Provinciaal blad van Zeeland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeelandProvinciaal blad 2016, 843Verordeningen



Provincie Zeeland - Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden 2016

Besluit van Provinciale Staten van Zeeland van 5 februari 2016, kenmerk 15017274, tot vaststelling van de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden 2016. Tevens intrekking van Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden, laatstelijk gewijzigd op 29 april 2010.

 

Provinciale Staten van Zeeland,

  • gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 8 december 2015, nr. 15017264;

  • gelet op de artikelen 93, 94, eerste en tweede lid, en artikel 143 van de Provinciewet;

  • gelet op de artikelen 18, eerste lid, 19, eerste lid, 22a, vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, en de artikelen 4, 6a, vierde lid, 12, tweede lid, en 13 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden;

  • gezien het advies van de Commissie Bestuur van 22 januari 2016

 

besluiten vast te stellen

 

Artikel I  

Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden 2016

 

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de Provinciewet;

  • b.

    commissielid: een lid van de commissie als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden;

  • c.

    statenlid: lid van provinciale staten, niet zijnde gedeputeerde.

Hoofdstuk II Voorzieningen voor staten- en commissieleden

Artikel 2 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen

  • 1.

    Aan commissieleden wordt een vergoeding toegekend voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie en haar subcommissies, die gelijk is aan het bedrag vermeld in artikel 13 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 94 van de Provinciewet ontvangt.

  • 3.

    Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie:

    • a.

      als statenlid of gedeputeerde;

    • b.

      uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;

    • c.

      als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke mate het provinciaal belang dient.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een hogere vergoeding vaststellen ten aanzien van:

    • a.

      een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en

    • b.

      een lid van de commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid.

Artikel 3 Reiskosten staten- en commissieleden

  • 1.

    Aan het statenlid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen van provinciale staten en van een commissie, alsmede de reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie gemaakte reizen.

  • 2.

    Aan het commissielid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie, alsmede de reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie gemaakte reizen.

  • 3.

    De in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding betreft:

    • a.

      bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten;

    • b.

      bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de Reisregeling binnenland.

Artikel 4 Verblijfkosten

  • 1.

    Aan het statenlid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van provinciale staten en van een commissie, alsmede ter zake van andere ten behoeve van de provincie gemaakte reizen, tot ten hoogste de bedragen vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.

  • 2.

    Aan het commissielid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.

Artikel 5 Buitenlandse excursie of reis

  • 1.

    Provinciale staten kunnen een delegatie uit provinciale staten of een commissie uit provinciale staten toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland als deze door of vanwege de provincie wordt georganiseerd. Provinciale staten kunnen aan de toestemming voorwaarden verbinden.

  • 2.

    De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor rekening van de provincie.

Artikel 6 Cursus, congres, seminar of symposium

  • 1.

    De kosten van deelname van een staten- of commissielid aan cursussen, congressen, seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de provincie.

  • 2.

    Het staten- of commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier.

  • 3.

    De aanvraag als bedoeld in het vorige lid gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.

  • 4.

    De kosten komen voor rekening van de provincie als deelname van belang is in verband met de vervulling van het staten- of commissielidmaatschap.

Artikel 7 Computer en internetverbinding

  • 1.

    Het staten- of commissielid ondertekent een bruikleenovereenkomst met de provincie als hem een computer, bijbehorende apparatuur en software en / of tablet in bruikleen ter beschikking wordt gesteld. Gedeputeerde staten stellen een model van de bruikleenovereenkomst vast.

  • 2.

    Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software en / of tablet ten laste van de provincie ter beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde staten een staten- of commissielid op aanvraag voor de uitoefening van het staten- of commissielidmaatschap een vergoeding voor de aanschaf van of het gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software en / of tablet. De vergoeding bedraagt maandelijks 1/36 van de aanschafwaarde daarvan voor een periode van maximaal 36 maanden. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer, bijbehorend apparatuur en software en / of tablet die gedeputeerde staten aan staten- en commissieleden in bruikleen ter beschikking stellen.

  • 3.

    Op aanvraag ontvangt het staten- of commissielid een vast bedrag van ten hoogste € 15 per maand ter vergoeding van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in dit artikel bedoelde computerapparatuur voor zover deze nodig is voor het uitoefenen van het staten- of commissielidmaatschap.

  • 4.

    Provinciale staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen.

Artikel 8 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

  • 1.

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964, worden aangewezen de vergoedingen, verstrekkingen en tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 12a van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden.

  • 2.

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk II van deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Hoofdstuk III Voorzieningen voor gedeputeerden

Artikel 9 Reiskosten woon-werkverkeer

De gedeputeerde wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats van tewerkstelling een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend overeenkomstig het bepaalde in de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.

 

Artikel 10 Zakelijke reiskosten

  • 1.

    Aan de gedeputeerde wordt naast de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9, vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in artikel 9 bedoelde reizen ten behoeve van de provincie gemaakt. De vergoeding betreft:

    • a.

      bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten;

    • b.

      bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het bedrag, genoemd in artikel 4, onderdeel b, van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.

Artikel 11 Dienstauto

  • 2.

    De gedeputeerde kan voor reizen ten behoeve van de provincie gebruik maken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een door de provincie ingehuurde auto.

  • 3.

    De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de gedeputeerde ook worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling en voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de gedeputeerde vervult uit hoofde van zijn ambt.

  • 4.

    Indien de gedeputeerde gebruik maakt van een dienstauto met of zonder chauffeur dan heeft hij voor die reizen geen recht op een tegemoetkoming voor de reiskosten.

  • 5.

    Indien de gedeputeerde voor reizen ten behoeve van het tweede lid bedoelde nevenfuncties gebruik maakt van de provinciale dienstauto en daarvoor van een derde ook een vergoeding van reiskosten ontvangt, wordt de vergoeding in de provinciale kas gestort.

Artikel 12 Verblijfkosten

De gedeputeerde worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke verblijfkosten ter zake van reizen als bedoeld in artikel 10 volledig vergoed.

 

Artikel 13 Buitenlandse dienstreis

  • 1.

    Indien de gedeputeerde in het provinciaal belang een reis buiten Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reis- en verblijfkosten vergoed.

  • 2.

    Voor een reis in het provinciaal belang buiten Nederland, niet zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming van gedeputeerde staten vereist. Gedeputeerde staten kunnen aan deze toestemming voorwaarden verbinden.

Artikel 14 Computer- en internetverbinding

  • 1.

    De gedeputeerde aan wie een computer, bijbehorende apparatuur en software en / of tablet in bruikleen ter beschikking wordt gesteld, ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde staten stellen het model van een bruikleenovereenkomst vast.

  • 2.

    Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software en / of tablet ten laste van de provincie ter beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde staten de gedeputeerde op aanvraag voor de uitoefening van het ambt een vergoeding voor de aanschaf of het gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software en / of tablet. De vergoeding bedraagt per jaar 1/36 van de aanschafwaarde daarvan voor een periode van 36 maanden. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en software en / of tablet welke aan de gedeputeerden ten laste van de provincie in bruikleen ter beschikking worden gesteld.

  • 3.

    Op aanvraag ontvangt de gedeputeerde een bedrag van ten hoogste € 15 ter vergoeding van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van het ambt.

  • 4.

    Provinciale staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.

Artikel 15 Communicatieapparatuur

  • 1.

    Op aanvraag wordt de gedeputeerde voor de uitoefening van zijn ambt communicatieapparatuur in bruikleen ter beschikking gesteld.

  • 2.

    De gedeputeerde ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de provincie.

  • 3.

    Gedeputeerde staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst vast.

Artikel 16 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten

De gedeputeerde die bij benoeming nog niet over woonruimte in de provincie beschikt heeft ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van:

  • a.

    reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van de Regeling rechtspositie gedeputeerden, en

  • b.

    verhuiskosten in verband met de benoeming als gedeputeerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling rechtspositie gedeputeerden.

Artikel 17 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

  • 1.

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964, worden aangewezen de vergoedingen, verstrekkingen en tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 23a van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.

  • 2.

    Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk III van deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Hoofdstuk IV De procedure van declaratie en betaling

Artikel 18 Betaling vaste vergoedingen

Betaling van de vergoeding voor werkzaamheden, de bezoldiging voor de gedeputeerden op grond van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, de onkostenvergoedingen en declaraties, geschiedt maandelijks of in maandelijkse termijnen als er sprake is van een vergoeding op jaarbasis, tenzij het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden of de Regeling rechtspositie gedeputeerden anders bepalen.

 

Artikel 19 Rechtstreekse facturering bij de provincie

  • 1.

    Staten- en commissieleden en gedeputeerden dragen ten behoeve van het vergoeden van kosten zorg voor rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie.

  • 2.

    Verantwoording van de vergoeding door het staten- of commissielid dan wel de gedeputeerde, vindt plaats door een door gedeputeerde staten vastgesteld begeleidingsformulier volledig in te vullen en te retourneren.

  • 3.

    Een factuur komt alleen voor vergoeding in aanmerking als wordt voldaan aan de bepalingen in deze verordening.

  • 4.

    Het begeleidingsformulier tezamen met de factuur binnen 6 maanden na factuurdatum ingediend bij de griffier, onderscheidenlijk de provinciesecretaris of een door hem aangewezen ambtenaar.

Artikel 20 Declaratie van vooruitbetaalde kosten

  • 1.

    De declaratie van de kosten die uit eigen middelen vooruit zijn betaald en de vergoeding van reiskosten met de eigen auto, vindt plaats door gebruikmaking van een door gedeputeerde staten vastgesteld declaratieformulier.

  • 2.

    Het declaratieformulier wordt binnen 6 maanden na de betaling c.q. de datum van de gemaakte rit, volledig ingevuld en ondertekend ingeleverd bij de griffier, onderscheidenlijk de provinciesecretaris of een door hem aangewezen ambtenaar, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.

Artikel 21 Gebruik creditcard

  • 1.

    Een provinciale creditcard kan aan de gedeputeerde op aanvraag ter beschikking worden gesteld voor het doen van uitgaven die voor vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de provincie in aanmerking komen. Aan de verstrekking van de credit card kunnen voorwaarden worden verbonden.

  • 2.

    De provinciesecretaris draagt zorg voor de aanvraag, verstrekking en intrekking van provinciale creditcards. Bij de aanvraag wordt aangegeven of een persoonlijke pincode voor het opnemen van contant geld gewenst wordt.

  • 3.

    De vergoeding van reis- en verblijfkosten in het buitenland kan plaatsvinden door gebruikmaking van de creditcard.

  • 4.

    Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door middel van invulling van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Dit formulier wordt ondertekend door de gedeputeerde ten behoeve van wie de kosten zijn gemaakt.

  • 5.

    Het formulier en de factuur worden binnen één maand na afloop van de kalendermaand van inhouding door de creditcardmaatschappij ter goedkeuring ingediend bij de provinciesecretaris of de door hem aangewezen ambtenaar.

  • 6.

    Niet tijdige inlevering van het formulier heeft, tenzij er sprake is van overmacht, tot gevolg dat de gemaakte kosten voor rekening van de gedeputeerde komen.

  • 7.

    Bij beëindiging van het ambt van gedeputeerde wordt de creditcard onverwijld ingeleverd.

  • 8.

    Verlies of diefstal van de creditcard wordt direct gemeld bij de betreffende creditcardmaatschappij en zo spoedig mogelijk ook bij de provincie. Het eigen risico bij verlies en diefstal komt – mits is voldaan aan de daarvoor geldende regels – voor rekening van de provincie.

Hoofstuk V Citeertitel en inwerkingtreding

Artikel 22  

De Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden, laatstelijk gewijzigd in werking getreden op 29 april 2010, Provinciaal Blad, 2010, 16, wordt ingetrokken.

 

Artikel 23 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2016.

Artikel 24 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Provincie Zeeland 2016.

 

Artikel II  

 

Toelichting op de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden 2016

 

1. Algemeen

1.1 Achtergrond wijzigingen in verordening: harmonisatie en modernisering

De wijzigingen in deze verordening ten opzichte van de verordening van 2005, vloeien voort uit de harmonisatie en modernisering door het ministerie van BZK (2014) van de rechtsposities van de voorzitters, dagelijkse bestuurders en volksvertegenwoordigers in de provincies, gemeenten en waterschappen. De verschillende rechtsposities zijn neergelegd in de betreffende rechtspositiebesluiten en ministeriële regelingen (zie verder onder 1.2). In het kader van genoemde actie van BZK zijn voor vergelijkbare decentrale politieke ambtsdragers vergelijkbare artikelen opgenomen. Ook is bezien of de desbetreffende voorziening nog adequaat was met het oog op het functioneren van de politieke ambtsdrager in de huidige tijd.

 

De voorgestelde wijzigingen in de verordening hebben dus geen betrekking op beleidswijzigingen ten aanzien van de status van de respectievelijke rechtsposities, en hebben dus ook geen verslechtering daarvan tot gevolg. In het geval van de commissieleden is zelfs sprake van een verbetering. Zo hebben deze politieke ambtsdragers nu ook recht op voorzieningen als computer- en internetverbinding dan wel op vergoeding voor de aanschaf of het gebruik daarvan. Ook hebben de commissieleden recht op vergoeding van de kosten van deelname aan een cursus, congres, seminar of symposium.

 

De systematiek van de verordening is in zoverre gewijzigd dat de vergoedingen die dwingendrechtelijk zijn vastgelegd in de rechtspositiebesluiten en –regelingen niet meer in de verordening zijn opgenomen. Die onnodige dubbeling is er uitgehaald en heeft een zekere deregulering tot gevolg.

 

IPO heeft als handreiking een model voor de verordening geleverd. Dit model is voor deze decentrale verordening als uitgangspunt genomen. Waar mogelijk en wenselijk is recht gedaan aan de Zeeuwse variant van bepaalde artikelen in de vigerende verordening.

 

1.2 Wettelijke regelingen

De regeling van de rechtspositie van gedeputeerden, statenleden en leden van provinciale commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet, algemene maatregel van bestuur (AMvB), ministeriële regeling (alleen voor gedeputeerden) en provinciale verordening.

 

Wettelijk is voor gedeputeerden in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. Voor statenleden is de tijdelijke vervanging bij zwangerschap en bevalling of ziekte wettelijk geregeld. In de Provinciewet is opgenomen dat nadere invulling van de rechtspositie van gedeputeerden, staten- en commissieleden moet worden geregeld bij of krachtens de wet. Daartoe zijn twee AMvB's tot stand gekomen: het Rechtspositiebesluit gedeputeerden en het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. In een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie gedeputeerden, zijn sommige vergoedingen nader uitgewerkt.

 

In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld de verstrekking van een OV-jaarkaart, geldt dat de provincie de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.

 

De vergoedingen en regelingen voor staten- en commissieleden en gedeputeerden die bij of krachtens wet (lees: Provinciewet, rechtspositiebesluit- of regeling) dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn niet opgenomen in deze verordening. Dit betreft:

  • 1.

    de vergoeding voor werkzaamheden voor statenleden;

  • 2.

    de onkostenvergoeding voor statenleden en gedeputeerden;

  • 3.

    de toelage voor fractievoorzitters, leden van de vertrouwenscommissie, leden van de rekenkamerfunctie, dan wel de onderzoekscommissie;

  • 4.

    de compensatiemaatregelen voor staten- en commissieleden als zij een WW, BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben;

  • 5.

    de vergoeding van de contributie voor het lidmaatschap van de beroepsverenigingen;

  • 6.

    de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval;

  • 7.

    de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van provinciale staten;

  • 8.

    de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte;

  • 9.

    voorzieningen voor staten- of commissieleden en gedeputeerden met een fysieke beperking;

  • 10.

    de bezoldiging van de gedeputeerden.

1.3 Hoofdlijnen provinciale verordening

In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van gedeputeerden, statenleden en leden van provinciale commissies voor zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Provinciewet en de genoemde rechtpositiebesluiten.

 

Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de gedeputeerden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de provincie (artikel 43 van de Provinciewet). Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende gedeputeerden uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Provinciewet, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, de Regeling rechtspositie gedeputeerden en de provinciale Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden. Gewezen gedeputeerden ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering en pensioen aan de Appa.

 

Een soortgelijke bepaling als artikel 43 is in artikel 96 van de Provinciewet opgenomen voor staten- en commissieleden. Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij provinciale verordening aan staten- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend.

 

1.4 Provinciale verordening

De verordening bevat bepalingen inzake:

  • de beloning voor de werkzaamheden van commissieleden (artikel 2), waarbij is opgemerkt dat voor statenleden en gedeputeerden niets is opgenomen omdat hun bezoldiging c.q. vergoeding uitputtend is geregeld in de respectievelijke rechtspositiebesluiten;

  • reis- en verblijfkosten van gedeputeerden, staten- en commissieleden, waarbij voor gedeputeerden een onderscheid gemaakt is tussen woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 3,4, 9 t/m 12);

  • buitenlandse reizen (artikelen 5 en 13);

  • reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij de benoeming verhuisplichtige gedeputeerde (artikel 16);

  • beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan staten- en commissieleden en gedeputeerden (artikelen 7, 14 en 15) en faciliteiten in de vorm van deelname van staten- en commissieleden aan cursussen, congressen e.d. (artikel 6);

  • de procedure van declareren en betalen (artikelen 18 t/m 20).

1.5 De arbeidsverhouding van de gedeputeerde en het statenlid

Statenleden zijn niet in dienstbetrekking bij de provincie. De provincie is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het statenlidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Omdat er geen dienstbetrekking is met de provincie vallen statenleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964, maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een statenlid opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder).

 

Gedeputeerden zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. De bepalingen over het materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn echter niet van toepassing op gedeputeerden. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat gedeputeerden direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting 1964 vallen. Gedeputeerden vallen niet onder de werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening bij het ABP. De uitkering na aftreden en het ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor gedeputeerden geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).

 

1.6 De loon- en inkomstenbelasting

Opting-in-regeling

Statenleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het statenlid kan met de provincie overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de "opting-in-regeling" genoemd. De administratie van de provincie is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de provincie en het statenlid aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de provincie de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een statenlid geen werknemer is in de formele zin van het woord, valt hij niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de statenvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het statenlid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de provincie onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen.

 

De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de toepassing van de opting-in-regeling.

 

Fiscale standaardpositie

Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het statenlid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Statenleden die gekozen hebben voor de standaardregeling zullen dan ook over de netto-onkostenvergoeding inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal kunnen aantonen dat de vergoeding besteed is aan onkosten voortvloeiend uit het statenlidmaatschap. De verstrekking van een ov-jaarkaart behoort dan ook in beginsel tot de te belasten voordelen.

 

Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbaar resultaat). De provincie dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen (bijvoorbeeld een OV-jaarkaart) moet naar de waarde in het economisch verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijke zakelijke gebruik leidt dan tot aftrek.

 

1.7 Eenmalige keuze per zittingsperiode

Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het statenlid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren moet bij aanvang van de zittingsperiode worden gemaakt en geldt voor de gehele zittingsperiode.

 

1.8 De vergoedingssystematiek

Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met een functioneringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen betaalt en de provincie ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de provincie. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan.

 

1.9 Controle en verantwoording

Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door provinciebestuurders en over de eventueel verschuldigde belasting.

 

Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanige sluitende financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent de juistheid en recht\matigheid van de uitgaven.

 

In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd.

 

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen

In dit artikel is het presentiegeld voor lede van de provinciale commissies geregeld die zijn ingesteld op basis van de artikelen 80 t/m 82 van de Provinciewet. Deze bepaling geldt niet voor statenleden en gedeputeerden die in de commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de rechtspositiebesluiten. Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren (op grond van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden) en bestuurders van gesubsidieerde organisaties die in die hoedanigheid in de commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het provinciaal belang dient.

 

De hoogte van het presentiegeld is in het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden overwegend dwingendrechtelijk bepaald. Het bedrag van het presentiegeld wordt geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de provincie geen nadere besluitvorming nodig. Het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden biedt de mogelijkheid om in de provinciale verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde bedrag. Dat is geregeld in het vierde lid.

 

Dit artikel is van toepassing op alle hoofdstuk V Provinciewet commissies.

 

Artikel 3 Reiskosten staten- en commissieleden

In dit artikel is het recht op vergoeding van reiskosten voor staten- en commissieleden geregeld. De grondslag hiervoor is te vinden in de Provinciewet (commissieleden) en het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden (statenleden). Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt. De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.

 

Voor de reiskosten ten behoeve van de overige reiskosten hebben de provincies meer beleidsvrijheid. Vandaar dat voor deze reizen verschillende bepalingen zijn opgenomen, afhankelijk van de variant die voor de reiskosten voor de vergadering wordt besloten.

 

Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel belast, het meerdere van deze vergoedingen wordt daarom ook niet aangewezen als eindheffingsbestanddeel in artikel 8.

 

Onder reiskosten voor reizen ten behoeve van de provincie gemaakte reis worden in ieder geval verstaan:

  • -

    reiskosten voor het bijwonen van een activiteit door de provincie georganiseerd;

  • -

    reiskosten voor het bijwonen van een activiteit waarover een provinciaal orgaan tot deelname heeft besloten;

  • -

    reiskosten voor het bijwonen van een activiteit die door de provincie gesponsord worden en waarvoor statenleden schriftelijk zijn uitgenodigd;

  • -

    reiskosten voor he bijwonen van een activiteit waarvan de betreffende statencommissie (in meerderheid) van oordeel is dat deelname past bij het functioneren als statenlid;

  • -

    reiskosten voor het bijwonen van een fractievergadering;

  • -

    reiskosten voor het bijwonen van werkbezoeken die door de fractie georganiseerd worden;

  • -

    reiskosten voor fractiebijeenkomsten met een zakelijk karakter ten behoeve van het werk als statenfractie.

Deze lijst is niet uitputtend. Het is aan de statenleden en hun fracties zelf om hier een verantwoorde invulling aan te geven. Het is vooral van belang dat er een zakelijk verband kan worden gelegd met werkzaamheden ten behoeve van de provincie. Indien er bijvoorbeeld een bijeenkomst is met fracties van andere provincies waar gesproken wordt over bestuurlijke samenwerking, dan is dit ten behoeve van de provincie. De statengriffie zal deze categorie reis- en verblijfkosten en behoeve van bepaalde fractiewerkzaamheden niet toetsen aan de verordening. De statengriffie heeft immers geen zicht op fractievergaderingen en bijeenkomsten ten behoeve van de fracties. Wel toetst de accountant de toepassing van de declaratieregels voor provinciale staten steekproefsgewijs. Verder wordt op basis van deze toetsing jaarlijks een geaggregeerd overzicht, voorzien van het oordeel van de accountant van provinciale staten en een algemene toelichting, gepubliceerd op de provinciale website.

 

Reiskosten voor verkiezingsactiviteiten vallen nadrukkelijk niet onder de reiskosten die worden vergoed.

 

Voor staten- en commissieleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.

 

Artikel 4 Verblijfkosten

Dit artikel regelt de vergoeding van verblijfkosten. De grondslag hiervoor is te vinden in de Provinciewet. De vergoeding kan worden toegekend als het statenlid een staten- of commissievergadering bijwoont, maar ook in geval van dienstreizen. Daarvoor gelden dezelfde maxima als voor het rijkspersoneel. Ook is het mogelijk maaltijden en consumpties bij zakelijk verblijf op het provinciehuis te verstrekken.

 

Op de vergoeding of verstrekking van maaltijden is de werkkostenregeling van toepassing voor de statenleden die geopteerd hebben voor het fictief werknemerschap. Voor de statenleden die gekozen hebben voor de standaardpositie geldt dat als het zakelijk karakter van niet meer dan bijkomstig belang is dat de vergoeding of de waarde in het economisch verkeer van de verstrekking tot het loon wordt gerekend. Bij verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines met een privékarakter, wordt de waarde van een kantinemaaltijd vastgesteld op een forfaitair bedrag.

 

Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting, geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.

 

Artikel 5 en 13 Buitenlandse dienstreis

Provinciale staten, delegaties daaruit of gedeputeerden maken wel eens in het provinciale belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moeten provinciale staten expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege de provincie georganiseerd.

 

Bij buitenlandse dienstreizen in het provinciaal belang kunnen aan de gedeputeerde de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed. De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn daarvoor richtsnoer.

 

Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoeding en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.

 

Artikel 6 Cursus, congres, seminar of symposium

Op grond van artikel 12, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden komt niet-partijpolitieke scholing in verband met de vervulling van het staten- of commissielidmaatschap in aanmerking voor vergoeding. In dit artikel is de procedure verder uitgewerkt.

 

Een onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de provincie in het provinciaal belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan individuele statenleden of gedeputeerden, in verband met de vervulling van het statenlidmaatschap, op eigen initiatief deelnemen. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een kostenspecificatie).

 

Gezien de aard en de duur van het ambt liggen voor staten- en commissieleden opleidingen voor de hand die gericht zijn op persoonlijk functioneren in het ambt en geen opleidingen die gericht zijn op loopbaanontwikkeling.

 

Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden.

 

Onder scholingskosten worden verstaan de cursus- en lesgelden, de kosten van het studiemateriaal, examen- en diplomakosten en de aanschafkosten van verplicht gesteld studiemateriaal, alsmede reis-en verblijfkosten in het kader van de opleiding.

 

Voor staten- en commissieleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.

 

Artikel 7 en 14 Computer- en internetverbinding

In het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden en het Rechtspositiebesluit gedeputeerden is geregeld dat het staten- of commissielid, respectievelijk de gedeputeerde van de provincie een computer (of een tablet of een dual-use apparaat) in bruikleen krijgt of een vergoeding ontvangt voor de aanschaf of het gebruik van zijn eigen computer. De vergoeding is daarmee niet in strijd met de Provinciewet.

 

Bijbehorende apparatuur is de apparatuur die bestemd is om aan de computer te worden gekoppeld om informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een printer of een docking station. De randapparatuur moet voor het werk functioneel zijn en kan niet zelfstandig worden gebruikt.

 

De nadere voorwaarden van de bruikleen zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die het statenlid en de gedeputeerde met de provincie sluit. Het model van die overeenkomst is door gedeputeerde staten vastgesteld.

 

Provinciale staten kunnen nadere voorwaarden stellen aan de eisen voor de apparatuur die van de vergoeding gekocht wordt. Met deze bepaling en deze nadere voorwaarden voldoet de tegemoetkoming ook aan de regels voor het noodzakelijkheidscriterium.

 

De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste van de provincie. Omdat bijna iedereen tegenwoordig al een internetverbinding heeft, wordt de al aanwezige internetverbinding niet vergoed, maar alleen de uitbreiding voor zover die nodig is voor het uitoefenen van de functie. Provinciale staten kunnen hiervoor een voor ieder gelijk maximaal vergoedingsbedrag vaststellen. In casu € 15 per maand.

 

Gezien de grote variëteit aan mogelijkheden, de snelle ontwikkelingen op ICT-gebied en de verschillende behoeften in provincies, zijn er niet allerlei aanvullende regelingen op detailniveau opgenomen, maar is in het vierde lid aan provinciale staten de bevoegdheid gegeven om nadere (huishoudelijke) regels vast te stellen om maatwerk te kunnen leveren op het niveau van de individuele provincie. Daarbij kan worden gedacht aan een regeling van het moment waarop moet worden gekozen uit de soorten voorzieningen (bruikleen, of vergoeding bij aanschaf c.q. gebruik van de eigen PC), bijvoorbeeld eenmaal bij aanvang van de statenperiode.

 

Voor de staten- en commissieleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moet worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.

 

Artikel 8 en 17 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

In verband met de werkkostenregeling moet een aantal netto-vergoedingen en verstrekkingen door de provincie aangewezen worden als eindheffingsbestanddeel. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover belasting worden ingehouden. Ook de vergoedingen en verstrekkingen die door de Belastingdienst gezien worden als gerichte vrijstelling of voor nihil-waardering in aanmerking komen, moeten in eerste instantie wel aangewezen worden. In een later stadium wordt dan (in de financiele administratie) aangegeven dat dit gerichte vrijstellingen of nihil-waarderingen betreft.

 

Artikel 9, 10 en 16 Reiskosten woon-werkverkeer en zakelijke reis- en verblijfkosten

Voor gedeputeerden is een vergoeding voor het woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.

 

Ingevolge artikel 10 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto, vergoed overeenkomstig het kilometertarief dat is vastgesteld in de bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit gedeputeerden. Als een ov-jaarkaart / NS businesscard is verstrekt zijn er uiteraard geen reiskosten met openbare middelen van vervoer te declareren.

 

Artikel 11 Dienstauto

Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de provincie een dienstauto met of zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan gedeputeerden. De dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden gebruikt.

 

De dienstauto kan verder ook worden gebruikt voor de vervulling van een q.q.-nevenfunctie. De eventueel uit hoofde van die nevenfunctie ontvangen vergoeding van reiskosten ter zake wordt in dat geval in de provinciale kas gestort. De dienstauto is niet beschikbaar voor privégebruik.

 

Artikel 15 Communicatieapparatuur

Als communicatieapparatuur zal in veel gevallen een mobiele telefoon worden verstrekt. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die de gedeputeerde met de provincie sluit. Het model van die overeenkomst is door gedeputeerde staten vastgesteld. Hierin kunnen afspraken gemaakt worden over het privégebruik en het verhalen van de kosten daarvan op de gedeputeerde.

 

Artikel 16 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten

Ook personen van buiten provinciale staten kunnen tot gedeputeerde worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet in de provincie zelf wonen. Die zijn op grond van de Provinciewet verplicht om te gaan wonen in de provincie waar zij gedeputeerde zijn geworden. In dit artikel is geregeld dat zij bij verhuizing naar de provincie in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.

 

Artikel 18 t/m 20 De procedure van declaratie en betaling

In de verordening zijn drie wijzen van betaling aangegeven. Ook is aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is en welke procedurevoorschriften in acht genomen moeten worden.

 

Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreekse facturering bij de provincie, en daarna declaratie van vooruitbetaalde kosten of gebruik van de provinciale creditcard, waarbij deze laatste twee afhankelijk zijn van de situatie.

 

De accountant toetst de toepassing van de declaratieregels voor provinciale staten steekproefsgewijs. Verder wordt op basis van deze toetsing jaarlijks een geaggregeerd overzicht van gedeclareerde kosten, voorzien van het oordeel van de accountant van provinciale staten en een algemene toelichting gepubliceerd op de provinciale website.

 

Gebruik creditcard

Aan gedeputeerden kan onder voorwaarden een creditcard beschikbaar worden gesteld voor functionele uitgaven ten laste van de provincie. Gebruik van creditcards is mogelijk in de volgende gevallen:

  • -

    zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden;

  • -

    reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van gedeputeerden;

  • -

    reis- en pensionkosten en verhuiskosten.

Artikel III  

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2016.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van provinciale staten van 5 februari 2016.

 

 

drs. J.M.M. Polman, voorzitter

drs. P. Joosse, griffier

 

Uitgegeven 12 februari 2016,

de secretaris, A.W. Smit