Provinciaal blad van Noord-Holland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Noord-HollandProvinciaal blad 2016, 6106Verordeningen



Provincie Noord-Holland; Verordening houtopstanden Noord-Holland.

 

Besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland van 3 oktober 2016 tot vaststelling van de Verordening houtopstanden Noord-Holland.  

Provinciale Staten van Noord-Holland;

Gelezen de voordracht van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 6 september 2016, met kenmerk 83711/836731;

Gelet op artikel 143 van de Provinciewet en artikel 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming;

Besluiten vast te stellen:

Verordening houtopstanden Noord-Holland

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    boskern: een min of meer aaneengesloten houtsopstand met in totaal een oppervlakte vanaf circa vijf hectare bos;

  • b.

    rechthebbende: degene die krachtens eigendom of een beperkt recht genot heeft van de grond;

  • c.

    de wet: Wet natuurbescherming.

Artikel 2 Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is mede van toepassing op het vellen van geknotte populieren of wilgen als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel f, van de wet.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen het vellen van houtopstanden en geknotte populieren of wilgen telkens voor vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Artikel 3 Melding bij vellen houtopstand

  • 1.

    De melding bedoeld in artikel 4.2 van de wet wordt ten minste één maand doch niet langer dan één jaar voor de velling ingediend door elektronische toezending van een formulier aan gedeputeerde staten alsmede aan de rechthebbenden.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten stellen een formulier bedoeld in het eerste lid voor melding bij het vellen van houtopstanden beschikbaar.

  • 3.

    Het formulier verlangt in elk geval dat een kadastrale omschrijving wordt gegeven van de percelen waar tot het geheel of gedeeltelijk vellen van de houtopstand wordt overgegaan.

Artikel 4 Eisen aan herbeplantingen

Om op bosbouwkundig verantwoorde wijze het herbeplanten bedoeld in artikel 4.3 van de wet uit te voeren, geldt dat:

  • a.

    de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte;

  • b.

    de aan te brengen herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staan tot het gevelde of tenietgegane;

  • c.

    de nieuwe houtopstand kan, gelet op lokale ecologische omstandigheden, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;

  • d.

    geen gebruik wordt gemaakt van sierheesters, tuinsoorten, invasieve exotische soorten en andere soorten die naar oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse;

  • e.

    natuurlijke verjonging van de houtopstand bij inheemse soorten waar dat mogelijk is de voorkeur geniet;

  • f.

    bij de uitvoering van maatregelen tot herbeplanting de volgende technische eisen gelden:

1° inachtneming van de aanwezigheid van nesten, holen en andere verblijfsplaatsen van vogels en zoogdieren;

2° zeer terughoudend gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen;

3° het zo veel mogelijk intact houden van de bodemopbouw, waaronder mede begrepen het niet diepploegen of het rooien van wortels.

Artikel 5 Ontheffing voor herbeplanting op andere gronden

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, van de wet ten behoeve van herbeplanting op andere grond, en betrekken daarbij of:

    • a.

      de gevelde houtopstand een landschapselement of een andere houtopstand betreft met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie;

    • b.

      hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt;

    • c.

      de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet;

    • d.

      de betreffende houtopstand deel uitmaakt van een oude bosgroeiplaats zoals aangegeven op kaart 1 en de digitale verbeelding ervan.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen uitsluitend ontheffing verlenen indien:

    • a.

      de andere grond onbeplant is en ten aanzien waarvan geen verplichting tot herbeplanting geldt als bedoeld in artikel 4.3 van de wet;

    • b.

      op de andere grond geen verplichting voor natuurcompensatie geldt die is ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving of het gevolg is van een andere velling;

    • c.

      geen beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden worden geschaad door de herbeplanting op deze andere grond.

    • d.

      de herbeplanting op andere grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze wordt uitgevoerd als bedoeld in artikel 4.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond indien de grond waarop de velling zal worden verricht of waarop zich de gevelde of teniet gegane houtopstand bevond, noodzakelijk is voor het uitvoeren van een werk overeenkomstig een vastgesteld bestemmingsplan waarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid.

  • 4.

    Onder een zwaarwegend maatschappelijk belang als bedoeld in het vorige lid wordt in ieder geval verstaan een aangelegenheid van nationale veiligheid of nationale of regionale infrastructuur, waarbij gebleken is dat er geen aanvaardbare alternatieve locaties of tracés zijn die de betrokken houtopstand niet of in mindere mate schaden en waarvoor geldt dat, bij onontkoombaarheid van de aantasting, deze aantasting zo minimaal mogelijk is.

  • 5.

    In deze verordening wordt mede verstaan onder een bestemmingsplan:

    • a.

      een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening;

    • b.

      een beheersverordening, als bedoeld in artikel 3.38 van de wet;

    • c.

      buitenplanse vrijstellingen ex artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening die onder het overgangsrecht vallen;

    • d.

      een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, of artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken en;

    • e.

      een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten kunnen kaart 1 en de digitale verbeelding daarvan als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wijzigen.

Artikel 6 Provinciale vrijstellingen

De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van het verbod bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid en 4.3, eerste, tweede en vijfde lid van de wet:

  • a.

    het kappen van verjongingsgaten indien deze niet groter zijn dan 3 maal de boomhoogte, met een maximum van 0,25 hectare en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel en vindt maximaal 1 keer per 4 jaar plaats;

  • b.

    het vrijstellen van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn;

  • c.

    het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden bij vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;

  • d.

    maatregelen die plaatsvinden ter realisatie van het beheertype zoals dat voor de betreffende locatie is opgenomen op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan als bedoeld in artikel 2.1 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming) (Stb. 2016, 34) in werking treedt.

Artikel 8 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening houtopstanden Noord-Holland.

Haarlem, 3 oktober 2016.

Provinciale Staten van Noord-Holland,

J.W. Remkes, voorzitter.

K.Bolt, statengriffier.

Uitgegeven op 8 november 2016 .

Toelichting

Algemeen

Korte voorgeschiedenis

De bescherming van het houtareaal in Nederland werd tot de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming voor het belangrijkste deel geregeld in de Boswet (1963) en bijbehorende besluiten. Met de Wet natuurbescherming is een deel van de bevoegdheden op dit beleidsterrein overgedragen aan Provinciale staten. Met de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten op dit beleidsterrein meer regelgevende bevoegdheden gekregen, waarbij de wetgever een aantal kaders heeft gesteld. Voor de Provinciale verordening faunabeheer Noord-Holland heeft de Boswet als basis gediend, maar is tegelijk gekozen voor een insteek waarbij hedendaagse principes in het natuurbeheer zoals ruimte voor dynamiek, kwaliteit en openheid ook een belangrijke rol spelen. Daar waar vanuit dat een regionaal perspectief nodig werd geacht zijn specifieke regels en vrijstellingen ingevoegd.

Context van de Provinciale Verordening Houtopstanden

Wettelijke context

De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Boswet was tot op heden het wettelijke kader waarin, tezamen met enkele hieronder vallende besluiten, alles ten aanzien van het behoud van de kwantiteit aan en kwaliteit van boseareaal geregeld werd. Naast de Wet natuurbescherming zijn ook het op deze wet gebaseerde Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming van belang bij de uitvoering van het faunabeheer. De Wet natuurbescherming geeft provincies de ruimte om, daar waar zij dat noodzakelijk achten, aanvullende regels te stellen aan de wijze waarop met houtopstanden en het vellen ervan wordt omgegaan.

Provinciale context

Op basis van de Wet natuurbescherming vigeren naast de Verordening Faunabeheer twee separate verordeningen: de Provinciale Verordening vrijstelling schadeveroorzakende soorten en de Provinciale Verordening Faunabeheer. Daarnaast is de invulling van een aantal bevoegdheden van Gedeputeerde Staten uitgewerkt in de Beleidsregels Wet natuurbescherming.

Reikwijdte

Het is conform artikel 4.2, eerste lid van de wet verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. In artikel 4.1 van de wet zijn de uitzonderingen beschreven waarbij het wel is toegestaan om zonder deze melding over te gaan tot het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In artikel 1 zijn omschrijvingen van begrippen opgenomen die in de diverse bepalingen in de verordening worden gehanteerd en waarvan een goede omschrijving nodig is voor de toepasbaarheid van deze bepalingen.

Artikel 2

Artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming bepaalt dat uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden niet vallen onder het regime van hoofdstuk 4 (Houtopstanden) van de wet. Artikel 4.6 van de Wet natuurbescherming laat de mogelijkheid open voor provincies om alsnog regels te stellen voor deze categorie houtopstand. In Noord-Holland kunnen populieren of wilgen langs lanen of wegen of waterwegen buiten de bebouwde echter een belangrijk beeldbepalend element in het landschap zijn. In de meeste gevallen gaat het hierbij om knotpopulieren of knotwilgen. Om zicht en sturing te houden op het voortbestaan van dergelijke deze kenmerkende landschappelijke elementen is in artikel 2 de reikwijdte van de verordening verbreed tot het vellen van geknotte populieren of wilgen. Dit betekent dat in het geval van het vellen hiervan altijd melding dient te worden gedaan.

In het tweede lid is een expliciete grondslag opgenomen waarmee Gedeputeerde Staten het vellen van deze geknotte wilgen en populieren, naast de bij wet gedefinieerde houtopstanden, telkens voor vijf jaar ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden te kunnen verbieden. In de Beleidsregel Wet natuurbescherming Noord-Holland is deze bevoegdheid nader uitgewerkt. Zie ook toelichting bij artikel 3 hierna.

Artikel 3

In artikel 3 zijn de voorwaarden beschreven waaraan een melding indien een initiatiefnemer voornemens is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen. De regels zijn qua strekking ongewijzigd overgenomen uit artikel 2 van de voormalige Boswet, met dien verschil dat de melding niet meer wordt gedaan bij de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland maar bij gedeputeerde staten van Noord-Holland. Een andere actualisatie is dat de melding op elektronische wijze wordt gedaan, waar dat onder de boswet nog via analoge weg diende te geschieden.

Gedeputeerde staten kunnen het vellen van de houtopstand telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden (artikel 4.2, derde lid, van de Wet natuurbescherming) ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. Voor de populieren en wilgen is deze grondslag expliciet in artikel 2, tweede lid, van deze verordening opgenomen.

Gedeputeerde staten beoordelen bij een melding of de betreffende houtopstand bijzondere natuur- of landschapswaarden heeft. In beleidsregels kunnen gedeputeerde staten deze bevoegdheid nader invullen. Indien gedeputeerde staten oordelen dat er sprake is van een houtopstand met bijzondere natuur- of landschapswaarde, dan kunnen zij het vellen voor maximaal vijf jaar verbieden. Indien na deze termijn opnieuw gemeld wordt, kunnen gedeputeerde staten (steeds) opnieuw voor maximaal vijf jaar het vellen verbieden.

Artikel 4

Artikel 4.3, derde lid van de wet stelt dat provinciale staten bij verordening regels kunnen stellen aan de wijze van herbeplanting. In artikel 4 zijn deze regels uitgewerkt. Het doel van het geregelde in de artikelen 4.1 tot en met 4.9 in de wet is het duurzaam instandhouden van bossen. Een belangrijk doel daarbij is het behoud van de hoeveelheid bosareaal, maar het is ook van belang dat herplant op een dusdanig verantwoorde wijze wordt uitgevoerd dat sprake is van een duurzame instandhouding en ontwikkeling van houtopstanden. In artikel 4.3, tweede lid van de wet wordt daarom onder meer gesteld dat een rechthebbende herbeplanting die niet is aangeslagen binnen drie jaar vervangt. Gedeputeerde staten zien er door middel van controles en toezicht op toe of herbeplanting binnen de genoemde termijn daadwerkelijk aanslaat. De regels in artikel 4 van de verordening vormen een kader dat zou moeten leiden tot een op bosbouwkundige, duurzame wijze van herbeplanten waarmee de kans dat herplant aanslaat wordt gemaximaliseerd. De onderdelen a tot en met e bevatten daarbij de concrete overkoepelende regels waaraan de herplant dient te voldoen. In onderdeel f worden een aantal specifieke technische eisen uiteengezet die gelden bij de daadwerkelijke uitvoering van de maatregelen tot herplant.

Artikel 5

Artikel 4.5 van de wet bepaalt dat gedeputeerde staten ontheffing kunnen verlenen van de plicht tot herplant op dezelfde locatie. In dat geval is het een initiatiefnemer toegestaan om herplant op andere gronden, dus op een andere locatie, te realiseren. Dit wordt ook wel compensatie genoemd. Provinciale Staten kunnen conform artikel 4.5 van de wet regels stellen waaraan herplant op andere grond dient te voldoen. In het eerste onderdeel van artikel 5 van de verordening wordt een aantal situaties benoemd die worden betrokken bij het beoordelen van een ontheffingsaanvraag voor herplant op andere grond. Het doel van deze regels is een verdere verschraling van het landschap of ecologische waarden tegen te gaan. Bij landschapselementen en kleine houtopstanden als bedoeld in onderdeel a moet gedacht worden aan houtwallen of –singels, lanen en kleine bosjes gelegen in het landelijk gebied. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of op deze bodems ook een kapverbod aan de orde kan zijn. De digitale verbeelding van de kaart met oude bosgroeiplaatsen zoals genoemd in onderdeel d is te vinden op onze provinciale website onder ‘interactieve kaarten’ en als bijlage 1 bij deze verordening.Vervolgens wordt in onderdeel 2 een aantal regels gesteld aan de locatie waar de herplant op andere grond plaatsvindt. Zo moet deze grond onbeplant zijn en mag er geen andere herplantplicht op deze grond berusten. Van stapeling mag geen sprake zijn, omdat hiermee immers de totale bosoppervlakte zou verkleinen. Dit geldt ook voor compensatieverplichtingen die ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving. Tenslotte mag beplanting van andere grond niet de daar aanwezige beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden aantasten. Het bebossen van heideterreinen of andere hoogwaardige natuurterreinen is derhalve niet toegestaan. De herplant op andere grond dient te passen in het daar aanwezige ecosysteem en landschap en de herplant dient ook te voldoen aan de in artikel 4 gestelde eisen die zien op het op bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanten.

Tenslotte regelen onderdelen 3 tot en met 5 een mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing op het moment dat sprake is van een situatie zoals uiteengezet onder het eerste lid, voor een werk dat uitgevoerd wordt overeenkomstig een bestemmingsplan waarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Om de bescherming van deze bijzondere elementen te garanderen is zo specifiek mogelijk beschreven wat in dit verband wordt bedoeld met een zwaarwegend maatschappelijk belang. Daarbij geldt dat onder infrastructuur wordt verstaan het geheel aan verbindingen in een bepaald gebied. Onder die verbindingen wordt gerekend het geheel van land- en waterwegen, lucht- en zeehavens, maar ook het geheel van leidingen voor water, gas, elektriciteit en riolering.

Artikel 6

De wet regelt in artikel 4.5, vierde lid dat provinciale staten in bepaalde gevallen vrijstelling kunnen verlenen van de plicht tot melden of plicht tot herplant bij het vellen van een houtopstand. In artikel 6 van de verordening worden een aantal van deze vrijstellingen gematerialiseerd, door de volgende activiteiten vrij stellen van zowel meld- als herplantplicht.

Zoals onder het eerste lid gesteld kan naar inzicht van provinciale staten in bepaalde omstandigheden kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is, en met het oog op het verbeteren van die kwaliteit een verjonging van kleine delen van de houtopstand worden ingezet. Provinciale staten trekken daarbij de volgende grens. Het kappen van verjongingsgaten die niet groter zijn dan 3 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer beslaan dan 10% van de oppervlakte van het bosperceel worden gezien als een dunning waarvoor geen meldingsplicht aan de orde is. Wel is hier sprake van een herplantplicht die binnen de gebruikelijke termijn dient te zijn ingevuld. Deze regeling is specifiek bedoeld voor het realiseren van een gevarieerd bos, door de inzet van verjonging. Het is niet toegestaan om andere doelen via deze regeling te realiseren.

Onder de Boswet was het bestaand beleid om voor het herstel van vennen een ontheffing van de herplantplicht te verlenen. Het tweede lid in artikel 5 van de verordening regelt een continuering hiervan, in de vorm van een algemene vrijstelling. Het doel ervan is om venherstel mogelijk te maken en de beschaduwing van venoevers te verminderen, daar dit grote positieve effecten heeft op de natuurwaarden. De regeling behelst dat er in een zone van 30 meter vanaf de gemiddelde voorjaarswaterlijn vrijstelling van de herplantplicht wordt verleend. De maatvoering van 30 meter moet gezien worden als een gemiddelde voor het hele ven. Het is dus toegestaan om de zone rond het ven lokaal breder of smaller te maken.

Er zijn gevallen denkbaar waarbij houtopstanden spontaan teniet gaan en waarbij het niet redelijk is dat eigenaren aan de lat komen te staan voor herplant elders, omdat ter plaatse geen bosvorming meer mogelijk is. In het derde lid van artikel 6 van de verordening voorziet de vrijstelling in de volgende gevallen in het vervallen van deze plicht. Het vernatten van bossen brengt soms met zich mee dat het bestaande bos afsterft. Als het bos niet te nat wordt zal zich in de meeste gevallen daarna spontaan een nieuwe houtopstand vestigen. In de gevallen waarin dit niet gebeurt omdat de terreinen te nat worden, is het naar oordeel van provinciale staten niet redelijk dat de eigenaar gedwongen wordt elders de houtopstand te compenseren. Daarom wordt in deze gevallen vrijstelling van de herplantplicht verleend.

In artikel 4.4, onderdeel 1, sub a van de wet is geregeld dat voor het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn geen meldings- en herplantplicht geldt. Onderdeel d van artikel 6 bevat een vrijstelling waarmee eenzelfde vrijstelling geldt voor maatregelen die plaatsvinden ter realisatie van het beheertype zoals dat voor de betreffende locatie is opgenomen op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan. De bescherming van het bosareaal in Noord-Holland is belangrijk, maar daarnaast zijn openheid van landschappen, grote waterpartijen en dynamiek ook belangrijke waarden. Hierbij is het soms nodig dat natuur wordt omgevormd, waarbij het behoud van dezelfde hoeveelheid hout of bomen hoeft niet altijd de primaire doelstelling hoeft te zijn. Terreinbeherende organisaties kunnen voorstellen voor omvorming van natuur kenbaar maken via de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan en ontvangen vervolgens subsidie om deze omvorming te realiseren. In de vrijstelling in dit onderdeel is opgenomen dat vrijstelling geldt van de meldings- en herplantplicht bij het vellen in het kader van deze maatregelen. Jaarlijks kan bij de vaststelling van de actualisatie van het Natuurbeheerplan bepaald worden of de transitie van bos in een ander natuurdoeltype gewenst is.