Provinciaal blad van Utrecht

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
UtrechtProvinciaal blad 2016, 5037Verordeningen



Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 23 augustus 2016, nr. 8186F3B0, tot vaststelling van de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht 2016–2019 (Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht 2016–2019)

 

Gedeputeerde staten van Utrecht;

 

Gelet op de artikelen 4, 6 en 28 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht;

 

Overwegende:

  • dat er op 7 december 2015 door Provinciale Staten een nieuw MeerJaren Programma AVP 2016–2019 is vastgesteld;

  • dat het gewenst is hiervoor een Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland open te stellen;

  • dat de uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland die geldig was tot 7 december 2015 niet meer voldoet en wordt ingetrokken.

Besluiten de volgende uitvoeringsverordening vast te stellen:

 

Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht 2016–2019

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze uitvoeringsverordening wordt verstaan onder:

  • a.
  • b.

    Breedbandnetwerken: netwerken met basisfuncties die zijn gebaseerd op technologieplatforms zoals Asymmetric Digital Subscriber Lines (ADSL) (tot ADSL2+-netwerken), niet-verbeterde kabelnetwerken (zoals DOCSIS 2.0), mobiele netwerken van de derde generatie (UMTS) of satellietsystemen;

  • c.

    Catalogus Groenblauwe Diensten: een overzicht van de maximale vergoedingen die Nederlandse overheden grondeigenaren mogen geven die een groenblauwe dienst leveren. Deze diensten kunnen gaan over natuur en landschap, cultuurhistorie, recreatie of waterbeheer;

  • d.

    Ecologische Hoofdstructuur (EHS): gebieden die in de geldende provinciale structuurvisie zijn aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur. Vanaf het ingaan van de Wet natuurbescherming (beoogd 1 januari 2017) heten deze gebieden Natuur Netwerk Nederland;

  • e.

    Gebiedscommissie: adviescommissie in het kader van Agenda Vitaal Platteland ingesteld op basis van artikel 82 van de provinciewet;

  • f.

    Gebiedsprogramma: meerjarig programma van de twee gebieden in het kader van Agenda Vitaal Platteland. Het gebiedsprogramma geeft voor elk gebied zowel invulling aan de inhoudelijke doelen voor het gebied als de noodzakelijke middelen voor het realiseren daarvan;

  • g.

    Kleine kern: een woonkern met een inwonertal tussen de 400 en 4000;

  • h.

    Landbouwonderneming: kleine en middelgrote landbouwbedrijven die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten;

  • i.

    Kleine- en middelgrote ondernemingen: kleine ondernemingen zijn volgens Europees recht ondernemingen waar minder dan 50 personen werken en de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal de 10 miljoen euro niet overschrijdt. Middelgrote ondernemingen zijn volgens Europees recht zelfstandige ondernemingen waar minder dan 250 personen werken en de jaaromzet de € 50 miljoen en/of het jaarlijkse balanstotaal de € 43 miljoen niet overschrijdt. Een onderneming is zelfstandig als deze niet voor 25% of meer van het kapitaal of van de stemrechten in handen is van één onderneming of van verscheidene verbonden van ondernemingen of via natuurlijke personen afzonderlijk of in een groep. Ook dezelfde bestuurders, familierelaties en contractuele verplichtingen kunnen ervoor zorgen dat een onderneming niet als zelfstandig wordt gezien;

  • j.

    Kosten onvoorzien: het deel van de begroting dat gereserveerd wordt voor onvoorziene uitgaven:

    • een uurtarief berekend op basis van de verzamelloonstaat van de betrokken projectmedewerker(s), exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke of op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, gedeeld door het aantal productieve uren;

    • een opslag voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezicht en van leidinggevend personeel ten bedrage van maximaal 20% van het onder 1 bedoelde uurtarief.

  • De werkzaamheden moeten rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van het ondersteunde project en mogen niet voortvloeien uit reguliere taken of wettelijke verantwoordelijkheden;

  • k.

    Leefgebiedenbenadering: nieuwe vorm van soortbescherming gericht op de leefgebieden van (groepen van) soorten;

  • l.

    Loonkosten eigen personeel: de loonkosten van het direct met het project belaste personeel bestaat uit de volgende twee componenten:

    • een uurtarief berekend op basis van de verzamelloonstaat van de betrokken projectmedewerker(s), exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke of op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, gedeeld door het aantal productieve uren;

    • een opslag voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezicht en van leidinggevend personeel ten bedrage van maximaal 20% van het onder 1 bedoelde uurtarief.

  • De werkzaamheden moeten rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van het ondersteunde project en mogen niet voortvloeien uit reguliere taken of wettelijke verantwoordelijkheden;

  • m.

    Micro-onderneming: een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal € 2 miljoen niet overschrijdt;

  • n.

    Natuurbeheerplan: het geldende provinciale natuurbeheerplan;

  • o.

    Niet-productieve investeringen: in navolging van artikel 29 van EU verordening 1974/2006 wordt onder niet-productieve investeringen verstaan ‘investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg hebben’;

  • p.

    NNN: Natuur Netwerk Nederland. Vanaf het ingaan van de Wet natuurbescherming (beoogd 1 januari 2017) is dit de nieuwe naam van de EHS;

  • q.

    Particulier Natuurbeheer: Natuurbeheer dat wordt uitgevoerd door andere organisaties dan de grote terreinbeheerder (Staatsbosbeheer, Natuurmonument, Utrechts Landschap of overheden). Dit betreft natuurlijke personen die dat al dan niet in een bepaalde rechtsvorm hebben ondergebracht;

  • r.

    Programmabureau: secretariaat van de Gebiedscommissie dat ondersteunende werkzaamheden uitvoert in het kader van Agenda Vitaal Platteland;

  • s.

    Soortbeschermingsplannen: door de rijksoverheid of bestuur van de provincie Utrecht vastgestelde plannen waarin een strategie is beschreven om de kans op duurzaam voortbestaan voor een of enkele soorten te vergroten;

  • t.

    Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer: Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer provincie Utrecht en Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap (SKNL) provincie Utrecht;

  • u.

    Toeristisch overstappunt (TOP): een plek waar de lokale of regionale bezoeker kan starten met een recreatieve activiteit in het gebied dat vanuit het TOP wordt ontsloten. Een TOP is geen attractie en hoeft een bezoeker niet vast te kunnen houden. Idealiter is het wel een pleisterplaats waar de recreant op een comfortabele wijze zijn wandeling, fiets- of vaartocht begint of eindigt met bijvoorbeeld kleinschalige horeca en diensten;

  • v.

    Voorbereidingskosten: kosten die gemaakt worden voorafgaand aan de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag door Gedeputeerde Staten. Het gaat om kosten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeringsgereed maken van het project.

Artikel 1.2 Subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 12 van de Asv en de bijzondere bepalingen in de hoofdstukken 2 tot en met 5 behoren tot de subsidiabele kosten in ieder geval niet:

  • a.

    kosten die uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd;

  • b.

    verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten;

  • c.

    kosten van bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler of een beroep op fondsen mogelijk is;

  • d.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes of sancties;

  • e.

    kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden;

  • f.

    kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen.

Artikel 1.3 Gegevens aanvraag

In aanvulling op artikel 7 van de Asv overlegt de aanvrager in het geval van een aanvraag ten behoeve van een samenwerkingsverband, een overzicht van alle andere subsidies die betrokken ondernemingen in de drie jaren die aan de aanvraag zijn vooraf gegaan, heeft verkregen of aangevraagd voor iedere deelnemer in het samenwerkingsverband en tevens een exemplaar van de samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 1.4 Subsidieplafond

De subsidieplafonds voor het tijdvak van 2016 tot en met 2019 per thema zijn:

 

Programma

Thema

Bedragen

Gebiedsprogramma Oost

 

Recreatie

€   1.410.000

Grebbelinie

€      820.000

Gebiedsprogramma West

 

 

Aanpak Veenweiden

€   2.260.000

Recreatie

€      700.000

Verplaatsing landbouwbedrijven

€   1.000.000

Leefbaarheid kleine kernen

Leefbaarheid

€   1.000.000

‘Next Generation’breedband internet

Leefbaarheid

€      780.000

Recreatie om de Stad

Recreatie

€   1.000.000

Natuur 2.0

Beleefbare natuur

€      750.000

Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug Nieuwe Stijl

Recreatie

€   1.200.000

Nieuwe Hollandse Waterlinie – deelgebied Linieland

Erfgoed

€   1.100.000

 

totaal

€ 12.020.000

Artikel 1.5 Weigeringsgrond

Onverminderd artikel 10 van de Asv wordt subsidie in ieder geval geweigerd als voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is aangevraagd op grond van de Verordening subsidies POP3 2014–2020 provincie Utrecht, de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer provincie Utrecht of de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap provincie Utrecht.

Hoofdstuk 2 Thema Natuur en Water

Artikel 2.1 Kwaliteitsverbetering Natuur

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht voor de volgende activiteiten:

    • a.

      het uitvoeren van specifieke maatregelen voor de verbetering van de kwaliteit van het leefgebied van soort(groep)en;

    • b.

      het uitvoeren van onderzoek ten behoeve van de maatregelen genoemd onder lid 1, sub a;

    • c.

      het uitvoeren van beheermaatregelen in natuurbeschermingswetgebieden;

    • d.

      het geven van voorlichting, voor zover noodzakelijk voor de bescherming of het behoud van de soorten;

    • e.

      het uitvoeren van beheerexperimenten gedurende een periode van maximaal drie jaar ten behoeve van de soorten.

  • 2.

    Nadere criteria

    • a.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien:

      • i.

        zij in belangrijke mate en op effectieve en efficiënte wijze bijdragen aan het duurzaam voortbestaan van bedreigde populaties van soorten die deel uit maken van het actieve soortenbeleid van de provincie Utrecht conform het door Gedeputeerde Staten vastgestelde beleid in het kader van de Wet Natuurbescherming;

      • ii.

        voor zover het gaat om activiteiten genoemd in het eerste lid, onder b), de activiteiten, noodzakelijk zijn ter voorbereiding of evaluatie van de uitvoering van de maatregelen onder a) en verzamelde gegevens over het voorkomen van flora en fauna worden opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna;

      • iii.

        het gaat om eenmalige activiteiten; beheermaatregelen komen niet voor subsidie in aanmerking, met uitzondering van de activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder sub d);

      • iv.

        het gaat om activiteiten in natuurterreinen of het landelijk gebied; activiteiten in stedelijke omgeving komen niet voor subsidie in aanmerking.

    • b.

      De subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, maken zoveel mogelijk gebruik van c.q. dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria:

      • i.

        er worden zoveel mogelijk duurzame en natuurlijke materialen gebruikt;

      • ii.

        er wordt inheems en autochtoon plant- en zaaigoed gebruikt;

      • iii.

        het leefgebied van meerdere soortgroepen wordt verbeterd.

  • 3.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 50.000 per hectare.

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de totale projectkosten;

      • ii.

        loonkosten eigen personeel, materiaalkosten of aan derden betaalde kosten voor directievoering en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten tot een maximum van 15% van de totale projectkosten;

    • c.

      Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

      • i.

        kosten voor de aanleg van parkeergelegenheid;

      • ii.

        de kosten voor de uitvoering van maatregelen in of op gronden met de bestemming erf, tuin of park waaronder het baggeren van vijvers en waterpartijen die daarin gelegen zijn.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan eenieder.

  • 5.

    Aanvraag

    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.

  • 6.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    In aanvulling op de Asv geldt dat de gesubsidieerde activiteiten gedurende tenminste vijf jaar in stand worden gehouden door de subsidieontvanger.

  • 7.

    Europese regelgeving

    Aanvragen van landbouwondernemingen voor het uitvoeren van activiteiten genoemd in het eerste lid worden getoetst overeenkomstig de voorwaarden van de meest actuele versie van de Catalogus Groenblauwe Diensten.

Artikel 2.2 Communicatie, educatie en onderzoek ten behoeve van natuur en landschap

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor communicatie, educatie en onderzoek ten behoeve van natuur en landschap als bedoeld in artikel 28 van de Asv. Hieronder wordt verstaan:

    • a.

      het ontwikkelen en aanbieden van communicatie uitingen;

    • b.

      het ontwikkelen en uitvoeren van educatieve projecten;

    • c.

      het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan de versterking van draagvlak voor natuurbeleid;

    • d.

      het uitvoeren van natuur- en landschapsgericht onderzoek;

    • e.

      het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan de beleving van natuur.

  • 2.

    Nadere criteria

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende criteria is voldaan:

    • a.

      de activiteiten hebben een bovenlokaal niveau door zich te richten op ten minste drie kernen;

    • b.

      de deelnemers aan de activiteiten leveren een bijdrage in de kosten;

    • c.

      en de activiteiten leveren een bijdrage aan versterking van het draagvlak voor het natuur- en landschapsbeleid van de provincie Utrecht.

  • 3.

    Hoogte van de subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie ten behoeve van projecten in het kader van het uitvoeringsprogramma Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;

      • ii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten tot een maximum van 15% van de projectkosten;

      • iii.

        kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel;

      • iv.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie tot een maximum van 15% van de projectkosten;

      • v.

        kosten voor de inzet van vrijwilligers;

      • vi.

        kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;

      • vii.

        reiskosten;

      • viii.

        accountantskosten ten behoeve van de rekening en verantwoording van de subsidie;

      • ix.

        kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten.

    • d.

      Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan eenieder.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden.

  • 6.

    Europese regelgeving

    Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

Artikel 2.3 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweidenproblematiek (watersysteem, bebouwing en infrastructuur)

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv, die gericht zijn op het beperken van bodemdaling, het beperken van de nadelige effecten van bodemdaling of het realiseren van een duurzaam watersysteem in het Utrechtse veenweidegebied door middel van onderzoek, experimentele ontwikkeling of pilotprojecten:

    • a.

      innovaties in het watersysteem;

    • b.

      innovaties in het gebruik, realisatie en het beheer van infrastructuur in het buitengebied gericht op het beperken van de belasting en beheerskosten van infrastructuur;

    • c.

      innovaties in realisatie en het beheer van bebouwing in het buitengebied gericht op het beperken van de effecten van bodemdaling op bebouwing.

  • 2.

    Nadere criteria

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a, richten zich zoveel mogelijk op het volgende:

    • a.

      het verbeteren van de waterkwaliteit;

    • b.

      het vergroten van biodiversiteit;

    • c.

      het voorkomen van wateroverlast en/of watertekorten;

    • d.

      het vergroten van de efficiëntie in het waterbeheer;

    • e.

      het aanpassen van het watersysteem aan innovatieve vormen van grondgebruik.

  • 3.

    Weigeringsgrond

    • a.

      Conform artikel 1, lid 4, sub (a) van Verordening (EU) nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;

    • b.

      De aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden conform artikel 1 lid 4 sub (c) van Verordening (EU) Nr. 651/2014, pbEU 2014, L187/1.

  • 4.

    Hoogte van de subsidie

    • a.

      Voor activiteiten zoals bedoeld in dit artikel bedraagt de totale bijdrage maximaal 50% van de subsidiabele kosten met inachtneming van artikel 25, lid 5 en 6 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1;

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend:

      • i.

        personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

      • ii.

        kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze wordt gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

      • iii.

        kosten gebruik van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Bij gebouwen worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Bij gronden komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

      • iv.

        kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

      • v.

        extra algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 5.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan eenieder.

  • 6.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een communicatieplan.

  • 7.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    De eindrapportage bevat een advies voor de verdere implementatie van de innovatie bij de doelgroep waarvoor de innovatie van belang is.

  • 8.

    Europese regelgeving

    Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden. In aanvulling op die voorwaarden is van toepassing dat indien aan ondernemingen subsidie wordt verstrekt in de vorm van steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, dit geschiedt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikel 25 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Hoofdstuk 3 Landschap en Cultuurhistorie

Artikel 3.1 Behoud en ontwikkeling van erfgoed en aardkundige elementen

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    • a.

      Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op de instandhouding en ontwikkeling van het cultureel erfgoed en aardkundige elementen.

    • b.

      Onder instandhouding van het cultureel erfgoed en aardkundige elementen zijn de volgende activiteiten subsidiabel:

      • i.

        restaureren, in oude staat terugbrengen;

      • ii.

        consolideren of de bestaande situatie veilig stellen;

      • iii.

        herstel van landschappelijke en/of ecologisch waardevolle elementen.

    • c.

      Onder ontwikkeling van het cultureel erfgoed en aardkundige elementen zijn de volgende activiteiten subsidiabel:

      • i.

        renoveren en ontwikkelen of met nieuwe middelen de oude situatie beleefbaar en zichtbaar maken;

      • ii.

        renoveren met als doel het erfgoed geschikt te maken voor toekomstige (commerciële) exploitatie;

      • iii.

        openstellen en ontsluiten van erfgoed voor publiek;

      • iv.

        creëren van publieksvoorzieningen;

      • v.

        onder de aandacht brengen bij het publiek;

      • vi.

        exploitatie gericht op het beleefbaar maken van erfgoed met de intentie op structurele voortzetting van de activiteiten;

      • vii.

        het beleefbaar maken van erfgoed;

      • viii.

        onderzoek ten behoeve van bovenstaande activiteiten;

      • ix.

        systematisch ordenen, beschrijven of registreren van gegevens en kennis die specifiek gekoppeld is aan het betreffende erfgoed of aardkundige element.

  • 2.

    Nadere criteria

    • a.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan een of meer van de volgende criteria:

      • i.

        projecten dragen bij aan de versterking van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur zoals vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013–2028;

      • ii.

        projecten vallen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het deelgebied Linieland;

      • iii.

        projecten vallen binnen de Grebbelinie en passen binnen de Gebiedsvisie voor de Grebbelinie;

      • iv.

        projecten vallen binnen het Groene Hart en passen binnen de Gebiedsvisie voor het Groene Hart;

    • b.

      In aanvulling op het gestelde onder a gelden bij exploitatiesubsidies de volgende criteria:

      • i.

        een maximum termijn van 2 jaar;

      • ii.

        de subsidie draagt bij aan de exploitatie van een publieksvoorziening; en

      • iii.

        het gaat om een nieuwe activiteit.

  • 3.

    Hoogte van de subsidie

    • a.

      De hoogte van de subsidie bedraagt:

      • i.

        maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor overheden en stichtingen met een publieke taak;

      • ii.

        maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor natuurlijke personen.

    • b.

      In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie voor stichtingen en overheden in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

    • c.

      Bij renovaties die tot doel hebben om het erfgoed geschikt te maken voor toekomstig (commerciële) exploitaties waarbij inkomsten gegenereerd worden, wordt slechts bijgedragen aan de ‘onrendabele top’, waarbij wordt verstaan dat deel van de investering dat uit de exploitatie niet kan worden terugverdiend.

    • d.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;

      • ii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;

      • iii.

        kosten voor de bouw, notaris, taxatie en onderzoeken ten behoeve van verwerving of verbetering van onroerende zaken;

      • iv.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;

      • v.

        exploitatiekosten, voor zover wordt voldaan aan de criteria, genoemd in het tweede lid, onder b.

    • e.

      Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan eenieder.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      Met uitzondering van projecten in het kader van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam dient de aanvraag voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden.

  • 6.

    Europese regelgeving

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende communautaire toetsingskaders:

    • a.

      Indien de subsidie wordt verstrekt aan eigenaren van monumenten die commercieel worden geëxploiteerd en de activiteit is gericht op de onder het eerste lid onder a bedoelde instandhouding van een monument dan geschiedt dit met inachtneming van de Nationale monumenten regeling (SA.40475). Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

      • i.

        er moet sprake zijn van een monument dat geregistreerd staat in een register van het rijk, provincie of gemeente;

      • ii.

        de werkzaamheden zijn vanuit technisch oogpunt noodzakelijk voor de instandhouding van het monument;

      • iii.

        de steun mag niet ingezet worden voor commerciële en/of operationele activiteiten; monumenten met een commerciële functie komen alleen in aanmerking voor de meerkosten van restauratie of herstelwerkzaamheden;

      • iv.

        kosten ter verbetering van comfort of uitbreidingen van de gebouwen komen niet in aanmerking voor subsidie;

      • v.

        cumulatie met andere steunmaatregelen is toegestaan, mits de steunintensiteit niet boven 100% van de totale kosten gaat.

    • b.

      Indien subsidie wordt verstrekt aan eigenaren van erfgoed dat niet voldoet aan de onder a bedoelde activiteiten, geschiedt dit met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikel 25 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen;

    • c.

      Indien subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen ten behoeve van de in het eerste lid onder b bedoelde activiteiten, geschiedt dit met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikel 25 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Hoofdstuk 4 Sociaaleconomische vitaliteit

Afdeling 4.1 Landbouw

Artikel 4.1.1 Verplaatsing grondgebonden bedrijven

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het verplaatsen van volwaardige landbouw-bedrijven.

  • 2.

    Nadere criteria

    • a.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan één of meer van de volgende criteria wordt voldaan:

      • i.

        indien de aanvraag afkomstig is van de eigenaar van het te verplaatsen bedrijf, wordt de daarbij behorende grond in eigendom:

        • vrij van enig gebruiksrecht, aan de provincie verkocht; of

        • ingebracht bij de toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet inrichting landelijk gebied;

        • met instemming van de provincie Utrecht aangewend voor te realiseren provinciale doelen;

      • ii.

        indien de aanvraag afkomstig is van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die beschikt over een duurzaam gebruiksrecht op het te verplaatsen bedrijf, verklaart de eigenaar van de daarbij behorende grond akkoord te gaan met het gestelde onder i.

    • b.

      In aanvulling op het eerste lid vindt subsidieverstrekking ten behoeve van natuurdoelen slechts plaats, als na verwerving van de grond de agrarische bestemming van de bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties vervalt.

    • c.

      In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de onder b omschreven criterium.

  • 3.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt:

      • i.

        100 % van de subsidiabele kosten, genoemd onder e, sub i, waarbij voor de verhuiskosten een maximum geldt van € 10.000,–. De kosten moeten redelijk zijn. Richtsnoer bij de beoordeling van de kosten (redelijkheidstoets) zijn de tarieven hiervoor bij een aankoop met volledige schadeloosstelling;

      • ii.

        maximaal 40% van de subsidiabele kosten, genoemd onder e, sub ii;

      • iii.

        de totale vergoeding van het gestelde onder a, sub i en ii, mag niet meer bedragen dan € 400.000.

    • b.

      In afwijking van het gestelde onder a, sub ii, kan bij (erf)pacht voor de vervangende bedrijfskavel in plaats van de koopsom de taxatie van de agrarische gebruikswaarde in het economisch verkeer van toepassing zijn;

    • c.

      Als op grond van de subsidiecriteria, genoemd in het tweede lid, niet alle bij het bedrijf behorende grond wordt overgedragen aan de provincie Utrecht, wordt de hoogte van de subsidie naar evenredigheid van de over te dragen oppervlakte grond berekend.

    • d.

      er wordt minder subsidie verstrekt naar de mate dat andere overheden een vergoeding verstrekken bij de verplaatsing van het grondgebonden landbouw bedrijf of de sloop van de zich op de bedrijfskavel bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen of installaties. De totale steun bedraagt niet meer dan het bedrag dat voortvloeit uit het gestelde onder a, b en c;

    • e.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        de kosten die daadwerkelijk gemaakt zijn ten behoeve van de hervestiging, zoals notariskosten, kadastrale kosten, advieskosten, verhuiskosten en overdrachtsbelasting;

      • ii.

        de kosten die het verschil uitmaken tussen enerzijds de koopsom en eventueel (aanvullende) investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie en anderzijds de getaxeerde waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie. Uitgangspunt hierbij is gelijke bedrijfsomvang. Wanneer er sprake is van bedrijfsuitbreiding, worden de kosten verbonden aan de uitbreiding buiten de subsidie gehouden.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie wordt verstrekt aan landbouw-bedrijven.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden.

  • 6.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    De subsidieontvanger realiseert de hervestiging van een volwaardig landbouw-bedrijf op een andere plaats binnen vierentwintig maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onder a.

  • 7.

    Weigeringsgronden

    • a.

      Onverminderd artikel 10 van de Asv wordt subsidie geweigerd indien:

      • i.

        op de bedrijfskavel of daarbij behorende grond woningbouw is toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, of volgens een geldend projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van deze wet;

      • ii.

        indien aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een volledige schadeloosstelling is betaald op grond van de hoofdstukken I, IV of VI van de Onteigeningswet;

      • iii.

        indien aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een volledige schadeloosstelling op vrijwillige basis is betaald.

    • b.

      Conform artikel 1, lid 5, sub (a) van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;

    • c.

      Conform artikel 1 lid 6 van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden.

  • 8.

    Europese regelgeving

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien sprake is van een verplaatsing van landbouw bedrijven die het algemeen belang dient. De subsidie wordt verstrekt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikelen 14 en 16 van Verordening (EU), nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1,betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren.

Artikel 4.1.2 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweideproblematiek (Agrarisch)

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv, die gericht zijn op het beperken van bodemdaling, het beperken van de nadelige effecten van bodemdaling, of het realiseren van een duurzaam watersysteem in het Utrechtse veenweidegebied door middel van onderzoek, experimentele ontwikkeling of pilotprojecte

    • a.

      innovaties ten behoeve van de melkveehouderij;

    • b.

      nieuwe verdienmodellen of nieuwe teelten.

  • 2.

    Nadere criteria

    • a.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a richten zich zoveel mogelijk op het volgende:

      • i.

        het stimuleren van draagvlak voor het toepassen van maatregelen door met de boeren bestaande kennis te delen (onbekendheid verminderen en kennis te vergroten), of gerichte onderzoeken te doen naar effecten (onzekerheid beperken);

      • ii.

        het samen met boeren zichtbaar maken van de voordelen voor de bedrijfsvoering van maatregelen in de bedrijfsvoering die tegelijkertijd een voordeel opleveren voor milieudoelen als afremmen bodemdaling en beperken van emissies naar lucht- en water;

      • iii.

        het vertalen van generieke maatregelen om milieuprestaties (bijvoorbeeld beperken bodemdaling en emissies, zorgvuldig gebruik van water en andere grondstoffen et cetera) te verbeteren naar de specifieke omstandigheden van het veenweidegebied;

      • iv.

        het met boeren ontwikkelen van nieuwe maatregelen of instrumenten om de milieuprestaties (bijvoorbeeld beperken bodemdaling en emissies, zorgvuldig gebruik van water en andere grondstoffen et cetera) van veenweidebedrijven te vergroten.

    • b.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b richten zich zoveel mogelijk op het ontwikkelen en testen van innovaties die passen bij de specifieke omstandigheden van het veenweidegebied en breder in het gebied toepasbaar zijn.

  • 3.

    Weigeringsgrond

    • a.

      Conform artikel 1 lid 4 sub (a) van Verordening (EU) nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

    • b.

      Conform artikel 1 lid 4 sub (c) van Verordening (EU) Nr. 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden.

  • 4.

    Hoogte van de subsidie

    • a.

      Voor activiteiten zoals bedoeld in dit artikel bedraagt de totale bijdrage maximaal 50% van de subsidiabele kosten met inachtneming van artikel 25, lid 5 en 6 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1;

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend:

      • i.

        personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

      • ii.

        kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

      • iii.

        kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

      • iv.

        kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

      • v.

        extra algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 5.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan eenieder.

  • 6.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een communicatieplan.

  • 7.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    • a.

      Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project:

      • i.

        de monitoring wordt op een inzichtelijke manier gerapporteerd waaruit blijkt hoeveel bedrijven zijn bereikt, welke activiteiten zijn uitgevoerd, en wat de gemeten of berekende effecten zijn van deze activiteiten in brede zin (te denken valt aan milieu, de feitelijke toepassing en de sociaaleconomische aspecten);

      • ii.

        de rapportage bevat ook een advies voor de verdere implementatie van de resultaten van het project bij de doelgroep.

    • b.

      Vóór de begindatum van het gesubsidieerde project wordt op het internet de volgende informatie bekendgemaakt:

      • i.

        dat het gesubsidieerde project wordt uitgevoerd;

      • ii.

        de doelstellingen van het gesubsidieerde project;

      • iii.

        de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesubsidieerde project worden verwacht;

      • iv.

        de plaats waar de van het gesubsidieerde project verwachte resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt;

      • v.

        de vermelding dat de resultaten van het gesubsidieerde project gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouw- of bosbouwsector of -subsector actief zijn.

    • c.

      De resultaten van het gesubsidieerde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project.

  • 8.

    Europese regelgeving

    Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden. In aanvulling op die voorwaarden is van toepassing dat indien aan ondernemingen subsidie wordt verstrekt in de vorm van steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, dit geschiedt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikel 25 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Afdeling 4.2 Leefbaarheid en kleine kernen

Artikel 4.2.1 Leefbaarheid en kleine kernen

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het versterken van de leefbaarheid in het landelijk gebied en de daarin gelegen kleine kernen van de provincie Utrecht als:

    • a.

      het in stand houden van basisvoorzieningen in geval van marktfalen;

    • b.

      het uitvoeren van activiteiten gericht op het tegengaan van eenzaamheid onder senioren en/of kwetsbare groepen;

    • c.

      het versterken van de organisatie van culturele en/of gemeenschappelijke activiteiten.

  • 2.

    Nadere criteria

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien er sprake is van een breed draagvlak bij de inwoners van het dorp of de regio, welke blijkt uit bijvoorbeeld actieve betrokkenheid van inwoners bij de realisatie en inzet van eigen uren.

  • 3.

    Hoogte van de subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000,–;

    • b.

      In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 50% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      Tot de subsidiabele kosten behoren:

      • i.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek en ondernemersplan) tot een maximum van 15% van de projectkosten;

      • ii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;

      • iii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;

      • iv.

        kosten voor aanpassing van reeds in gebruik zijnde onroerende zaken.

    • d.

      Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de kosten voor structurele ondersteuning of het afdekken van exploitatietekorten van activiteiten en organisaties.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan publieke- en private en natuurlijke rechtspersonen met uitzondering van grote ondernemingen.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      Bij investeringen in basis-voorzieningen moet sprake zijn van een exploitatieplan en een onderhoudsplan.

  • 6.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project:

    • a.

      de monitoring wordt op een inzichtelijke manier gerapporteerd waaruit blijkt hoeveel personen of groepen zijn bereikt, welke activiteiten zijn uitgevoerd, en wat het gemeten of berekende effecten zijn van deze activiteiten in brede zin (te denken valt aan deelnamecijfers, de feitelijke toepassing en de sociaaleconomische aspecten en gevolgen);

    • b.

      de rapportage bevat ook een advies voor de verdere implementatie of voortzetten van de activiteiten.

  • 7.

    Europese regelgeving

    Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

Artikel 4.2.2 ‘Next Generation’breedband internet in witte gebieden van de provincie Utrecht

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het tot stand brengen van vraagbundeling voor Next Generation Acess (NGA) netwerken in de witte gebieden van de provincie Utrecht. Onder witte gebieden worden gebieden verstaan zoals de EU hanteert in haar richtsnoeren voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken.

  • 2.

    Nadere criteria

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien:

    • a.

      het invulling geeft aan de afspraken die zijn benoemd in de intentieovereenkomst tussen provincie Utrecht en gemeenten over snel internet in het buitengebied;

    • b.

      de vraagbundeling plaats vinden in een wit gebied zoals omschreven in de EU-richtsnoeren voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken (2013/C 25/01).

  • 3.

    Hoogte van de subsidie

    • a.

      De subsidie hangt af van de intentieovereenkomst benoemde verdeelsleutel tussen gemeenten, deze hangt samen met het aantal witte percelen;

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend:

      • i.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor coördinatie, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;

      • ii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan eenieder.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van betrokken gemeenten waarin de activiteiten plaatsvinden.

  • 6.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende rapportageverplichtingen:

    • a.

      aantal personen of groepen die zijn bereikt;

    • b.

      welke activiteiten zijn uitgevoerd en wat het gemeten of berekende effecten zijn van deze activiteiten in brede zin.

  • 7.

    Europese regelgeving

    Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

Afdeling 4.3 Relatie stad en platteland

Artikel 4.3.4. Boerderijeducatie

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:

    • a.

      het versterken van de relatie tussen platteland en stad via boerderijeducatie;

    • b.

      het bekend maken van kinderen met de voedselproductie op het landbouw bedrijf.

  • 2.

    Nadere criteria

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien:

    • a.

      de educatie wordt gegeven op het landbouw bedrijf;

    • b.

      er voor de lessen gebruik wordt gemaakt van op kwaliteit gecontroleerde lespakketten die aantoonbaar in de praktijk zijn beproefd;

    • c.

      de educatiebedrijven zijn aangesloten bij een organisatie die erop toeziet dat de agrariërs en het landbouw-bedrijf aan de juiste veiligheids- en kwaliteitsvereisten voldoen voor het ontvangen van schoolgroepen.

  • 3.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan:

    • a.

      eigenaren van landbouw-bedrijven;

    • b.

      samenwerkingsverbanden van/voor landbouw-bedrijven;

    • c.

      private rechtspersonen die aantoonbaar kennis en kunde hebben om landbouw-bedrijven op dit gebied te ondersteunen.

  • 4.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        de vergoeding voor de landbouw-ondernemer (kosten per ontvangst);

      • ii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor het ontwikkelen van lesmateriaal en training van de betrokken landbouw-ondernemers (kosten professionalisering);

      • iii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor ledenwerving, netwerkbijeenkomsten, publicaties, websites en andere vormen van communicatie (kosten promotie).

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden.

  • 6.

    Europese regelgeving

    De kosten zoals bedoeld in lid 4 onder b sub i worden getoetst overeenkomstig de voorwaarden van de Meest actuele versie van de Catalogus Groene Blauwe Diensten en zoals die is goedgekeurd door de Europese Commissie (Steunnummer N 577/2006).

Afdeling 4.4 Recreatie

Artikel 4.4.1 Ontwikkeling en samenhang toeristische overstappunten (TOP’s) of inrichtingsmaatregelen t.b.v. Recreatie om de Stad Utrecht

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:

    • a.

      haalbaarheidsstudies en marktverkenningen naar gebruik en beleving van de toeristische overstappunten (TOP’s) ten behoeve van verbetering van de kwaliteit en het gebruik;

    • b.

      verbetering van de kwaliteit van toeristische overstappunten (TOP’s) door middel van recreatieve infrastructurele werken;

    • c.

      ontwikkeling en aanleg van pleisterplaatsen en andere recreatieve voorzieningen of infrastructurele werken (inclusief voorzieningen voor routenetwerken) binnen het programma Recreatie om de Stad Utrecht zoals dit is uitgewerkt in het MJP AVP 2016–2019.

  • 2.

    Nadere criteria

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De activiteiten hebben betrekking op de volgende recreatieve voorzieningen in het landelijk gebied of op de grens tussen stad en land:

      • i.

        TOP’s;

      • ii.

        pleisterplaatsen, uitsluitend binnen het programma Recreatie om de Stad Utrecht.

    • b.

      het beheer en onderhoud van deze voorziening is voor minimaal 10 jaar geregeld;

    • c.

      de aanvrager onderbouwt dat de subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, bijdragen aan het genereren van andere geldstromen opdat er voldoende middelen zijn voor beheer en onderhoud.

  • 3.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 75% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten, uitsluitend binnen het programma Recreatie om de Stad Utrecht.

    • d.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;

      • ii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;

      • iii.

        kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende zaken;

      • iv.

        materiaalkosten;

      • v.

        kosten voor de inrichting van recreatieve infrastructuur.

    • e.

      Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

      • i.

        vervangingsinvesteringen;

      • ii.

        kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan eenieder.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      In aanvulling op artikel 7 van de Asv is de aanvraag voorzien van een beheer- en onderhoudsplan.

  • 6.

    Europese regelgeving

    Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

Artikel 4.4.2 Samenhang en publieksbereik regionale routenetwerken

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:

    • a.

      recreatief fietsen;

    • b.

      recreatief wandelen;

    • c.

      recreatief varen en watersport;

    • d.

      in afwijking van het gestelde onder a, b en c kunnen GS besluiten in bijzondere gevallen voor andere vormen van recreatiesport subsidie te verstrekken;

    • e.

      de subsidiabele activiteiten zoals bedoeld onder a tot en met d betreffen:

      • i.

        haalbaarheidsstudies en marktverkenningen ten behoeve van het definiëren en complementeren van routenetwerken;

      • ii.

        optimalisatie of kwaliteitsverbetering van bestaande recreatieve routenetwerken;

      • iii.

        ontwikkelen, plaatsen en verspreiden van routeinformatie (zoals fysieke bewegwijzering, routepanelen, digitale informatievoorziening, routebrochures).

  • 2.

    Nadere criteria

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De activiteiten hebben betrekking op de volgende vastgestelde (regionale) routenetwerken in het landelijk gebied of op de grens tussen stad en land:

      • i.

        recreatief fietsen: het hoofdnetwerk van de landelijke LF-routes en de recreatieve fietsroutes van het regionale fietsknooppuntensysteem dat aansluit op de netwerken in de andere provincies;

      • ii.

        recreatief wandelen: het hoofdnetwerk van de landelijke LAW-routes en het regionale netwerk van streekpaden, boerenlandpaden en klompenpaden;

      • iii.

        recreatief varen/watersport: het hoofdnetwerk van de landelijke en regionale BRTN-routes en het regionale kanonetwerk.

    • b.

      De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a tot en met d, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria:

      • i.

        aansluiting op bestaande netwerken en bij voorkeur TOP’s/poorten, bovenlokale recreatieterreinen en horecagelegenheden;

      • ii.

        bevorderen van samenwerking tussen partijen om deze recreatieve routenetwerken te realiseren.

  • 3.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;

      • ii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;

      • iii.

        kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende zaken;

      • iv.

        materiaalkosten;

      • v.

        kosten voor de inrichting van recreatieve infrastructuur.

    • d.

      Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

      • i.

        vervangingsinvesteringen;

      • ii.

        kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan eenieder.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      In aanvulling op artikel 7 van de Asv is de aanvraag voorzien van een beheer- en onderhoudsplan en een regeling voor de openstelling (waar van toepassing).

  • 6.

    Verplichtingen

    • a.

      Het beheer en onderhoud van deze voorziening is voor minimaal 10 jaar geregeld;

    • b.

      Bij netwerken voor wandelen is de openstelling geregeld voor minimaal eenzelfde termijn als het beheer en onderhoud van het netwerk;

    • c.

      De voorziening wordt digitaal ontsloten en actueel gehouden. Deze gegevens worden om niet beschikbaar gesteld als open data aan de provinciale U-Base. Er vindt geen overlap plaats met de activiteiten van het provinciaal Routebureau.

  • 7.

    Europese regelgeving

    Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

Artikel 4.4.3 Boerenlandpaden

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het onderhoud van opengestelde wandelpaden (boerenlandpaden/klompenpaden) die zijn gelegen op de grond van een landbouwonderneming.

  • 2.

    Nadere criteria

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de landbouwonderneming dient de wandelroute volledig en kostenloos open te stellen voor wandelaars.

    • b.

      de contracten kunnen tot maximaal eind 2017 lopen.

    • c.

      er worden voorzieningen aangebracht om het pad veilig, herkenbaar en toegankelijk te maken.

    • d.

      het wandelpad is vóór 2016 aangelegd en is opgenomen in het wandelknooppuntennetwerk.

  • 3.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan de Stichting Wandelplatform LAW.

    ANV’s en stichtingen ter bevordering van recreatie en/of cultuurhistorie.

  • 4.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 90.000.

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        kosten, uitgekeerd aan landbouwondernemingen, voor het openstellen van grond en onderhoud van de paden tot een maximum van € 1,15 per strekkende meter per jaar per landbouwonderneming en tot een maximum van € 15.000,– over 3 belastingjaren;

      • ii.

        kosten voor ondersteuning en administratie tot een maximum van € 0,12 per strekkende meter per jaar.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      Subsidieaanvragen kunnen tot 2018 worden ingediend via onderhavige regeling. Daarna worden beheersvergoedingen, voor zover beschikbaar, gecoördineerd door het Routebureau.

  • 6.

    Europese regelgeving

    De kosten zoals bedoeld in lid 4 onder b sub ii worden getoetst overeenkomstig de voorwaarden van de Meest actuele versie van de Catalogus Groenblauwe Diensten.

Artikel 4.4.4 Landelijke routenetwerken

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op de netwerken van lange afstand fiets- en wandelroutes.

  • 2.

    Nadere criteria

    • a.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien de routes deel uitmaakten van het Meerjarenprogramma Landelijke Routenetwerken wandelen en fietsen 2007–2013 of routes betreffen die zijn gelegen in de provincie Utrecht;

    • b.

      De activiteiten komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie voor zover er geen overlap is met de activiteiten van het provinciaal Routebureau. Het Routebureau is een in 2016 opgerichte samenwerking tussen gemeenten, recreatieterreinbeheerders en andere organisaties.

  • 3.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan:

    • a.

      de Stichting Wandelplatform LAW;

    • b.

      de Stichting Landelijk Fietsplatform.

  • 4.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 20.000 per jaar per organisatie;

    • b.

      De kosten worden berekend op basis van:

      • i.

        het totale aantal kilometer wandelpad in de provincie Utrecht voor wandelen;

      • ii.

        het percentage van de kilometers LF-route in de provincie Utrecht van het totale fietsnetwerk in de provincie Utrecht, het aantal netwerkbeheerders en het aantal contractpartners in de provincie Utrecht voor fietsen.

  • 5.

    Aanvraag

    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Hoofdstuk 5 Inzet gebiedsorganisaties

Artikel 5.1 Inzet gebiedsorganisaties

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:

    • a.

      draagvlakontwikkeling voor planvorming en uitvoering van provinciaal beleid. Dit zijn activiteiten op het gebied van communicatie, voorlichting, participatie en draagvlakversterking. Hierbij gaat het onder meer om het ontwikkelen en uitgeven van informatiemateriaal en het organiseren van informatiebijeenkomsten;

    • b.

      het opstellen en voorbereiden van een gebiedsplan en het daarbij behorende uitvoeringsprogramma;

    • c.

      monitoring en evaluatie van een gebiedsplan;

    • d.

      de begeleiding en uitvoering van het uitvoeringsprogramma behorend bij een gebiedsplan zoals het adviseren van aanvragers en het voeren van intakegespreken;

    • e.

      het secretarieel ondersteunen van de AVP gebiedscommissie;

    • f.

      het inhuren van adviseurs;

    • g.

      het inrichten en beheren van een (financiële) administratie.

  • 2.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten en wordt bepaald op basis van de opgave, ureninzet en financiële middelen van de provincie Utrecht en derden.

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:

      • i.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;

      • ii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;

      • iii.

        loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;

      • iv.

        kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;

      • v.

        kosten voor de huur van kantoorruimte ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;

      • vi.

        kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;

      • vii.

        vacatiegelden;

      • viii.

        reiskosten.

  • 3.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt aan gebiedsorganisaties met een publieke taak die een opdracht hebben van de provincie Utrecht voor het uitvoeren van een gebiedsproces.

  • 4.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van de gebiedscommissie van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 6.0 Intrekking en overgangsrecht

  • 1.

    De Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland zoals besloten door gedeputeerde staten van Utrecht op 27 oktober 2015, nr. 8162AB8A, wordt ingetrokken.

  • 2.

    Subsidies die zijn aangevraagd of verstrekt vóór de datum van inwerkingtreding van de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht, worden behandeld overeenkomstig de regeling die gold ten tijde van hun aanvraag.

Artikel 6.1 Inwerkingtreding

Deze uitvoeringsverordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad.

Artikel 6.2 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht 2016–2019.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Utrecht van 23 augustus 2016.

Gedeputeerde staten van Utrecht,

Voorzitter

Secretaris

Bijlage 1: Lijst van gebruikte afkortingen en begrippen

 

Afkortingen:

AVP: Agenda Vitaal Platteland

EHS: Ecologische hoofdstructuur

EVZ: Ecologische verbindingszone

GS: Gedeputeerde staten

LAMI: Landbouw en Milieu

LAW: Lange afstand wandelpad. Wordt ondersteund door de Stichting Wandelplatform LAW. Een landelijke stichting ter bevordering van de kwaliteit van het wandelen.

LF: Lange afstand fietspad. Wordt ondersteund door de stichting

NNN: Nationaal Natuur Netwerk (nieuwe naam EHS)

NPUH: Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug

PS: Provinciale staten

RodS: Recreatie om de Stad

TOP: Toeristisch overstappunt

Bijlage 2: Overzicht van gebiedscommissie’s

 

Bij de meeste aanvragen voor subsidie is een advies van een gebiedscommissie noodzakelijk. Dit is opgenomen onder het kopje aanvraag in het subsidiekader. Deze eis geldt niet als het gaat om een project dat de gehele provincie Utrecht bestrijkt of meer dan twee AVP-gebieden.

 

De Gebiedscommissies worden ondersteund door twee programmabureau’s die het lokket zijn voor de gebieden:

Programma Utrecht-West

(030) 2583871

Website: www.utrecht-west.com

Programma Oost

(033) 2776390

Website: www.o-gen.nl

 

Voor de provinciale projecten en programma’s:

Nieuwe Hollandse Waterlinie

(030) 258 36 03

Website: www.hollandsewaterlinie.nl

Recreatie om de stad

(030) 258 90 18

 

Bijlage 3 Kaart programmagebied

 

Algemene toelichting

Aanleiding

Het Utrechts landelijk gebied levert een belangrijke bijdrage aan de aantrekkelijkheid van de provincie Utrecht. Aantrekkelijk voor mensen om er te wonen en te verblijven en aantrekkelijk voor bedrijven om zich er te vestigen. De provincie Utrecht heeft de ambitie haar landelijk gebied vitaal en toekomstgericht te houden. Centraal in die ambitie staat de Agenda Vitaal platteland (AVP): een breed en integraal programma met opgaven op het gebied van natuur, water, bodem en milieu, landschap, cultuurhistorie, landbouw, recreatie en leefbaarheid. Als de middelen van bestaande verplichtingen en reserveringen die tot betaling leiden in de AVP-periode 2016–2019 opgeteld worden bij de beschikbare middelen van de komende AVP periode gaat het in totaal om een beschikbaar AVP budget van € 199,65 miljoen (98,35 miljoen + 101,3 miljoen). Dit wordt op verschillende wijzen uitgegeven. Via onderhavige verordening zal maximaal 15,8 miljoen worden uitgegeven.

Uitvoering van dit programma doet de provincie Utrecht in nauwe samenwerking met de gebiedspartners. De provincie Utrecht hecht veel waarde aan deze samenwerking omdat hierdoor synergievoordelen worden behaald door bundeling van budgetten en kennis en het creëren van draagvlak. Dit heeft efficiencyvoordelen met als resultaat een versnelling van de uitvoering.

Subsidieregelgeving AVP

Voor de uitvoering van het AVP programma maakt de provincie Utrecht gebruik van het subsidie instrument. Hiervoor is de Uitvoeringsverordening subsidies Agenda Vitaal Platteland opgesteld als toetsingskader voor aanvragen. Het gaat hierbij om projectsubsidies die aan verschillende partijen in het landelijk gebied worden verstrekt t.b.v. AVP-doelen.

Naast de Uitvoeringsverordening Subsidies AVP worden nog 4 andere regelingen ingezet waarin andere type activiteiten worden ondersteund maar die ook bijdragen aan het realiseren van AVP-doelen:

  • 1.

    Het Subsidiestelsel natuur- en landschapsbeheer (SNL) is gericht op het beheer van natuurgebieden en kleine landschapselementen en tevens op het agrarisch natuurbeheer;

  • 2.

    De Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap (SKNL) is gericht op het verbeteren of veranderen van natuurgebieden en landschapselementen en het omvormen van landbouwgrond naar natuurgebied;

  • 3.

    Subsidieverordening particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties (PNB). Deze verordening is bestemd voor het aankopen van natuurterreinen door organisaties die zich het bezit- en beheer van natuurgebieden tot doel hebben gesteld;

  • 4.

    Verordening subsidies POP3 2014–2020. Deze verordening is bestemd voor investeringen in de landbouw en landbouwgebieden.

Algemene Subsidieverordening provincie Utrecht (Asv)

De provincie Utrecht heeft vanaf 1 januari 2011 algemene beleidsregels voor het verlenen van subsidies. Deze regels zijn opgesteld met als doel onnodige administratieve verplichtingen voor de subsidieontvanger en de provincie Utrecht op te werpen en de regelgeving overzichtelijk te presenteren. De Asv is het uitgangspunt voor deze uitvoeringsverordening. Een van de uitganspunten is om de subsidiecriteria zo uniform- en overzichtelijk mogelijk op te stellen. Daarom zijn in deze uitvoeringsverordening per thema en maatregel de volgende onderdelen opgenomen:

  • a.

    welke activiteiten subsidiabel zijn;

  • b.

    welke criteria daarvoor van toepassing zijn;

  • c.

    waarvoor subsidie geweigerd kan worden;

  • d.

    wat het maximale subsidiebedrag is of het maximale percentage en welke kosten voor financiering in aanmerking kunnen komen;

  • e.

    welke partijen kunnen aanvragen;

  • f.

    hoe de procedure loopt voor de subsidieaanvraag;

  • g.

    en welke Europese regelgeving en POP3 maatregelen van toepassing zijn.

De algemene spelregels over de wijze van verantwoorden, de vastgestelde beslistermijnen en de algemene subsidieverplichtingen treft u in de Asv. Subsidies die worden verstrekt in het kader van AVP moeten daarom ook passen binnen de regels van de Asv. Voor meer informatie over de Asv zie:

https://www.provincie-utrecht.nl/loket/regelgeving-0/regeling/1114/algemene_subsidieverordening/#regeling

Staatssteun

Controle op overheidssteun – waaronder steun door decentrale overheden – aan ondernemingen is één van de belangrijkste onderdelen van het mededingingsbeleid binnen de Europese Gemeenschap. Eén van de doelen van de Europese wet- en regelgeving is het scheppen van gelijke concurrentievoorwaarden voor alle ondernemingen op de gemeenschappelijke markt. De maatregelen van de overheid die concurrentievervalsend uitpakken door onterecht voordelen te scheppen voor ondernemingen of bepaalde producties daarvan, zijn daarom niet toegestaan. Er zijn echter vrijstellingen voor specifieke activiteiten van bepaalde doelgroepen. In elk artikel wordt hieraan gerefereerd. De Uitvoeringsverordening subsidie AVP maakt gebruik van de ruimte die Europese wet- en regelgeving biedt. In het geval een landbouw- of MKB onderneming een subsidieaanvraag indient dan wordt hieraan getoetst.

Aanvraagprocedure

De gebiedscommissie’s zorgen voor een actieve werving van projecten. Vervolgens kunnen aanvragers zich richten tot de gebiedscommissie’s voor het indienen van een voorstel. De gebiedscommissie’s helpen de aanvragers met het compleet maken van de aanvraag en het verkrijgen van een beleidsadvies van de provincie Utrecht. In bijlage 3 staan de contactgegevens van de verschillende gebiedscommissie’s en hun ondersteunende programmabureau’s. Aanvraagformulieren en andere documenten waar in dit subsidiekader naar wordt verwezen zijn via de gebiedscommissie’s te verkrijgen.

Na een positief advies van het gebiedscommissie, en een beleidsmatige prétoets van een beleidsadviseur binnen de provincie Utrecht wordt de aanvraag formeel ingediend bij het subsidieloket van de provincie Utrecht. Per 1 januari 2011 worden de aanvragen behandeld via nieuwe meer eenvoudige regels. Aanvragen worden ingedeeld in één van drie categorieën: subsidie van € 1.000–€ 25.000, subsidie tussen € 25.000 en € 125.000 en subsidies van € 125.000 of meer. Het verschil tussen deze categorieën is de mate van verantwoording over het te besteden budget. Voor de laagste categorie is een lichtere verantwoording nodig dan tot nu toe gebruikelijk was. De provincie Utrecht richt zich met de nieuwe werkwijze op een klantvriendelijker, efficiënter en effectiever proces. Aanvragen waar ook Europese POP3 subsidie voor wordt aangevraagd worden conform EU regels afgehandeld en verantwoord.

Wijziging Europese Verordeningen

Op 18 december 2013 heeft de Europese Commissie een herziene landbouw de minimisverordening en een herziene MKB de minimisverordening vastgesteld.

Beide zijn vanaf 1 januari 2014 toepasbaar. De drempel voor de landbouw de minimis is verhoogd van € 7.500 naar € 15.000 aan een zelfstandige onderneming in een periode van drie belastingjaren. Dit hoeft niet bij de Commissie gemeld te worden. Voor de MKB blijft de drempel € 200.000 in een periode van drie belastingjaren.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1

Artikel 1.1

De in dit document gebruikte specifieke begrippen en verwijzingen staan in dit artikel.

Artikel 1.2

In dit artikel staat beschreven welke kosten in ieder geval niet subsidiabel zijn. In de artikelen onder hoofdstuk 2 tot en met 5 wordt per onderdeel nog verder gespecificeerd wat wel of niet subsidiabel is.

Artikel 1.3

De bij een aanvraag voor te leggen gegevens worden hier benoemd.

Artikel 1.4

Het vaststellen van een subsidieplafond is een manier om te voorkomen dat er meer subsidie wordt verleend dan wat er beschikbaar is. In principe wordt er niet meer verleend dan wat er in de gebiedsprogramma’s is opgenomen per thema of deelprogramma. Door het in deze Uitvoeringsverordening op te nemen is er een wettelijke grondslag om aanvragen af te wijzen in het geval van overschrijdingen op afgesproken programmabudgetten.

De genoemde bedragen betreffen de in de vorige periode gereserveerde maar nog niet beschikte middelen en de middelen die in het MJP 2016–2019 zijn gereserveerd voor subsidies via onderhavige verordening. Daarnaast zijn ook bedragen meegenomen die waarschijnlijk via onderhavige verordening worden besteed maar ook op andere wijze tot besteding kunnen komen. Tot slot zijn totaalbedragen meegenomen waarvan nog moet worden bepaald welk gedeelte via POP3 tot besteding zal komen voor het betreffende thema.

Artikel 1.5

Uitgangspunt van het Meerjarenprogramma Agenda Vitaal Platteland 2016–2019 is dat aanvragen die via POP3 kunnen lopen ook via die regeling gaan lopen. Om dubbele aanvragen te voorkomen en zorgvuldige deelname aan tenders te bevorderen is hierin opgenomen dat deelname aan meerdere subsidieregelingen voor dezelfde aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Natuur

Het hoofddoel met betrekking tot natuur is behoud, herstel, ontwikkeling en duurzaam gebruik van natuur ten behoeve van biodiversiteit en de kwaliteit van de leefomgeving voor de mens. Om de hoofddoelstelling van het thema natuur te realiseren, wordt het Nationale Natuur Netwerk (voorgeen EHS) ontwikkeld. Deze bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Hiermee ontstaat een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. De NNN wordt gerealiseerd door de aankoop van landbouwgronden die vervolgens worden omgevormd tot natuurgebied. Een alternatief is dat de huidige eigenaar zelf de natuur ontwikkelt (particulier natuurbeheer). Het beheer van natuurgebieden en landschapselementen en het natuurvriendelijk beheer van landbouwgronden (agrarisch natuurbeheer) wordt gesubsidieerd via het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer. Ook de aanleg van nieuwe c.q. het herstel van natuurgebieden en landschapselementen wordt via deze regeling gesubsidieerd.

Vanuit gebiedsgericht werken zijn in aanvulling op bovenstaande regeling de volgende subsidiemaatregelen inzetbaar:

  • kwaliteitsverbetering natuur

  • communicatie, educatie en onderzoek ten behoeve van natuur en landschap.

Artikel 2.1 Kwaliteitsverbetering Natuur

De provincie Utrecht heeft de kwaliteitsdoelstellingen voor natuur beschreven aan de hand van natuurdoelen en doelsoorten. De natuurdoelen zijn in het provinciale natuurbeheerplan opgenomen in de vorm van beheertypen. Voor soorten zijn er soortenbeschermingsplannen opgesteld. Vanaf 2008 is het soortenbeleid vervangen door de leefgebiedenbenadering. Daarnaast zijn er kwaliteitsdoelstellingen voor natuur vastgelegd in tal van gebiedsvisies en -plannen, in het Programma Ecologische Verbindingszones (2002–2004), in de Notitie Heideherstel (2004) en in beheerplannen voor Natuurbeschermingswetgebieden. De maatregelen die nodig zijn om de doelen te realiseren worden in het algemeen vergoed in het kader van het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL). Voor de gevallen waarin de SNL niet voorziet kan een bijdrage gevraagd worden op basis van de Uitvoeringsverordening AVP, onderdeel kwaliteitsverbetering natuur. Het gaat daarbij in het algemeen om kleinschalige activiteiten voor leefgebieden, beheersmaatregelen en beheerexperimenten.

Artikel 2.2 Communicatie, educatie en onderzoek ten behoeve van natuur en landschap

De provincie Utrecht wordt gekenmerkt door een grote diversiteit aan landschappen. Dit maakt de provincie aantrekkelijk. De natuur vormt een belangrijke basis voor een aantrekkelijk landelijk gebied. Landschappen en natuurgebieden hebben een belangrijke educatieve en recreatieve waarde voor de burgers van de provincie Utrecht. Met name het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug richt zich op het bevorderen van natuurgerichte recreatie, communicatie en educatie in haar activiteiten. Deze maatregel heeft daarom tot doel om bovenlokale initiatieven te ondersteunen voor het versterken van draagvlak, kennis en belevingswaarde ten aanzien van natuur en landschap.

Artikel 2.3 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweidenproblematiek (watersysteem, bebouwing en infrastructuur)

Dit artikel richt zich op de subsidiëring van de thema’s ‘Nieuwe watersystemen’ en ‘Nieuwe oplossingen voor infrastructuur en bebouwing’ uit het programma Aanpak Veenweiden. De uitvoering van de andere onderdelen van het programma wordt mogelijk gemaakt via artikel 4.1.2. Het programma Aanpak Veenweiden is opgesteld en wordt uitgevoerd door de gebiedscommissie Utrecht-West in opdracht van GS en richt zich op de opgaven afremmen bodemdaling en realiseren duurzaam watersysteem door het ontwikkelen en testen van innovaties.

Binnen het programma Aanpak Veenweiden richt het thema ‘Nieuwe watersystemen’ zich op het optimaliseren van het watersysteem om de effecten van klimaatverandering te beperken en de functies van het gebied te bedienen tegen aanvaardbare kosten. Het thema ‘Nieuwe oplossingen voor infrastructuur en bebouwing’ richt zich op beperken van de kosten aan infrastructuur (wegen, kabels en leidingen, aansluitingen) en bebouwing (hoogwatervoorzieningen, verzakking) in het buitengebied als gevolg van bodemdaling en zetting. Daarbij gelden de volgende doelen:

  • wateroverlast voorkomen

  • watertekorten voorkomen

  • waterkwaliteit verbeteren

  • afremmen bodemdaling

  • ecologische kwaliteit verbeteren

  • kosten besparen

Dit gebeurt door het steunen van ontwikkeling en uittesten van innovaties die zich richten op structurele oplossingen. De regeling is bedoeld voor organisaties die het onderzoek, experiment en pilot uitvoeren of daar de opdracht voor geven. De resultaten hiervan zijn openbaar.

Hoofdstuk 3 Landschap en Cultuurhistorie

De hoofddoelen met betrekking tot landschap en cultuurhistorie zijn behoud en versterking van de identiteit van verschillende landschapstypen en het vernieuwen van het landschap, met herkenning van het verleden. De provincie Utrecht telt 5 Nationale Landschappen. Dat zijn Nederlandse landschappen die internationaal zeldzaam of uniek zijn. Deze landschappen zijn gebieden met een bijzondere cultuurhistorie: ze vertellen op welke manier het Utrechtse landschap is ontstaan. Voor landschap zijn geen financiële middelen beschikbaar gesteld. Hiervan wordt verwacht dat het wordt mee gekoppeld met de andere thema’s. Onder het thema ‘landschap en cultuurhistorie’ vallen de volgende maatregelen:

Artikel 3.1 Behoud en ontwikkeling van erfgoed en aardkundige elementen

De provincie Utrecht zet in op het behouden en het zichtbaar en beleefbaar maken van cultuurhistorische en aardkundige waarden, door middel van consolidatie, restauratie, inrichtingsmaatregelen en publieksactiviteiten.

De ambities om dit doel te bereiken, staan verwoord in de Cultuurnota 2012–2015, ‘Cultuur van U’ en in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie. De erfgoedthema’s van provinciaal belang zijn historische buitenplaatszones, militair erfgoed, agrarisch cultuurlandschap en archeologie. Meer informatie over de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Utrecht is te vinden in ‘Tastbare Tijd, Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht’ en de bijbehorende digitale kaart (via de website www.provincie-utrecht.nl.).

Hoofdstuk 4 Sociaal economische vitaliteit

Onder het thema sociaal economische vitaliteit zijn de economische activiteiten in het landelijk gebied gebundeld, zoals landbouw, recreatie en toerisme. De maatregelen richten zich op de bewoners en ondernemers in het landelijk gebied waarbij het samenspel met de omgeving centraal staat. Een economisch levensvatbare landbouw met aandacht voor het toepassen van duurzamere productiesystemen wordt gestimuleerd door middel van maatregelen die gericht zijn op een betere verkaveling, toegankelijkheid van kavels en door het toepassen van milieu-innovaties. De meeste maatregelen voor de landbouw vinden plaats via het Plattelandsontwikkelingsprogramma POP3. Deze regeling beperkt zich tot de verplaatsing van landbouwbedrijven en onderzoeksprojecten voor de aanpak van veenweidengebieden.

Onder het thema ‘sociaaleconomische vitaliteit’ vallen de volgende subthema’s:

  • 1)

    landbouw;

  • 2)

    leefbaarheid en kleine kernen;

  • 3)

    relatie stad en platteland;

  • 4)

    recreatie.

Artikel 4.1.1 Verplaatsing grondgebonden bedrijven

De provincie Utrecht bevordert met deze maatregel de grondverwerving voor het realiseren van provinciale doelen in het landelijk gebied voor natuur (realiseren EHS), recreatie, landschap, water en het verbeteren van de ruimtelijke structuur van de landbouw. Het verplaatsen van een grondgebonden bedrijf houdt in dat de aanvragende partij de activiteit op de oude locatie beëindigd en elders weer opnieuw begint. De grond op de oude locatie komt daarmee beschikbaar voor bovenstaande doelen. De subsidie voorziet in de kosten voor de hervestiging van het bedrijf en voor een deel in de investeringen op de nieuwe locatie. Belangrijk bij deze maatregel is dat de subsidie wordt verstrekt conform EU staatssteunregels.

Artikel 4.1.2 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweidenproblematiek

Dit artikel richt zich op de subsidiering van de twee thema’s uit het programma Aanpak Veenweiden die aan het grondgebruik gerelateerd zijn: ‘het nieuwe melkveebedrijf’ en ‘nieuwe verdienmodellen’. De uitvoering van de andere onderdelen van het programma wordt mogelijk gemaakt via artikel 2.3.

Het programma Aanpak Veenweiden is opgesteld en wordt uitgevoerd door de gebiedscommissie Utrecht-West in opdracht van GS en richt zich op de opgaven afremmen bodemdaling en realiseren duurzaam watersysteem door het ontwikkelen en testen van innovaties.

Binnen het programma Aanpak Veenweiden richten de thema’s ‘Het nieuwe melkveebedrijf’ en ‘Nieuwe verdienmodellen’ zich op het zo veel mogelijk wegnemen van de oorzaak van problemen door op verschillende manieren oxidatie van veen en bodemdaling te beperken met de volgende doelen:

  • minder oxidatie van veen, dus minder bodemdaling;

  • minder emissies van broeikasgassen;

  • minder stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden;

  • economisch rendabel, met toekomstperspectief en ruimte voor groei;

  • zorgvuldig omgaan met beschikbaar water, kwalitatief en kwantitatief;

  • nieuwe kansen voor natuur;

  • minder belasting infrastructuur.

Bij het nieuwe melkveebedrijf gebeurt dat door het steunen van de ontwikkeling van de melkveehouderij naar economisch vitale, duurzame bedrijven die in kunnen spelen op nieuwe maatschappelijke eisen, klimaatverandering en het afremmen van bodemdaling. Bij het thema nieuwe verdienmodellen gebeurt dat door het zoeken naar nieuwe vormen van grondgebruik die nieuwe economische perspectieven kunnen bieden voor het gebied en naast, of gecombineerd met, de huidige melkveehouderij kunnen inspelen op nieuwe maatschappelijke eisen, klimaatverandering en het afremmen van bodemdaling.

De regeling is bedoeld voor organisaties die het onderzoek, experiment en pilot uitvoeren. De resultaten hiervan zijn openbaar en voor alle ondernemers beschikbaar. Daarom kan de regeling niet worden benut door individuele landbouwondernemers. Ondernemers kunnen wel het initiatief nemen voor een bepaald onderzoeksproject en hiervoor een organisatie inschakelen om het onderzoek uit te voeren.

Artikel 4.2 Leefbaarheid en kleine kernen

De provincie Utrecht wil in de kleinere kernen in het landelijk gebied de leefbaarheid op peil houden. Hiervoor komen verschillende maatschappelijke initiatieven van verschillende partijen in aanmerking. Deze kunnen zich richten op het in stand houden van basisvoorzieningen in geval van marktfalen. Dat wil zeggen als een onderneming niet meer rendabel kan functioneren omdat bijvoorbeeld het inwonersaantal in het afzetgebied onvoldoende is geworden. Ook het uitvoeren van activiteiten gericht op het tegengaan van eenzaamheid onder senioren en/of kwetsbare groepen of het versterken van de organisaties ten behoeve van culturele en/of gemeenschappelijke activiteiten.

Artikel 4.2.2 ‘Next Generation’breedband internet in witte gebieden van de provincie Utrecht

Maatregelen gericht op vraagbundeling op het gebied van vraagbundeling voor Next Generation Acess (NGA) netwerken in de witte gebieden van de provincie Utrecht. Hiermee wordt invulling gegeven aan de afspraken die zijn benoemd in de intentieovereenkomst tussen provincie Utrecht en gemeenten over snel internet in het buitengebied. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat betreffende gemeenten positief tegenover initiatieven staan.

Artikel 4.3 relatie stad en platteland

De provincie Utrecht wil een uitnodigende stad-landverbinding en een aangrenzend landelijk gebied dat bijdraagt aan een aantrekkelijk en gezond leefmilieu. Onderdeel daarvan is betrokkenheid bij de landbouw en meer kennis over de productie van regionaal voedsel.

Artikel 4.3.5 Boerderijeducatie

De regeling biedt een afzonderlijk kader voor projecten op het gebied van boerderijeducatie. Het gaat om een onkostenregeling voor de agrariërs die schoolklassen ontvangen, om de ontwikkeling van lespakketten daarvoor en om communicatie en promotie richting de scholen. Achterliggend doel is kinderen kennis te laten maken met voedselproductie.

Afdeling 4.4 Recreatie

De provincie Utrecht kiest in haar recreatiebeleid, vastgelegd in de Visie Recreatie en Toerisme 2020, voor een duidelijke focus in activiteiten en verantwoordelijkheden. Projecten dien bij te dragen aan de recreatieve opgaven voor het versterken en/of bewaken van het Recreatief hoofdnetwerk (RHN), de recreatiedruk te accommoderen en/of het ondernemerschap Ondersteunen.

In het algemeen gaat dat we inzetten op kwalitatieve verbetering van en meer samenhang tussen de gedane investeringen in de afgelopen jaren. Daarnaast is het van belang dat subsidies een aanjaag- of opstapfunctie hebben naar een gezonde bedrijfsvoering waarbij geld in de markt wordt verdiend.

Artikel 4.4.1 Ontwikkeling en samenhang poorten, toeristische overstappunten (TOP’s) en inrichtingsmaatregelen t.b.v. recreatie om de stad Utrecht

Dit artikel is gericht op haalbaarheidsstudies en marktverkenningen ten behoeve van toeristische overstappunten, aanleg van nieuwe toeristische overstappunten (TOP’s) en recreatieve poorten door middel van voorzieningen of infrastructurele werken en aanleg van pleisterplaatsen en andere recreatieve infrastructurele werken binnen het programma Recreatie om de Stad Utrecht.

Artikel 4.4.2 Samenhang en publieksbereik regionale routenetwerken

Dit artikel is gericht op recreatief fietsen, wandelen en varen en eventueel andere recreatiesporten. De subsidies is bedoeld voor haalbaarheidsstudies, marktverkenningen, optimalisatie en kwaliteitsverbetering van bestaande routes, ontwikkelen, plaatsen en verspreiden van routeinformatie (zoals fysieke bewegwijzering, routepanelen, digitale informatievoorziening, routebrochures).

Artikel 4.4.3 Boerenlandpaden

Deze subsidie is bedoeld voor het beheer van boerenlandpaden/klompenpaden die voor 2016 zijn aangelegd en onderdeel zijn van het wandelknooppuntennetwerk. Het beheer via de subsidieverordening Asv is tot en met 2017 geregeld. Na 2017 gaat het beheer over naar het routebureau.

Artikel 4.4.4 Landelijke routenetwerken

Het borgen van onderhoud en beheer van de LFG-routes en de LAW-routes vormt het belangrijkste aandachtpunt. Hiernaast zijn thema’s als optimalisatie, kwaliteitsverbetering en publieksbereik van belang.

Hoofdstuk 5 Inzet gebiedsorganisaties

Artikel 5.1 Inzet gebiedsorganisaties

De gebiedsorganisaties kunnen subsidie krijgen voor procesvoering: de kosten die gepaard gaan met de ondersteuning om tot projecten te komen. Verder kunnen gebiedsorganisaties subsidie krijgen om de uitvoeringskosten te dekken. Dit zijn de kosten die gebiedsorganisaties maken om de taak die ze van de provincie Utrecht gekregen hebben, uit te voeren. Aan de gebiedsorganisaties wordt ook gevraagd om algemene ondersteuning te geven bij de uitvoering van provinciaal beleid op het gebied van natuur, water, bodem en milieu, landschap, cultuurhistorie, landbouw, recreatie en leefbaarheid. Met name ondersteuning bij de ontwikkeling van lokaal draagvlak voor windmolens en zonne-energie is gewenst.