenietgaat.

 

Indien bovengenoemde situaties zich voordoen in Natura 2000-gebieden vallen deze overigens meestal onder de reguliere vrijstellingsgronden van artikel 4.4 van de Wet natuurbescherming.

 

Bevers zijn in staat volwassen bomen door vraat teniet te laten gaan. Hoewel in de meeste gevallen spontane hergroei van bos zal optreden, zijn er omstandigheden waar dit mogelijk niet zal plaatsvinden. In die gevallen wordt de eigenaar gevrijwaard van een plicht tot herbeplanting. In gevallen waar de eigenaar zelf is overgegaan tot vellen van het bos en waar sprake is van schade door ander wild aan herbeplanting, is wel sprake van een vervangingsplicht als bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

 

Paragraaf 3.4 Faunabeheereenheden

F

 

Algemene toelichting

Faunabeheereenheden vervullen in het huidige faunabeleid een essentiële rol, omdat zij zorgen voor een maatschappelijke en gebiedsgerichte inbedding van het faunabeheer. In het bestuur van de faunabeheereenheden zijn de maatschappelijke geledingen vertegenwoordigd die belang hebben bij de uitvoering van het faunabeleid, zoals jagers, de landbouwsector en de organisaties die natuurterreinen beheren. Het bestuur dient te worden uitgebreid met drie vertegenwoordigers van verschillende maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort.

 

De faunabeheereenheid is een zelfstandige rechtspersoon die zelf zorgdraagt voor de vorming van haar bestuur, met inachtneming van de regels die in deze paragraaf zijn gesteld.

 

Paragraaf 3.5 Wildbeheereenheden

G

 

Algemene toelichting

Op grond van de Wet natuurbescherming geldt dat jachthouders met een jachtakte zich met anderen verplicht organiseren in een wildbeheereenheid, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers en terreinbeheerders. In de Wet natuurbescherming hebben de wildbeheereenheden een meer prominente rol gekregen dan in de Flora- en faunawet. Het zijn over het algemeen de wildbeheereenheden die uitvoering zullen geven aan het faunabeheerplan. Zij zullen in de praktijk de beheerdaden verrichten op grond van de provinciale ontheffing voor beheer en schadebestrijding. Daarnaast adviseren de wildbeheereenheden de faunabeheereenheid over de inhoud van de faunabeheerplannen en leveren zij – op basis van tellingen en een afschotregistratie – de gegevens aan ten behoeve van het faunabeheerplan.

 

De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn. Om de wildbeheereenheden deze taken effectief te kunnen laten uitvoeren, is in de Wet natuurbescherming voorzien dat alle van het geweer gebruikmakende jachthouders – jachthouders met een jachtakte – binnen het werkgebied van een wildbeheereenheid zich bij deze eenheid moeten aansluiten.

Dit versterkt het streekgebonden karakter van het faunabeheer nog verder. De wildbeheereenheden zijn gehouden uitvoering te geven aan het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan.

H

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Eisen en begrenzing werkgebied (artikel 3.5.1)

De werkgebieden van de wildbeheereenheden dienen van voldoende omvang te zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden.

De provincies stellen bij verordening regels aan de omvang van de werkgebieden. Van belang is daarbij de grootte van de leefgebieden van de diersoorten die worden beheerd op grond van het faunabeheerplan. Wanneer de werkgebieden van de wildbeheereenheden te klein zijn, dan zal de uitvoering van het beheer onvoldoende samenhangend zijn en onvoldoende kunnen worden gecoördineerd. Er zijn wildbeheereenheden met een werkgebied dat provinciegrensoverschrijdend is. Dit is mogelijk wanneer ze voor het deel van het werkgebied dat is gelegen in de provincie Limburg aan de bij deze paragraaf gestelde eisen voldoen. De wildbeheereenheden hebben een aaneengesloten werkgebied; dat wil zeggen dat er geen delen van het werkgebied zijn die niet zijn verbonden met de rest van het werkgebied.

 

Op grond van deze paragraaf is het mogelijk dat wildbeheereenheden die te klein zijn om te voldoen aan de oppervlakte-eis een samenwerkingsovereenkomst aangaan met een naburige wildbeheereenheid. Deze overeenkomst richt zich op afstemming van beheer.

 

Tijdelijke ontheffing eisen werkgebied (artikel 3.5.2)

Omdat er enkele wildbeheereenheden bij de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming mogelijk nog niet voldoen aan de oppervlakte-eis, kunnen Gedeputeerde Staten – als overgangsmaatregel – ontheffing verlenen van deze eis, om de betreffende wildbeheereenheden de gelegenheid te geven de samenwerking te zoeken met een naburige wildbeheereenheid.

 

Gegevensverzameling (artikel 3.5.3)

In het faunabeheerplan is geregeld welke gegevens verzameld dienen te worden ter onderbouwing van ontheffingen voor faunabeheer. Deze gegevens worden voor een belangrijk deel verzameld door de wildbeheereenheden en hun leden.

 

Verplichte aansluiting jachtaktehouders (artikel 3.5.4)

Met dit artikel wordt beoogd dat voor iedere jachthouder duidelijk is bij welke wildbeheereenheid hij zich dient aan te sluiten. In artikel 3.14, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is bepaald dat jachthouders met een jachtakte zich verplicht moeten organiseren in een wildbeheereenheid. Een wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging. Ook grondgebruikers, terreinbeheerders, jachtaktehouders die geen jachthouder zijn en jachthouders zonder jachtakte kunnen lid worden van de vereniging. Gezien het belang dat anderen bij de werkzaamheden van de wildbeheereenheden kunnen hebben, zoals grondgebruikers – niet zijnde jachtaktehouders – uit de streek, is in de Wet natuurbescherming voorzien dat ook zij lid kunnen worden van een wildbeheereenheid.

Jachtaktehouders die geen jachthouder zijn kunnen niet zelfstandig de jacht uitoefenen; ze kunnen echter wel bijdragen aan populatiebeheer en schadebestrijding, bijvoorbeeld op verzoek van grondgebruikers.

 

Beëindiging lidmaatschap (artikel 3.5.5)

Het niet handelen conform het faunabeheerplan kan aanleiding zijn om het lidmaatschap van een wildbeheereenheid te weigeren of te beëindigen. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de jachthouder die het betreft, omdat deze in de regel dan geen jachtakte kan verkrijgen. Het is het bestuur van de wildbeheereenheid dat kan beslissen om het lidmaatschap te beëindigen voor een te bepalen periode. Ten aanzien van het voornemen tot een dergelijke beslissing wordt door het bestuur van de wildbeheereenheid een advies ingewonnen bij het bestuur van de faunabeheereenheid.

Het is immers de faunabeheereenheid die, op grond van feiten, kan beoordelen of het handelen van een lid van de een wildbeheereenheid in strijd is met het door de faunabeheereenheid opgestelde faunabeheerplan.

 

Geschillenregeling (artikel 3.5.6)

De wildbeheereenheden stellen een gezamenlijke geschillenregeling in om onder meer geschillen ten aanzien van beëindiging van het lidmaatschap te behandelen. De taken van de in deze verordening verplicht gestelde gezamenlijke geschillenregeling zijn in de verordening niet limitatief opgesomd; deze regeling kan onder andere ook geschillen behandelen die voortkomen uit het proces van vorming van samenwerkingsverbanden of andere geschillen inzake de begrenzing van wildbeheereenheden en jachtvelden.

 

Paragraaf 3.6 Faunabeheerplan

I

 

Algemene toelichting

Het faunabeheerplan is gericht op het duurzaam beheer van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de uitoefening van de jacht. Eisen aan het faunabeheerplan waren voorheen opgenomen in de Flora- en faunawet en het Besluit Faunabeheer. Deze eisen hadden uitsluitend betrekking op populatiebeheer. In de Wet natuurbescherming is de reikwijdte van het faunabeheerplan uitgebreid met schadebestrijding en jacht. De bevoegdheid eisen te stellen aan faunabeheerplannen is op grond van de Wet natuurbescherming gedecentraliseerd aan provincies. Het faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door faunabeheereenheden, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht op de door de Minister aangewezen wildsoorten. Het door het bestuur van de faunabeheereenheid vast te stellen faunabeheerplan vervult hiermee een centrale rol in de Wet natuurbescherming. In deze paragraaf is vastgesteld aan welke eisen het faunabeheerplan moet voldoen. Het faunabeheerplan behoeft vervolgens nog de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

J

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Reikwijdte faunabeheerplan (artikel 3.6.1)

Uitgangspunt van het systeem van faunabeheer is dat er in een bepaald gebied gedurende een

langere periode integraal beheer wordt gevoerd.

 

Om dat te bereiken moet het faunabeheerplan gelden voor een deel van het werkgebied van de faunabeheereenheid dat groot genoeg is om een verantwoord en duurzaam faunabeheer te kunnen voeren in samenhang met schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. De eis dat het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid is een continuering van de eis zoals deze op basis van het Besluit Faunabeheer gold.

 

Geldigheidsduur en wijzigen faunabeheerplan (artikel 3.6.2)

Op grond van het voorheen geldende Besluit Faunabeheer gold dat het faunabeheerplan een geldigheidsduur heeft van ten hoogste vijf jaar (artikel 11 Besluit Faunabeheer). Deze eis is met de intrekking van het Besluit Faunabeheer komen te vervallen.

Gelet op de samenhangende aanpak van populatiebeheer, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin het faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat het faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Artikel 3.6.2 van deze paragraaf bepaalt daarom dat in het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het een maximale geldigheidsduur heeft van zes jaar. Hiermee wordt aangesloten op de looptijd van andere planperioden, zoals Natura 2000-beheerplannen. De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan ook tussentijds wijzigen, bijvoorbeeld als ontwikkelingen in dierenpopulaties of ontwikkelingen in schade daartoe aanleiding geven. In uitzonderlijke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten de geldigheidsduur van het faunabeheerplan verlengen.

 

Eisen aan een faunabeheerplan (artikelen 3.6.3, 3.6.4 en 3.6.5)

De eisen die in deze paragraaf aan een faunabeheerplan gesteld zijn, zijn grotendeels dezelfde eisen die voorheen golden op grond van artikel 10 van het Besluit Faunabeheer. Zoals in het algemeen deel toegelicht, heeft het faunabeheerplan, naast populatiebeheer, op grond van de Wet natuurbescherming een bredere functie en tevens betrekking op schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. Voor schadebestrijding en jacht voorziet het faunabeheerplan in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door de faunabeheereenheid, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht. Onder regie van de faunabeheereenheid worden deze inspanningen bij het opstellen van het faunabeheerplan op elkaar afgestemd.

 

Voor populatiebeheer en schadebestrijding fungeert het faunabeheerplan als basis voor ontheffingverlening. Dit onderdeel van het faunabeheerplan bevat daarom de uitwerking van de gestelde eisen in de artikelen 3.6.3 en 3.6.4. Ook het gebruik van vrijstellingen (landelijk of provinciaal) voor schadebestrijding is gebonden aan het faunabeheerplan; het faunabeheerplan dient daarom ook te voorzien in een planmatige aanpak voor schadebestrijding. De artikelen 3.6.3 en 3.6.4 van deze paragraaf zijn daarom ook op het gebruik van de vrijstellingen voor schadebestrijding van toepassing.

 

Voor de jacht op de vijf wildsoorten (haas, konijn, wilde eend, fazant en houtduif) geldt dat ook deze dient te worden uitgevoerd overeenkomstig het faunabeheerplan. Daarmee krijgen alle soorten in principe gelijkwaardige bescherming, met dien verstande dat bij wildsoorten het de jachthouder is die de redelijke wildstand bepaalt en tot stand brengt.

De redelijke wildstand in een jachtveld is de stand waarbij de wildsoort geen of beperkte schade veroorzaakt, ook buiten het jachtseizoen, zonder dat de duurzame instandhouding van de soort in het gebied in het geding komt.

Het faunabeheerplan dient ook ten aanzien van de jacht te voldoen aan de in deze paragraaf te stellen regels; deze regels mogen echter niet tot een verregaande beperking van de mogelijkheden voor de jachthouder om gebruik te maken van het jachtrecht leiden. Het faunabeheerplan dient ten aanzien van de jacht een beschrijving van de maatschappelijke belangen die worden gediend met de bejaging van de diersoort te bevatten. Aangezien er voor de vijf wildsoorten enkel trendtellingen beschikbaar zijn, bevat het faunabeheerplan geen exacte aantallen maar een indicatieve en kwalitatieve aanduiding van de ontwikkeling van de stand. Het werken met gedetailleerde afschotplannen is voor de vijf wildsoorten niet aan de orde. Ook bij wildsoorten geldt dat schadepreventie dient te worden ingezet om onnodig afschot te voorkomen; dit neemt echter niet weg dat het bereiken van de redelijke wildstand door de jachthouder het uitgangspunt is.

Op basis van de op grond van artikel 3.13 van de Wet natuurbescherming verplicht door jagers te overleggen afschotgegevens en de op grond van artikel 3.6.3 van deze paragraaf te verstrekken gegevens over bijvoorbeeld populatietrends, wordt in het faunabeheerplan richting gegeven aan de nodige inspanningen. De jachthouder moet, met inachtneming van het faunabeheerplan, bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. Uitgangspunt hierbij is dat de uitoefening van de jacht mede in dienst staat van schadebestrijding. Deze samenhang met schadebestrijding moet uit het faunabeheerplan blijken.

 

Afschotvrij natuurgebied (artikel 3.6.6)

In het faunabeheerplan dient één natuurgebied in Limburg aan te worden gewezen dat in principe, voor minimaal vijftien jaar, afschotvrij wordt verklaard. Hier dient onder supervisie van de faunabeheereenheid en in overleg met organisaties die deskundig zijn op het gebied van ecologisch faunabeheer gezocht te worden naar alternatieve methoden van populatie- en natuurbeheer.

 

Goedkeuring (artikel 3.6.7)

Faunabeheerplannen moeten om voor goedkeuring door Gedeputeerde Staten in aanmerking te

komen, voldoen aan de voorschriften van artikelen 3.6.1 tot en met 3.6.6 van deze paragraaf. Daarnaast dient bij de vaststelling van een faunabeheerplan rekening gehouden te worden met de relevante vastgestelde beleidskaders, zoals de provinciale Natuurvisie, Natura 2000-beheerplannen en het door Gedeputeerde Staten vastgestelde beleid met betrekking tot populatiebeheer, schadebestrijding en jacht.

 

Paragraaf 3.7 Faunaschade

K

 

Algemene toelichting

Artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming bepaalt dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

a. vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

b. dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel a, bij deze wet.

 

Ter invulling van deze bevoegdheid stellen Gedeputeerde Staten beleidsregels vast.

 

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een gezamenlijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.

L

 

Artikelsgewijze toelichting

 

De aanvraag om tegemoetkoming (artikel 3.7.2)

In artikel 3.7.2 wordt de elektronische wijze van indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in schade veroorzaakt door natuurlijk in het wilde levende beschermde diersoorten geregeld. Op grond van artikel 4:1 Algemene wet bestuursrecht moet de voorwaarde van elektronische indiening van een aanvraag bij wettelijk voorschrift worden geregeld.

 

Vereist is dat de schade zo spoedig mogelijk (binnen zeven werkdagen) bij BIJ12 wordt gemeld. BIJ12 is dan in de gelegenheid een taxateur ter plaatse een onderzoek naar de schadeveroorzakende diersoorten en de omvang van de schade te laten instellen. Een consulent faunazaken van BIJ12 kan dan ook adviseren hoe verdergaande schade kan worden voorkomen of beperkt. Aanvragen die later dan zeven werkdagen na constatering van de schade zijn ingediend worden afgewezen. Onder werkdagen wordt verstaan: maandag tot en met vrijdag met uitzondering van algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet.

 

Taxatie van de schade (artikel 3.7.3)

Artikel 3.7.3 regelt in samenhang met de door het college van Gedeputeerde Staten vast te stellen Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren. De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achterlaten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorzien is in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.

 

Paragraaf 3.8 Vrijstellingen beschermde diersoorten

M

 

Algemene toelichting

Op grond van de Flora- en faunawet en bijbehorende Regeling vrijstelling dier- en plantensoorten (een ministeriële regeling) was er ten aanzien van een aantal soorten vrijstelling van de verbodsbepalingen vanuit de Flora- en faunawet. Deze vrijstellingen hadden onder meer betrekking op schadebestrijding en ruimtelijke ontwikkelingen.

Op grond van de Wet natuurbescherming zijn nu Provinciale Staten bevoegd om dergelijke vrijstellingen te verlenen. In deze paragraaf worden vrijstellingen verleend ten behoeve van de bestrijding van schadeveroorzakende dieren, de bestrijding van overlast door dieren door gemeenten, ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud.

Daarnaast worden er vrijstellingen verleend ten behoeve van de één op één-methode bij het doden van wilde zwijnen, voor de bescherming van amfibieën en weidevogels en voor onderzoek en onderwijs.

N

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Vrijstelling bestrijding schadeveroorzakende dieren (artikel 3.8.1)

Om schade door beschermde diersoorten te voorkomen wordt er vrijstelling verleend aan grondgebruikers om veel voorkomende dieren die schade veroorzaken te doden. Voor het opzettelijk verontrusten van vogels die schade veroorzaken is het niet langer nodig om een vrijstelling te verlenen omdat in de Wet natuurbescherming het verontrusten niet langer verboden is, althans niet zolang de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort er niet door in gevaar wordt gebracht. Voor de overige soorten (voor zover niet strikt beschermd) geldt ook dat er geen verbod geldt voor het verontrusten van de dieren om schade te voorkomen. De provinciale vrijstelling wordt verleend in aanvulling op de landelijke vrijstelling die wordt verleend door de minister van Economische Zaken. Hierin is bepaald dat er vrijstelling geldt voor het doden van zwarte kraaien, kauwen, houtduiven, Canadese ganzen en vossen om schade te voorkomen. Een provinciale vrijstelling ligt in de rede bij schadesituaties die veel voorkomen en waarbij regulering van het aantal te doden dieren via ontheffingen niet nodig is. Overigens dient ook het gebruik van vrijstellingen, zowel de landelijke als de provinciale, verplicht overeenkomstig het faunabeheerplan plaats te vinden.

 

De veldmuis en de molmuis kunnen beide belangrijke schade aan gewassen veroorzaken door extreme pieken in de populatieomvang. De molmuis is de terrestrische vorm van de woelrat, die vooral in Limburg voorkomt en hier vraatschade aan de wortels van onder meer fruitbomen veroorzaakt. De bestrijding vindt niet plaats met chemische middelen maar met mechanische middelen zoals klemmen of met de zogeheten rodenator, een apparaat dat een gasmengsel ondergronds tot ontploffing brengt. Bij veldmuizen kan schade ook worden bestreden door de gangenstelsels van deze dieren te vernietigen door grondbewerking of deze onder water te zetten.

 

Vrijstelling bestrijding overlast door dieren binnen bebouwde kom door gemeenten (artikel 3.8.2)

De Wet natuurbescherming biedt specifiek de mogelijkheid om een vrijstelling te geven aan gemeenten voor de bestrijding van overlast van beschermde inheemse diersoorten in de bebouwde kom. De gemeente is het eerste aanspreekpunt voor de burger bij overlast. In Limburg wordt veel overlast ervaren door steenmarters. Deze diersoort veroorzaakt deze overlast doordat ze zich vestigt in gebouwen. Gemeenten maakten onder de Flora- en faunawet gebruik van provinciale ontheffingen om in dergelijke gevallen de verblijfplaatsen van deze dieren te mogen verstoren. Door een deskundige kan goed worden vastgesteld via welke route de dieren het gebouw binnenkomen en verlaten. Door deze toegang af te sluiten wanneer de dieren buiten zijn en geen jongen in het gebouw hebben kan overlast worden tegengegaan. Deze methode werkt zodanig goed dat het niet nodig is om verdergaande maatregelen, zoals het doden van dieren, toe te staan.

In enkele gevallen is het wel nodig gebleken om dieren in het gebouw te vangen om ze buiten weer vrij te laten. Dit betreft echter zodanig specifieke situaties dat hiervoor beter met een ontheffing van de faunabeheereenheid kan worden gewerkt.

 

Vrijstelling ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud (artikel 3.8.3)

Voor algemeen voorkomende beschermde soorten, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd, wordt vrijstelling gegeven om deze te vangen indien dit nodig is in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud.

Het betreft hier uitsluitend soorten die zijn beschermd op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Deze soorten zijn niet beschermd op grond van internationale verdragen zoals de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Daarom is op grond van artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud mogelijk. Bij soorten die algemeen voorkomen, is het niet gewenst dat voor elke ruimtelijke ontwikkeling of ingreep in het kader van beheer en onderhoud een ontheffing aangevraagd moet worden. Uiteraard blijft wel de algemene zorgplicht van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Dit betekent dat het opzettelijk vangen en doden van de vrijgestelde diersoorten zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Tevens moet er worden bekeken of de ruimtelijke ingreep of het bestendig beheer en onderhoud niet op een andere manier uitgevoerd kan worden waardoor kan worden voorkomen dat dieren moeten worden weggevangen of dat de verblijfplaatsen worden vernield.

 

De lijst met soorten in bijlage III bij dit artikel is opgebouwd uit de soorten die onder de Flora- en faunawet op de algemene vrijstellingslijst stonden en op grond van de Wet natuurbescherming beschermd blijven. Deze lijst is aangevuld met de Hazelworm, de Levendbarende hagedis, de Eekhoorn, de Molmuis en de Steenmarter (voor een gedeelte van het jaar). Voor deze soorten werden onder de Flora- en faunawet relatief veel ontheffingen verleend. De opname op de vrijstellingslijst kan de regeldruk verminderen. Ook de individuele soorten van alle overige soortgroepen aan beschermde soorten (vissen, vlinders, libellen, insecten en vaatplanten) zijn beoordeeld. Hierbij bleek dat de verspreiding van deze soorten zo gering is dat de opname op een algemene vrijstelllingslijst geen meerwaarde heeft. Voor deze soorten kan zo nodig gebruik worden gemaakt van een door Gedeputeerde Staten te verlenen ontheffing.

 

Voor de opname van een soort op de vrijstellingslijst is een wettelijke toets doorlopen die ziet op drie elementen van toetsing: er is sprake van een wettelijk belang; er bestaat geen andere bevredigende oplossing en er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor soorten die zijn opgenomen op de rode lijst is extra zorg op zijn plaats, met name waar het gaat om het criterium dat geen afbreuk gedaan mag worden aan het streven de populaties van de betrokken soort in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Van een aantal soorten op de vrijstellingslijst in deze verordening verkeren de populaties momenteel niet in een goede staat van instandhouding – ze zijn daarom opgenomen op de rode lijst. De oorzaak van de achteruitgang van deze soorten moet echter primair worden gezocht in de schaalvergroting en intensivering van het agrarisch landgebruik en het verdwijnen van overhoekjes in het landschap. Het is niet te verwachten dat toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen die redelijkerwijs nog te verwachten zijn óf bestendig beheer en onderhoud afbreuk doen aan het streven om de populaties van de betreffende soorten in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Daarmee heeft het verplaatsen van deze soorten van het vrijstellingsregime naar het ontheffingenregime geen meerwaarde voor het behoud van de biologische diversiteit. Wel zou hiermee een onwenselijke toename van de regeldruk worden bewerkstelligd.

Ten aanzien van het onderdeel van de toets dat ziet op de alternatievenafweging (het ontbreken van een andere bevredigende oplossing) geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen dat bij de beoordeling van een bestemmingsplanprocedure natuur deze een volwaardig onderdeel uitmaakt van afweging. Vooraf aan de vaststelling van een bestemmingplan is gebleken dat de gekozen locatie de meest geschikte is voor de beoogde ontwikkeling. Hier is dan geen andere bevredigende oplossing aanwezig, immers dan zou daarvoor gekozen moeten worden. Bestendig beheer en onderhoud zijn plaatsgebonden activiteiten.

Het maaien van wegbermen, spoorwegtaluds, dijken en dergelijke is immers ten behoeve van het behoud van al aanwezige voorzieningen. Hiermee is een andere bevredigende oplossing op voorhand uitgesloten. De belangen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud zijn als wettelijk belang voor het verlenen van een vrijstelling onder de bevoegdheid van Provinciale Staten opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.

 

Eén op één-methode wilde zwijnen (artikel 3.8.4)

Wanneer in het kader van schadebestrijding wilde zwijnen worden gedood wordt in de meeste gevallen gebruik gemaakt van de aanzitmethode waarbij vanaf een hoogzit wordt geschoten op wilde zwijnen die met behulp van een beperkte hoeveelheid lokvoer in het schootsveld worden gelokt. In het kleinschalige landschap van Limburg, waar wilde zwijnen voedsel kunnen vinden op agrarische gronden, is het aanbod van voedsel zodanig groot dat het gebruik van lokvoer niet efficiënt is. Om in deze situatie toch afschot van wilde zwijnen mogelijk te maken is in de Wet natuurbescherming bepaald dat Provinciale Staten het doden van wilde zwijnen kunnen toestaan door middel van een methode, waarbij één persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven. Bij het gebruik van deze methode is het toegestaan dat meerdere schutters zijn opgesteld, met elk een ander schootsveld, maar dient de storing te gebeuren door één persoon per dagrustplaats en deze persoon mag niet zijn vergezeld van één of meerdere honden. Op deze wijze wordt bereikt dat de wilde zwijnen de dagrustplaatsen rustig verlaten, waarbij ze gewoonlijk vaste routes (wissels) gebruiken. De schutter krijgt daarbij de gelegenheid om een goed gericht schot te plaatsen dat meteen dodelijk is. Deze methode onderscheidt zich daarmee van de voor hoefdieren verboden drijfjacht, waarbij de dieren door drijvers in linie worden opgejaagd met honden. Bij de drijfjacht is de kans dat dieren niet meteen dodelijk worden geraakt aanzienlijk groter.

 

Amfibieën veilig stellen tegen het verkeer (artikel 3.8.5)

Amfibieën worden veel doodgereden in het verkeer, vooral wanneer ze in het vroege voorjaar op weg zijn van de overwinteringslocaties naar de voortplantingslocatie. Het overzetten van een amfibie om deze te beschermen tegen het verkeer is op zich geen overtreding van de Wet natuurbescherming, omdat dit gebeurt in het kader van de zorgplicht. Dit ligt anders wanneer er langs wegen vanginstallaties met schermen en ingegraven emmers worden ingezet, zoals op veel locaties gebeurt door vrijwilligers. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat er een vrijstelling wordt verleend van het verbod om deze dieren te vangen. Deze paragraaf voorziet in deze vrijstelling.

 

Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden (artikel 3.8.6)

Deze vrijstelling staat het toe dat niet vliegvlugge jonge vogels tijdelijk worden gevangen om ze te beschermen bij landbouwwerkzaamheden. Deze maatregel wordt regelmatig genomen door weidevogelbeschermers om te voorkomen dat de jonge vogels bij werkzaamheden, bijvoorbeeld tijdens het maaien, worden gedood.

 

Vrijstellingen voor onderzoek en onderwijs (artikel 3.8.7)

In dit artikel wordt vrijstelling verleend van de verboden op het vervoeren en onder zich hebben van braakballen en losse veren afkomstig van beschermde vogelsoorten. Deze vrijstelling geldt omdat deze producten worden gebruikt bij onderzoek en onderwijs.

Met behulp van natuurlijk geruide veren die worden verzameld bij broedlocaties van vogels, kan bijvoorbeeld onderzoek worden gedaan naar de overleving van broedvogels. Braakballen worden verzameld om inzicht te krijgen in de voedselkeuze van vogels.

Er wordt verder vrijstelling verleend van het verbod op het vangen van larven (kikkervisjes) van meerkikkers, middelste groene kikkers, bruine kikkers en gewone padden en het verzamelen van eieren van deze soorten om het mogelijk te maken deze te gebruiken bij onderzoek en onderwijs, waarbij de ontwikkeling van larve tot kikker of pad wordt gevolgd. Wanneer de larven de metamorfose volledig hebben voltooid is deze vrijstelling niet meer van toepassing; de dieren dienen dan weer in vrijheid te zijn gesteld.

 

Artikel III Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal Blad.

  • 2.

    De Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt ingetrokken.

Artikel IV Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014

 

Maastricht, d.d. 31 maart 2017

Provinciale Staten voornoemd

de voorzitter,

dhr. drs. Th.J.F.M. Bovens

de griffier,

mw. drs. J.J. Braam