Provinciaal blad van Zeeland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeelandProvinciaal blad 2016, 5390Overige besluiten van algemene strekking



Provincie Zeeland – Wijziging Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 27 september 2016, kenmerk 16014083 houdende wijziging van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 .

 

Gedeputeerde staten van Zeeland

  • overwegende dat voor verstrekking van subsidies in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen bijzondere bepalingen in het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 benodigd zijn;

  • gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013;

besluiten vast te stellen de navolgende wijziging van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013:

 

Artikel I  

 

Na hoofdstuk 13 wordt toegevoegd een hoofdstuk luidende:

Hoofdstuk 14 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen)

Artikel 14.1  

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    actueel regionaal bedrijventerreinprogramma: een door gedeputeerde staten na 1 januari 2016 bekrachtigd programma waarin gemeenten in regionaal verband hun bedrijventerreinbeleid afstemmen;

  • b.

    bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie;

  • c.

    herstructurering: alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de veroudering van het terrein of delen ervan tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden:

    • -

      facelift;

    • -

      revitalisering;

    • -

      zware revitalisering;

    • -

      herprofilering;

    • -

      transformatie;

  • d.

    veroudering: technische, economische, maatschappelijke of ruimtelijke veroudering, met als gevolg het economisch suboptimaal functioneren van de gevestigde bedrijven, verpaupering of verrommeling van de omgeving, inefficiënt ruimtegebruik, een onnodige impuls voor de ontwikkeling van nieuwe uitleglocaties of onveiligheid;

  • e.

    zeehaventerrein: een als zodanig op kaart 1 van het Omgevingsplan Zeeland 2012 - 2018 aangegeven terrein van minimaal één hectare bruto dat onderdeel vormt van het beheersgebied van Zeeland Seaports.

Artikel 14.2  

Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft het realiseren van een kwaliteitsimpuls voor een bedrijventerrein door middel van herstructurering waardoor het regionaal aanbod aan bedrijventerreinen zo goed mogelijk aansluit bij de vraag.

 

Artikel 14.3  

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien:

    • a.

      de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.5, eerste lid;

    • b.

      de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.5, eerste lid;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt buiten een bedrijventerrein;

    • d.

      de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van een nieuwe economische drager, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage 1 bij de Verordening ruimte provincie Zeeland alsmede overige krachtens de Verordening ruimte provincie Zeeland toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen de bebouwde kom;

    • e.

      de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein;

    • f.

      de activiteit plaatsvindt in een regio waar geen actueel regionaal bedrijventerreinprogramma beschikbaar is;

    • g.

      de activiteit op basis van artikel 14.8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, minder dan 10 punten scoort en de som van de punten op basis van artikel 14.8, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met e, minder bedraagt dan 40 punten;

    • h.

      de gevraagde subsidie hoger is dan 50% van het totaal van de subsidiabele kosten van de activiteit.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.

  • 4.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie alleen verstrekt indien de te verstrekken subsidie meer dan € 50.000 bedraagt.

Artikel 14.4  

  • 1.

    De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten voor marketing en promotie;

    • b.

      kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden;

    • c.

      voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 14.5  

  • 1.

    Een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 14.6  

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen:

  • a.

    een volledig ingevuld aanvraagformulier Fonds Impuls Bedrijventerreinen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland;

  • b.

    een beschrijving van de tijdplanning van het project.

Artikel 14.7  

Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.

 

Artikel 14.8  

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      kwaliteitsverbetering:

      de mate van vooruitgang die geboekt wordt in de verbetering van het vestigingsklimaat van het bedrijventerrein voor bedrijven;

    • b.

      locatie:

      de bijdrage die de ontwikkeling op die specifieke locatie levert aan een toekomstbestendige bedrijventerreinvoorraad;

    • c.

      hefboom:

      de verhouding tussen de subsidie en de maatschappelijke meerwaarde. Dit komt tot uitdrukking in de bereidheid van andere partijen om in het project te investeren en de aansluiting bij een visie of uitvoeringsplan;

    • d.

      innovatie:

      de mate waarin gebruikelijke barrières worden doorbroken door het toepassen van een vernieuwende werkwijze;

    • e.

      duurzaamheid en leefomgeving:

      de mate van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Hierbij is van belang dat er zuinig omgegaan wordt met energie, water en grondstoffen en het terugdringen en vermijden van vervuiling.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe:

    • a.

      kwaliteitsverbetering: ten hoogste 50 punten;

    • b.

      locatie: ten hoogste 25 punten;

    • c.

      hefboom: ten hoogste 25 punten;

    • d.

      innovatie: ten hoogste 25 punten;

    • e.

      duurzaamheid en leefomgeving: ten hoogste 25 punten.

  • 3.

    Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.

  • 4.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Artikel II  

 

Hoofdstuk 14 Slotbepalingen wordt als volgt gewijzigd:

Hoofdstuk 15 Slotbepalingen

§ 15.1 Intrekken

Artikel 15.1.1  

Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2007 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft voor subsidiebesluiten die zijn genomen op grond van de Algemene subsidiebesluit Zeeland 2007.

 

§ 15.2 Inwerkingtreding en aanhaling

Artikel 15.2.1  

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Dit besluit wordt aangehaald als: "Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013", afgekort tot "Asb 2013".

 

Artikel III  

 

Aan de Toelichting bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 wordt na de toelichting op Hoofdstuk 13 toegevoegd:

Toelichting op hoofdstuk 14 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen)

 

Algemene toelichting

 

Voor bedrijvigheid en een aantrekkelijk vestigingsklimaat zijn kwalitatief goede en moderne bedrijventerreinen van belang. Van gemeenten wordt verwacht dat zij inzetten op het herstructureren van de voorraad in de regio. De uitgifte van bedrijventerreinen in Zeeland is de afgelopen jaren sterk gedaald. De verwachting is dat de komende jaren gemiddeld circa 11 ha bedrijfsterrein per jaar zal worden uitgegeven (Actualisatie vraagraming bedrijventerreinen provincie Zeeland, STEC juni 2016).

In Zeeland bestaat een aanzienlijk aanbod aan uitgeefbaar bedrijventerrein. In de meeste regio's is dit kwantitatief ruim voldoende om de komende tien jaar aan de vraag te kunnen voldoen. Echter, deze terreinen sluiten vaak in kwaliteit of locatie niet aan op de vraag. Dit betekent dat het beleid zich niet alleen moet richten op de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen, maar juist ook op de bestaande terreinen en hoe deze in de toekomst geschikt blijven. Voor terreinen die niet toekomstbestendig zijn, zet de provincie Zeeland daarom in op herstructurering zoals het aanpakken van de infrastructuur of andere vormen van gebruik. In het coalitieprogramma "Krachten bundelen" heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland aangekondigd een impuls te willen geven aan herstructurering van verouderde bedrijventerreinen. De regeling kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen) geeft invulling aan deze ambitie.

 

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 14.1  

In dit artikel zijn de definities opgenomen die worden gebruikt in dit hoofdstuk.

  • a.

    actueel regionaal bedrijventerreinprogramma

    Het programma bevat een analyse van de bedrijventerreinmarkt, een ruimtelijke ontwikkelingsstrategie, een overzicht van projecten en een uitvoeringsstrategie met als doel te komen tot een zo optimaal mogelijk afgestemde herstructurering en ontwikkeling van bedrijventerreinen. Gedeputeerde staten onderscheiden hierbij de volgende regio's: Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren, De Bevelanden en Zeeuws-Vlaanderen. Gedeputeerde staten zien een regionaal bedrijventerreinprogramma als actueel wanneer het door gedeputeerde staten is vastgesteld na 1 januari 2016.

  • b.

    bedrijventerrein

    Een terrein van ten minste één hectare dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie. Dit betekent dat het betreffende terrein in het bestemmingsplan als zodanig is opgenomen.

  • c.

    herstructurering

    Herstructurering is een koepelbegrip voor alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de veroudering van het terrein (of delen ervan) tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden.

    In onderstaande tabel wordt kort aangegeven wat onder de verschillende vormen van herstructurering wordt verstaan:

 

Ingreep

Facelift

Revitali-

sering

Zware revitalisering

Her-profilering

Transfor-matie

in openbare ruimte en/of gebouwen

X

X

X

X

X

in infrastructuur

 

X

X

X

X

in private ruimte

 

X

X

X

X

bodemsanering, sloop van opstallen

 

 

X

X

X

functieverandering binnen werkfunctie

 

 

 

X

 

functieverandering buiten werkfunctie

 

 

 

 

X

(deel) bedrijven onttrokken aan voorraad

 

 

 

 

X

 

  • d.

    veroudering

    In wisselende mate technische, economische, maatschappelijke of ruimtelijke veroudering, met als gevolg het economisch suboptimaal functioneren van de gevestigde bedrijven, verpaupering of verrommeling van de omgeving, inefficiënt ruimtegebruik, een onnodige impuls voor de ontwikkeling van nieuwe uitleglocaties of onveiligheid. De indeling naar deze typen van veroudering is gebaseerd op de indeling die onder andere het Centraal Planbureau en de Taskforce Herstructurering Bedrijventerreinen hanteert.

 

  • -

    technische veroudering

    Betreft de fysieke en niet-fysieke infrastructuur, die niet langer past bij de vestigingseisen van bedrijven, zoals gebrek aan (grootschalig) onderhoud, maar ook het ontbreken van bijvoorbeeld glasvezelkabel, een te smal wegprofiel.

  • -

    economische veroudering

    Is het afnemen van de bijdrage, die het terrein levert aan de economische ontwikkeling van een gemeente/regio (bruto regionaal product, aantal arbeidsplaatsen), maar ook afname van de grondwaarde en technologische veroudering van het bedrijfsonroerendgoed doordat perceel en gebouw incourant zijn geworden.

  • -

    maatschappelijke veroudering

    Betreft sociale veiligheid en andere aspecten van leefbaarheid, bijvoorbeeld door gewijzigde regelgeving (milieu, veiligheid, arbeidsomstandigheden).

  • -

    ruimtelijke veroudering

    Betreft de inrichting en lay-out van het bedrijventerrein en de ruimtelijke inpassing in de omgeving. Hierbij speelt ook een eventueel conflict tussen verschillende grondgebruikfuncties c.q. veranderde omgeving waardoor de locatie niet meer passend is voor de functie c.q. het type van bedrijventerrein. Bijvoorbeeld het ontbreken van openbaar vervoer voor arbeidsintensieve bedrijven.

     

    Hierbij moet worden opgemerkt dat meerdere typen veroudering kunnen voorkomen op een bedrijventerrein.

     

Artikel 14.2  

Het beleid van de provincie Zeeland richt zich op voldoende aanbod van kwalitatief hoogwaardige en goed ontsloten bedrijventerreinen in Zeeland om de economische dynamiek optimaal te dienen. De provincie Zeeland bevordert optimale afstemming van vraag en aanbod van bedrijventerreinen, herstructurering van bestaande terreinen, zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en goede bereikbaarheid.

Daarom kan er subsidie verstrekt worden voor een activiteit die tot doel heeft:

Het realiseren van een kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen door middel van herstructurering waardoor het regionaal aanbod aan bedrijventerreinen zo goed mogelijk aansluit bij de vraag.

 

Artikel 14.3  

Onder het eerste lid wordt aangegeven dat de subsidieaanvrager een gemeente moet zijn die gelegen is binnen de provincie Zeeland.

In het tweede lid zijn een aantal weigeringsgronden geformuleerd. De overweging bij deze weigeringsgronden is als volgt:

  • a.

    De regeling is gericht op herstructurering op korte termijn. De activiteit moet daarom binnen een jaar na beëindiging van de openstellingsperiode worden gestart. In het geval er eerst een planologische procedure moet worden doorlopen voor aanvang van de activiteiten, biedt deze termijn van een jaar daarvoor voldoende tijd.

  • b.

    De activiteit moet binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode helemaal gerealiseerd zijn. Het is wel mogelijk om projecten op te delen in opeenvolgende fases, maar dan moet iedere fase afzonderlijk worden aangevraagd en beoordeeld. Na het sluiten van de openstellingsperiode, moet het mogelijk zijn binnen een jaar fysiek aan te vangen met het project.

  • c.

    De ingreep vindt plaats op de bestaande bedrijventerreinen. Fysieke ingrepen die deels op het terrein plaatsvinden, kunnen door gedeputeerde staten deels of in zijn geheel worden toegerekend aan de subsidiabele kosten.

  • d.

    Deze uitsluitingen zijn overgenomen van de uitsluitingen genoemd in artikel 2.2 van de Verordening ruimte provincie Zeeland. Het provinciaal bedrijventerreinbeleid richt zich niet op deze categorieën bedrijvigheid.

  • e.

    De regeling is niet bedoeld voor zeehaventerreinen.

  • f.

    De provincie hecht er aan dat er goed regionaal bedrijventerreinbeleid wordt gevoerd. Een actueel regionaal bedrijventerreinprogramma vindt de provincie hier een vereiste voor. Daarom kan een subsidie niet worden verleend voor een project dat gelegen is in een regio waar niet aan deze vereiste is voldaan.

  • g.

    Om te zorgen dat alleen projecten die een bepaalde minimale meerwaarde opleveren in aanmerking komen voor subsidie, wordt een subsidie niet verleend in het geval er onvoldoende punten (minder dan 10) voor kwaliteitsverbetering worden gescoord en de som van de gescoorde punten voor alle criteria tezamen minder dan 40 bedraagt.

  • h.

    Herstructurering is een gezamenlijke opgave van overheden en marktpartijen. Daarom geldt dat tenminste 50% van het totaal van de subsidiabele kosten van de activiteit moet worden gefinancierd door andere partijen dan de provincie Zeeland. Dit kan een gemeente zijn, maar bijvoorbeeld ook een bedrijf of bedrijven die voordeel hebben bij de herstructurering.

Het derde lid bepaalt dat gedeputeerde staten op het verzoek van de aanvrager de termijn van drie jaar voor realisatie van het project kunnen verlengen. Dit kan nodig zijn als een project door onvoorziene omstandigheden vertraging heeft opgelopen. De aanvrager moet dan wel schriftelijk motiveren aan gedeputeerde staten waarom uitstel van deze termijn noodzakelijk is.

 

Het vierde lid bepaalt dat alleen subsidies van meer dan € 50.000 worden verstrekt. Dit zorgt er voor dat er alleen projecten in aanmerking komen die voldoende impact hebben om effect te hebben en dat de kosten verbonden aan het opstellen en beoordelen van de aanvraag in redelijke verhouding staan tot het subsidiebedrag.

Artikel 14.4

Kosten die op grond van het eerste lid niet in aanmerking komen voor subsidie:

  • a.

    Kosten voor marketing en promotie komen niet in aanmerking voor subsidie. Het is niet de bedoeling dat subsidie wordt ingezet voor bijvoorbeeld posters, foldermateriaal en (openings)festiviteiten. Kosten verbonden aan afstemming met bedrijven op het terrein en omwonenden vallen niet onder marketing en promotie.

  • b.

    Kosten die gemaakt worden voor het afwaarderen van de boekwaarde van gronden komen niet in aanmerking voor subsidie. Tekorten op de grondexploitatie als gevolg van noodzakelijke afwaardering van verwachte opbrengsten van gronden, bijvoorbeeld veroorzaakt door (sterk) vertraagde ontwikkeling van bedrijventerreinen, komen dus niet in aanmerking voor subsidie.

  • c.

    Kosten voor bodemsanering komen niet in aanmerking voor subsidie voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen. De wel voor subsidie in aanmerking komende kosten zijn derhalve de bij de bodemsanering gemaakte kosten, verminderd met de waardestijging van het terrein. De waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering dient door een onafhankelijke deskundige te worden vastgesteld. Deze taxatie dient door de aanvrager op grond van artikel 14.6, aanhef en onderdeel c, bij de subsidieaanvraag te worden overgelegd.

Artikel 14.8  

In het eerste lid zijn vijf criteria geformuleerd waarop de subsidieaanvragen worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomstig het tweede lid bepaalde weging:

 

  • a.

    kwaliteitsverbetering

    Bij kwaliteitsverbetering gaat het om de mate van vooruitgang die geboekt wordt in de verbetering van het vestigingsklimaat van het bedrijventerrein voor bedrijven. Het verbeteren van het vestigingsklimaat bestaat dus niet alleen uit het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, maar ook maatregelen die het bedrijventerrein economisch beter laat presteren.

    Hiervoor is het belangrijk om een beeld te hebben van de uitgangssituatie en de verwachte eindsituatie. Als er sprake is van een sterk vervallen terrein met veel leegstand en een negatieve uitstraling op de omgeving, dan is de kans groot dat de kwaliteitsverbetering hoog is als het terrein wordt gesaneerd of opgeknapt. Hierbij zal ook de invulling van de eventuele vrijkomende ruimte worden betrokken: Is er een zinvolle nieuwe bestemming voor, wordt het netjes ingericht of blijft deze ruimte ongebruikt braak liggen? Kortom: passen de te nemen maatregelen bij het type veroudering op het terrein.

    Bij de beoordeling van de kwaliteitsverbetering wordt ook de fysieke omvang van de verbetering meegewogen ten opzichte van het gevraagde subsidiebedrag (efficiëntie).

     

    Maximaal aantal punten: 50

  • b.

    locatie

    Elk project wordt beoordeeld op de bijdrage die de ontwikkeling op die specifieke locatie levert aan een toekomstbestendige bedrijventerreinvoorraad. Een positieve score wordt gegeven als op een verouderd bedrijventerrein de juiste herstructureringsmaatregelen worden getroffen.

    Een maximale score is te verwachten als een leegstaand, verouderd bedrijventerrein op een markttechnisch oninteressante locatie gesaneerd wordt (transformatie) en die capaciteit elders als kwalitatief hoogwaardig terrein op een gewilde locatie wordt gerealiseerd, waarmee de sanering (deels) wordt gefinancierd.

    Maatregelen die een gunstig effect hebben op het huidige Kwaliteitsnet goederenvervoer (kaart Mobiliteitsplan) leveren ook punten op. Transformatie van een bedrijventerrein dat ver van het Kwaliteitsnet goederenvervoer ligt, scoort hoger dan wanneer daar andere vormen van herstructurering worden toegepast.

    Het aanbieden van nieuw aanbod na herstructurering zal minder punten opleveren als er in de directe omgeving al veel (vergelijkbaar) aanbod is.

     

    Maximaal aantal punten: 25

  • c.

    hefboom

    Hierbij gaat het om de inschatting van de verhouding tussen de subsidie en de maatschappelijke meerwaarde. Dit komt tot uitdrukking in de bereidheid van anderen om in het project te investeren en de (in)directe baten voor bedrijven, omwonenden, bezoekers of vastgoedeigenaren.

    Ook kunnen extra punten worden gescoord als een project deel uitmaakt van een breed gedragen visie of uitvoeringsplan, naast het regionaal bedrijventerreinprogramma. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om een stadsontwikkelingsplan of dorpsvisie. Op die manier zet een (klein) project een beweging op een hoger schaalniveau in gang waardoor een hefboomeffect ontstaat.

     

    Maximaal aantal punten: 25

  • d.

    innovatie

    Punten voor innovatie worden alleen toegekend als er sprake is van een aanpak waarbij gebruikelijke barrières worden doorbroken door een vernieuwende werkwijze. Vanwege het vernieuwende karakter is vooraf niet aan te geven welke aanpak voldoende vernieuwend is om in aanmerking te komen voor punten. Projecten die zich uitstrekken over meerdere gemeenten kunnen bijvoorbeeld als bestuurlijk innovatief worden aangemerkt, maar ook het bijzonder effectief gebruik van het terrein voor verschillende doeleinden of een uitgiftebeleid dat is gebaseerd op het maximaliseren van ketenontwikkeling.

     

    Maximaal aantal punten: 25

  • e.

    duurzaamheid en leefomgeving

    De projecten worden beoordeeld op de mate van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Duurzaamheid blijft belangrijk voor de toekomst van de bedrijventerreinvoorraad. Hierbij is van belang dat er zuinig wordt omgegaan met energie, water en grondstoffen en het terugdringen en vermijden van vervuiling.

    Om bij het aspect duurzaamheid punten te scoren, ligt de lat hoog. Een project waarbij gebouwen volgens standaard normen worden gebouwd, scoort hierop geen punten. Punten worden alleen toegekend als er sprake is van een extra inspanning of een vernieuwende aanpak. Daarnaast worden ook punten toegekend als het project bijdraagt aan het oplossen van bestaande knelpunten voor de leefbaarheid, die niet op te lossen zijn met het gebruikelijke instrumentarium van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het kan bijvoorbeeld gaan om geluids- of geurhinder voor omwonenden, gevaarlijke verkeerssituaties of risico's voor omwonenden van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen.

    Maximaal aantal punten: 25

  

Toetsingscriteria

Indicatoren

Punten

Kwaliteits-verbetering

  • Bijdrage maatregel aan type veroudering

  • Sloop m2 bedrijfsbebouwing

  • Opnieuw uitgeefbare m2 bedrijfskavels

  • Herbestemde m2 bedrijfsbestemming

  • Opwaardering infrastructuur

  • Opwaardering ruimtelijke kwaliteit

  • Inplaatsing aantal bedrijven vanaf niet-bedrijventerrein

max 50

Locatie

  • Maatregel in relatie tot kwaliteitsnet goederenvervoer

  • Afstand van aanbod (na oplevering project) tot vergelijkbaar bestaand aanbod in de omgeving

  • Aansluiting bij verwachte marktvraag

max 25

Hefboom

  • Subsidiebedrag ten opzichte van totale investering

  • Subsidiebedrag ten opzichte van cofinanciering aanvrager

  • Subsidiebedrag ten opzichte van cofinanciering marktpartijen

  • Verwachte maatschappelijke opbrengsten

max 25

Innovatie

  • Gemeentegrensoverschrijdende samenwerking

  • Meervoudig ruimtegebruik op het terrein in tijd en/of ruimte

  • Bevordering ketensamenwerking op het terrein

max 25

Duurzaamheid en leefomgeving

  • Oplossen knelpunt leefomgeving (overlast milieu, verkeer of veiligheidsrisico)

  • Sanering vervuilde grond en/of verwijdering gevaarlijke (bouw)materialen

  • Toekomstbestendige inrichting, bijvoorbeeld door flexibel (modulair) en aanpasbaar bouwen en inrichten

  • Duurzaam beheer en onderhoud middels professioneel parkmanagement

  • Maximaliseren hergebruik van producten en grondstoffen van bedrijven op het terrein (circulaire economie) en maximaal hergebruik grondstoffen, afval of sloopmateriaal

  • Toepassing biobased materialen

  • Realisatie van installaties voor opwekking van duurzame energie (incl. zgn. postcoderoos)

  • Bovenwettelijke maatregelen voor energiebesparing (Energielabel, EPC-score en Rc-waarde)

  • Aanbrengen van gescheiden watersysteem

  • Reductie watergebruik

max 25

Totaal

 

max 150

 

 

Artikel IV  

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van 27 september 2016.

 

Drs. J.M.M. Polman, voorzitter

A.W. Smit, secretaris

 

Uitgegeven 30 september 2016

De secretaris, A.W. Smit