Provinciaal blad van Noord-Brabant

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Noord-BrabantProvinciaal blad 2016, 6738Verordeningen



Wijziging Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat de Europese Commissie op 16 februari 2015 het derde Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland 2014-2020 (POP3) heeft goedgekeurd;

 

Overwegende dat naar aanleiding daarvan Nederland een Europese subsidie uit het Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling ontvangt en Nederland een eigen bijdrage aan het Plattelandsontwikkelingsprogramma levert van minimaal eenzelfde bedrag;

 

Overwegende dat het Rijk en de provincies op 18 december 2014 het Convenant Uitvoering POP3 hebben gesloten over de hoofdlijnen van de invulling en werkwijze van de uitvoering van de plattelandsontwikkeling in het POP3;

 

Overwegende dat de Minister van Economische Zaken het beheer en de uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma op grond van artikel 3 van de Regeling uitvoering ELFPO programmaperiode 2014-2020 heeft gedelegeerd aan de provinciebesturen;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten met deze subsidieregeling beogen de gestelde doelen in het Plattelandsontwikkelingsprogramma te behalen, zoals de transitie naar een duurzamere agrarische sector met aandacht voor innovatie, een integrale bijdrage aan meerdere duurzaamheidsthema’s door het leveren van een toegevoegde waarde met paragrafen ter zake subsidiering voor trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties, fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen, samenwerking in het kader van het EIP en herstel- en inrichtingsmaatregelen water, natuur en biodiversiteit;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel I Wijzigingen

De Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020 wordt als volgt gewijzigd:

 

A. In artikel 1.1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    Onderdeel h komt te luiden:

    • h.

      netto inkomsten: instroom van kasmiddelen als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van VO (EU) 1303/2013;

  • 2.

    Onderdeel j komt te luiden:

    • j.

      PAS: Programma Aanpak Stikstof 2015-2020;

  • 3.

    Onderdeel o komt te luiden:

    • o.

      voorbereidingskosten: kosten gemaakt voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om subsidie, die zijn gemaakt ten behoeve van het projectplan en die bestaan uit:

      • 1°.

        kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;

      • 2°.

        kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;

      • 3°.

        kosten van haalbaarheidsstudies;

      • 4°.

        personeelskosten of inbreng eigen arbeid, voor zover deze kosten betrekking hebben op werkzaamheden als bedoeld onder 1° tot en met 3°.

 

B. In artikel 1.4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    Onderdeel f komt te luiden:

    • f.

      de aanvrager een landbouwonderneming is die niet voldoet aan de definitie van kleine, middelgrote of micro-ondernemingen als opgenomen in bijlage 1 bij verordening 651/2014.

 

C. Aan artikel 1.5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3.

    Bijdragen in natura zijn subsidiabel tot de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende markt wordt aanvaard en voor zover de te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan de totale subsidiabele kosten in het project exclusief de bijdragen in natura overeenkomstig artikel 69, eerste lid, van VO (EU) 1303/2013.

 

D. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h van artikel 1.6, door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • i.

    kosten die niet noodzakelijk voor de uitvoering van het project of bovenmatig zijn.

 

E. Artikel 1.7 vervalt.

 

F. In artikel 1.9 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

  • 1.

    In onderdeel d wordt “wordt deze gedurende vijf jaar gebruiksklaar in stand gehouden” vervangen door: voldoet deze aan de voorwaarden voor de instandhoudingsplicht, bedoeld in artikel 71 van VO (EU) 1303/2013.

  • 2.

    In onderdeel e wordt “ontvangst” vervangen door: de datum.

  • 3.

    In onderdeel f wordt “ontvangst” vervangen door: de datum.

 

G. Artikel 1.11 komt te luiden:

Artikel 1.11 Verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering

Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 3 of 5 van hoofdstuk 2 of op het onderdeel LEADER worden netto inkomsten die tijdens de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden, overeenkomstig artikel 65 van VO (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

 

H. Artikel 1.12 komt te luiden:

Artikel 1.12 Verrekening netto inkomsten na uitvoering

Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 3 of 5 van hoofdstuk 2 of op het onderdeel LEADER worden netto inkomsten die na de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden overeenkomstig artikel 61 van VO (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

 

I. In artikel 1.16 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    In het eerste lid wordt “1.16” vervangen door: 1.15.

  • 2.

    In het tweede lid wordt na “verlaagd” toegevoegd: , overeenkomstig artikel 63 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden.

 

J. In artikel 1.17, vijfde lid, wordt “eerste lid” vervangen door: derde lid.

 

K. Artikel 2.1.1 komt te luiden:

Artikel 2.1.1 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    rechtspersonen en ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting leveren;

  • b.

    samenwerkingsverbanden van partijen als bedoeld onder a.

 

L. In artikel 2.1.3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    Het eerste lid, onder a komt te luiden:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • 2.

    Het eerste lid, onder c komt te luiden:

    • c.

      het project heeft als doel het informeren over innovaties of modernisering en de toepassing van de opgedane kennis te bevorderen met betrekking tot minimaal drie van de onderstaande thema’s, waaronder in ieder geval het eerste thema:

      • 1°.

        verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

      • 2°.

        beter beheer van productierisico’s, klimaatadaptatie, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

      • 3°.

        maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik, een meer gesloten kringloop, minder emissie van milieubelastende stoffen en klimaatmitigatie;

      • 4°.

        verbetering van dierenwelzijn, diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

      • 5°.

        behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

  • 2.

    In het eerste lid, onder d, wordt “eerste lid, 42 punten” vervangen door: eerste tot en met derde lid, 16 punten.

  • 3.

    In het tweede lid, onder d, wordt na “project” toegevoegd: , met inbegrip van een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

  • 4.

    Het tweede lid, onder e, komt te luiden:

    • e.

      de curricula vitae van het personeel, waaronder minimaal de aanvrager zelf of een medewerker bij de aanvrager in loondienst, dat de kennisoverdrachtsdiensten en voorlichtingsdiensten aan gaat bieden, waarbij minimaal een afgeronde opleiding op ten minste HBO-niveau en drie jaar relevante werkervaring waaronder relevante werkervaring binnen drie jaar van de datum van aanvraag vereist is.

 

M. In artikel 2.1.4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    De aanhef komt te luiden:

    De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

  • 2.

    In onderdeel b vervalt “en reiskosten”.

  • 3.

    Onderdeel f komt te luiden:

    • f.

      bijdragen in natura in de vorm van kosten voor onbetaalde eigen arbeid.

 

N. In artikel 2.1.6 wordt “2 november 2015 tot en met 11 december 2015” vervangen door: 23 januari 2017 tot en met 8 maart 2017.

 

O. In artikel 2.1.7 wordt “€ 1.300.000” vervangen door: € 1.400.000.

 

P. In artikel 2.1.8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    In het eerste lid wordt “80%” vervangen door “60%” en wordt na “subsidiabele kosten” een komma ingevoegd.

  • 2.

    Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3.

    Indien de aanvrager minder dan het percentage van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 4.

    In het vierde lid wordt “€ 150.000” vervangen door: € 200.000.

 

Q. Artikel 2.1.9 komt te luiden als volgt:

Artikel 2.1.9 Selectiecriteria

  • 1.

    Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1.2, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van:

    • a.

      de kosteneffectiviteit van het project hetgeen blijkt uit de totale aangevraagde subsidiabele kosten in relatie tot de geplande prestatie inclusief de bijdrage ervan aan de doelstelling van de openstelling;

    • b.

      de kans op succes van het project hetgeen blijkt uit:

      • 1°.

        de kwaliteit van de aanbieder van de kennis;

      • 2°.

        de kwaliteit van het projectplan;

      • 3°.

        de mate waarin de deelnemers worden uitgedaagd om de geleerde kennis daadwerkelijk in de praktijk toe te gaan en blijven passen;

    • c.

      de effectiviteit van het project hetgeen blijkt uit de bijdrage die wordt geleverd aan verduurzaming van de landbouw en voedselketen, blijkend uit:

      • 1°.

        de mate waarin de kennis aansluit op de kansen en uitdagingen in de agrofoodketen en de fysieke en maatschappelijke omgeving van de agrarische productie;

      • 2°.

        de mate waarin een integrale bijdrage wordt geleverd aan de duurzaamheid van de landbouw en agrofoodsector te beoordelen aan de hand van de bijdrage aan elk van de duurzaamheidsthema’s, genoemd in artikel 2.1.3, eerste lid, onder c;

      • 3°.

        het bereik van het project in verhouding tot de aangevraagde subsidiabele kosten;

    • d.

      de innovativiteit van het project hetgeen blijkt uit de mate waarin de over te brengen kennis al bij de doelgroep in de praktijk wordt toegepast, in samenhang met de mate waarin toepassing van de nieuwe kennis leidt tot een grotere verandering ten opzichte van de bestaande gangbare werkwijze.

  • 2.

    Voor de beoordeling van de selectiecriteria, genoemd in het eerste lid, worden de volgende wegingsfactoren gehanteerd:

    • a.

      wegingsfactor 2 voor kosteneffectiviteit;

    • b.

      wegingsfactor 2 voor kans op succes;

    • c.

      wegingsfactor 2 voor effectiviteit;

    • d.

      wegingsfactor 1 voor innovativiteit.

  • 3.

    Voor de beoordeling van de selectiecriteria, genoemd in het eerste lid, wordt per onderdeel de volgende puntentoekenning gehanteerd:

    • a.

      1 punt, indien de beoordeling matig is;

    • b.

      2 punten, indien de beoordeling voldoende is;

    • c.

      3 punten, indien de beoordeling goed is;

    • d.

      4 punten, indien de beoordeling zeer goed is.

  • 4.

    Indien na toepassing van het eerste tot en met derde lid, en artikel 2.1.3, eerste lid, onder d, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.1.7 te boven gaan, worden de gerangschikte aanvragen behandeld op volgorde van puntenaantal beginnend bij de aanvraag met de meeste punten.

  • 5.

    Indien toepassing van het eerste tot en met derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het puntenaantal van het selectiecriterium voor effectiviteit. Indien dit puntenaantal ook gelijk is, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

 

R. Onder vernummering van artikel 2.1.10 tot 2.1.11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.1.10 Adviescommissie POP3

Gedeputeerde Staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, voor advies over de artikelen 2.1.3, eerste lid, onder d en 2.1.9 voor aan de Adviescommissie POP3, bedoeld in artikel 1.8.

 

S. In artikel 2.1.11 wordt “herkomst van de deelnemers” vervangen door: deelnemersgegevens.

 

T. Onder vernummering van artikel 2.2.1 tot 2.2.1a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.2.1 Begripsbepalingen specifiek

In deze paragraaf wordt onder BZV-score verstaan:

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, die de mate waarin de Brabantse veehouderij bovenwettelijke maatregelen toepast, uitdrukt.

 

U. Artikel 2.2.2 komt te luiden:

Artikel 2.2.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen voor de bredere uitrol van innovaties binnen de agrarische sector.

 

V. Artikel 2.2.3 komt te luiden:

Artikel 2.2.3 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      de investering komt ten goede aan het platteland of de agrarische sector;

    • c.

      het project heeft als doel bij te dragen aan minimaal drie van de onderstaande thema’s, waaronder in ieder geval het eerste thema:

      • 1°.

        verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

      • 2°.

        beter beheer van productierisico’s, klimaatadaptatie, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

      • 3°.

        maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een meer gesloten kringloop, minder emissie van milieubelastende stoffen en klimaatmitigatie;

      • 4°.

        verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

      • 5°.

        behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit;

    • d.

      het project scoort bij de afweging, bedoeld in artikel 2.2.9, eerste tot en met derde lid, 20 punten of meer, waarbij het project op innovativiteit, als bedoeld in artikel 2.2.9, eerste lid, onder d, minimaal als voldoende wordt beoordeeld.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan waarin ten minste is opgenomen:

      • 1°.

        de doelstellingen van het project;

      • 2°.

        een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering van het project te maken kosten blijkt;

      • 3°.

        de wijze van uitvoering van het project;

      • 4°.

        de verwachte planning en realisatietermijn van het project;

      • 5°.

        de verwachte liquiditeitsplanning van het project;

      • 6°.

        de verwachte resultaten van het project;

    • b.

      een begroting van de kosten en inkomsten van het project;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een sluitend financieringsplan van de kosten van het project, met inbegrip van een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • e.

      indien de investering naar waarschijnlijkheid leidt tot negatieve omgevingseffecten, een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevingseffecten van de investering.

 

W. In artikel 2.2.4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    De aanhef komt te luiden:

    De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

  • 2.

    De onderdelen a tot en met h worden geletterd tot b tot en met i.

  • 3.

    Er wordt een onderdeel ingevoegd luidende:

    • a.

      de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;

  • 4.

    Onderdeel i vervalt.

 

X. Artikel 2.2.5 komt te luiden:

Artikel 2.2.5 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.6 en in afwijking van artikel 2.2.4, komen gebouwen waarvoor in de afgelopen 10 jaar steun is verleend of die op het moment van subsidievaststelling niet aan de nationale vereisten voldoen, niet voor subsidie in aanmerking.

 

Y. In artikel 2.2.6 wordt “2 november 2015 tot en met 11 december 2015” vervangen door: 23 januari 2017 tot en met 8 maart 2017.

 

Z. In artikel 2.2.7 wordt “€ 4.000.000” vervangen door: € 4.400.000.

 

AA. In artikel 2.2.8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    In het eerste lid wordt na “subsidiabele kosten” een komma ingevoegd en wordt “€ 40.000” vervangen door: € 250.000.

  • 2.

    Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd luidende:

    • 3.

      Indien de aanvrager minder dan het percentage van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 3.

    In het vierde lid wordt “€ 8.000” vervangen door: € 30.000.

 

BB. Artikel 2.2.9 komt te luiden:

Artikel 2.2.9 Selectiecriteria

  • 1.

    Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2.2, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van:

    • a.

      de kosteneffectiviteit van het project hetgeen blijkt uit de aangevraagde subsidiabele kosten in relatie tot de geplande prestatie, inclusief de bijdrage ervan aan de doelstelling van de openstelling;

    • b.

      de kans op succes van het project hetgeen blijkt uit:

      • 1°.

        de mate waarin de innovatie direct inpasbaar en toepasbaar is op het bedrijf van de aanvrager;

      • 2°.

        de mate waarin er behoefte is aan de innovatie in de bedrijfstak waar de aanvrager onderdeel van uitmaakt en de risico’s zijn geïdentificeerd en gereduceerd;

      • 3°.

        de wijze waarop andere landbouwers worden gestimuleerd om kennis te nemen van de innovatie op het bedrijf van de aanvrager;

    • c.

      de effectiviteit van het project hetgeen blijkt uit de bijdrage die wordt geleverd aan verduurzaming van de landbouw en voedselketen, blijkend uit:

      • 1°.

        de mate waarin de innovatieve investering aansluit op de kansen en uitdagingen in de agrofoodketen, de fysieke en maatschappelijke omgeving van de agrarische productie;

      • 2°.

        de mate waarin een integrale bijdrage wordt geleverd aan de duurzaamheid van de landbouw en agrofoodsector te beoordelen aan de hand van de bijdrage aan elk van de duurzaamheidsthema’s, genoemd in artikel 2.2.3, eerste lid, onder e;

      • 3°.

        de BZV-score van het bedrijf waar de investering plaatsvindt, mits deze score voor het betreffende bedrijf van toepassing is;

    • d.

      de innovativiteit van het project hetgeen blijkt uit de mate waarin de innovatieve investering al bij de doelgroep wordt toegepast in samenhang met de mate waarin de innovatie afwijkt van de gangbare praktijk.

  • 2.

    Voor de beoordeling van de selectiecriteria, genoemd in het eerste lid, worden de volgende wegingsfactoren gehanteerd:

    • a.

      wegingsfactor 2 voor kosteneffectiviteit;

    • b.

      wegingsfactor 2 voor kans op succes;

    • c.

      wegingsfactor 3 voor effectiviteit;

    • d.

      wegingsfactor 2 voor innovativiteit.

  • 3.

    Voor de beoordeling van de selectiecriteria, genoemd in het eerste lid, wordt per onderdeel de volgende puntentoekenning gehanteerd:

    • a.

      1 punt, indien de beoordeling matig is;

    • b.

      2 punten, indien de beoordeling voldoende is;

    • c.

      3 punten, indien de beoordeling goed is;

    • d.

      4 punten, indien de beoordeling zeer goed is, waarbij voor het onderdeel effectiviteit de beoordeling alleen als zeer goed wordt gekwalificeerd als het bedrijf van de aanvrager, ten tijde van de aanvraag, een BZV-score heeft van ten minste 7,5 en indien er sprake is van meerdere bedrijven in een aanvraag, deze bedrijven samen een gemiddelde score van ten minste 7,5 hebben.

  • 4.

    Indien na toepassing van het eerste tot en met derde lid, en artikel 2.2.3, eerste lid, onder d, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.1.7 te boven gaan, worden de gerangschikte aanvragen behandeld op volgorde van puntenaantal beginnend bij de aanvraag met de meeste punten.

  • 5.

    Indien toepassing van het eerste tot en met derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het puntenaantal van het selectiecriterium voor kosteneffectiviteit. Indien dit puntenaantal ook gelijk is, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

 

CC. Onder vernummering van artikel 2.2.10 tot artikel 2.2.11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.2.10 Adviescommissie POP3

Gedeputeerde Staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.2, voor advies over de artikelen 2.2.3, eerste lid, onder d en 2.2.9 voor aan de Adviescommissie POP3, bedoeld in artikel 1.8.

 

DD. In artikel 2.2.11 wordt “ontvangst” vervangen door: de datum.

 

EE. In artikel 2.4.4, tweede lid, wordt “bijlage 2” vervangen door: bijlage 1.

 

FF. In artikel 2.4.10, eerste lid, wordt “bijlage 2” vervangen door: bijlage 1.

 

GG. De volgende paragrafen worden toegevoegd, luidende:

 

§ 5 Samenwerking in het kader van EIP

 

Artikel 2.5.1 Begripsbepalingen specifiek

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    EIP: Europees Partnerschap voor Innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw;

  • c.

    experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    haalbaarheidsstudie: haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • e.

    innovatieproject: project gericht op het ontwikkelen, valideren en verfijnen van een innovatie;

  • f.

    operationele groep: samenwerkingsverband dat deel uitmaakt van een EIP.

 

Artikel 2.5.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door deelnemers aan:

  • a.

    een operationele groep in wording; of,

  • b.

    een operationele groep.

 

Artikel 2.5.3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een innovatieproject.

 

Artikel 2.5.4 Weigeringsgrond

Onverminderd artikel 1.4 wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.5.3 geweigerd indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie in het kader van LEADER is verstrekt.

 

Artikel 2.5.5 Subsidievereisten

 

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.3 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt geheel of grotendeels uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project komt ten goede aan het platteland of de agrarische sector;

    • c.

      aan de operationele groep of operationele groep in wording neemt ten minste een landbouwer deel;

    • d.

      het project heeft als doel het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties met betrekking tot minimaal drie van de onderstaande thema’s, waaronder in ieder geval het eerste thema:

      • 1°.

        verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

      • 2°.

        beter beheer van productierisico’s, klimaatadaptatie, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

      • 3°.

        maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik, een meer gesloten kringloop, minder emissie van milieubelastende stoffen en klimaatmitigatie;

      • 4°.

        verbetering van dierenwelzijn, diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

      • 5°.

        behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit;

    • e.

      de operationele groep of operationele groep in wording heeft interne procedures vastgesteld ten behoeve van:

      • 1°.

        het garanderen van transparante werking en besluitvorming van de operationele groep;

      • 2°.

        het voorkomen van belangenconflicten;

    • f.

      het project scoort bij de afweging, bedoeld in artikel 2.5.10, 18 punten of meer.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, is het project, indien het project geen betrekking heeft op handel in en voortbrenging van landbouwproducten, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.3 in aanmerking te komen grotendeels gericht op experimentele ontwikkeling of haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 25, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan waarin ten minste is opgenomen:

      • 1°.

        een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten genoemd in het eerste lid;

      • 2°.

        een beschrijving van het project;

      • 3°.

        de doelstellingen van het project;

      • 4°.

        de wijze van uitvoering van het project;

      • 5°.

        de wijze waarop kennisverspreiding van de resultaten plaatsvindt met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;

      • 6°.

        de verwachte planning en realisatietermijn van het project;

      • 7°.

        de verwachte resultaten van het project inclusief toetsing ervan en de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit of het duurzaam beheer van hulpbronnen te verbeteren;

      • 8°.

        een beschrijving van de risico’s bij de uitvoering van het project en de te nemen beheersmaatregelen;

    • b.

      een begroting van de kosten en inkomsten van het project;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een sluitend financieringsplan van de kosten van de activiteit, met inbegrip van een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • e.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve omgevingseffecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevingseffecten van de investering.

 

Artikel 2.5.6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten voor coördinatie van de operationele groep gericht op een goede samenwerking;

    • b.

      kosten voor verspreiding van de resultaten van het project;

    • c.

      kosten van bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • d.

      kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • e.

      kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • f.

      kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

    • g.

      kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

    • h.

      kosten voor haalbaarheidsstudies;

    • i.

      operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van een innovatie in de praktijk;

    • j.

      kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • k.

      kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrecht en merken;

    • l.

      bijdragen in natura in de vorm van kosten van onbetaalde eigen arbeid;

    • m.

      personeelskosten;

    • n.

      afschrijvingskosten.

  • 2.

    De kosten, bedoeld in het eerste lid onder a en b, bedragen maximaal 35% van de totale subsidiabele kosten van het project.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid, onder c, zijn de kosten voor aankoop van gronden maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het project.

 

Artikel 2.5.7 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.6 en in afwijking van artikel 2.5.6, komen kosten van reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten niet voor subsidie in aanmerking.

 

Artikel 2.5.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 6 maart 2017 tot en met 12 april 2017.

 

Artikel 2.5.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.5.8, vast op € 4.340.000.

 

Artikel 2.5.10 Subsidiehoogte

  • 1.

    Indien het project betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van de subsidie, tot een maximum van € 750.000, de som van:

    • a.

      70% van de kosten van coördinatie van het samenwerkingsverband en verspreiding van de resultaten van het project als bedoeld in artikel 2.5.6, eerste lid, onder a en b; en,

    • b.

      40% van de kosten als bedoeld in artikel 2.5.6, eerste lid, onder c tot en met n.

  • 2.

    Indien het project geen betrekking heeft op handel in en voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van de subsidie tot een maximum van € 750.000:

    • a.

      25% van de subsidiabele kosten voor experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2.5.6, eerste lid, onder a tot en met g en i tot en met n;

    • b.

      40% van de subsidiabele kosten voor haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 2.5.6, eerste lid, onder h.

  • 3.

    Het percentage in het tweede lid, onder a, wordt verhoogd met:

    • a.

      10 % indien subsidieontvanger wordt aangemerkt als een middelgrote onderneming;

    • b.

      20% indien de subsidieontvanger wordt aangemerkt als een kleine onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • 4.

    De percentages, bedoeld in de voorgaande leden, worden gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen aan de subsidieontvanger niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

  • 5.

    Indien de aanvrager minder dan het percentage van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste tot en met derde lid aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 6.

    Geen subsidie wordt verstrekt indien het subsidiebedrag lager is dan € 200.000.

 

Artikel 2.5.11 Selectiecriteria

  • 1.

    Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie bedoeld in artikel 2.5.3 een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van:

    • a.

      de kosteneffectiviteit van het project hetgeen blijkt uit de aangevraagde subsidiabele kosten in relatie tot de geplande prestatie inclusief de bijdrage ervan aan de doelstelling van de openstelling;

    • b.

      de kans op succes van het project hetgeen blijkt uit:

      • 1°.

        de mate waarin het doel en de weg daartoe concreet en realistisch zijn omschreven om te komen tot het projectresultaat;

      • 2°.

        de capaciteiten van de deelnemers van het samenwerkingsverband en hun complementariteit ten opzichte van elkaar wat betreft kennis, ervaring, netwerk en middelen die vereist zijn om de projectdoelen te realiseren;

      • 3°.

        de kwaliteit van de vastgelegde afspraken tussen de deelnemers in een procesplan of samenwerkingsovereenkomst, minimaal bestaand uit een verdeling van de risico's en beheersmaatregelen en commerciële afspraken - op hoofdlijnen - bij eventuele vermarkting, blijkend uit de mate van detail van de afspraken en de logica van de afspraken gelet op de projectdoelen;

    • c.

      de effectiviteit van het project hetgeen blijkt uit de bijdrage die wordt geleverd aan verduurzaming van de landbouw en voedselketen, blijkend uit:

      • 1°.

        de mate waarin het project aansluit op de kansen en uitdagingen in de agrofoodketen en de fysieke en maatschappelijke omgeving van de agrarische productie;

      • 2°.

        de mate waarin het project een integrale bijdrage levert aan de duurzaamheid van de landbouw en agrofoodsector te beoordelen aan de hand van de bijdrage aan elk van de thema’s, genoemd in artikel 2.5.5, eerste lid, onder d;

      • 3°.

        de mate waarin de operationele groep actief communiceert naar potentiele gebruikers over de voortgang en de resultaten van het project;

    • d.

      de innovativiteit van het project hetgeen blijkt uit de mate waarin de kennis en innovatie, die praktijkrijp wordt gemaakt verschilt van een bestaand product, dienst, proces, procedé of type samenwerking.

  • 2.

    Voor de beoordeling van de selectiecriteria, genoemd in het eerste lid, wordt per onderdeel met een wegingsfactor van twee, de volgende puntentoekenning gehanteerd:

    • a.

      1 punt, indien de beoordeling matig is;

    • b.

      2 punten, indien de beoordeling voldoende is;

    • c.

      3 punten, indien de beoordeling goed is;

    • d.

      4 punten, indien de beoordeling zeer goed is.

  • 3.

    Indien na toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 2.5.5, eerste lid, onder f, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.5.9, te boven gaan, worden de gerangschikte aanvragen behandeld op volgorde van puntenaantal beginnend bij de aanvraag met de meeste punten.

  • 4.

    Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het puntenaantal van het selectiecriterium voor innovativiteit. Indien dit puntenaantal ook gelijk is, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

 

Artikel 2.5.12 Adviescommissie POP3

Gedeputeerde Staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.3, voor advies over de artikelen 2.5.6, eerste lid, onder f en 2.5.11 voor aan de Adviescommissie POP3, bedoeld in artikel 1.8.

 

Artikel 2.5.13 Verplichtingen specifiek

Onverminderd artikel 1.9 heeft de subsidieontvanger de verplichting om de resultaten van het project te verspreiden, in het bijzonder via het EIP.

 

§ 6 Herstel- en inrichtingsmaatregelen water

 

Artikel 2.6.1 Begripsbepalingen specifiek

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    ecologische kwaliteitsdoelen: in bijlage 2 per KRW-oppervlaktewaterlichaam weergegeven ecologische kwaliteitsratio’s of gewenste nutriëntgehalten;

  • b.

    KRW-waterlichaam: oppervlaktewaterlichaam zoals genoemd in bijlage 2;

  • c.

    KRW-opgave: verschil tussen de in bijlage 3 weergegeven toestand in 2015 van een waterlichaam en de inrichting of het nutriëntengehalte dat hoort bij de doelstelling in 2027, zoals weergegeven in bijlage 2;

  • d.

    Natuurnetwerk Noord-Brabant: netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden binnen de provincie Noord-Brabant zoals afgebakend op de kaart van het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016, weergegeven in http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/;

  • e.

    probleemgebied: gebied waarbij knelpunten bestaan door wateroverlast of waar een KRW-opgave ligt;

  • f.

    Waterbeheerplan: waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 zoals in 2015 vastgesteld door het waterschap dat verantwoordelijk is voor het waterbeheer in het betreffende gebied;

  • g.

    waterbergingscapaciteit: hoeveelheid water die extra geborgen kan worden op een bepaald moment.

 

Artikel 2.6.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    landbouwers;

  • b.

    grondeigenaren;

  • c.

    grondgebruikers;

  • d.

    landbouworganisaties;

  • e.

    natuur- en landschapsorganisaties;

  • f.

    waterschappen;

  • g.

    gemeenten;

  • h.

    samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.

 

Artikel 2.6.3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op niet-productieve investeringen op het platteland.

 

Artikel 2.6.4 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.3 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in of komt ten goede aan de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project komt ten goede aan het platteland of de agrarische sector;

    • c.

      het project heeft betrekking op de inrichting, herinrichting of transformatie van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen;

    • d.

      het project draagt in ieder geval bij aan een van de volgende doelen:

      • 1°.

        het aanleggen van extra waterbergingscapaciteit ten behoeve van de landbouw in probleemgebieden, zoals weergegeven in bijlage 4a of een zoekgebied, zoals weergegeven in bijlage 4b;

      • 2°.

        het behalen van of bijdragen aan een of meer ecologische kwaliteitsdoelen voor een of meer KRW-waterlichamen uit de tabel in bijlage 2;

      • 3°.

        het opheffen van knelpunten voor vismigratie in een of meer van de in bijlage 2 bedoelde KRW-waterlichamen;

    • e.

      het project heeft een directe link met de landbouw, blijkend uit een van de volgende criteria:

      • 1°.

        het project wordt uitgevoerd op landbouwgrond;

      • 2°.

        het project wordt uitgevoerd op gronden waar jaarlijks een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd;

      • 3°.

        het project wordt op andere grond dan landbouwgrond uitgevoerd, maar heeft wel een rechtstreeks verband met een landbouwactiviteit.

  • 2.

    Het doel, bedoeld in het eerste lid, waarvoor de kosten die subsidiabel zijn, het hoogst zijn, wordt aangemerkt als hoofddoel.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan;

    • b.

      een begroting van de kosten van de activiteit;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een sluitend financieringsplan van de kosten van de activiteit;

    • e.

      offertes indien van toepassing;

    • f.

      taxatierapport van een onafhankelijk en erkend taxateur in geval van verwerving van onroerende zaken;

    • g.

      de afbakening van het projectgebied en een toelichting daarop;

    • h.

      indien de investering naar waarschijnlijkheid leidt tot negatieve omgevingseffecten, een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevings-effecten van de investering.

 

Artikel 2.6.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten van bouw, verbetering of leasing van onroerende zaken;

    • b.

      kosten van verwerving van bebouwde en onbebouwde grond tot maximaal 10% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

    • e.

      kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

    • f.

      kosten van haalbaarheidsstudies;

    • g.

      personeelskosten voor de uren die aantoonbaar ten behoeve van het project zijn gemaakt;

    • h.

      voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.1 onder o, gemaakt binnen een jaar voorafgaand aan de aanvraag om subsidie.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder b, zijn kosten van verwerving van bebouwde en onbebouwde grond subsidiabel tot maximaal 30 % van de subsidiabele kosten indien aangetoond wordt dat:

    • a.

      de te verwerven gronden onderdeel uitmaken van buiten het Natuurnetwerk Brabant gelegen Kaderrichtlijn Water opgaven; en,

    • b.

      in het concrete geval redelijke alternatieven om de milieudoelen te behalen ontbreken.

 

Artikel 2.6.6 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 20 februari 2017 tot en met 8 maart 2017.

 

Artikel 2.6.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.6.3 voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.6.6, vast op:

  • a.

    € 2.000.000 voor projecten die worden uitgevoerd in het beheersgebied van waterschap Aa en Maas en die betrekking hebben op het doel zoals genoemd in artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 3°;

  • b.

    € 3.300.000 voor projecten die worden uitgevoerd in het beheersgebied van waterschap De Dommel en die betrekking hebben op het doel zoals genoemd in artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 1° of onderdeel 2°;

  • c.

    € 2.200.000 voor projecten die worden uitgevoerd in het beheersgebied van waterschap Brabantse Delta en die betrekking hebben op het doel zoals genoemd in artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 2° of onderdeel 3°;

  • d.

    € 450.000 voor projecten die worden uitgevoerd in het beheersgebied van waterschap Rivierenland en die betrekking hebben op het doel zoals genoemd in artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 1°, onderdeel 2° of onderdeel 3°.

 

Artikel 2.6.8 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.6.3, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen aan de subsidieontvanger niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

  • 3.

    Indien de aanvrager minder dan het hier genoemde percentage van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 4.

    Geen subsidie wordt verstrekt indien het een project betreft dat wordt uitgevoerd in het beheersgebied van de waterschap Aa en Maas of waterschap De Dommel of waterschap Brabantse Delta en het subsidiebedrag lager is dan € 600.000.

  • 5.

    Geen subsidie wordt verstrekt indien het een project betreft dat wordt uitgevoerd in het beheersgebied van waterschap Rivierenland en het subsidiebedrag lager is dan € 200.000.

 

Artikel 2.6.9 Selectiecriteria

  • 1.

    Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen waarbij het hoofddoel van het project gewaardeerd wordt.

  • 2.

    Indien er sprake is van een project met een hoofddoel als bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid onder d, onderdeel 1°, wordt het project op basis van resultaatsverwachtingen gewaardeerd met:

    • a.

      1 punt, indien het project niet beoogt de benodigde waterbergingscapaciteit binnen de planperiode van het Waterbeheerplan te realiseren;

    • b.

      2 punten, indien het project de benodigde waterbergingscapaciteit binnen de looptijd van het project niet volledig realiseert maar wel voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat dit binnen de planperiode van het Waterbeheerplan volledig wordt gerealiseerd;

    • c.

      3 punten, indien het project de benodigde waterbergingscapaciteit binnen de looptijd van het project niet realiseert maar dat dit wel met zekerheid binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd;

    • d.

      4 punten, indien het project de benodigde waterbergingscapaciteit binnen de looptijd van het project realiseert.

  • 3.

    Indien er sprake is van een project met een hoofddoel als bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 2°, wordt het project op basis van resultaatsverwachtingen gewaardeerd met:

    • a.

      1 punt, indien het project de KRW-opgave in het projectgebied binnen de planperiode van het Waterbeheerplan niet realiseert;

    • b.

      2 punten, indien het project de KRW-opgave in het projectgebied binnen de looptijd van het project niet realiseert, maar wel voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de opgave binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd;

    • c.

      3 punten, indien het project de KRW-opgave in het projectgebied binnen de looptijd van het project niet realiseert, maar deze wel met zekerheid binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd;

    • d.

      4 punten, indien het project de KRW-opgave in het projectgebied binnen de looptijd van het project realiseert.

  • 4.

    Indien er sprake is van een project met een hoofddoel als bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 3°, wordt het project op basis van resultaatsverwachtingen gewaardeerd met:

    • a.

      1 punt, indien door het project niet een of meer KRW-waterlichamen volledig vispasseerbaar worden binnen de planperiode van het Waterbeheerplan;

    • b.

      2 punten, indien door het project niet een of meer KRW-waterlichamen volledig vispasseerbaar worden binnen de looptijd van het project, maar wel voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat dit binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd;

    • c.

      3 punten, indien door het project niet een of meer KRW-waterlichamen volledig vispasseerbaar worden binnen de looptijd van het project, maar dit wel met zekerheid binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd;

    • d.

      4 punten, indien door het project een of meer KRW-waterlichamen volledig vispasseerbaar worden binnen de looptijd van het project.

  • 5.

    Indien na toepassing van het eerste tot en met vierde lid blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, als bedoeld in artikel 2.6.7 te boven gaan, worden de gerangschikte aanvragen behandeld op volgorde van puntenaantal beginnend bij de aanvraag met de meeste punten.

  • 6.

    Indien toepassing van het eerste tot en met vijfde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door eerst projecten te honoreren die bijdragen aan artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 1°, vervolgens projecten te honoreren die bijdragen aan artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 2° en tot slot projecten te honoreren die bijdragen aan artikel 2.6.4, eerste lid, onder d, onderdeel 3°.

  • 7.

    Indien toepassing van het eerste tot en met zesde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, bijdragen aan hetzelfde hoofddoel en het subsidieplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

 

§ 7 Herstel- en inrichtingsmaatregelen natuur en biodiversiteit

 

Artikel 2.7.1 Begripsbepalingen specifiek

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    ecologische kwaliteitsdoelen: per KRW-oppervlaktewaterlichaam ecologische kwaliteitsratio’s of gewenste nutriëntgehalten zoals weergegeven in bijlage 5;

  • b.

    gebiedsanalyse PAS: gebiedsanalyse behorend bij besluit wijziging PAS 15 december 2015 van het Ministerie van economische zaken;

  • c.

    hydrologische maatregel: maatregel gericht op het veranderen van de inrichting of het beheer van het watersysteem;

  • d.

    KRW-waterlichaam: oppervlaktewaterlichaam zoals genoemd in bijlage 5;

  • e.

    KRW-opgave: verschil tussen de in bijlage 6 weergegeven toestand in 2015 van een waterlichaam en de inrichting of het nutriëntengehalte dat hoort bij de doelstelling in 2027, zoals weergegeven in bijlage 5;

  • f.

    natte natuurparel: grondwaterafhankelijk natuurgebied in Noord-Brabant met bijzondere ecologische waarden waarvan sommige delen verdroogd zijn, zoals opgenomen op plankaart 1 van het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 https://www.brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/water/waterbeleid/-/media/1A3C16857DA74E699993D6FF640779C1.pdf;

  • g.

    Natura 2000: Europees ecologisch netwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet Natuurbescherming;

  • h.

    Natura 2000-gebied: gebied als bedoeld in artikel 1.1 van Wet Natuurbescherming;

  • i.

    Natuurnetwerk Noord-Brabant: netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden binnen de provincie Noord-Brabant zoals afgebakend op de kaart van het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016, weergegeven in de ArcGIS-Kaartviewer van de provincie Noord-Brabant, http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/;

  • j.

    Waterbeheerplan: waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 zoals in 2015 vastgesteld door het waterschap dat verantwoordelijk is voor het waterbeheer in het betreffende gebied.

 

Artikel 2.7.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    landbouwers;

  • b.

    grondeigenaren;

  • c.

    grondgebruikers;

  • d.

    landbouworganisaties;

  • e.

    natuur- en landschapsorganisaties;

  • f.

    waterschappen;

  • g.

    gemeenten;

  • h.

    samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.

 

Artikel 2.7.3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    niet-productieve hydrologische maatregelen PAS;

  • b.

    niet-productieve investeringen voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur of biodiversiteit.

 

Artikel 2.7.4 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.3 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project komt ten goede aan het platteland of de agrarische sector;

    • c.

      het project heeft een directe link met de landbouw, blijkend uit een van de volgende criteria:

      • 1°.

        het project wordt uitgevoerd op landbouwgrond;

      • 2°.

        het project wordt uitgevoerd op gronden waar jaarlijks een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd;

      • 3°.

        het project wordt op andere grond dan landbouwgrond uitgevoerd, maar heeft wel een rechtstreeks verband met een landbouwactiviteit.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie voor niet-productieve hydrologische maatregelen PAS als bedoeld in artikel 2.7.3, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op het nemen van hydrologische maatregelen in het kader van het PAS;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd ten behoeve van een van de volgende Natura-2000 gebieden:

      • 1°.

        Brabantse Wal;

      • 2°.

        Kampina en Oisterwijkse Vennen;

      • 3°.

        Langstraat;

      • 4°.

        Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen;

      • 5°.

        Regte Heide en Riels Laag;

      • 6°.

        Biesbosch;

      • 7°.

        Ulvenhoutse Bos;

      • 8°.

        Oefeltermeent;

      • 9°.

        Strabrechtse Heide en Beuven;

      • 10°.

        Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek;

      • 11°.

        Krammer-Volkerak.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie voor niet-productieve investeringen voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur of biodiversiteit als bedoeld in artikel 2.7.3, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project draagt in ieder geval bij aan een van de volgende doelen:

      • 1°.

        het behalen van of bijdragen aan een of meer ecologische kwaliteitsdoelen voor een of meer KRW-waterlichamen uit de tabel in bijlage 5;

      • 2°.

        het opheffen van knelpunten voor vismigratie in een of meer van de in bijlage 5 bedoelde watergangen;

      • 3°.

        het versneld realiseren van de goede grondwatertoestand in de Kaderrichtlijn Water-grondwaterlichamen door middel van hydrologisch herstel van natte natuurparels die zijn weergegeven op de lijst in bijlage 7;

      • 4°.

        het verwijderen van door stikstofdepositie verrijkte vegetatie, toplagen of bagger in de vennen weergegeven in bijlage 8 en de droge heide en bossen in de gebieden, bedoeld in bijlage 9, inclusief het nemen van maatregelen om de betreffende habitats minder gevoelig te maken voor nieuwe stikstofdepositie uit de landbouw;

    • b.

      een ander overheidsorgaan stemt in met een bijdrage van 25% in de subsidiabele kosten indien het project bijdraagt aan een van de doelen, bedoeld onder a, onderdelen 1°, 2° of 3°.

  • 4.

    Het doel, bedoeld in het derde lid, onder a, waarvoor de kosten die subsidiabel zijn, het hoogst zijn, wordt aangemerkt als hoofddoel.

  • 5.

    Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan;

    • b.

      een begroting van de kosten van de activiteit;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een sluitend financieringsplan van de kosten van de activiteit;

    • e.

      offertes;

    • f.

      een taxatierapport door een onafhankelijk en erkend taxateur in geval van verwerving onroerende zaken;

    • g.

      de afbakening van het projectgebied en een toelichting daarop;

    • h.

      indien de investering naar waarschijnlijkheid leidt tot negatieve omgevingseffecten, een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevingseffecten van de investering.

 

Artikel 2.7.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten van bouw, verbetering of leasing van bebouwde en onbebouwde grond;

    • b.

      kosten van verwerving van onroerende zaken tot maximaal 10% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

    • e.

      kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

    • f.

      kosten van haalbaarheidsstudies;

    • g.

      personeelskosten van bij de uitvoering van het project betrokkenen, voor de uren die aantoonbaar ten behoeve van het project zijn gemaakt;

    • h.

      voorbereidingskosten gemaakt binnen een jaar voorafgaand aan de aanvraag om subsidie.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder b, zijn kosten van verwerving van bebouwde en onbebouwde grond subsidiabel tot maximaal 30 % van de subsidiabele kosten indien aangetoond wordt dat:

    • a.

      de te verwerven onroerende zaken zijn gelegen in Natura 2000-gebieden of onderdeel uitmaken van buiten het Natuurnetwerk Brabant gelegen Kaderrichtlijn Water opgaven; en,

    • b.

      in het concrete geval redelijke alternatieven om de milieudoelen te behalen, ontbreken.

 

Artikel 2.7.6 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 23 januari 2017 tot en met 8 maart 2017.

 

Artikel 2.7.7 Subsidieplafond

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.7.3, onder a, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.7.6, vast op € 8.920.000.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.7.3, onder b, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.7.6, vast op € 6.000.000.

 

Artikel 2.7.8 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen aan de subsidieontvanger niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

  • 3.

    Indien de aanvrager minder dan het genoemde percentage van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste of tweede lid aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 4.

    Geen subsidie wordt verstrekt indien het subsidiebedrag lager is dan € 300.000.

 

Artikel 2.7.9 Selectiecriteria hydrologische maatregelen PAS

  • 1.

    Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, bedoeld in artikel 2.7.3, onder a, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van het gebied waarin zij worden uitgevoerd, op grond van de volgende volgorde, waarbij projecten, onder a, het hoogst gerangschikt worden:

    • a.

      Langstraat;

    • b.

      Strabrechtse Heide en Beuven;

    • c.

      Oefeltermeent;

    • d.

      Kampina en Oisterwijkse Vennen;

    • e.

      Regte Heide en Riels Laag;

    • f.

      Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek;

    • g.

      Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen;

    • h.

      Ulvenhoutse Bos;

    • i.

      Biesbosch;

    • j.

      Brabantse Wal;

    • k.

      Krammer-Volkerak.

  • 2.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats in de rangschikking eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

 

Artikel 2.7.10 Selectiecriteria herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur of biodiversiteit

  • 1.

    Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, bedoeld in artikel 2.7.3, onder b, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van punten, beginnend bij de aanvraag met de meeste punten, toe te kennen op basis van resultaatsverwachtingen te waarderen met:

    • a.

      voor projecten met als hoofddoel het doel, bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, onder a, onderdeel 1°:

      • 1°.

        1 punt indien het project de KRW-opgave in het projectgebied binnen de planperiode van het Waterbeheerplan niet realiseert;

      • 2°.

        2 punten indien het project de KRW-opgave in het projectgebied binnen de looptijd van het project niet realiseert, maar wel voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de opgave binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd;

      • 3°.

        3 punten indien het project de KRW-opgave in het projectgebied binnen de looptijd van het project niet realiseert, maar deze wel met zekerheid binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd;

      • 4°.

        4 punten indien het project de KRW-opgave in het projectgebied binnen de looptijd van het project realiseert;

    • b.

      voor projecten met als hoofddoel het doel, bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, onder a, onderdeel 2°:

      • 1°.

        1 punt indien door het project niet een of meer KRW-waterlichamen volledig vispasseerbaar worden binnen de planperiode van het Waterbeheerplan;

      • 2°.

        2 punten indien door het project niet een of meer KRW-waterlichamen volledig vispasseerbaar worden binnen de looptijd van het project, maar wel voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat dit binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd;

      • 3°.

        3 punten indien door het project niet een of meer KRW-waterlichamen volledig vispasseerbaar worden binnen de looptijd van het project, maar dit wel met zekerheid binnen de planperiode van het Waterbeheerplan wordt gerealiseerd

      • 4°.

        4 punten indien door het project een of meer KRW-waterlichamen volledig vispasseerbaar worden binnen de looptijd van het project;

    • c.

      voor projecten met als hoofddoel het doel, bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, onder a, onderdeel 3°:

      • 1°.

        1 punt indien het project niet na afloop van de planperiode van het Waterbeheerplan volledig hydrologisch herstel in het projectgebied realiseert;

      • 2°.

        2 punten indien het project niet na afloop van het project volledig hydrologisch herstel in het projectgebied realiseert maar wel voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat dit binnen de resterende planperiode van het Waterbeheerplan gerealiseerd kan worden;

      • 3°.

        3 punten indien het project niet na afloop van het project volledig herstel in het projectgebied realiseert maar dit wel met zekerheid binnen de resterende planperiode van het Waterbeheerplan gebeurt;

      • 4°.

        4 punten indien het project na afloop van het project volledig hydrologisch herstel binnen het projectgebied realiseert;

    • d.

      voor projecten met als hoofddoel het doel, bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, onder a, onderdeel 4°:

      • 1°.

        1 punt indien het project niet binnen de planperiode van het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 in het projectgebied alle maatregelen neemt die nodig zijn om de fysieke gevolgen van stikstofdepositie uit het verleden ongedaan te maken;

      • 2°.

        2 punten indien het project niet alle maatregelen in het projectgebied neemt in het kader van het project die nodig zijn om de fysieke gevolgen van stikstofdepositie uit het verleden ongedaan te maken, maar wel voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat dit binnen de resterende planperiode van het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 gebeurt;

      • 3°.

        3 punten indien het project niet alle maatregelen in het projectgebied in het kader van het project neemt die nodig zijn om de fysieke gevolgen van stikstofdepositie uit het verleden ongedaan te maken, terwijl dit met zekerheid binnen de resterende planperiode van het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 gebeurt;

      • 4°.

        4 punten indien het project alle maatregelen in het projectgebied neemt die nodig zijn om de fysieke gevolgen van stikstofdepositie uit het verleden ongedaan te maken.

  • 2.

    Indien na toepassing van het eerste lid blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.7.7, tweede lid, te boven gaan, worden de gerangschikte aanvragen behandeld op volgorde van puntenaantal beginnend bij de aanvraag met de meeste punten.

  • 3.

    Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt naar hoofddoel als bedoeld in artikel 2.7.4, vierde lid, waarbij:

    • a.

      eerst de projecten worden gehonoreerd die het doel als bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, onder a, onderdeel 4° als hoofddoel hebben;

    • b.

      vervolgens projecten worden gehonoreerd die het doel als bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, onder a, onderdeel 3° als hoofddoel hebben;

    • c.

      daarna projecten worden gehonoreerd die het doel als bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, onder a, onderdeel 1° als hoofddoel hebben; en

    • d.

      tot slot projecten worden gehonoreerd die het doel als bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, onder a, onderdeel 2° als hoofddoel hebben.

  • 4.

    Indien toepassing van de voorgaande leden ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats in de rangschikking eindigen en het subsidieplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

HH. Bijlage 1 vervalt.

 

II. Bijlage 2 wordt vernummerd tot bijlage 1.

 

JJ. De volgende bijlagen worden toegevoegd:

 

Bijlage 2 bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

KRW-waterlichamen waarbinnen trajecten zijn gelegen die voor subsidie in aanmerking komen (bron: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021)

Toelichting: de tabel geeft naam, code, status en type aan. Tevens de zes voor deze regeling relevante ecologische kwaliteitsdoelen.

 

 

naam waterlichaam

Waterlichaamcode

Status 1

Type

Fytoplankton (EKR) 2

Overige waterflora (EKR)

Vis (EKR)

Macrofauna (EKR)

Totaal stikstof (mg/l) 3

Totaal fosfaat (mg/l) 3

Stroomgebied Rijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Alm

NL09_02_2

SV

R5

nvt

0,55

0,33

0,4

2,3

0,11

Kanalen L v Heusden en Altena

NL09_10_2

K

M3

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Kreekrestanten Alm en Biesbosch

NL09_15_2

SV

R8

nvt

0,55

0,3

0,6

2,5

0,14

Stroomgebied Schelde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoom en Bleekloop

NL25_23

K

R5

nvt

0,45

geen

0,55

2,3

0,11

Agger

NL25_44

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Rietkreek - Lange Water

NL25_45

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Stroomgebied Maas

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boven Mark

NL25_13

SV

R6

nvt

0,6

0,5

0,55

2,3

0,11

Mark en Vliet

NL25_16

SV

R6

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Roode Vaart

NL25_18

K

M6b

0,6

0,6

0,6

0,6

3,8

0,25

Beneden Donge

NL25_22

SV

R6

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Tonnekreek complex

NL25_30

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Aa of Weerijs

NL25_34

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Bovenloop Donge

NL25_35

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Molenkreek complex

NL25_47

SV

M30

0,6

0,5

0,4

0,55

1,8

0,11

Kruislandse kreken

NL25_48

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Oude Maasje

NL25_49

SV

R8

nvt

0,55

0,31

0,5

2,5

0,14

Bavelse Leij

NL25_50

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Chaamse beken

NL25_51

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Strijbeekse beek

NL25_52

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Galdersche beek

NL25_54

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Bijloop - Turfvaart

NL25_57

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Molenbeek

NL25_59

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Ligne

NL25_61

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Merkske

NL25_62

N

R4

nvt

0,6

0,6

0,6

2,3

0,11

Gat van den Ham

NL25_63

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Run

NL27_BO_2_2

SV

R4

nvt

0,6

0,33

0,55

2,3

0,11

Groote Aa/ Buulder Aa

NL27_KD_1_2

SV

R5

nvt

0,55

0,33

0,55

2,3

0,11

Nieuwe Leij-Pop.L-Rov.L-Voortsestroom

NL27_L_1_2

SV

R5

nvt

0,55

0,33

0,55

2,3

0,11

Essche Stroom

NL27_L_2_2

SV

R6

nvt

0,55

0,33

0,55

2,3

0,11

Gender

NL27_SD_1_2

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,35

2,3

0,11

Ekkersrijt

NL27_SD_2_2

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,35

2,3

0,11

Wambergsche Beek

NL38_1B

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Aa van Gemert tot Den Bosch

NL38_1D

SV

R6

nvt

0,6

0,5

0,55

2,3

0,11

Goorloop, Boerdonkse Aa en Aa van Helmond

NL38_1H

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Biezenloop

NL38_1I

K

M1a

nvt

0,6

0,58

0,6

2,4

0,22

Kleine Wetering

NL38_2C

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Leijgraaf

NL38_2G

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Groote Wetering

NL38_2H

K

M3

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Peelse Loop

NL38_2J_2

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Esperloop en Snelle Loop

NL38_2K

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Aa vanaf Eeuwselse Loop tot Helmond

NL38_3G

SV

R5

nvt

0,45

0,22

0,55

2,3

0,11

Beekerloop

NL38_3O

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Kleine Aa

NL38_3P

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Voordeldonkse Broekloop

NL38_3Q

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Aa bij Helmond

NL38_3R

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Goorloop tot aan Wilhelminakanaal

NL38_3S

SV

R5

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Bakelse Aa, Oude Aa en Kaweise Loop

NL38_4E

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Astense Aa en Soeloop

NL38_4K

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Zuid-Willemsvaart Traverse Helmond

NL38_5A

K

M6b

0,6

0,6

0,6

0,6

3,8

0,25

Koningsvliet en Koppelsloot

NL38_6G

K

M3

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Drongelens Kanaal

NL38_6H

K

M6a

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Dieze

NL38_6J

SV

R6

nvt

0,45

0,48

0,45

2,3

0,11

Luisbroeksche Wetering en Hedikhuizensche Maas

NL38_6K

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Hertogswetering, Hoefgraaf e.a.

NL38_7D

K

M3

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Lorregraaf en andere M1 waterlopen

NL38_7F

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Munsche Wetering

NL38_7G

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Halsche Beek en Hooge Raam

NL38_8F

SV

R14

nvt

0,6

0,5

0,6

2,3

0,11

Lage Raam gegraven

NL38_8G

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Graafse Raam, Lage Raam, Peelkanaal ea

NL38_8I

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Tochtsloot

NL38_8J

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Peelkanaal/Defensiekanaal ea

NL38_8K

K

M3

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Sambeeksche Uitwatering

NL38_8O

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Oploosche Molenbeek, Oeffeltsche Raam ea

NL38_8P

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

St Jansbeek

NL38_8Q

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Ledeackerse Beek en St Anthonisloop

NL38_8S

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Aa, Eeuwelscheloop en Kievitsloop

NL99_BRA_02_3E

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Loobeek en Molenbeek

NL99_LOM

SV

R5

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Peelkanaal

NL99_PEK

K

M3

0,6

0,35

0,6

0,6

2,8

0,15

 

 

Bijlage 3 bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

Ecologische toestand per KRW-waterlichaam in 2015

Toelichting: Deze tabel is gebaseerd op de factsheets die in december 2015 zijn gepubliceerd op: www.waterkwaliteitsportaal.nl

 

naam waterlichaam

Fytoplankton

Overige waterflora

Vis

Macrofauna

Totaal stikstof

Totaal fosfaat

Stroomgebied Rijn

 

 

 

 

 

 

Alm

 

matig

slecht

matig

goed

goed

Kanalen L v Heusden en Altena

matig

ontoereikend

goed

matig

goed

goed

Kreekrestanten Alm en Biesbosch

 

goed

goed

goed

goed

goed

Stroomgebied Schelde

 

 

 

 

 

 

Zoom en Bleekloop

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

Agger

goed

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

matig

Rietkreek - Lange Water

matig

ontoereikend

matig

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

Stroomgebied Maas

 

 

 

 

 

 

Boven Mark

matig

slecht

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

Mark en Vliet

goed

matig

matig

matig

matig

Roode Vaart

goed

slecht

goed

matig

goed

goed

Beneden Donge

goed

ontoereikend

ontoereikend

goed

matig

Tonnekreek complex

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

ontoereikend

matig

Aa of Weerijs

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Bovenloop Donge

matig

matig

ontoereikend

goed

goed

Molenkreek complex

ontoereikend

slecht

matig

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Kruislandse kreken

matig

matig

matig

ontoereikend

slecht

matig

Oude Maasje

matig

ontoereikend

matig

matig

goed

Bavelse Leij

matig

ontoereikend

ontoereikend

goed

goed

Chaamse beken

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Strijbeekse beek

matig

matig

ontoereikend

slecht

matig

Galdersche beek

goed

goed

ontoereikend

slecht

matig

Bijloop - Turfvaart

matig

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

matig

Molenbeek

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Ligne

matig

matig

matig

matig

slecht

matig

Merkske

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Gat van den Ham

matig

slecht

matig

matig

ontoereikend

matig

Run

matig

slecht

ontoereikend

matig

goed

Groote Aa/ Buulder Aa

ontoereikend

matig

ontoereikend

goed

matig

Nieuwe Leij-Pop.L-Rov.L-Voortsestroom

matig

matig

matig

matig

matig

Essche Stroom

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Gender

matig

 

matig

goed

goed

Ekkersrijt 

 

matig

ontoereikend

matig

goed

matig

Wambergsche Beek

matig

ontoereikend

ontoereikend

goed

matig

Aa van Gemert tot Den Bosch

matig

ontoereikend

matig

matig

slecht

Goorloop, Boerdonkse Aa en Aa van Helmond

matig

matig

ontoereikend

matig

slecht

Biezenloop

ontoereikend

matig

ontoereikend

matig

goed

Kleine Wetering

ontoereikend

matig

matig

goed

goed

Leijgraaf

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Groote Wetering

goed

matig

goed

matig

matig

matig

Peelse Loop

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Esperloop en Snelle Loop

goed

matig

ontoereikend

matig

matig

Aa vanaf Eeuwselse Loop tot Helmond

goed

matig

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Beekerloop

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Kleine Aa

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Voordeldonkse Broekloop

matig

ontoereikend

ontoereikend

slecht

slecht

Aa bij Helmond

matig

slecht

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Goorloop tot aan Wilhelminakanaal

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Bakelse Aa, Oude Aa en Kaweise Loop

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Astense Aa en Soeloop

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

ontoereikend

Zuid-Willemsvaart Traverse Helmond

goed

matig

 

goed

goed

goed

Koningsvliet en Koppelsloot

goed

matig

matig

goed

goed

matig

Drongelens Kanaal

matig

goed

matig

matig

matig

matig

Dieze

goed

matig

matig

matig

matig

Luisbroeksche Wetering en Hedikhuizensche Maas

slecht

matig

matig

goed

goed

Hertogswetering, Hoefgraaf e.a.

goed

ontoereikend

matig

matig

matig

ontoereikend

Lorregraaf en andere M1 waterlopen

goed

matig

goed

goed

goed

Munsche Wetering

matig

goed

slecht

matig

goed

Halsche Beek en Hooge Raam

matig

slecht

matig

ontoereikend

matig

Lage Raam gegraven

goed

goed

matig

matig

goed

Graafse Raam, Lage Raam, Peelkanaal ea

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Tochtsloot

 

goed

matig

ontoereikend

matig

goed

Peelkanaal/Defensiekanaal ea

goed

ontoereikend

goed

matig

matig

goed

Sambeeksche Uitwatering

 

matig

goed

matig

ontoereikend

goed

Oploosche Molenbeek, Oeffeltsche Raam ea

 

goed

slecht

matig

matig

matig

St Jansbeek

goed

matig

matig

slecht

goed

Ledeackerse Beek en St Anthonisloop

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

goed

Aa, Eeuwelscheloop en Kievitsloop

 

matig

slecht

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Loobeek en Molenbeek

 

matig

ontoereikend

matig

matig

matig

Peelkanaal

goed

matig

goed

matig

matig

matig

 

Bijlage 4a bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

Probleemgebieden met betrekking tot wateroverlast voor de landbouw binnen het beheersgebied van waterschap Rivierenland.

 

Bijlage 4b bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

Zoekgebied voor waterberging in het stroomgebied van De Run

 

Bijlage 5 bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

KRW-waterlichamen waarbinnen trajecten zijn gelegen die voor subsidie in aanmerking komen (bron: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021)

Toelichting: de tabel geeft naam, code, status en type aan. Tevens de zes voor deze regeling relevante ecologische kwaliteitsdoelen.

 

naam waterlichaam

Waterlichaamcode

Status 4

Type

Fytoplankton (EKR ) 5

Overige waterflora (EKR)

Vis (EKR)

Macrofauna (EKR)

Totaal stikstof (mg/l) 6

Totaal fosfaat (mg/l) 6

Stroomgebied Rijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Alm

NL09_02_2

SV

R5

nvt

0,55

0,33

0,4

2,3

0,11

Kanalen L v Heusden en Altena

NL09_10_2

K

M3

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Kreekrestanten Alm en Biesbosch

NL09_15_2

SV

R8

nvt

0,55

0,3

0,6

2,5

0,14

Stroomgebied Schelde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoom en Bleekloop

NL25_23

K

R5

nvt

0,45

geen

0,55

2,3

0,11

Agger

NL25_44

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Rietkreek - Lange Water

NL25_45

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Stroomgebied Maas

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boven Mark

NL25_13

SV

R6

nvt

0,6

0,5

0,55

2,3

0,11

Mark en Vliet

NL25_16

SV

R6

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Beneden Donge

NL25_22

SV

R6

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Tonnekreek complex

NL25_30

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Aa of Weerijs

NL25_34

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Bovenloop Donge

NL25_35

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Molenkreek complex

NL25_47

SV

M30

0,6

0,5

0,4

0,55

1,8

0,11

Kruislandse kreken

NL25_48

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Bavelse Leij

NL25_50

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Chaamse beken

NL25_51

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Strijbeekse beek

NL25_52

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Galdersche beek

NL25_54

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Bijloop - Turfvaart

NL25_57

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Molenbeek

NL25_59

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Ligne

NL25_61

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Merkske

NL25_62

N

R4

nvt

0,6

0,6

0,6

2,3

0,11

Gat van den Ham

NL25_63

SV

M14

0,6

0,5

0,4

0,55

1,3

0,09

Groote Beerze

NL27_B_1_2

SV

R5

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Kleine Beerze

NL27_B_2_2

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Rosep

NL27_B_3_2

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Beekse waterloop

NL27_BE_1_2

K

M1a

nvt

0,4

0,6

0,55

2,4

0,22

Groote waterloop

NL27_BE_3_2

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Boven Dommel

NL27_BO_1_2

SV

R5

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Run

NL27_BO_2_2

SV

R4

nvt

0,6

0,33

0,55

2,3

0,11

Keersop/ Beekloop

NL27_BO_3_2

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Groote Aa/ Buulder Aa

NL27_KD_1_2

SV

R5

nvt

0,55

0,33

0,55

2,3

0,11

Witte loop/ Peelrijt

NL27_KD_3_2

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Nieuwe Leij-Pop.L-Rov.L-Voortsestroom

NL27_L_1_2

SV

R5

nvt

0,55

0,33

0,55

2,3

0,11

Essche Stroom

NL27_L_2_2

SV

R6

nvt

0,55

0,33

0,55

2,3

0,11

Reusel/Raamsloop/Achterste Stroom

NL27_R_1_2

SV

R5

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Spruitenstroompje/ Roodloop

NL27_R_2_2

SV

R4

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Gender

NL27_SD_1_2

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,35

2,3

0,11

Ekkersrijt

NL27_SD_2_2

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,35

2,3

0,11

Hooidonkse beek

NL27_SD_3_2

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Tongelreep

NL27_T_1_2

N

R5

nvt

0,6

0,6

0,6

2,3

0,11

Broekleij

NL27_Z_2_2

K

M1a

nvt

0,4

0,6

0,55

2,4

0,22

Aa van Gemert tot Den Bosch

NL38_1D

SV

R6

nvt

0,6

0,5

0,55

2,3

0,11

Goorloop, Boerdonkse Aa en Aa van Helmond

NL38_1H

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Leijgraaf

NL38_2G

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Groote Wetering

NL38_2H

K

M3

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Peelse Loop

NL38_2J_2

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11 

Esperloop en Snelle Loop

NL38_2K

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Aa vanaf Eeuwselse Loop tot Helmond

NL38_3G

SV

R5

nvt

0,45

0,22

0,55

2,3

0,11

Kleine Aa

NL38_3P

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Aa bij Helmond

NL38_3R

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Goorloop tot aan Wilhelminakanaal

NL38_3S

SV

R5

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Bakelse Aa, Oude Aa en Kaweise Loop

NL38_4E

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Astense Aa en Soeloop

NL38_4K

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Drongelens Kanaal

NL38_6H

K

M6a

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Dieze

NL38_6J

SV

R6

nvt

0,45

0,48

0,45

2,3

0,11

Stads-Aa

NL38_6O_2

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,5

2,3

0,11

Hertogswetering, Hoefgraaf e.a.

NL38_7D

K

M3

0,6

0,6

0,6

0,6

2,8

0,15

Halsche Beek en Hooge Raam

NL38_8F

SV

R14

nvt

0,6

0,5

0,6

2,3

0,11

Lage Raam gegraven

NL38_8G

K

M1a

nvt

0,6

0,6

0,6

2,4

0,22

Graafse Raam, Lage Raam, Peelkanaal ea

NL38_8I

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

St Jansbeek

NL38_8Q

SV

R5

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Tovensche Beek

NL38_8T

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Eindhovens kanaal

NL99_5C_SD_4_2

K

M6a

0,6

0,4

0,45

0,6

2,8

0,15

Midden - en Beneden Dommel

NL99_6_BO_BE_2

SV

R6

nvt

0,6

0,45

0,55

2,3

0,11

Aa, Eeuwelscheloop en Kievitsloop

NL99_BRA_02_3E

SV

R4

nvt

0,45

0,33

0,55

2,3

0,11

Loobeek en Molenbeek

NL99_LOM

SV

R5

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

Peelkanaal

NL99_PEK

K

M3

0,6

0,35

0,6

0,6

2,8

0,15

Kleine Dommel / Sterkselse Aa

NL99_BRA_01_KD_2_2

SV

R5

nvt

0,6

0,45

0,6

2,3

0,11

 

 

Bijlage 6 bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

Ecologische toestand per KRW-waterlichaam in 2015

Toelichting: Deze tabel is gebaseerd op de factsheets die in december 2015 zijn gepubliceerd op: www.waterkwaliteitsportaal.nl

 

 

naam waterlichaam

Fytoplankton

Overige waterflora

Vis

Macrofauna

Totaal stikstof

Totaal fosfaat

Stroomgebied Rijn

 

 

 

 

 

 

Alm

 

matig

slecht

matig

goed

goed

Kanalen L v Heusden en Altena

matig

ontoereikend

goed

matig

goed

goed

Kreekrestanten Alm en Biesbosch

 

goed

goed

goed

goed

goed

Stroomgebied Schelde

 

 

 

 

 

 

Zoom en Bleekloop

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

Agger

goed

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

matig

Rietkreek - Lange Water

matig

ontoereikend

matig

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

Stroomgebied Maas

 

 

 

 

 

 

Boven Mark

matig

slecht

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

Mark en Vliet

goed

matig

matig

matig

matig

Beneden Donge

goed

ontoereikend

ontoereikend

goed

matig

Tonnekreek complex

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

ontoereikend

matig

Aa of Weerijs

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Bovenloop Donge

matig

matig

ontoereikend

goed

goed

Molenkreek complex

ontoereikend

slecht

matig

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Kruislandse kreken

matig

matig

matig

ontoereikend

slecht

matig

Bavelse Leij

matig

ontoereikend

ontoereikend

goed

goed

Chaamse beken

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Strijbeekse beek

matig

matig

ontoereikend

slecht

matig

Galdersche beek

goed

goed

ontoereikend

slecht

matig

Bijloop - Turfvaart

matig

ontoereikend

ontoereikend

ontoereikend

matig

Molenbeek

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Ligne

matig

matig

matig

matig

slecht

matig

Merkske

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Gat van den Ham

matig

slecht

matig

matig

ontoereikend

matig

Groote Beerze

matig

ontoereikend

matig

matig

goed

Kleine Beerze

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

goed

Rosep

matig

ontoereikend

ontoereikend

goed

matig

Beekse waterloop

matig

goed

matig

matig

goed

Groote waterloop

matig

goed

ontoereikend

goed

goed

Boven Dommel

matig

ontoereikend

matig

matig

ontoereikend

Run

matig

slecht

ontoereikend

matig

goed

Keersop/ Beekloop

matig

matig

matig

matig

goed

Groote Aa/ Buulder Aa

ontoereikend

matig

ontoereikend

goed

matig

Witte loop/ Peelrijt

ontoereikend

slecht

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Nieuwe Leij-Pop.L-Rov.L-Voortsestroom

matig

matig

matig

matig

matig

Essche Stroom

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Reusel/Raamsloop/Achterste Stroom

matig

ontoereikend

matig

matig

matig

Spruitenstroompje/ Roodloop

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

goed

Gender

matig

 

matig

goed

goed

Ekkersrijt 

 

matig

ontoereikend

matig

goed

matig

Hooidonkse beek

ontoereikend

goed

slecht

matig

matig

Tongelreep

matig

ontoereikend

goed

goed

matig

Broekleij

matig

matig

ontoereikend

goed

goed

Aa van Gemert tot Den Bosch

matig

ontoereikend

matig

matig

slecht

Goorloop, Boerdonkse Aa en Aa van Helmond

matig

matig

ontoereikend

matig

slecht

Leijgraaf

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Groote Wetering

goed

matig

goed

matig

matig

matig

Peelse Loop

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Esperloop en Snelle Loop

goed

matig

ontoereikend

matig

matig

Aa vanaf Eeuwselse Loop tot Helmond

goed

matig

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Kleine Aa

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Aa bij Helmond

matig

slecht

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Goorloop tot aan Wilhelminakanaal

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Bakelse Aa, Oude Aa en Kaweise Loop

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

Astense Aa en Soeloop

matig

ontoereikend

ontoereikend

matig

ontoereikend

Drongelens Kanaal

matig

goed

matig

matig

matig

matig

Dieze

goed

matig

matig

matig

matig

Stads-Aa

goed

slecht

matig

matig

slecht

Hertogswetering, Hoefgraaf e.a.

goed

ontoereikend

matig

matig

matig

ontoereikend

Halsche Beek en Hooge Raam

matig

slecht

matig

ontoereikend

matig

Lage Raam gegraven

goed

goed

matig

matig

goed

Graafse Raam, Lage Raam, Peelkanaal ea

goed

ontoereikend

ontoereikend

matig

matig

St Jansbeek

goed

matig

matig

slecht

goed

Tovensche Beek

ontoereikend

 

ontoereikend

slecht

matig

Eindhovens kanaal

goed

goed

goed

matig

goed

goed

Midden - en Beneden Dommel

 

matig

ontoereikend

matig

matig

ontoereikend

Aa, Eeuwelscheloop en Kievitsloop

 

matig

slecht

ontoereikend

ontoereikend

slecht

Loobeek en Molenbeek

 

matig

ontoereikend

matig

matig

matig

Peelkanaal

goed

matig

goed

matig

matig

matig

Kleine Dommel / Sterkselse Aa

 

matig

ontoereikend

matig

matig

matig

 

Bijlage 7 bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

Natte natuurparels in de provincie Noord-Brabant

 

Waterschap Aa en Maas

Aa bij Helmond (De Bundertjes)

Astense Aa (De Berken)

De Bult

Moerputten

De Vilt

Deurnese Peel

Groote Peel

Het Zinkske / Heitraksche Peel

Hoge Raam

Hooibroeken

Oude Gooren

Sang en Goorkens

Sompen en Zooislagen

Vlijmensch Ven

Wijboschbroek

Wijstgronden Uden

Strabrechtse Heide

 

Waterschap Brabantse Delta

Mattemburgh

Vloeiweide

Binnenpolder Terheijden

BovenMarkdal

Markiezaatsmeer

Chaamse Beek / Het Broek

De Berk / Strijpen / Kelsdonk / Zwermlaken

De Matjens

Den Ham/De Worp

Distelweg Hooge Zwaluwe (Zonzeel)

Galdersche Beek

Groote en Kleine Meer (Ossendrecht)

Halstersche Laag

Het Oudland

Kortenhoef

Kreken Fijnaart - Tonnenkreekstelsel

Krekensysteem De Beek / Roode Weel

Lage Vuchtpolder

Lange Bunders / De Hartel

Lange Water

Langstraat

Leij / Regte Heide

Molenkreekstelsel

Noordpolder Ossendrecht

Rietkreek

St. Annabosch / Chaamse Bossen

Strijbeeksche Beek

Strijbeekse Heide

t Merkske

Pannenhoef

Turfvaart / Bijloop (Zuid)

Ulvenhoutsche Bosch

Weimeren / Rooskensdonk

 

Waterschap De Dommel

Beekloop / Keersop

Beleven

Bossche Broek

De Dommeldal (Nederwetten-Breugel)

Buulder Aa / Buulderbroek

Cartierheide / Witrijt / De Goorloop

Landgoed Baest

De Geelders / De Dommeldal

Malpie en Plateaux

De Scheeken

De Utrecht

Turkaa

Spruitenstroompje / De Gooren

De Dommel bij Gemonde

De Dommeldal bij De Dommelbeemden

Urkhovense Zeggen

De Dommeldal bij Waalre

Groote Beerze

Helvoirtsche Broek / Brokkenbroek

Het Goor / Reuselse Moeren

Kampina en omgeving

Kleine De Dommel bij Heeze

Landschotsche Heide

Leemkuilen (Udenhout)

Leenderbos / Groote Heide

Mispeleindsche / Neterselsche Heide

Moergestels Broek / De Gement

Molenbroek / Spekdonken

Nuenensch Broek

Oisterwijksche bossen en vennen

Poppelsche Leij

Gorp en Roovert

Rovertsche Leij / Nieuwe Leij

Grootgoor

Sterkelse Aa

Strijper Aa / Het Goor

Tongelreep

Waalre/Valkenswaardse bossen

De Mortelen / Velderbosch

Vennen Budel

De Brand

Grootmeer (bij Vessem)

Strabrechtse Heide

 

Waterschap Rivierenland

Kornsche Boezem

Kreken Biesbosch (Oostwaard)

Kreken Biesbosch (Steurgat)

Kreken Biesbosch (Noordwaard)

Pompveld

Bijlage 8 bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

Voor stikstofdepositie gevoelige vennen in de provincie Noord-Brabant

 

 

Gebiedscode

Naam in het PMWP

ap001

Groot Ganzenven

ap004

Nieuwe Karreput

ap005

Oude Karreput

ap006

Munven

ap008

Slabroek-Zuid

ap012

Rauwven

ap018

Klotterpeel

ap023

Buntven

ap025

Plasje Heitrak

br004

Baksven-Oost

br005

Baksven, ten oosten van

br007

Galgeven

br009

Keelven, Oisterwijk

br010

Schaapsven

br016

Aalsven

br017

Rietven, Oisterwijk

br018

Putven, Oisterwijk

br020

Speijckven

br021

Brouwkuip

br022

Heiven

br024

Diaconieven

br025

Brandven

br027

Groot Kolkven

br028

Middelste Kolkven

br029

Achterste Kolkven

br031

Allemansven

br032

Lammervennen

br034

Voorste Goorven

br035

Middelste Goorven

br036

Achterste Goorven

br037

Witven, Oisterwijk

br038

Van Esschenven/De Staart

br039

Hollemansven

br041

Wolfsputten

br042

Staalbergven

br043

Klein Kruisven

br044

Van den Boschven

br045

Groot Aderven

br046

Klein Aderven

br047

Duinven

br048

Beeldven

br49

Belversven, ten noordwesten van

br50

Belversput, ten noorden van

br051

Belversput

br052

Belversven

br053

Tongberven-West

br054

Langeven, Oisterwijk

br055

Tongberven-Oost

br056

Bosven-West

br057

Bosven-Oost

br058

Palingven

br059

Achterste Vennen

br060

Meeuwenven

br061

Flesven

br062

Flesven, ten noorden van

br063

Lelieven

br064

Ganzenven, Oisterwijk

br065

Groot Huisven

br066

Duikersven

br067

Kogelvangersven

br068

Kromvennen, Oisterwijk

br069

Zandbergsven

br071

Harense Dijk, weerszijden van

br072

Groot Glasven

br073

Klein Glasven

br074

Ansemven

br075

Kostersche Hoeven

br076

Winkelsven-Oost

br077

Winkelsven-West

br078

Klokketorenven

br080

Blekven

br081

Hildsven

br082

Halve Maan

br083

Rietven, Regte Heide

br084

Bankven, ten westen van

br085

Bankven

br086

Gorp de Leij-Noord

br087

Koude Water/Haneven

br088

Biesbosch

br089

Nestven

br093

Rovertsche Leij, ten westen van

br094

De Moerkes

br095

Rovertsche Heide

br096

Papschot

br098

Broekeling-Noord

br099

Broekeling-Midden

br100

Broekeling-Zuid

br103

Reuselven

br104

Kleine Flaes

br106

De Flaes

br109

Het Goor

br110

Hazenkolk

br116

Landschotse Heide-Oost

br117

Vissersven

br118

Berkven

br119

Wit Holland

br122

Keijenhurk

br123

Scherpven

br127

Panneven

br128

Turfven

br129

Het Voortje

br130

Zwartven, Hoge Mierde

br132

Heieinden

br135

Kroonven

br136

Klein Kroonven

br137

Tjopvenneke

br139

Pannegoorven

br143

Klokvenneke

bw006

Zoomland-Noord

bw008

De Zeezuiper

bw011

Keutelmeer

bw012

Meeven

bw013

Bloempjesven

bw016

Moerkantse Baan

bw017

Afgelaten ven

bw018

Kometeeuwsche ven

bw020

Kortenhoeff-West (Wasven)

bw021

Kortenhoeff-Oost (Bronven)

bw022

Leemputten Ossendrecht

bw023

Kleine Meer

bw024

Volksabdij, ten westen van

bw025

Volksabdij, ten oosten van

bw26

Volksabdij, ten zuidoosten van

bw027

Moseven

bw028

Waterranonkelven

bw031

Groote Meer, Brabantse Wal

bw032

Zwaluwmeer

dg001

Nieuwe Leemputten Dorst

dg003

Oude Leemputten Dorst

dg004

Grote Bodem/Bodemven

dg005

Plakkeven-West

dg006

Plakkeven-Ooat

dg007

Lobelia

dm003

Zegenwerp

dm004

Zegenrode-Noord

dm005

Zegenrode-Midden

dm006

Zegenrode-Zuid

dm007

Zegenrode-West

dm009

Heult

dm010

Venrode-Noord

dm011

Venrode-Midden

dm012

Venrode-Zuid

dm015

Moerkuilen

dm016

Hazeputten-West

dm017

Hazeputten-Midden

dm018

Hazeputten-Oost

dm019

Vresselsche Bosch

dm021

Vogelvennen

dm022

Langven, Best

dm023

Oud Meer

dm028

Hoolven

dm031

Schapengracht

dm032

Kikkerven

dm033

Wasven

dm034

Kamerven

dm036

Kromven, Nuenen

dm037

Witven, Nuenen

dm038

De Meer

dm040

Ijsbaan Nuenen

dm042

Klein Meer

dm043

Groot Meer

dm047

Tweetermansven

dm051

Gulbergsven

dm052

Collsche Heide

dm057

Molenven

dm058

Lisven

dm061

Coeveringsven

dm062

Kleine Vlasroot

dm063

Groote Vlasroot

dm066

Huisven

dm068

Blokven

dm072

Vlasrootven

dm074

Lisseven

dm075

Kleinven

dm076

Meertjesven

dm077

Raadven

dm079

Peetersven

dm081

Galgenven

dm082

Langven, Waalre

dm083

Visvijvers Valkenswaard

dm084

Greveschutven

dm094

Meeuwven

dm095

Kanunnikesven

dm096

Rietven, Geldrop

dm097

Karperven

dm101

Klein Huisven

dm104

Veeven

dm109

Diepe Meerven

dm110

Drooge Meerven

dm114

Witven, Geldrop

dm115

Heezerven

dm117

Brandtorenven

dm118

Meelakkers

dm119

Braakhuizensche Heide-West

dm120

Braakhuizensche Heide-Zuid

dm121

Braakhuizensche Heide-Midden

dm122

Braakhuizensche Heide-Oost

dm123

Meerloomeer

dm124

Kiezelven

dm125

Scheidingsven

dm134

Kranenmeer

dm139

Starven

dm144

Beuven

dm146

Mosven

dm148

Waschven, Strabrechtse heide

dm150

Maasven

dm153

Henneven

dm157

Witven, Strabrechtse heide

dm158

Grafven

dm161

Hoenderboom

dm165

Bultven

dm170

Molenven-West

dm171

Molenven-Oost

dm172

Reisven

dm173

Pastoorsven

dm176

Groot Malpieven

dm179

Vaarvennen

dm180

Groote Meer, Vessem

dm183

Rietven, Waalre

dm184

Bierven

dm188

Eijerven

dm190

Brilven

dm196

Lange Vlaas

dm197

Ronde Vlaas

dm199

Schaapsloopven

dm200

Galberg

dm202

Laagveld-Noord

dm203

Laagveld-Zuid

dm206

Brugven

dm207

Taamven

dm209

Meelbergsven

dm212

Hasselsvennen-Noord

dm213

Hasselsvennen-Oost

dm214

Hasselsvennen-Zuid

dm215

Hasselsvennen-West

dm216

Klein Hasselsven

dm218

Dorven

dm219

Klotvennen-Noord

dm221

Zwartven, Luyckgestel

dm223

Uileven

dm225

Koolblieksven

dm226

Klotven-West

dm227

Klotven-Oost

dm228

Grensven

dm229

Lage Heide/Plateaux

dm230

Biesven

dm232

Klein Kraanven

dm233

Groot Kraanven

dm234

Klotvennen-West

dm235

Klotvennen-Midden

dm236

Klotvennen-Zuid

dm237

Soerendonks Goor

dm240

Woutjespeel

dm242

Loozerheide

dm243

De Hoort

dm248

Ringelsven-Zuid

mdo001

Langven, Mill

mo001

Valkeniersvennen

mo006

Rondven

mo009

Goudbergven

mo013

Langven-West, Chaam

mo014

Langven-Oost, Chaam

mo015

Zwarte Goor

mo023

Putven, Chaam

mo026

Ganzenven, Galder

mw002

De Lokker

mw003

De Flesch

mw004

Padvindersven

mw006

Moergat

mw007

Oude Buissche Heide-Oost

mw008

Oude Buissche Heide-West

mw010

Stekven

mw012

De Krochten-West

mw013

De Krochten-Oost

mw014

De Krochten-Zuid

mw017

Lange Gooren-West

mw019

Lange Gooren-Midden

mw020

Lange Gooren-Oost

rv001

Rozenven

zl003

Plantloon

zl014

Leemputten Udenhout

Torrenven

 

Bijlage 9 bij de Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

Gebieden in Noord-Brabant waarbinnen door stikstofdepositie aangetaste droge heide en bossen voorkomen waar urgent maatregelen nodig zijn om het bodemecosysteem te herstellen

 

Brabantse Wal

Turfvaart & De Moeren

Chaamse Landgoederen

Mastbos

Regte Heide/De Hoevens

Gorp en Leij e.o.

Oisterwijkse Bossen en Vennen

Landgoederenzone Vught-Boxtel

Oirschotse Heide en Beerzedal

Kempen-Midden

Groote Heide

Strabrechtse Heide

Ullingse Bergen en De Stippelberg

Overloonse Duinen

Maashorst

 

De droge heide en bossen gelegen binnen bovenstaande gebieden, zijn aangemerkt op de kaart van het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016, weergegeven in de ArcGIS-Kaartviewer van de provincie Noord-Brabant, http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/

 

Artikel II Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

 

Artikel III Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Vijfde wijzigingsregeling Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020.

 

 

’s-Hertogenbosch, 12 december 2016

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris

ir. A.M. Burger

Toelichting behorende bij de Vijfde wijzigingsregeling Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020

 

 

ALGEMEEN

 

Inleiding

De paragrafen 1 tot en met 3 van hoofdstuk 2 zijn eerder opengesteld geweest, namelijk in de periode van 2 november 2015 tot en met 11 december 2015. Om de gestelde doelstellingen van het Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 te behalen kiezen Gedeputeerde Staten ervoor om de paragrafen 1 en 2 nog een keer open te stellen en voor de samenwerking in het kader van het Europees Partnerschap voor Innovatie (EIP) een nieuwe paragraaf 5 toe te voegen. Voor de openstelling van de paragrafen 1 en 2 nemen Gedeputeerde Staten de gelegenheid te baat om naast de nieuwe openstelling nog enkele wijzigingen door te voeren. Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten besloten om aanvullend twee paragrafen aan hoofdstuk 2 toe te voegen. Dit zijn paragraaf 6 voor Niet-productieve investeringen water gericht op herstel- en inrichtingsmaatregelen en paragraaf 7 voor Niet-productieve investeringen biodiversiteit, natuur en hydrologische maatregelen PAS eveneens voor herstel- en inrichtingsmaatregelen. Voor de maatregelen uit de paragrafen 1, 2 en 7 is gekozen voor een gelijktijdige openstelling van 23 januari 2017 tot en met 8 maart 2017. Voor de maatregel uit paragraaf 6 is gekozen voor een openstelling van 20 februari 2017 tot en met 8 maart 2017. Voor de maatregel uit paragraaf 5 is gekozen voor een openstelling van 6 maart 2017 tot en met 12 april 2017.

 

Beleidsmatige uitgangspunten van de maatregelen uit de paragrafen 1, 2 en 5

Het gaat hierbij om de volgende maatregelen:

1. Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties

2. Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen;

3. Samenwerking in het kader van het EIP.

 

Uitgangspunten

Voor deze drie samenhangende maatregelen staan de volgende beleidsmatige uitgangspunten centraal:

a. De verduurzaming van de landbouwsector vereist een transitieproces waarbij de kostenreductiestrategie verschuift naar een meerwaardestrategie. De nog dominante kostenreductiestrategie in de landbouw, gepreoccupeerd met verlaging van de kosten om concurrerend te blijven, nadert haar uiterste houdbaarheidstermijn: processen (zoals opbrengstmaximalisatie ten koste van het milieu en de gezondheid) en structuren (zoals de afhankelijkheidsrelaties in de agrofoodketen) die in het verleden erg succesvol waren zorgen voor effecten die maatschappelijk steeds minder gewenst zijn. De belangrijkste effecten zijn de negatieve druk op het milieu, klimaat, de biodiversiteit, leefbaarheid, de risico’s voor de volksgezondheid, uitputting van grondstoffen en de lage marges bij de producent met als gevolg een verlies aan werkgelegenheid en gebrek aan investeringskracht voor verduurzaming en innovatie.

b. Bij een meerwaardestrategie zetten bedrijven in op meerwaardecreatie waarbij duurzaamheidsprestaties integraal onderdeel vormen van de productie, verwerking en vermarkting door middel van bijvoorbeeld nieuwe markt- en ketenconcepten, en nieuwe verdienmodellen. Kansen hiervoor bieden zich onder meer aan als gevolg van de veranderende wensen van burgers en consumenten, internationale handel, ontwikkelingen en innovaties op het terrein van technologie, ICT en logistiek. Enkele in het oog springende kansen zijn: verschuiving van commodity’s naar specialities; van dierlijke naar plantaardige eiwitten; lokale waardeketens; en export van kennis, kunde en duurzame productie- en marktconcepten. Cross-overs met hightech, biobased en gezondheid kunnen daarbij een belangrijke rol spelen zoals bijvoorbeeld bij respectievelijk precisielandbouw, reststofverwaarding en personalised voedsel.

c. Vernieuwingen en innovaties met het grootste potentieel om dit transitieproces te versnellen verdienen de hoogste prioriteit voor steun met publieke middelen. Dit potentieel wordt sterk bepaald door de mate waarin deze aansluiten op de bovengeschetste kansen en uitdagingen in de agrofoodketen, de fysieke en maatschappelijke omgeving van de agrarische productie, en door de integrale bijdrage ervan aan de belangrijkste duurzaamheids-thema’s (zie toelichting onder beleidsthema’s).

d. Het is zinvol om de verschillende kritische fasen van het innovatie- en vernieuwingsproces van de landbouw- en agrofoodsector met subsidies te blijven stimuleren.

 

Bovengenoemde beleidsmatige uitgangspunten vinden hun weerslag in de subsidievereisten en selectiecriteria van deze drie openstellingen. Daarmee geven Gedeputeerde Staten invulling aan:

1. de SWOT-analyse van het Nederlandse POP3-programma met de bijbehorende groene groeistrategie om economische groei en versterking van de concurrentiepositie te combineren met het verbeteren van het milieu en het maatschappelijk draagvlak voor de landbouw. Innovaties dienen zich daarom uiteindelijk terug te verdienen uit de markt.

2. De constatering van de Europese Commissie dat de financieringsprioriteiten, ‘een innovatievriendelijk ondernemersklimaat’ en ‘het verhogen van de efficiënte van het gebruik van hulpbronnen’ belangrijk zijn voor Nederland. De geactualiseerde uitvoeringsagenda Brabant Agrofood en het Innovatieprogramma Agrofood die Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant in 19 april 2016 respectievelijk 7 mei 2013 hebben vastgesteld.

 

Innovatie, bredere uitrol en modernisering

Zoals eerder genoemd stimuleren de voorliggende maatregelen drie kritische fasen van het innovatie en moderniseringsproces van de landbouw. In dit kader zijn de termen innovatie en modernisering als volgt bedoeld. Innovatie heeft betrekking op het nieuwe en unieke van onder andere fysieke investeringen, kennis, samenwerking en combinaties ervan. Naarmate een ‘innovatie’ door meer ondernemers wordt toegepast (uitrolt), verliest het zijn innovativiteit en is er geleidelijk meer sprake van modernisering. In deze regelingen is dit als volgt afgebakend:

• Bij trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties ligt het accent op modernisering ofwel een brede uitrol van de nieuwe kennis bij een grote groep. In het kader van deze maatregel wordt innovatie breder uitgelegd dan de volgende twee maatregelen. Hier krijgt het begrip innovatie bij de subsidie- en selectiecriteria de betekenis van brede uitrol van innovaties ofwel modernisering.

• Bij fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen ligt het accent op de bredere uitrol van innovatieve investeringen op het landbouwbedrijf. Innovatieve investeringen die relatief veel middelen vereisen. Met breder wordt hier bedoeld de eerste slimme uitrol naar een kleine groep van koplopers. Afhankelijk van de aangevraagde subsidiabele kosten wordt gedacht aan een ‘groep’ van minimaal 1 tot maximaal 100 landbouwers. Belangrijker dan de omvang van de ‘groep’ is de mate waarin deze koploper(s) bijdragen aan een markt-gedreven bredere uitrol van de investering (vandaar ‘slim’). Daarbij gaat het erom dat de koplopers door toepassing van de innovatie bijdragen aan het vertrouwen van de markt (ofwel collega landbouwers) in de investering waardoor deze beoogde meerderheid in de nabije toekomst over gaat tot aankoop van de innovatie zonder subsidie.

• Bij samenwerking in het kader van het EIP ligt het accent vooral op de ontwikkeling en het prakrijkrijp maken innovaties.

 

Beleidsthema’s, subsidievereisten en selectiecriteria

De veelal onderling samenhangende thema’s zoals genoemd in art 2.1.3, 2.2.3 en 2.5.5 kunnen als volgt worden geïnterpreteerd:

• Nieuwe marktconcepten waarbij wordt gedacht aan nieuwe producten die met een onderscheidend verhaal worden vermarkt;

• Nieuwe verdienmodellen waarbij wordt gedacht aan nieuwe manieren van (landbouw)bedrijven om geld te verdienen;

• Meerwaardecreatie waarbij wordt gedacht aan het verhogen van de toegevoegde waarde van producten doordat de afnemer en/of consument bereid is om er meer voor te betalen;

• Beheer van productierisico’s zoals voorkomen van lage opbrengsten door weersomstandigheden door teeltmaatregelen die de bodemvruchtbaarheid verhogen;

• Klimaatadaptatie ofwel het beheer van productierisico’s door klimaatverandering;

• Verbeteren positie primaire producent in de keten zoals de invloed van de landbouwer op de inrichting van en marges in de afzetketen door de ontwikkeling van nieuwe afzetvormen en producten;

• Marktfalen ofwel dat de markt geen optimale oplossing voor een duurzame landbouw tot stand kan brengen. Een voorbeeld is het negatieve effect van het productieproces op het milieu dat niet in de prijs van het eindproduct is verrekend maar waarvan de kosten voor het opheffen ervan ten koste van de gemeenschap komen;

• Maatregelen die leiden tot lagere milieuemissies, een geringer grondstoffengebruik, een meer gesloten kringloop en klimaatmitigatie. Deze dienen met name bij te dragen aan een circulaire economie, te resulteren in een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen, inclusief fossiele energiebronnen;

• Klimaatmitigatie richt zich op maatregelen die beogen emissies van de broeikasgassen te verminderen zoals kooldioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O);

• Met omgevingskwaliteit wordt hier bedoeld de leefbaarheid voor mens en dier.

 

De eerste twee categorieën richten zich op versterking van de economische positie van de landbouwer en de andere drie op verbetering van de prestaties op het terrein van milieu, grondstoffengebruik en maatschappij zoals gezondheid en dierenwelzijn. De voorwaarde die bij de subsidievereisten aan aanvragen wordt gesteld om meerdere categorieën van thema’s tegelijk te adresseren is gestoeld op het uitgangspunt dat het transitieproces naar een duurzamere landbouw alleen kans van slagen heeft als het innovatie en vernieuwingsproces zich integraal richt op meerdere duurzaamheidsthema’s in de landbouw. Dit is toegelicht onder ‘beleidsmatige uitgangspunten van de paragrafen 1,2 en 5 van hoofdstuk 2.

 

Projectaanvragen, die binnen het tijdsbestek van de openstellingsperiode zijn ingediend en aan alle subsidievereisten voldoen, worden beoordeeld en gerangschikt op basis van selectiecriteria. Hierdoor ontvangen alleen projectaanvragen subsidie die het meest bijdragen aan het doel van de openstelling. De volgende vier selectiecriteria zijn van toepassing:

1. Kosteneffectiviteit;

2. Kans op succes;

3. Effectiviteit;

4. Mate van innovativiteit.

 

Voor elk van deze selectiecriteria kan 1 tot 4 punten worden behaald en elk selectiecriterium kent een eigen weging die is bepaald door het belang ervan voor de selectie van de beste aanvragen.

 

Voor de puntentoekenning per selectiecriterium is gekozen voor uniforme categorieën bij alle criteria en de drie genoemde maatregelen. Bij de beoordeling wordt gelet op de aansluiting van een aanvraag op het criterium en de mate waarin dit in het projectplan aannemelijk is gemaakt. Bij veel criteria zijn verschillende onderdelen genoemd die bij de puntentoekenning in elkaars samenhang worden gewogen. De richtlijn per categorie is als volgt:

• Matig met 1 punt: de aansluiting is onvoldoende of onvoldoende aannemelijk gemaakt in het projectplan.

• Voldoende met 2 punten: de aansluiting op het criterium is voldoende.

• Goed met 3 punten: de aansluiting is goed.

• Zeer goed met 4 punten: de aansluiting is uitstekend.

 

Beleidsmatige uitgangspunten van de maatregel uit paragraaf 6

Deze openstelling is gericht op niet-productieve investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen.

 

Met deze openstelling wordt beoogd om investeringen te stimuleren die bijdragen aan een volhoudbare balans tussen waterwensen voor de landbouw en waterwensen voor de aquatische en terrestrische ecologie. Omdat het waterbeheer in de afgelopen eeuwen sterk gericht is geweest op het faciliteren van de landbouw, ligt het accent in deze openstelling op investeringen die de negatieve gevolgen voor de aquatische en terrestrische ecologie verminderen, zodanig dat de ontwikkelruimte voor de landbouw behouden en zo mogelijk versterkt wordt. De opgaven voor de Kaderrichtlijn Water worden daarbij als leidraad gebruikt. Daarbij gaat het om investeringen die verder gaan dan de eisen, die direct en rechtstreeks voortvloeien uit de KRW of Nitraatrichtlijn, zoals beschreven in de basismaatregelen KRW (artikel 11, lid 3, onder a t/m l, KRW) en omschreven in de ‘Samenvatting maatregelprogramma’ van de stroomgebied-beheerplannen.

 

Beleidsmatige uitgangspunten van de maatregel uit paragraaf 7

Deze eerste openstelling van submaatregel 4.4.1 is een nadere invulling van één van de zeven thema’s binnen het POP3-programma.

 

Met deze openstelling wordt beoogd om niet-productieve investeringen te stimuleren die bijdragen aan een volhoudbare balans tussen economisch verantwoorde landbouw en behoud en versterking van aquatische en terrestrische ecologie. Bij biodiversiteit en hydrologische maatregelen PAS ligt het accent op het wegnemen van negatieve gevolgen van landbouwactiviteiten op behoud van door Europa, Nederland of de provincie aangewezen habitats of soorten. Dit met in acht name van het provinciale ruimtelijke en economische beleid. Daarnaast ligt het accent op het zodanig inrichten van het watersysteem dat negatieve gevolgen die de huidige inrichting heeft op de aquatische en terrestrische ecologie worden verminderd op een zodanige wijze dat de ontwikkelruimte voor de landbouw behouden en zo mogelijk versterkt kan worden. De opgaven voor de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 worden daarbij als leidraad gebruikt. Tot slot richt deze openstelling zich op het herstellen van vennen, droge heide en bossen die door stikstofdepositie vanuit de landbouw zijn aangetast en op het beter weerbaar maken van deze natuurgebieden tegen toekomstige depositie vanuit de landbouw.

 

 

ARTIKELSGEWIJS

 

Artikel 1.4 Weigeringsgronden algemeen

Onder f

Verordening 651/2014 met bijlage 1 is te vinden op de website van Stimulus (www.stimulus.nl).

 

Art 2.1.3 Subsidievereisten

Eerste lid, onder c, Doel van de activiteiten

Het gaat om steun voor activiteiten gericht op meerdere landbouwers tegelijk. De activiteiten hebben een collectief karakter. Het gaat om activiteiten gericht op landbouwers, zoals trainingen, workshops, ondernemers-coaching en demonstratieprojecten.

 

Demonstratieactiviteiten vinden plaats op proefstations, agrarische bedrijven of elk willekeurige andere locatie waar nieuwe kennis kan worden gedemonstreerd, onder het motto ‘eerst zien dan geloven’. Het zal hier bijvoorbeeld gaan om demonstratievelden, nieuwe apparatuur en stalconcepten.

 

De openstelling is gericht op projecten die niet alleen ervoor zorgen dat landbouwers nieuwe kennis opdoen maar ook bijdragen aan gedragsverandering van deze doelgroep. De gedragsverandering heeft betrekking op de bedrijfsvoering, samenwerking met bestaande en nieuwe partners (zoals in de keten) en/of door investeringen. In de aanvraag zullen beide onderdelen aannemelijk gemaakt moeten worden, dat wil zeggen:

a. het opdoen van nieuwe kennis door beschrijving van de reeds genoemde activiteiten zoals trainingen, demonstraties;

b. de bijdrage aan gedragsverandering door de wijze waarop de doelgroep met de onder a genoemde activiteiten wordt gemotiveerd om de nieuwe kennis om te zetten in een ander gedrag. Daarbij kan worden gedacht aan het in groepsverband opstellen van individuele bedrijfs- en actieplannen of andere vormen van workshops waarbij ondernemers, met hulp van de kennisaanbieder of dienstverlener zelf aan de slag gaan om een beeld te krijgen wat het betekent om de nieuwe kennis toe te passen binnen de context van het eigen landbouwbedrijf.

 

Zie ook de algemene toelichting onder het kopje ‘beleidsthema’s, subsidievereisten en selectiecriteria’.

Tweede lid, onder e, Personele capaciteit

Aanvragers dienen aan te tonen te beschikken over voldoende en adequate personele capaciteit (eigen personeel of inhuur) voor het verlenen van de kennisoverdrachtsdiensten. Dit dient te worden aangetoond door het bij de aanvraag aanleveren van de curricula vitae van het personeel – waaronder minimaal de aanvrager zelf of een medewerker bij de aanvrager in loondienst – dat de kennisoverdrachtsdiensten en voorlichtingsdiensten uit gaat voeren. Uit de curricula vitae moet blijken dat dit personeel een opleiding op ten minste HBO-niveau heeft afgerond. Tevens dient dit personeel te beschikken over minimaal drie jaar relevante werkervaring, waaronder relevante werkervaring binnen drie jaar voor de aanvraag van de subsidie.

 

Art 2.1.4 Subsidiabele kosten

Eerste lid, onder b, Kosten van procesbegeleiders en adviseurs

Onder kosten van procesbegeleiders en adviseurs worden voor eigen personeel voor het project noodzakelijke reiskosten verstaan en voor externe personen alleen de inzet op basis van uur maal tarief. Van overige kosten voor externe personen wordt er namelijk vanuit gegaan dat deze zijn verdisconteerd in het uurtarief.

Eerste lid, onder d, huur van ruimten en bijbehorende faciliteiten

Onder ruimten en faciliteiten kan ook de huur van grond worden verstaan. Kosten voor de inzet van ruimte, faciliteiten en grond van aanvragers zijn binnen deze kostenpost niet subsidiabel.

 

Art 2.1.8 Subsidiehoogte

Het Nederlandse POP3-programma kent subsidiepercentages van 60% voor productieve doelen en 80% voor niet productieve doelen, dat wil zeggen gericht op het bedrijfsbelang respectievelijk het maatschappelijk belang. Omdat deze openstelling een combinatie van beide categorieën van doelen kent wordt het percentage van 60% gehanteerd. Deze openstelling is gericht op robuuste meerjarige projecten waarbij een grote groep van landbouwers voor een langere duur betrokken zijn. Dit om de beoogde veranderingen in de bedrijfsvoering een kans van slagen te geven en de middelen effectief in te zetten. Dit vereist omvangrijke projecten met een navenante budgetomvang met een subsidie van minimaal 200.000 euro en maximaal 500.000 euro.

 

Art 2.1.9 Selectiecriteria

De kosteneffectiviteit heeft betrekking op de aangevraagde subsidiabele kosten in relatie tot de geplande prestatie inclusief de bijdrage ervan aan het behalen van de doelstelling van de openstelling. Bij de begroting wordt gelet op de proportionaliteit en doelmatigheid van de kosten zoals de geplande uren per activiteit en uurtarieven in relatie tot de vereiste kwalificaties om de activiteiten goed uit te voeren. Hetzelfde geldt voor de overige kosten zoals die voornamelijk terugkomen in artikel 2.1.4 onderdelen c tot en met e.

 

De kans op succes heeft hier betrekking op de kans dat het project succesvol zal zijn ofwel dat de geplande activiteiten:

a. kunnen worden gerealiseerd;

b. een goede kwaliteit hebben;

c. leiden tot de gewenste toepassing van de kennis.

 

Ad a. Hier wordt gelet op de kwaliteit van het projectplan:

* kent het project een realistische planning, opzet en begroting,

* zijn de relevante partijen bij de kennisoverdrachtsacties betrokken,

* zijn risico’s geïdentificeerd en gereduceerd.

 

Ad b. Hier wordt gelet op de kwaliteit van de kennisaanbieder:

* mate waarin deze aantoonbaar gekwalificeerd zijn voor het werk,

* mate waarin de aanbieder – gelet op kennis, ervaring en netwerk van de docenten – kennis en ervaring inbrengt om de specifieke kennisoverdrachtsactie bedoeld in de openstelling te kunnen verzorgen.

 

Ad c. Hier wordt gelet hoe groot de kans is dat de opgedane kennis werkelijk in de praktijk wordt toegepast ofwel leidt tot de gewenste gedragsverandering:

* in welke mate worden deelnemers hiertoe uitgedaagd tijdens en na afloop van het project,

* in welke mate wordt de kennis praktisch toepasbaar op bedrijfsniveau en kan deze bijdragen aan het economisch bedrijfsresultaat,

* in welke mate gaat het om vraag-gestuurd kennis-aanbod waardoor ondernemers gemotiveerd zijn om deel te nemen. Dit kan worden onderbouwd met een ondertekende lijst van potentiele deelnemers.

 

De effectiviteit heeft betrekking op de beleidsdoelstelling van de openstelling. Dit wordt bepaald door:

1e. Bij de aansluiting wordt gelet op de mate waarin de aanvraag slim inspeelt op ontwikkelingen die uitdagingen stellen en nieuwe kansen bieden voor de beoogde transitie naar een duurzamere landbouw. Daarbij wordt onder meer gekeken naar ontwikkelingen in de agrofoodketen (zoals door ICT en nieuwe technologie), de fysieke omgeving (zoals nieuwe kennis over milieu en gezondheidsrisico’s) en de maatschappelijke omgeving (zoals publieke aandacht voor de voedselproductie).

2e. De integrale bijdrage aan de duurzaamheid is om te prioriteren op innovaties met een positief effect op meerdere duurzaamheidsthema’s zoals in artikel 2.1.3 genoemd. Daarbij wordt ook gelet op eventuele negatieve effecten op andere duurzaamheidsthema’s.

3e. Bij het bereik van de activiteit in verhouding tot de aangevraagde subsidiabele kosten wordt gelet op: het aantal deelnemers, contacturen per deelnemer aantal bijeenkomsten en keuze van de doelgroep in relatie tot het beleidsdoel van de openstelling.

 

De innovativiteit heeft bij deze maatregel betrekking op de modernisering, omdat het hier gaat om de brede uitrol van nieuwe kennis (zie toelichting over accentverschil innovatie en modernisering). Innovatie is ook voor de brede uitrol een belangrijk middel voor transitie van de landbouw (zie toelichting onder beleidsmatige uitgangspunten). Daarbij wordt evenveel gelet op twee aspecten:

- De mate waarin de nieuwe kennis afwijkt van gangbaar. Naarmate toepassing van de nieuwe kennis leidt tot een grotere verandering in werkwijze (verschil ten opzichte van de meest gangbare werkwijze) wordt de innovativiteit hoger gewaardeerd;

- het deel van de doelgroep die de nieuwe kennis al toepast. Naarmate een kleiner deel van de doelgroep, sector of deelsector de vernieuwing al toepast wordt de innovativiteit hoger gewaardeerd. Als richtlijn wordt gegeven dat wanneer meer dan circa 30% van de doelgroep de kennis al toepast, de laagste score wordt toegekend.

 

De wegingsfactoren voor de selectiecriteria kosteneffectiviteit, kans op succes en effectiviteit zijn allen gelijkwaardig van belang omdat ze allen cruciaal zijn voor het selecteren van de projecten die het meest bijdragen aan de doelstellingen van de openstelling. Innovativiteit staat voor de brede uitrol minder centraal waardoor dit criterium een wegingsfactor van 1 heeft in plaats van 2 zoals bij de overige drie criteria.

 

Artikel 2.1.11 Verplichtingen specifiek

Onder deelnemersgegevens wordt verstaan de namen van de deelnemers, de onderneming waar de deelnemer werkzaam is en de locatie waar de bedrijfsactiviteiten van de onderneming plaatsvinden. De trainingen dienen gericht te zijn op deelnemers met bedrijfsactiviteiten in Noord-Brabant.

 

Art 2.2.2 Subsidiabele activiteiten

Met bredere uitrol wordt hier bedoeld de eerste slimme uitrol naar één koploper of een kleine groep van koplopers ten einde een marktgedreven verdere brede uitrol naar de sector of deelsector te bevorderen (zie ook toelichting onder: Innovatie, bredere uitrol en modernisering). Financiële investeringssteun voor een brede uitrol van innovaties en vernieuwingen binnen in een sector of deelsector wordt over het algemeen als veel te kostbaar gezien om met publieke middelen te faciliteren.

 

Art 2.2.3 Subsidievereisten

Eerste lid, onder c, Doel van de activiteiten

Zie toelichting onder ‘beleidsdoelen en thema’s, subsidievereisten en selectiecriteria’.

 

Art 2.2.9 Selectiecriteria

De kosteneffectiviteit heeft betrekking op de aangevraagde subsidiabele kosten in relatie tot de geplande prestatie inclusief de bijdrage ervan aan het behalen van de doelstelling van de openstelling.

 

Bij de gevraagde subsidiabele kosten wordt gelet op de begrotingsaspecten zoals de redelijkheid van de investeringen en bijbehorende kosten.

 

Bij de geplande prestatie wordt gelet op de kwalificaties van het bedrijf en de ondernemer waar de investering plaatsvindt, in het licht van de koplopers-rol die deze kan pakken om het vertrouwen van de markt, ofwel collega-landbouwers in de innovatie te vergroten. Dit kunnen ook meerdere ondernemers zijn die gezamenlijk een aanvraag indienen voor eenzelfde innovatie op ieders bedrijf om de subsidiabele kosten te verlagen en hun koplopers-rol te versterken.

 

Ten behoeve van de koplopers-rol die een aanvrager of aanvragers kunnen pakken wordt gelet op de daartoe benodigde kwalificaties van het bedrijf en de ondernemer waar de investering plaatsvindt. Daarbij moet gedacht worden aan de daartoe relevante netwerken waarin de ondernemer(s) actief is/zijn, de mate waarin het bedrijf een dergelijke rol al vervult en of het een aanvraag betreft waar meerdere ondernemers gezamenlijk opteren voor eenzelfde innovatie op ieders bedrijf. In dat laatste geval kan de kosteneffectiviteit tevens toenemen wanneer door een gelijktijdige investering de kosten worden gereduceerd.

 

Voor kosteneffectiviteit wordt een matige score gegeven wanneer de innovatie naar verwachting al breder zal worden toegepast zonder het project. Ofwel er is geen project nodig voor de uitrol van de innovatie. Bijvoorbeeld omdat hiervoor al voldoende vertrouwen is in de markt of omdat een andere stimuleringsregeling de uitrol al voldoende bespoedigt.

 

De kans op succes heeft betrekking op de volgende drie onderdelen:

- Bij het eerste onderdeel wordt gelet op de praktische aansluiting bij de bedrijfsvoering. Dit in tegenstelling tot het eerste onderdeel van het criterium effectiviteit waar het niet gaat om het praktische op bedrijfsniveau maar om strategische en tactische keuzes voor een bedrijf en vergelijkbare bedrijven;

- Bij het tweede onderdeel wordt gelet of de innovatie inspeelt op een behoefte bij de grote groep van vergelijkbare landbouwers;

- Bij het derde onderdeel wordt er bijvoorbeeld gelet op de communicatie naar de grote groep van vergelijkbare landbouwers (de markt) en de voorbeeld- of koplopers-functie die de aanvrager kan vervullen en de rol van erfbetreders.

 

De effectiviteit heeft betrekking op de beleidsdoelstelling van de openstelling. Dit wordt bepaald door:

1e. Bij de aansluiting wordt gelet op de mate waarin de aanvraag slim inspeelt op ontwikkelingen die uitdagingen stellen en nieuwe kansen bieden voor de beoogde transitie naar een duurzamere landbouw. Daarbij wordt onder meer gekeken naar ontwikkelingen in de agrofoodketen (zoals door ICT en nieuwe technologie), de fysieke omgeving (zoals nieuwe kennis over milieu en gezondheidsrisico’s) en de maatschappelijke omgeving (zoals publieke aandacht voor de voedselproductie).

2e. De integrale bijdrage aan de duurzaamheid is om te prioriteren op innovaties met een positief effect op meerdere duurzaamheidsthema’s zoals in artikel 2.2.3 genoemd. Daarbij wordt ook gelet op eventuele negatieve effecten op andere duurzaamheidsthema’s.

3e. De BZV-score (zie begripsbepaling in art 2.2.1) is als criterium opgenomen vanwege de hoge urgentie voor verduurzaming van de veehouderij in Brabant. Er is immers veel maatschappelijke onrust over de ontwikkelingen in de dierlijke productiesectoren als gevolg van de negatieve effecten ervan op het milieu en leefklimaat in het landelijk gebied.

 

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV; zie bzv.brabant.nl) is een instrument waarin maatregelen zijn benoemd ter bevordering van de transitie naar zorgvuldige veehouderij voor individuele bedrijven, als opgenomen in de bijlage bij de Nadere regels Verordening ruimte 2014 - Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. Als projectaanvragen van bedrijven met een BZV-score van minimaal 7,5 punten (circa de best presterende 5% van de bedrijven met een BZV-score) meer kans maken draagt dit ertoe bij dat de koplopers-rol wordt gepakt door die bedrijven en ondernemers die daartoe het meest geëigend zijn. Tevens vormt dit selectiecriterium een stimulans voor alle veehouderijbedrijven om hun BZV-score, respectievelijk duurzaamheid te verhogen ten opzichte van het minimaal noodzakelijke om te mogen uitbreiden. Hiermee wordt voor de dierlijke sectoren een verbinding gelegd tussen het ruimtelijke beleid en het stimuleringsbeleid ter verhoging van de beleidseffectiviteit.

Deze score is niet van toepassing voor de plantaardige sectoren waar de urgentie over het algemeen minder hoog is.

 

Bedrijven die een BZV-score hebben aangevraagd en toegekend gekregen staan met BZV-score vermeld op bzv.brabant.nl waar ook de BZV-systematiek staat beschreven.

 

De innovativiteit heeft betrekking op twee onderdelen:

- de innovatie nog niet of zeer weinig wordt toegepast bij de doelgroep in Noord-Brabant;

- de innovatie voldoende afwijkt van de gangbare praktijk.

Als een van beide onderdelen niet van toepassing is op de aanvraag geldt een score van 1 punt voor innovativiteit.

 

De wegingsfactoren voor de selectiecriteria kosteneffectiviteit, kans op succes en innovativiteit zijn allen gelijkwaardig van belang voor het selecteren van de projecten die het meest bijdragen aan de doelstellingen van de openstelling. Effectiviteit is voor deze maatregel het meest kritische criterium en heeft daarom een wegingsfactor 3 in plaats van 2 zoals voor de overige drie criteria.

 

Artikel 2.5.1 Begripsbepalingen specifiek

De Europese Commissie heeft rond enkele urgente thema’s het nieuwe instrument “Europees Innovatie Partnerschap (EIP)" ontwikkeld. Eén van deze thema's is Productiviteit en Duurzaamheid in de Landbouw (EIP Agri).

 

In het EIP spelen operationele groepen (OG’s) een essentiële rol die een innovatieopgave omarmen en een (innovatie)proces doorlopen. Deze operationele groepen vormen onderdeel van het Europese netwerk voor de Productiviteit en Duurzaamheid in de Landbouw. Dit Europese netwerk heeft als doel de uitwisseling van ervaring en goede praktijken te faciliteren, een dialoog tussen landbouwers en de onderzoeks-gemeenschap tot stand te brengen en alle belanghebbenden bij de kennisuitwisseling te helpen betrekken.

 

Het innovatieproject voor het ontwikkelen, valideren en verfijnen een innovatie dient voor het praktijkrijp maken van kennis en innovatie teneinde op grootschalige toepassing ervan in de praktijk mogelijk te maken.

 

Het kan hier gaan om initiatieven die gericht zijn op voortbrenging en handel in landbouwproducten maar ook om initiatieven die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe machines, technologie en systemen voor de (wereld) markt die landbouw direct of indirect duurzamer maken.

 

Artikel 2.5.2 Doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan de operationele groep (OG) of een OG in wording. De subsidie wordt daarbij verstrekt aan het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3. Aanvragen van samenwerkingsverbanden die worden gehonoreerd zijn daarmee automatisch een operationele groep en worden door de provincie bij het Regiebureau POP aangemeld bij het EIP Agri netwerk. Het belangrijkste verschil van deze maatregel met de maatregel uit paragraaf 3 (samenwerking voor innovatie) is dat de samenwerkingsverbanden in deze maatregel operationele groepen worden genoemd en dat deze onderdeel vormen van het EIP-netwerk waarin de projectresultaten dienen te worden verspreid.

 

Art. 2.5.3 Subsidiabele activiteiten

Het gaat hier alleen om activiteiten van nieuwe of bestaande samenwerkingsverbanden, zoals in artikel 1.3 bepaald, om het innovatieproject uit te voeren. Geen subsidie wordt versterkt voor activiteiten gericht op:

- De oprichting van een samenwerkingsverband/OG

- Het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie.

 

Art. 2.5.5 Subsidievereisten

Eerste lid, onder a, Het project wordt geheel of grotendeels uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant

Of een project geheel of grotendeels wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant wordt bepaald door het aandeel van de subsidiabele kosten die worden gemaakt door deelnemers van het samenwerkingsverband die in Brabant gesitueerd zijn. Daarvan is sprake wanneer dit minstens 70% van de totale subsidiabele kosten betreft.

Eerste lid, onder d, Doelstelling

Het gaat hierbij om verwerven, combineren, vormgeven of gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés, diensten, netwerken of samenwerkingsvormen.

 

Art. 2.5.11 Selectiecriteria

Bij de kosteneffectiviteit wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

1. De begrotingsonderdelen zoals gepland aantal uren per activiteit, uurtarieven, de omvang en noodzaak van de aangevraagde subsidiabele kosten in relatie tot de projectdoelstelling ofwel de geplande prestatie.

2. Efficiënt gebruik van de arbeid, kennis en netwerk van het samenwerkingsverband die de geplande prestatie bepalen.

 

Bij de kans op succes wordt in samenhang gekeken naar:

1. De oriëntatie op de haalbaarheid van het beoogde resultaat. Geeft de groep blijk zich voldoende te hebben georiënteerd op basis van bestaande kennis en ervaring om met het projectactiviteiten het beoogde doel te realiseren?

2. De kwaliteiten en inbreng van de groep, waarbij wordt gelet in hoeverre de juiste partijen deelnemen om de doelen te realiseren waarbij ook wordt gelet of partijen deelnemen die een natuurlijke rol kunnen hebben in communicatie naar de prakrijk na beëindiging van het project ten behoeve van een brede uitrol. Daarbij kan worden gedacht aan deelnemers actief op het terrein van voorlichting, ontwikkelen van businessmodellen en/of het vermarkten van innovaties.

3. Het gezamenlijk omarmen van een innovatieopgave voor een langere duur kan voor alle deelnemers van het samenwerkingsverband een grote uitdaging zijn. Een goed procesplan kan een belangrijke rol vervullen in slagingskans van het project. Met evenwichtige bijdrage wordt bedoeld dat de deelnemers complementair aan elkaar hun benodigde inbreng leveren om het beoogde resultaat te bereiken.

 

De effectiviteit heeft betrekking op de beleidsdoelstelling van de openstelling. Dit wordt bepaald door:

1e. Bij de aansluiting wordt gelet op de mate waarin de aanvraag slim inspeelt op ontwikkelingen die uitdagingen stellen en nieuwe kansen bieden voor de beoogde transitie naar een duurzamere landbouw. Daarbij wordt onder meer gekeken naar ontwikkelingen in de agrofoodketen (zoals door ICT en nieuwe technologie), de fysieke omgeving (zoals nieuwe kennis over milieu en gezondheidsrisico’s) en de maatschappelijke omgeving (zoals publieke aandacht voor de voedselproductie).

2e. De integrale bijdrage aan de duurzaamheid is om te prioriteren op innovaties met een positief effect op meerdere duurzaamheidsthema’s zoals in artikel 2.5.5 genoemd. Daarbij wordt ook gelet op eventuele negatieve effecten op andere duurzaamheidsthema’s.

3e. Er dient sprake te zijn van een interactief en open innovatieproces waarbij de deelnemers gaan opereren in relevante netwerken, aansluiten bij (wetenschappelijke) onderzoeksprogramma’s en de praktijk, en hun innovatieprocessen actief openstellen voor inbreng van andere partijen. Hiermee wordt gezorgd dat de innovaties aansluiten op wetenschappelijke inzichten en een goede vertaling naar de praktijk krijgen voor de uitrol.

 

Bij de innovativiteit wordt gelet op de mate waarin de beoogde innovatie verschilt van een bestaand product of dienst, etc. Als leidraad voor de beoordeling geldt:

- Matig met 1 punt als de beoogde innovatie slechts een geringe aanpassing van het bestaande is.

- Zeer goed met 4 punten als de beoogde innovatie een geheel of vrijwel geheel nieuw product is waarbij het nieuwe functionele verbindingen vormt tussen de agrarische sector, het agrofoodcomplex en andere sectoren en actoren in het landelijke en stedelijke domein, zoals natuurterreinbeheerders, hightech industrie, ICT, vrijetijdseconomie en zorg.

 

De wegingsfactoren voor alle vier de selectiecriteria zijn gelijk gesteld op 2 omdat ze gelijkwaardig van belang zijn voor het selecteren van de projecten die het meest bijdragen aan de doelstellingen van de openstelling.

 

Artikel 2.6.1, onder c, KRW-opgave

Een deel van de KRW-opgave wordt gemeten met ecologische kwaliteitsratio’s (EKR’s). Het is een maat voor de afstand tot de goede ecologische toestand conform de beoordelingsmethodiek van de Kaderrichtlijn water.

De EKR’s in de tabel van bijlage 2 vormen de ondergrens voor de klasse ‘goed’ in bijlage 3. De overige klassegrenzen zijn evenredig verdeeld over de range tussen het getal 0 en het getal dat de ondergrens vormt voor de toestand ‘goed’. Voor de parameters ‘totaal stikstof’ en ‘totaal fosfaat’ vormen de waarden in bijlage 2 de grens voor de klasse ‘goed’. Hogere waarden worden ingedeeld in een van de klassen ‘slecht’, ‘ontoereikend’ of ‘matig’. De grenzen zijn per type bepaald en te vinden in de publicatie ‘Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn water’. Te vinden via: http://krw.stowa.nl/Upload/STOWA%20Natuurlijke%20wateren%20KRW%20(2).pdf

 

 

Artikel 2.6.3 Subsidiabele activiteiten

Niet-productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om investeringen gericht op verbetering van de waterkwaliteit en –kwantiteit om daarmee een bijdrage te leveren aan doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn, herstel natuurlijke toestand watersystemen, het duurzaam optimaliseren van de waterhuishouding en om maatregelen gericht op voorkomen of beperken van watertekorten en wateroverlast, waaronder het vergroten van het waterbergend vermogen van het watersysteem en het watervasthoudend vermogen van landbouwgrond en daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen.

Voorbeelden van maatregelen zijn aanleg en inrichting van natuurvriendelijke oevers die bijdragen aan de Kaderrichtlijn Water en tevens een buffer vormen voor emissies naar oppervlaktewater, herstel watersystemen naar een goede toestand, waaronder beekherstel, hermeandering waterlopen, herstellen migratiemogelijkheden, verdrogingsbestrijding; aanleg van bufferzones langs watergangen; maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten, bijvoorbeeld peilgestuurde drainage, aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringssystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem.

 

Artikel 2.6.4 Subsidievereisten

Eerste lid, onder c, Inrichting, herinrichting of transformatie van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen

Bijna alle oppervlaktewaterlichamen in Brabant zijn gegraven of sterk veranderd. Soms zijn ze gegraven of vergraven voor de scheepvaart, maar meestal voor de ontwatering van landbouwgronden. De ecologie van het oppervlaktewater is daardoor op de achtergrond geraakt. Met het aannemen van de Kaderrichtlijn Water hebben de lidstaten zich verplicht om de waterlichamen zodanig in te richten dat ze tenminste een goed ecologisch potentieel krijgen en bij voorkeur in een goede ecologische toestand geraken. Daarvoor is het nodig dat gegraven watergangen natuurvriendelijk worden ingericht, bijvoorbeeld door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers of het vispasseerbaar maken van stuwen. Sterk veranderde waterlichamen moeten worden heringericht, bijvoorbeeld door meanders weer terug te brengen. Soms is zelfs een transformatie van het watersysteem nodig door sloten te verleggen of gemalen te verplaatsen of door extra waterbergingscapaciteit te creëren om de gevolgen van klimaatverandering op te kunnen vangen.

Met een watersysteem wordt een KRW-waterlichaam bedoeld, inclusief het bijbehorende stroomgebied. Dit wordt gevormd door de op het betreffende oppervlaktewaterlichaam afwaterende sloten en watergangen en het daarmee samenhangende grondwater. Ten behoeve van de landbouw, de opgaven uit de Kaderrichtlijn Water, de provinciale, nationale of Europese biodiversiteitsdoelstellingen of ten behoeve van adaptatie aan het veranderend klimaat kan het nodig zijn het watersysteem anders in te richten of investeringen te doen voor een ander beheer.

Eerste lid, onder d, onderdeel 1º, Extra waterbergingscapaciteit ten behoeve van de landbouw in probleemgebieden

Door klimaatverandering en intensivering van het agrarisch landgebruik neemt de kans op inundaties van landbouwgrond toe. Dit kan leiden tot grote schade. De waterschappen hebben op basis van hun expertise probleemgebieden aangewezen waar extra waterbergingscapaciteit moet worden gerealiseerd, zodat zware buien niet meteen leiden tot schade aan landbouwgewassen door inundaties. Bijlage 4a betreft een poldergebied waarbij het probleemgebied tevens het zoekgebied is voor het realiseren van de waterbergingscapaciteit. Bijlage 4b betreft een beekdal. Daar ligt het zoekgebied voor het nemen van maatregelen bovenstrooms van het probleemgebied. Om die reden is in bijlage 4b het probleemgebied niet op de kaart weergegeven. De begrenzing van probleemgebied respectievelijk zoekgebied is te vinden in de viewer http://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=9b6b33c1d5ce4554bdc80e5c5d76ed7c

Eerste lid, onder d, onderdelen 2º en 3º het behalen van of bijdragen aan een of meer ecologische kwaliteitsdoelen en het opheffen van knelpunten voor vismigratie

De Kaderrichtlijn Water bepaalt dat uiterlijk in 2027 de Brabantse oppervlaktewaterlichamen in een goede ecologische toestand moeten zijn of een goed ecologisch potentieel moeten hebben. Bijlage 2 geeft een overzicht van de Brabantse oppervlaktewaterlichamen en de bijbehorende ecologische kwaliteitsdoelen. Bijlage 3 geeft de toestand weer zoals deze eind 2015 is gerapporteerd. Enkele waterlichamen zijn uit het overzicht geschrapt omdat er geen grote opgave meer ligt of omdat ze niet in agrarisch gebied liggen.

Voor het ecologisch kwaliteitsdoel ‘vis’ is niet alleen een goede inrichting en een goede waterkwaliteit van belang, maar ook het opheffen van knelpunten voor vismigratie. Deze knelpunten zijn in het verleden ontstaan door het aanbrengen van stuwen ten dienste van de landbouw. Deze stuwen moeten nu vispasseerbaar worden gemaakt zonder de landbouw in haar ontwikkelingsmogelijkheden te beperken. Deze specifieke maatregel wordt vaak uit efficiency- en kosteneffectiviteitsoverwegingen geclusterd aangepakt. Om die reden is het als een apart hoofddoel onder 3º benoemd. De maatregel kan echter ook onderdeel uitmaken van een integrale aanpak, zoals onder 2º bedoeld. Het is belangrijk dat de vispasseerbaarheid voor alle relevante soorten voldoende is en dat er geen negatieve effecten op het peilregime plaatsvinden. Enkele Brabantse KRW-waterlichamen worden niet opengesteld voor deze maatregel omdat er nauwelijks vis voorkomt zodat het opheffen van knelpunten op dit moment een lagere prioriteit heeft. De Brabantse waterschappen hebben de ‘Handreiking vispassages in Noord-Brabant opgesteld en gebruiken dit als toetsingskader bij de vergunningverlening. Deze handreiking is te vinden op de volgende link:

http://edepot.wur.nl/247645. De ligging van de waterlichamen die in bijlage 2 zijn genoemd is te vinden in de viewer http://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=9b6b33c1d5ce4554bdc80e5c5d76ed7c

Eerste lid, onder e, onderdeel 3º, het project wordt op andere grond dan landbouwgrond uitgevoerd, maar heeft wel een rechtstreeks verband met een landbouwactiviteit

Voorbeelden van maatregelen die niet worden uitgevoerd op landbouwgrond, maar wel een rechtstreeks verband hebben met landbouwactiviteiten zijn:

• Het aanleggen van een stuw met vispassage in een waterschapssloot. Doel van de stuw is om het waterbeheer in agrarisch gebied te verbeteren. Een vispassage is daarbij nodig om te vermijden dat de stuw een negatief effect heeft op vismigratie.

• Het aanleggen van een vispassage bij een bestaande stuw en het weghalen van beschoeiing. Dit om te voldoen aan KRW-opgave zonder dat de landbouw er door wordt benadeeld.

• Beekherstel in landbouwgebied. Hermeandering en afvoervertraging ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het aanleggen van schuine oevers om het waterbergend vermogen te vergroten, zodat voorkomen wordt dat bij neerslagpieken landbouwgrond overstroomt. Afvoervertraging en ophogen van de beekbodem leiden er ook toe dat omliggende landbouwgrond minder droogtegevoelig wordt.

• Beekherstel in een natuurgebied. Het aanleggen van schuine oevers om de waterbergingscapaciteit te vergroten zodat voorkomen wordt dat bij neerslagpieken landbouwgrond overstroomt. Peilopzet, afvoervertraging en ophogen van de beekbodem zodat omliggende landbouwgrond minder droogtegevoelig wordt. Het aanleggen van extra buffercapaciteit om te voorkomen dat maatregelen die nodig zijn in het kader van de KRW-opgave leiden tot extra wateroverlast in bovenstrooms landbouwgebied.

Analoog aan bovengenoemde maatregelen kan men ook denken aan maatregelen als:

• Het aanleggen van wadi’s of infiltratiegreppels langs KRW-watergangen voor het opvangen van piekafvoeren of nutriëntenvrachten vanuit het aangrenzend landbouwgebied.

• Het installeren van pompen of het aanleggen van kades of stuwen in Natura 2000-gebied om de kans op wateroverlast in landbouwgebied klein te houden.

• Het plaatsen van verticale schermen om de kans op wateroverlast of natschade in landbouwgebieden klein te houden.

• Het omleggen van waterlopen zodat agrarische ontwikkeling niet beperkt hoeft te worden. Het gaat om waterlopen die in het belang van de landbouw zijn gegraven of verdiept en waar een natuurgebied onevenredig last van ondervindt.

• Inrichtingsmaatregelen om te voorkomen dat nutriënten die zijn uitgespoeld uit landbouwgrond leiden tot het niet halen van de KRW-opgave.

Derde lid, onder e, Offertes

Ter onderbouwing van de kostenbegroting in het projectplan kunnen offertes worden aangeleverd. Offertes zijn van toepassing wanneer de kostenbegroting kosten bevat waarvoor externe partijen worden ingeschakeld. Externe partijen kunnen leveranciers zijn van producten en diensten, te denken valt aan aannemers die materialen leveren ten behoeve van de te plegen investeringen en maatregelen in het project. Maar het kan ook de inzet van onderzoekers en adviseurs betreffen. Offertes onderbouwen de kosten in de begroting en worden gebruikt om de redelijkheid en marktconformiteit van de kosten uit de begroting te toetsen.

 

Artikel 2.6.5 Subsidiabele kosten

Eerste lid, onder a, Kosten van bouw, verbetering of leasing van onroerende zaken

Onder kosten voor verbetering van onroerende zaken vallen ook kosten om gronden te transformeren naar de voor beter waterbeheer beoogde functie. Bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van plas-dras zones, rietkragen, meanders, waterbergingscapaciteit, accoladeprofielen, wadi’s, infiltratiegreppels, kades en watergangen.

Eerste lid, onder b, kosten van verwerving van bebouwde en onbebouwde grond tot maximaal 10% van de subsidiabele kosten

Indien het in het kader van een project noodzakelijk is om gronden aan te kopen, mogen de kosten voor de aankoop van die gronden maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het project bedragen, tenzij er een uitzondering op deze 10% regeling van toepassing is op grond van het tweede lid van dit artikel.

Rekenvoorbeeld: de EU-subsidiabele inrichtingskosten voor een beekherstelproject inclusief de aanleg van een meander en een vistrap bedragen € 300.000. Voor het project moet 2 ha grond worden aangekocht ad € 140.000. De totale projectkosten bedragen dus € 440.000. Als de aankoopkosten tot 30% over de totale subsidiabele kosten mogen bedragen, vormen de aanlegkosten van € 300.000 dus 70% van de totale subsidiabele kosten. De totale subsidiabele kosten bedragen in dit voorbeeld dan teruggerekend (100/70 x € 300.000 =) € 428.571 waarvan € 128.571 grondkosten. De overige € 11.429 grondkosten zijn niet EU-subsidiabel.

Eerste lid, onder c, kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties

Een installatie is een samenhangend en vaak min of meer geavanceerd systeem dat een bepaald doel dient. Gedacht kan worden aan een vistrap, een systeem voor peilgestuurde drainage, een stuw, een gemaal en andere technische hulpmiddelen die ingezet kunnen worden voor waterbeheer in een omgeving met tegengestelde belangen.

Eerste lid, onder h, Voorbereidingskosten

Het is belangrijk dat de subsidiabele activiteit goed wordt voorbereid. Daarmee kan de doelmatigheid, de kosteneffectiviteit en de integraliteit worden vergroot. Een deel van deze kosten is of zal worden gemaakt voorafgaand aan de aanvraag om subsidie. Vanwege het grote belang van een goede voorbereiding zijn deze kosten in deze regeling subsidiabel gesteld voor zover ze gemaakt zijn binnen een jaar voorafgaand aan de aanvraag om subsidie. In artikel 1.1, onder o, zijn de kosten benoemd die subsidiabel zijn.

Tweede lid

Op grond van artikel 69 derde lid, onder b, van Verordening (EU) 1303/2013 kan in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen een overschrijding van het in het vierde lid genoemde maximale percentage subsidie voor de verwerving van onroerende zaken worden toegestaan voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud. Gelet op de hoge agrarische grondkosten in Brabant en de hoge milieudruk van de agrarische sector is hiervan sprake indien de te verwerven onroerende zaken zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of onderdeel uitmaken van buiten de ecologische hoofdstructuur gelegen Kaderrichtlijn Water opgaven voor natte natuurparels of KRW-waterlichamen.

 

Onderbouwd moet worden dat hogere grondverwervingskosten noodzakelijk zijn en dat alternatieven ontbreken. Bijvoorbeeld in het geval het niet mogelijk, niet duurzaam of niet kosteneffectief is om de beoogde inrichting, herinrichting of transformatie van het watersysteem te realiseren zonder substantiële grondverwerving. Een ander voorbeeld kan zijn dat de betreffende grondeigenaren niet bereid zijn om de benodigde maatregelen ten behoeve van inrichting, herinrichting of transformatie van het watersysteem op hun grond toe te staan en dat daarom extra gronden verworven dienen te worden. Dit om de landbouw te ontlasten.

 

Artikel 2.6.7 Subsidieplafond

Bij POP3 bestaat de helft van het subsidiebedrag uit ‘cofinanciering’, middelen die door nationale of regionale overheden beschikbaar zijn gesteld. Bij de voorliggende openstelling betreft het middelen die door de Brabantse waterschappen beschikbaar worden gesteld. Om te voorkomen dat een waterschap investeringen in een ander waterschap moet cofinancieren, is gekozen voor deelplafonds per waterschap.

 

Artikel 2.6.8 Subsidiehoogte

Het duurzaam oplossen van knelpunten in probleemgebieden vergt een goed onderbouwde, integrale en grootschalige aanpak. Dat maakt deze projecten relatief duur. Deze gecombineerde aanpak is wel het meest kosteneffectief. Om deze reden is gekozen voor een relatief hoge drempel.

 

Artikel 2.6.9 Selectiecriteria

Deze openstelling richt zich uitsluitend op niet-productieve investeringen in twee soorten probleemgebieden: probleemgebieden door de gevolgen van klimaatverandering en probleemgebieden doordat nog een grote inspanning nodig is om aan de Kaderrichtlijn Water te voldoen. Beide soorten probleemgebieden zijn concreet begrensd.

Met betrekking tot het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering zijn door de waterschappen twee gebieden aangewezen als probleemgebied. Dat wil niet zeggen dat er niet meer probleemgebieden zouden zijn, maar deze zijn nog niet nader geïdentificeerd.

Voor het bepalen van de probleemgebieden bij oppervlaktewaterlichamen wordt gebruik gemaakt van het overzicht ‘Ecologische toestand per KRW-oppervlaktewaterlichaam in 2015, zoals weergegeven in bijlage 2. Deze bijlage is afgeleid uit de factsheets die zijn gepubliceerd op: https://www.waterkwaliteitsportaal.nl/Beheer/Rapportage/Publiek?viewName=Factsheets&jaar=2015&maand=December

 

Voor de selectie van projecten zal gebruik worden gemaakt van het geografisch criterium uit het addendum op het handboek selectiecriteria waarover het Comité van Toezicht in oktober 2016 heeft geadviseerd. Als aanvullend criterium wordt gebruikt de mate van doelbereik dat het voorliggende project binnen dit gebied beoogt te bereiken. Dit criterium zegt uitsluitend iets over het tijdstip van doelbereik: binnen de projectperiode, na afloop van de projectperiode, maar binnen de lopende planperiode van het Waterbeheerplan of pas na afloop daarvan. Achterliggende gedachte is, hoe eerder een knelpunt is opgelost, hoe beter.

De puntentelling zal worden gebaseerd op feiten en informatie die op dat moment beschikbaar is en die voldoende meetbaar en verifieerbaar is. Bij ‘met zekerheid realiseren’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan projecten waarbij de restopgave gerealiseerd wordt vanuit een ander project dat op het moment van indienen in uitvoering is of is aanbesteed. Bij ‘voldoende aannemelijk’ kan worden gedacht aan projecten waarbij de restopgave gerealiseerd wordt vanuit een ander project dat op het moment van indienen nog niet in uitvoering is, maar waarover wel besluiten zijn opgenomen of middelen zijn begroot. In alle gevallen zal dat meetbaar en verifieerbaar moeten worden aangetoond. Wellicht is het ook mogelijk dat meetbaar en verifieerbaar kan worden aangetoond dat autonome ontwikkelingen helpen om doelbereik binnen de planperiode te realiseren.

Vanwege de beperkte waarderingsrange die daarbij mag worden gehanteerd, is er een kans dat dat meerdere projecten gelijk worden gewaardeerd. In dat geval zal prioriteit worden gegeven aan projecten die zijn gericht op het verbeteren van het watersysteem in agrarisch gebied. Vervolgens aan projecten die bijdragen aan integrale KRW-opgaven en tot slot aan sectorale KRW-opgaven.

De puntentelling voor het ranken van projecten zal worden gebaseerd op feiten en informatie die op het moment van aanvraag beschikbaar is en die voldoende meetbaar en verifieerbaar is. Bij ‘met zekerheid realiseren’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan projecten waarbij de restopgave gerealiseerd wordt vanuit een ander project dat op het moment van indienen in uitvoering is of is aanbesteed. Bij ‘voldoende aannemelijk’ kan worden gedacht aan projecten waarbij de restopgave gerealiseerd wordt vanuit een ander project dat op het moment van indienen nog niet in uitvoering is, maar waarover wel besluiten zijn genomen of middelen zijn begroot. In alle gevallen zal dit meetbaar en verifieerbaar moeten worden aangetoond. Een andere optie is dat meetbaar en verifieerbaar kan worden aangetoond dat autonome ontwikkelingen helpen om doelbereik binnen de planperiode te realiseren.

Derde lid

Omdat waterlichamen vaak erg langgerekt zijn is het niet altijd doelmatig een heel waterlichaam ineens aan te pakken. Vandaar dat bij dit criterium de mogelijkheid is geboden het project te beperken tot een deel van het waterlichaam, het projectgebied. Naast het uitvoeren van herinrichtingsmaatregelen is ook het beheer van groot belang in het behalen van de doelstellingen van de KRW. Dit beheer moet gericht zijn op de KRW-doelstellingen en voor de lange termijn geborgd zijn.

Vierde lid

Het vispasseerbaar maken van watergangen bestaat meestal uit losstaande lokale ingrepen. Uit oogpunt van kosteneffectiviteit worden dit soort ingrepen vaak geclusterd uitgevoerd. Soms ook in verschillende waterlichamen tegelijk. Vandaar dat dit criterium met deze werkwijze rekening houdt.

 

Artikel 2.7.1 Begripsbepalingen

In het kader van het Programma aanpak stikstof (PAS) zijn gebiedsanalyses gemaakt waarin de maatregelen zijn benoemd die uiterlijk op 1 juli 2021 moeten zijn genomen. Deze documenten zijn te vinden via de volgende link: http://pas.natura2000.nl/pages/gebiedsanalyses_15-12-2015.aspx

 

Artikel 2.7.1, onder e, KRW-opgave

Een deel van de KRW-opgave wordt gemeten met ecologische kwaliteitsratio’s (EKR’s). Het is een maat voor de afstand tot de goede ecologische toestand conform de beoordelingsmethodiek van de Kaderrichtlijn water.

De EKR’s in de tabel van bijlage 5 vormen de ondergrens voor de klasse ‘goed’ in bijlage 6. De overige klassegrenzen zijn evenredig verdeeld over de range tussen het getal 0 en het getal dat de ondergrens vormt voor de toestand ‘goed’. Voor de parameters ‘totaal stikstof’ en ‘totaal fosfaat’ vormen de waarden in bijlage 5 de grens voor de klasse ‘goed’. Hogere waarden worden ingedeeld in een van de klassen ‘slecht’, ‘ontoereikend’ of ‘matig’. De grenzen zijn per type bepaald en te vinden in de publicatie ‘Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn water’. Te vinden via: http://krw.stowa.nl/Upload/STOWA%20Natuurlijke%20wateren%20KRW%20(2).pdf.

 

Artikel 2.7.3 Subsidiabele activiteiten

Niet-productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om inrichtingsmaatregelen voor specifieke soorten of habitats, inrichtingsmaatregelen om de negatieve gevolgen van agrarische emissies ongedaan te maken en ecosystemen beter weerbaar te maken tegen nieuwe emissies, inrichtingsmaatregelen voor hydrologische maatregelen PAS en daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen. En verder om investeringen gericht op verbetering van de waterkwaliteit en –kwantiteit om daarmee een bijdrage te leveren aan ecologische doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water.

Voorbeelden van inrichtingsmaatregelen om de negatieve gevolgen van agrarische emissies ongedaan te maken zijn het afplaggen of verschralen van door stikstofdepositie verrijkte natuurgebieden en het revitaliseren van het bodem-ecosysteem door het toedienen van mineralen of het inbrengen van loofhout, zodat de natuurbodem beter bestand wordt tegen nieuwe stikstofdepositie. Bij hydrologische maatregelen in Natura 2000-gebieden in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) kan gedacht worden aan natuurversterkende maatregelen die een link hebben met de landbouw, zoals de aanleg van regenwaterbuffers en stuwen, waterconserverende drainagesystemen, natte bufferzones, het omleggen van beken en het verhogen van waterpeilen. Voor de Kaderrichtlijn Water kan gedacht worden aan aanleg en inrichting van natuurvriendelijke oevers die bijdragen aan de Kaderrichtlijn Water en tevens een buffer vormen voor emissies naar oppervlaktewater, herstel watersystemen naar een goede toestand, waaronder beekherstel, hermeandering waterlopen, herstellen migratiemogelijkheden, verdrogingsbestrijding; aanleg van bufferzones langs watergangen; maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten, bijvoorbeeld peilgestuurde drainage, aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringssystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem.

 

Artikel 2.7.4 Subsidievereisten

 

Eerste lid, onder c, onderdeel 3º, het project wordt op andere grond dan landbouwgrond uitgevoerd, maar heeft wel een rechtstreeks verband met een landbouwactiviteit

Voorbeelden van maatregelen die niet worden uitgevoerd op landbouwgrond, maar wel een rechtstreeks verband hebben met landbouwactiviteiten zijn:

• Het installeren van pompen en/of het aanleggen van kades of stuwen in Natura 2000-gebied om te verhinderen dat verdrogingsbestrijding leidt tot wateroverlast in landbouwgebied.

• Het afplaggen van natuurgebieden om ze beter bestand te maken tegen stikstofdepositie afkomstig van naburige landbouwactiviteiten.

• Het aanleggen van een stuw met vispassage in een waterschapssloot. Doel van de stuw is om het waterbeheer in agrarisch gebied te verbeteren. Een vispassage is daarbij nodig om te vermijden dat de stuw een negatief effect heeft op vismigratie.

• Het aanleggen van een vispassage bij een bestaande stuw en het weghalen van beschoeiing. Dit om te voldoen aan KRW-opgave zonder dat de landbouw er door wordt benadeeld.

• Beekherstel in landbouwgebied. Hermeandering en afvoervertraging ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het aanleggen van schuine oevers om het waterbergend vermogen te vergroten, zodat voorkomen wordt dat bij neerslagpieken landbouwgrond overstroomt. Afvoervertraging en ophogen van de beekbodem leiden er ook toe dat omliggende landbouwgrond minder droogtegevoelig wordt.

• Beekherstel in een natuurgebied. Het aanleggen van schuine oevers om het waterbergend vermogen te vergroten zodat voorkomen wordt dat bij neerslagpieken landbouwgrond overstroomt. Peilopzet, afvoervertraging en ophogen van de beekbodem zodat omliggende landbouwgrond minder droogtegevoelig wordt. Het Aanleggen van extra buffercapaciteit om te voorkomen dat maatregelen die nodig zijn in het kader van de KRW-opgave leiden tot extra wateroverlast in bovenstrooms landbouwgebied.

Analoog aan bovengenoemde maatregelen kan men ook denken aan maatregelen als:

• Het aanleggen van wadi’s of infiltratiegreppels langs KRW-watergangen voor het opvangen van piekafvoeren of nutriëntenvrachten vanuit het aangrenzend landbouwgebied.

• Het installeren van pompen en/of het aanleggen van kades of stuwen in Natura 2000-gebied om de kans op wateroverlast in landbouwgebied klein te houden.

• Het plaatsen van verticale schermen om de kans op wateroverlast of natschade in landbouwgebieden klein te houden.

• Het omleggen van waterlopen zodat agrarische ontwikkeling niet beperkt hoeft te worden. Het gaat om waterlopen die in het belang van de landbouw zijn gegraven of verdiept en waar een natuurgebied onevenredig last van ondervindt.

Tweede lid, Hydrologische maatregelen PAS

Alle hydrologische maatregelen die voor de PAS uitgevoerd moeten worden, zijn opgenomen in de gebiedsanalyses die voor de PAS-gebieden zijn opgesteld. De aanvrager moet in het projectplan aantonen dat de hydrologische maatregelen waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn opgenomen in de gebiedsanalyse voor dat betreffende gebied. De gebiedsanalyses zijn te vinden op http://pas.natura2000.nl/pages/gebiedsanalyses_15-12-2015.aspx.

Derde lid, Doelen

Stikstofemissies uit de veehouderij, ontwatering van landbouwgrond en intensivering van het grondgebruik hebben geleid tot een sterke achteruitgang van de biodiversiteit, zowel op het land als in het water. Maatregelen zijn nodig om verdere achteruitgang te voorkomen. Liefst zodanig dat ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw behouden blijven. Om die reden heeft de provincie concrete gebieden aangewezen waar niet-productieve investeringen voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur of biodiversiteit nodig zijn. Deze maatregelen zijn onderverdeeld in een viertal hoofddoelen. De provincie wil de mogelijkheid om in een gebied meerdere doelen tegelijk aan te pakken openlaten. Voor de ranking van de projecten is het nodig dat één doel als hoofddoel wordt benoemd. Het vierde lid voorziet hierin.

Derde lid, onder a, onderdelen 1° en 2°

De Kaderrichtlijn Water bepaalt dat uiterlijk in 2027 de Brabantse oppervlaktewaterlichamen in een goede ecologische toestand moeten zijn of een goed ecologisch potentieel moeten hebben. Een deel van deze KRW-waterlichamen heeft een hogere potentie voor biodiversiteit. Deze gebieden hebben in het provinciale beleid de functie ‘waternatuur’ of ‘verweven’ gekregen. De provincie vindt het belangrijk dat in deze wateren de doelstellingen versneld worden bereikt en daarom komt alleen dit deel van de Brabantse oppervlaktewaterlichamen in het kader van de voorliggende regeling voor subsidie in aanmerking. Bijlage 5 geeft een overzicht van de Brabantse oppervlaktewaterlichamen die geheel of gedeeltelijk deze functie hebben. Tevens zijn de KRW- kwaliteitsdoelen weergegeven. Bijlage 6 geeft de toestand weer zoals deze eind 2015 is gerapporteerd. De provincie wil met deze subsidieregeling bereiken dat het goed ecologische potentieel versneld wordt gerealiseerd en dat de biodiversiteit in beken met de functie ‘waternatuur’ of ‘verweven’ behouden of versterkt wordt.

Voor het ecologisch kwaliteitsdoel ‘vis’ is niet alleen een goede inrichting en een goede waterkwaliteit van belang, maar ook het opheffen van knelpunten voor vismigratie. Deze knelpunten zijn in het verleden ontstaan door het aanbrengen van stuwen ten dienste van de landbouw. Deze stuwen moeten nu vispasseerbaar worden gemaakt zonder de landbouw in haar ontwikkelingsmogelijkheden te beperken. Deze specifieke maatregel wordt vaak uit efficiency- en kosteneffectiviteitsoverwegingen geclusterd aangepakt. Om die reden is het als een apart hoofddoel onder b benoemd. De maatregel kan echter ook onderdeel uitmaken van een integrale aanpak, zoals onder a bedoeld. Vanuit het provinciaal beleid komen alleen watergangen voor subsidie in aanmerking die de functie ‘waternatuur’ of ‘verweven’ hebben. Indien een watergang vispasseerbaar wordt gemaakt door het uitsluitend verwijderen van een stuw ontstaat in hellend gebied schade aan landbouwgrond doordat de grond bovenstrooms te droog wordt en benedenstrooms te nat. Om die reden moet de stuw worden vervangen door een vispasseerbaar alternatief. Het is daarbij belangrijk dat de vispasseerbaarheid voor alle relevante soorten voldoende is. De Brabantse waterschappen hebben de ‘Handreiking vispassages in Noord-Brabant opgesteld en gebruiken dit als toetsingskader bij de vergunningverlening. Deze handreiking is te vinden op de volgende link: http://edepot.wur.nl/247645. De ligging van de waterlichamen die in bijlage 5 zijn genoemd is te vinden in de viewer http://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=ab07f22bc0254bd7836ad4e12adc0df7.

Derde lid, onder a, onderdeel 3°

De Kaderrichtlijn Water bepaalt dat uiterlijk in 2027 voor de grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen een goede grondwatertoestand moet zijn gerealiseerd. Dat betekent dat significante schade door antropogene veranderingen aan de grondwaterstand of inbreng van verontreinigende stoffen moet zijn opgeheven. In Brabant betreft het de natte natuurparels. Deze zijn opgesomd in bijlage 7. De provincie vindt het belangrijk dat de goede grondwatertoestand eerder wordt bereikt, zodat meer waterafhankelijke natuur behouden kan worden. De exacte begrenzing van de natte natuurparels is te vinden in de viewer http://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=ab07f22bc0254bd7836ad4e12adc0df7.

Derde lid, onder a, onderdeel 4°

Het rapport ‘Grootschalige stikstofdepositie in Nederland. Herkomst en ontwikkeling in de tijd’ van het Planbureau voor de Leefomgeving laat zien dat de stikstofdepositie in de onderzochte natuurgebieden in Noord-Brabant van west (Brabantse Wal met 64%) naar oost (Deurnsche Peel & Mariapeel met 81%) en van noord (Biesbosch met 58%) naar zuid (Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux met 72%) grotendeels afkomstig is uit de landbouw. Tevens laat dit rapport zien dat de invloed van de landbouw ook de komende decennia dominant blijft. Het wegnemen van de fysieke gevolgen van stikstofdepositie uit het verleden en het minder gevoelig maken van de natuurgebieden voor nieuwe emissies vanuit de landbouw vormt om die reden een belangrijke doelstelling bij de voorliggende regeling. Bij ‘wegnemen’ kan worden gedacht aan het stimuleren van denitrificatie door het creëren van natte omstandigheden en het verwijderen van door depositie verrijkte bodemlagen, vegetatie of waterbodems. Bij ‘minder gevoelig maken’ kan worden gedacht aan hydrologisch herstel, ecologisch herstel, toedienen van kalk en andere mineralen om uitloging en verzuring te compenseren en het planten van loofboomsoorten waarvan het afgevallen blad helpt om het bodemecosysteem te reactiveren, te weten winterlinde, zomerlinde, fladderiep, inheemse esdoorns, gewone vogelkers, zoete kers, hazelaar, boswilg, es en haagbeuk. De locatie van de vennen en de exacte begrenzing van de droge heide en bossen is te vinden in de viewer http://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=ab07f22bc0254bd7836ad4e12adc0df7.

Derde lid, onder b

Bij watergerelateerde maatregelen ten behoeve van biodiversiteit is het in Noord-Brabant gebruikelijk dat andere overheden (meestal zijn dit de waterschappen, omdat zij veelal de hydrologische maatregelen uitvoeren) een deel van de kosten voor hun rekening nemen. Gebruikelijk is een gelijk bedrag als dat van de provincie. Daarom is in de regeling opgenomen dat een ander overheidsorgaan moet instemmen met een bijdrage van 25% van de subsidiabele kosten. Die instemming moet blijken uit een bijgevoegde brief bij de subsidieaanvraag. Indien deze brief ontbreekt, wordt de aanvraag als niet compleet en daarom vanwege onvolledigheid niet in behandeling genomen. Hiertoe is in artikel 2.7.4, derde lid, onder b, een vereiste opgenomen. Bij subsidietoekenning is voor artikel 2.7.4, derde lid onder a, onderdelen 1°, 2° en 3° 100% subsidie beschikbaar, waarvan 25% provinciale bijdrage en 25% van een ander overheidsorgaan.

 

Vijfde lid, onder e, Offertes

Ter onderbouwing van de kostenbegroting in het projectplan kunnen offertes worden aangeleverd. Offertes zijn van toepassing wanneer de kostenbegroting kosten bevat waarvoor externe partijen worden ingeschakeld. Externe partijen kunnen leveranciers zijn van producten en diensten, te denken valt aan aannemers die materialen leveren ten behoeve van de te plegen investeringen en maatregelen in het project. Maar het kan ook de inzet van onderzoekers en adviseurs betreffen. Offertes onderbouwen de kosten in de begroting en worden gebruikt om de redelijkheid en marktconformiteit van de kosten uit de begroting te toetsen.

 

Artikel 2.7.5 Subsidiabele kosten

Eerste lid, onder a, Kosten van bouw, verbetering of leasing van bebouwde en onbebouwde grond

Onder kosten voor verbetering van onroerende zaken vallen ook kosten om habitats in natuurgebieden te herstellen, ecosystemen beter weerbaar te maken tegen toekomstige stikstofdepositie en kosten om gronden te transformeren naar de voor beter waterbeheer beoogde functie. Bijvoorbeeld kosten voor het afplaggen van door stikstofdepositie verrijkte bodems, het weghalen van door stikstofdepositie verrijkte bagger of vegetaties, het toedienen van mineralen om uitloging en verzuring te compenseren, het aanplanten van bepaalde loofbomen, het aanleggen van plas-dras zones, rietkragen, meanders, waterbergingsgebieden, accoladeprofielen, wadi’s, infiltratiegreppels, kades en watergangen.

Eerste lid, onder b, Kosten van verwerving van onroerende zaken tot maximaal 10% van de subsidiabele kosten

Indien het in het kader van een project noodzakelijk is om gronden aan te kopen, mogen de kosten voor de aankoop van die gronden maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het project bedragen, tenzij er een uitzondering op deze 10% regeling van toepassing is op grond van het tweede lid van dit artikel.

Rekenvoorbeeld: de EU-subsidiabele inrichtingskosten voor een beekherstelproject inclusief de aanleg van een meander en een vistrap bedragen € 300.000. Voor het project moet 2 ha grond worden aangekocht ad € 140.000. De totale projectkosten bedragen dus € 440.000. Als de aankoopkosten tot 30% over de totale subsidiabele kosten mogen bedragen, vormen de aanlegkosten van € 300.000 dus 70% van de totale subsidiabele kosten. De totale subsidiabele kosten bedragen in dit voorbeeld dan teruggerekend (100/70 x € 300.000 =) € 428.571 waarvan € 128.571 grondkosten. De overige € 11.429 grondkosten zijn niet EU-subsidiabel.

Eerste lid, onder c, Kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa

Een installatie is een samenhangend en vaak min of meer geavanceerd systeem dat een bepaald doel dient. Gedacht kan worden aan een vistrap, een systeem voor peilgestuurde drainage, een stuw, een gemaal en andere technische hulpmiddelen die ingezet kunnen worden voor waterbeheer in een omgeving met tegengestelde belangen.

Eerste lid, onder h, Voorbereidingskosten

Het is belangrijk dat de subsidiabele activiteit goed wordt voorbereid. Daarmee kan de doelmatigheid, de kosteneffectiviteit en de integraliteit worden vergroot. Een deel van deze kosten is of zal worden gemaakt voorafgaand aan de aanvraag om subsidie. Vanwege het grote belang van een goede voorbereiding zijn deze kosten in deze regeling subsidiabel gesteld voor zover ze gemaakt zijn binnen een jaar voorafgaand aan de aanvraag om subsidie. In artikel 1.1, onder o. zijn de kosten benoemd die subsidiabel zijn.

Tweede lid

Op grond van artikel 69 derde lid, onder b, van Verordening (EU) 1303/2013 kan in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen een overschrijding van het in het vierde lid genoemde maximale percentage subsidie voor de verwerving van onroerende zaken worden toegestaan voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud. Gelet op de hoge agrarische grondkosten in Brabant en de hoge milieudruk van de agrarische sector is hiervan sprake indien de te verwerven onroerende zaken zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of onderdeel uitmaken van buiten de ecologische hoofdstructuur gelegen Kaderrichtlijn Water opgaven voor natte natuurparels of KRW-waterlichamen.

 

Onderbouwd moet worden dat hogere grondverwervingskosten noodzakelijk zijn en dat alternatieven ontbreken. Bijvoorbeeld in het geval het niet mogelijk, niet duurzaam of niet kosteneffectief is om de beoogde inrichting, herinrichting of transformatie van het watersysteem te realiseren zonder substantiële grondverwerving. Een ander voorbeeld kan zijn dat de betreffende grondeigenaren niet bereid zijn om de benodigde maatregelen op hun grond toe te staan en dat daarom extra gronden verworven dienen te worden. Dit om de landbouw te ontlasten.

 

Artikel 2.7.8 Subsidiehoogte

Vierde lid

Het duurzaam oplossen van knelpunten in probleemgebieden vergt een goed onderbouwde, integrale en grootschalige aanpak. Dat maakt deze projecten relatief duur. Deze gecombineerde aanpak is wel het meest kosteneffectief. Om deze reden is gekozen voor een relatief hoge drempel.

 

Artikelen 2.7.9 en 2.7.10 Selectiecriteria

Deze openstelling richt zich uitsluitend op niet-productieve investeringen in probleemgebieden vanwege depositie van overwegend uit agrarische bronnen afkomstige stikstofverbindingen of probleemgebieden vanwege de KRW-opgave voor oppervlaktewater- of grondwaterlichamen. Deze gebieden zijn concreet begrensd. Het Comité van Toezicht heeft in oktober 2016 positief geadviseerd over het addendum op het Handboek Selectiecriteria en de mogelijkheid om alleen dit geografisch criterium als selectiecriterium te hanteren. Van deze mogelijkheid wordt in de voorliggende regeling gebruik gemaakt. Bij artikel 2.7.10 wordt tevens gebruik gemaakt van de mogelijkheid om als aanvullend criterium te gebruiken de mate van doelbereik dat het project binnen dit gebied beoogt te bereiken binnen de looptijd van het project, dan wel binnen de relevante planperiode.

 

Artikel 2.7.9 Selectiecriteria hydrologische maatregelen PAS

Eerste lid

Voor projecten gericht op het nemen van hydrologische maatregelen in het kader van het PAS worden de gebiedsanalyses PAS als leidend beschouwd. Hierin zijn de maatregelen benoemd die uiterlijk op 1 juli 2021 moeten zijn genomen. Deze documenten zijn te vinden via de volgende link: http://pas.natura2000.nl/pages/gebiedsanalyses_15-12-2015.aspx

Tweede lid

Vijf PAS-gebieden zijn door Gedeputeerde Staten aangewezen als complexe gebieden omdat de PAS-opgave lastig is te realiseren. In vier van deze zogenoemde complexe gebieden is er een opdrachtnemer en wordt gewerkt met een opdracht. Deze vier gebieden staan daarom niet in artikel 2.7.4. In het vijfde gebied, De Langstraat, speelt dit niet. De volgorde bij de niet-complexe gebieden laat de provincie afhangen van de mate waarin de stikstofdepositie afkomstig is uit de landbouw. Globaal is dat binnen Brabant een volgorde van zuid-oost naar noord-west.

 

Artikel 2.7.10 Selectiecriteria herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur- of biodiversiteit

Eerste lid, onder a

Voor het bepalen van de probleemgebieden bij oppervlaktewaterlichamen wordt gebruik gemaakt van het overzicht ‘Ecologische toestand per KRW-oppervlaktewaterlichaam in 2015, zoals weergegeven in bijlage 5. Deze bijlage is afgeleid uit de factsheets die zijn gepubliceerd op: https://www.waterkwaliteitsportaal.nl/Beheer/Rapportage/Publiek?viewName=Factsheets&jaar=2015&maand=December

De puntentelling voor het ranken van projecten zal worden gebaseerd op feiten en informatie die op het moment van aanvraag beschikbaar is en die voldoende meetbare en verifieerbare is. Bij ‘met zekerheid realiseren’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan projecten waarbij de restopgave gerealiseerd wordt vanuit een ander project dat op het moment van indienen in uitvoering is of is aanbesteed. Bij ‘voldoende aannemelijk’ kan worden gedacht aan projecten waarbij de restopgave gerealiseerd wordt vanuit een ander project dat op het moment van indienen nog niet in uitvoering is, maar waarover wel besluiten zijn genomen of middelen zijn begroot. In alle gevallen zal dit meetbaar en verifieerbaar moeten worden aangetoond. Een andere optie voor ‘voldoende aannemelijk’ is dat meetbaar en verifieerbaar kan worden aangetoond dat autonome ontwikkelingen helpen om doelbereik binnen de planperiode te realiseren.

Omdat waterlichamen vaak erg langgerekt zijn is het niet altijd doelmatig een heel waterlichaam ineens aan te pakken. Vandaar dat bij dit criterium de mogelijkheid is geboden het project te beperken tot een deel van het waterlichaam, het projectgebied.

Eerste lid, onder b

Het vispasseerbaar maken van watergangen bestaat meestal uit losstaande lokale ingrepen. Uit oogpunt van kosteneffectiviteit worden dit soort ingrepen vaak geclusterd uitgevoerd. Soms ook in verschillende waterlichamen tegelijk. Vandaar dat dit criterium met deze werkwijze rekening houdt.

Eerste lid, onder c

Omdat volledig hydrologisch herstel van een natte natuurparel vaak pas mogelijk is wanneer het gehele gebied kan worden ingericht is bij dit criterium de mogelijkheid geboden het project te beperken tot een of meer delen van de natte natuurparel, het projectgebied.

Eerste lid, onder d

Omdat het wegnemen van de fysieke gevolgen van stikstofdepositie uit het verleden en het weerbaar maken van kwetsbare ecosystemen tegen nieuwe depositie uit de landbouw veel maatwerk vereist, is bij dit criterium de mogelijkheid geboden het project te beperken tot een of meer delen van het door stikstofdepositie aangetaste natuurgebied, het projectgebied.

Derde lid

Vanwege de beperkte waarderingsrange die bij keuze voor het geografisch criterium mag worden gehanteerd is de kans groot dat meerdere projecten gelijk worden gewaardeerd. Om loting te voorkomen zal bij projecten gericht op de doelstelling als bedoeld in artikel 2.7.4, derde lid, bij gelijke score prioriteit worden gegeven aan projecten die zijn gericht op het verwijderen van door stikstofdepositie verrijkte vegetatie, bodemlagen of bagger. Vervolgens aan projecten gericht op het bereiken van een goede grondwatertoestand. Vervolgens aan projecten die bijdragen aan integrale KRW-opgaven en als laatste aan projecten die bijdragen aan de sectorale KRW-opgave vismigratie.

 

 

 

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter de secretaris

 

 

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk ir. A.M. Burger