Provinciaal blad van Gelderland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GelderlandProvinciaal blad 2015, 7842Overige besluiten van algemene strekking

Regels Ruimte voor Gelderland 2016. Gecorrigeerd exemplaar

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

Maken bekend dat zij in hun vergadering van 3 november 2015 hebben besloten tot vaststelling van de volgende regeling, welke nadien gewijzigd is vastgesteld op 12 november 2015:

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

Gelet op artikel 2 van de de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016;

BESLUITEN

Vast te stellen de volgende Regels Ruimte voor Gelderland 2016:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1 Algemene begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 (PbEU van de Europese Commissie van 17 juni 2014;

  • b.

    AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016;

  • c.

    controleprotocol: instructie aan de subsidieontvanger voor het geven van aanwijzingen voor de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole;

  • d.

    directe arbeidskosten: een vergoeding voor de inzet van gewerkte uren van personeel niet in loondienst, niet zijnde kosten van derden;

  • e.

    directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen;

  • f.

    indirecte kosten: het totaal van indirecte loonkosten en kosten voor overhead;

  • g.

    indirecte loonkosten: het totaal van de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en de kosten van emolumenten;

  • h.

    kosten van apparatuur:

  • i.

    gebruikskosten van bestaande apparatuur of van apparatuur die niet speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit;

  • j.

    kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit;

  • k.

    kosten van derden: de kosten voor uitbesteding van diensten en het inlenen van personeel;

  • l.

    kosten van materialen: de kosten voor verbruiksgoederen;

  • m.

    Landbouw groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014.

Paragraaf 1.2 De aanvraag

Artikel 1.2.1 Tijdvak voor aanvragen

Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend.

Artikel 1.2.2 Indieningstermijn bij verdeelplan

Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend.

Artikel 1.2.3 Inhoud van aanvraag om subsidie

  • 1.

    Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen;

    • b.

      een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting;

    • c.

      indien de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan: een planning van de uitvoering van de activiteiten in de eerste 12 maanden en de daaraan verbonden kosten, alsmede een planning voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    • d.

      indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: zijn statuten; en

    • e.

      indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de balans en de staat van opbrengsten en kosten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdelen d en e.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen een schriftelijke verklaring vragen van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde bescheiden dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken.

  • 4.

    Indien voor dezelfde activiteiten tevens subsidie is aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag.

Artikel 1.2.4 Boekjaarsubsidies

  • 1.

    De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar.

  • 2.

    Indien voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van de aanvang.

Artikel 1.2.5 Ontvangstbevestiging

Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld.

Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag

Artikel 1.3.1 Directe vaststelling bij subsidies tot € 25.000

  • 1.

    Bij een subsidie tot € 25.000 wordt geen verleningsbesluit genomen.

  • 2.

    Indien sprake is van subsidieverstrekking onder opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de AsG wordt in het verleningsbesluit aangegeven binnen welke termijn de activiteit wordt uitgevoerd.

  • 3.

    Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid bevat het verleningsbesluit tevens de datum waarop de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld.

Artikel 1.3.2 Wijze van verdeling

  • 1.

    Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.

  • 2.

    Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde als bedoeld in het eerste lid bepaald door loting.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst.

  • 4.

    Op aanvragen die voor een bepaalde datum moeten worden ingediend en die op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst, wordt in afwijking van het eerste lid beslist op volgorde van die rangorde.

  • 5.

    Bij de toepassing van het derde en vierde lid wordt onder aanvraag verstaan een aanvraag die voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren indien die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Artikel 1.3.3 Communautair toetsingskader

  • 1.

    Indien de verstrekking van subsidie als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VwEU moet worden aangemerkt, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352).

  • 2.

    Indien tegen een subsidieontvanger een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, is betaling daarvan uitgesloten (Deggendorfclausule).

  • 3.

    Subsidie aan ondernemingen in moeilijkheden wordt niet verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 1.3.4 Sluitende begroting

Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is.

Artikel 1.3.5 Niet-subsidiabele kosten

  • 1.

    Geen subsidie wordt verstrekt in verband met:

    • a.

      kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag;

    • b.

      kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen;

    • c.

      kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd;

    • d.

      verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten;

    • e.

      kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties;

    • f.

      legeskosten indien de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan;

    • g.

      kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de opbrengsten die met de activiteiten verband houden;

    • h.

      kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen;

    • i.

      kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager;

    • j.

      kosten gemaakt na beëindiging van activiteiten met uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG;

    • k.

      kosten van in natura geleverde diensten en goederen;

    • l.

      kosten van personen of organisaties die organisatorisch, economisch of financieel zijn verbonden welke onderling in rekening worden gebracht;

    • m.

      fooien, geschenken, gratificaties en bonussen;

    • n.

      kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten;

    • o.

      niet noodzakelijke of bovenmatige kosten.

Artikel 1.3.6 Methoden voor berekening van kosten

  • 1.

    De aanvrager kiest voor het berekenen van personeelskosten, kosten voor apparatuur en de kosten van materialen een van de volgende methoden:

    • a.

      de vaste uurtariefsystematiek;

    • b.

      de loonkosten plus vaste opslagsystematiek;

    • c.

      de integrale kostensystematiek.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid worden de kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.

  • 3.

    De aanvraag bevat een opgave van de gekozen methode.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten een andere methode vaststellen.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen de vaste uurtariefsystematiek toegepast.

Artikel 1.3.7 Vaste uurtariefsystematiek

  • 1.

    De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn:

    • a.

      een vast uurtarief als vergoedig voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten;

    • b.

      kosten van apparatuur;

    • c.

      kosten van materialen;

    • d.

      kosten van derden.

  • 2.

    Het vaste uurtarief bedraagt ten hoogste € 35.

  • 3.

    Het aantal gewerkte uren moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is.

Artikel 1.3.8 Loonkosten plus vaste opslagsystematiek

  • 1.

    De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn:

    • a.

      een uurtarief voor directe loonkosten;

    • b.

      een opslag over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten;

    • c.

      een vast uurtarief als vergoeding voor de directe arbeidskosten;

    • d.

      kosten van apparatuur;

    • e.

      kosten van materialen;

    • f.

      kosten van derden.

  • 2.

    Het uurtarief voor de directe loonkosten word bepaald door de directe loonkosten per betrokken medewerker te delen door 1.600 en bedraagt ten hoogste € 91.

  • 3.

    Het vaste uurtarief voor directe arbeidskosten bedraagt ten hoogste € 35.

  • 4.

    De opslag voor de indirecte kosten bedraagt ten hoogste 20%.

  • 5.

    Het aantal gewerkte uren van de betrokken medewerker moet in de administratie met bijhorende loonkosten worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600.

  • 6.

    Het vijfde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is.

Artikel 1.3.9 Berekeningswijzen kosten

  • 1.

    Bij de toepassing van de artikelen 1.3.7 en 1.3.8 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met negende lid.

  • 2.

    De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder g, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermeningvuldigen met het machine-uurtarief.

  • 3.

    Het machine-uurtarief als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn.

  • 4.

    Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie.

  • 5.

    De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder g, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat.

  • 6.

    De lineaire afschrijving als bedoeld in het vierde lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn.

  • 7.

    De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.

  • 8.

    De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers zijn subsidiabel voorzover:

    • a.

      deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald;

    • b.

      het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger zijn vastgelegd;

    • c.

      de hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal € 4,50 per uur, met een maximum van € 150 per maand en € 1.500 per jaar.

Artikel 1.3.10 Integrale kostensystematiek

  • 1.

    De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn:

    • a.

      een tarief voor de directe en indirecte kosten van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers;

    • b.

      kosten van derden.

  • 2.

    De kosten per kostendrager als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager.

  • 3.

    Het tarief als bedoeld in het tweede lid wordt gebaseerd op een positief besluit dat op de datum waarop de aanvraag wordt ingediend niet ouder is dan twee jaar van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek.

  • 4.

    De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief.

Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 1.4.1 Uitvoering van de activiteiten

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht om binnen 13 weken na de subsidieverlening dan wel, ingeval van subsidie die zonder voorafgaande subsidieverlening direct wordt vastgesteld, binnen 13 weken na de subsidievaststelling te beginnen met de uitvoering van de activiteiten.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid.

  • 3.

    De subsidieontvanger is verplicht alle op de activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste vijf jaren na afronding van de activiteit te bewaren.

Artikel 1.4.2 Administratie bij subsidies vanaf € 125.000

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichtte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten.

  • 2.

    Het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken;

    • b.

      bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt, en

    • c.

      uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het project waarvoor de subsidie is verleend.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven.

Artikel 1.4.3 Voortgangsrapportage

Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, eenmaal per jaar verplichten om een voortgangsrapportage over te leggen.

Artikel 1.4.4 Verrichten van activiteiten

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen dat de inkomsten of de uitgaven afwijken van de begroting, dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 2.

    De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 1.4.5 Vervreemding van goederen en rechten

  • 1.

    De subsidieontvanger is gehouden, indien met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten hiervan in kennis te stellen en de verstrekte subsidie terug te betalen, tenzij anders bepaald.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken nadat zij kennis hebben gekregen van de omstandigheid bedoeld in het vorige lid.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen.

Artikel 1.4.6 Vermogensvorming

  • 1.

    De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd.

  • 2.

    Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen.

  • 3.

    De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde.

  • 4.

    De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen.

  • 5.

    Indien minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is indien:

    • a.

      de activiteiten door een ander worden overgenomen;

    • b.

      de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en

    • c.

      de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger.

Artikel 1.4.7 In stand houden resultaten

  • 1.

    De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na de uitvoering van de activiteiten ten behoeve waarvan de subsidie is verleend, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op subsidies als bedoeld in artikel 1.3.1.

Paragraaf 1.5 Vaststelling

Artikel 1.5.1 Vaststelling van subsidies tussen € 25.000 tot € 125.000

De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan:

  • a.

    of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting;

  • b.

    of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

  • c.

    wat het totaal van de subsidiabele kosten is;

  • d.

    in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is;

  • e.

    wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is; en

  • f.

    wat het totaal van de eigen bijdragen is.

Artikel 1.5.2 Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000

  • 1.

    Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie, onverminderd artikel 27, eerste, derde en vierde lid van de AsG, vergezeld van:

    • a.

      de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord;

    • b.

      het jaarverslag; en

    • c.

      de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a.

  • 2.

    Uit accountantsverklaring moet blijken dat het controleprotocol is toegepast.

  • 3.

    De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd.

Artikel 1.5.3 Vaststelling van subsidies bij bijzonder programma

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2 wordt de eindverantwoording van een subsidie op grond van artikel 12 van de AsG voorzien van een accountantsverklaring, waaruit blijkt dat het controleprotocol is toegepast.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.5.2 kunnen gemeenten, waterschappen en rechtspersonen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen de eindverantwoording als bijlage bij de jaarrekening opnemen onder de voorwaarden dat:

    • a.

      de verklaring van de accountant mede strekt tot de verantwoording in de bijlage;

    • b.

      de gehele jaarrekening en het jaarverslag worden meegezonden;

    • c.

      het verslag van bevindingen wordt bijgevoegd, waarin de accountant een verwijzing opgenomen heeft dat de controle is uitgevoerd met inachtneming van het controleprotocol; of

    • d.

      indien een dergelijk verslag niet door de accountant is afgegeven een mededeling van de accountant dat gecontroleerd is met inachtneming van het controleprotocol.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op subsidies tot € 125.000.

  • 4.

    De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk 12 maanden nadat de activiteiten zijn uitgevoerd.

Paragraaf 1.6 Overige bepalingen

Artikel 1.6.1 Waarderingssubsidies

In afwijking van artikel 5, tweede lid, van de AsG kan waarderingssubsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen.

Artikel 1.6.2 Cofinanciering EFRO

Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29, 31 en paragraaf 7 van de AsG het bepaalde bij of krachtens de Uitvoeringswet EFRO van toepassing.

Hoofdstuk 2 Duurzame ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer

Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Beleef de Waal: het deelproject van het Uitvoeringsprogramma WaalWeelde 2013-2017 zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 5 maart 2013;

  • b.

    collectief: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon die beoogt hun belangen in een CPO-woningbouwproject te behartigen;

  • c.

    CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap;

  • d.

    CPO-woningbouwproject: de bouw en realisatie van minimaal 3 woningen door een collectief;

  • e.

    waterliniefort: een van de navolgende objecten:

    • -

      Complex Fort bij Asperen;

    • -

      Complex Fort aan de Nieuwe Steeg;

    • -

      Complex Fort bij Vuren;

    • -

      Complex Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk;

    • -

      Complex Batterij onder Poederoijen;

    • -

      Complex Batterij onder Brakel;

    • -

      Complex Fort Everdingen;

  • f.

    knooppunt in de recreatieve infrastructuur: een plaats bij een veerverbinding over de Boven-Rijn, het Bijlandsch Kanaal of de Waal waar wandel- en fietsroutes en struinpaden samenkomen en die bereikbaar is met de auto;

  • g.

    samenwerking “Rondje Pontje”: een samenwerkingsverband van ondernemers en initiatiefnemers rond twee pontjes en de routes daartussen op de beide oevers van de Waal;

  • h.

    vertierplek: plek aan de Waal die met minimale aanpassingen zodanig is ingericht dat er toegang is tot de oever en gelegenheid om aan het water te recreëren;

  • i.

    WaalWeeldegebied: het gebied omvattende het grondgebied van de gemeenten Beuningen, Druten, Lingewaal, Lingewaard, Maasdriel, Millingen a/d Rijn, Neerijnen, Neder- Betuwe, Nijmegen, Overbetuwe, Rijnwaarden, Tiel, Ubbergen, West Maas en Waal en Zaltbommel.

Paragraaf 2.2 Ontwikkeling forten

Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de restauratie of voorbereiding van de restauratie van een waterliniefort;

  • b.

    de modernisering of fysieke verbetering dan wel de voorbereiding van de modernisering of fysieke verbetering van de infrastructuur behorend bij een waterliniefort.

Artikel 2.2.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en

    • b.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien jaarlijks ten minste 80% van de tijd- of ruimtecapaciteit van de infrastructuur behorend bij een waterliniefort voor culturele doeleinden wordt gebruikt.

Artikel 2.2.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van een waterliniefort.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.2.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    80% van de kosten met een maximum van € 1.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1 ten behoeve van de waterlinieforten genoemd in artikel 2.1.1, onder d, onderdelen i tot en met vi;

  • b.

    50% van de kosten met een maximum van € 1.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1 ten behoeve van het waterliniefort genoemd in artikel 2.1.1, onder d, onderdeel vii, met uitzondering van monumentnummers 531684, 531664 en 531666.

Artikel 2.2.5 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.2.1 slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening

Paragraaf 2.3 Gebiedsontwikkeling

Artikel 2.3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de voorbereiding of uitvoering van werkzaamheden waarmee:

  • a.

    een cultuurhistorisch object wordt gerestaureerd;

  • b.

    bewegwijzering of straatmeubilair wordt aangeschaft en geplaatst;

  • c.

    informatiepanelen worden aangeschaft en geplaatst;

  • d.

    straatverlichting wordt aangeschaft en geplaatst;

  • e.

    wandel- of rolstoelpaden worden aangelegd of aangepast;

  • f.

    aanleg of aanpassingen worden gerealiseerd van parkeerplaatsen;

  • g.

    landschappelijke of bouwkundige aanpassingen worden gerealiseerd ten gunste van het overwinteren, het zwermen of migreren van vleermuizen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Artikel 2.3.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en

    • b.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de plaatsing van de bewegwijzering of het straatmeubilair gebeurt op openbaar terrein in de Nieuwe Hollandse Waterlinie; en

    • b.

      de bewegwijzering of het straatmeubilair worden geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie.

  • 3.

    Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de informatiepanelen worden geplaatst op openbaar terrein in de Nieuwe Hollandse Waterlinie;

    • b.

      de informatiepanelen worden geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie; en

    • c.

      de informatiepanelen bevatten informatie over het historische, militaire systeem de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

  • 4.

    Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder d, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de straatverlichting wordt geplaatst op openbaar terrein aan de Diefdijk in de gemeenten Vianen en Leerdam, de Meerdijk, de Nieuwe Zuiderlingedijk of de Zuiderlingedijk in de gemeente Lingewaal; en

    • b.

      de straatverlichting wordt geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie.

  • 5.

    Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder e, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de wandel- of rolstoelpaden openbaar toegankelijk zijn; en

    • b.

      de wandel- of rolstoelpaden leiden naar een cultuurhistorisch object of vormen een aaneengesloten route om een cultuurhistorisch object.

  • 6.

    Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder f, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zijn; en

    • b.

      de ingang van de parkeerplaatsen is gelegen op een afstand van minder dan 200 meter van objecten die zijn aangewezen als Rijksmonumenten en die een functie hadden in de militaire werking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Artikel 2.3.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a en g, wordt verstrekt aan de eigenaar van het cultuurhistorisch object.

  • 2.

    Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.1, onder b tot en met f, wordt verstrekt aan de eigenaar van het terrein waarop de werkzaamheden plaatsvinden of de materialen worden geplaatst.

  • 3.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.3.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de kosten met een maximum van € 200.000.

Artikel 2.3.5 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a, e en f, slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 2.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap

Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt ten behoeve van:

  • a.

    procesbegeleidingsactiviteiten door een procesbegeleider of architect met ervaring in procesbegeleiding;

  • b.

    ontwerpactiviteiten door een deskundige voor woningbouwprojecten die gerealiseerd worden door middel van CPO;

  • c.

    eenmalige niet-reguliere activiteiten ter stimulering van woningbouw met CPO.

Artikel 2.4.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, nog niet verleend is;

  • b.

    de maximale koopprijs van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject bij indienen van de aanvraag beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt; en

  • c.

    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente een positief advies heeft

afgegeven ten behoeve van het CPO-woningbouwproject.

Artikel 2.4.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, onder a en b, wordt verstrekt aan een collectief.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, onder c, wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 2.4.4 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, onder a en b, bedraagt ten hoogste 75% van de kosten en ten hoogste:

    • a.

      € 5.000 per woning met een maximum van € 50.000 per CPO-woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft;

    • b.

      € 8.000 per woning met een maximum van € 80.000 per CPO-woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop met nieuwbouw.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 25.000 per gemeente.

Paragraaf 2.5 Beleef de Waal

Artikel 2.5.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      de voorbereiding van de aanleg en de realisatie van vertierplekken en veerstoepen en de ontwikkeling, productie en plaatsing van informatievoorzieningen;

    • b.

      de ontwikkeling van producten en arrangementen op het gebied van duurzaam toerisme;

    • c.

      het opzetten en ontwikkelen van de samenwerking “Rondje Pontje”;

    • d.

      het ontwikkelen en organiseren van evenementen en manifestaties.

  • 2.

    Geen subsidie wordt verstrekt voor de aanleg of wijziging van wegen of dijken.

Artikel 2.5.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die:

  • a.

    worden uitgevoerd in het WaalWeeldegebied;

  • b.

    passen binnen de doelstellingen van Beleef de Waal;

  • c.

    positief zijn beoordeeld door burgemeester en wethouders van de gemeente in het WaalWeeldegebied waar de activiteit plaatsvindt, voor zover het activiteiten betreft als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, onder a, b en d; en

  • d.

    passen in een duurzame ontwikkeling van het WaalWeeldegebied.

Artikel 2.5.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan:

    • a.

      een natuurlijk persoon die woonachtig is in het WaalWeeldegebied;

    • b.

      een gemeente in het WaalWeeldegebied;

    • c.

      een rechtspersoon die blijkens zijn statutaire doelen en activiteiten een bijdrage kan leveren aan Beleef de Waal.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.5.4 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    een schriftelijke verklaring van burgemeester en wethouders waaruit blijkt dat de betreffende subsidiabele activiteit positief is beoordeeld, voor zover het een activiteit als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, onder a, b of d betreft; en

  • b.

    een uiteenzetting dat de betreffende subsidiabele activiteit past in een duurzame ontwikkeling van het WaalWeeldegebied.

Artikel 2.5.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 75.000.

Artikel 2.5.6 Weigeringsgrond

Subsidie als bedoeld in artikel 2.5.1,eerste lid, onder b, c en d, wordt geweigerd voor zover fysieke voorzieningen niet worden aangelegd of gewijzigd op grond die in eigendom is van publiekrechtelijke rechtspersonen.

Paragraaf 2.6 Waalpleisterplaatsen

Artikel 2.6.1 Subsidiabele activiteit

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van openbare voorzieningen aan een knooppunt in de recreatieve infrastructuur.

  • 2.

    Onder openbare voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan:

    • -

      picknicktafel;

    • -

      ten minste één bank en prullenbak op de veerstoep;

    • -

      watertappunt;

    • -

      parkeerplaats liggend op of aan de veerdam of direct achter de dijk;

    • -

      elektriciteitsaansluiting;

    • -

      openbaar toilet;

    • -

      camperplaatsen;

    • -

      aanlegsteiger recreatieve vaartuigen.

Artikel 2.6.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover:

  • a.

    het knooppunt in de recreatieve infrastructuur gelegen is in het WaalWeeldegebied;

  • b.

    niet alle openbare voorzieningen als genoemd in artikel 2.6.1, tweede lid, onderdelen i tot en met iv, reeds op het knooppunt in de recreatieve infrastructuur aanwezig zijn;

  • c.

    alle openbare voorzieningen als genoemd in artikel 2.6.1, tweede lid, onderdelen i tot en met iv, na afronding van de subsidiabele activiteit op het knooppunt in de recreatieve infrastructuur aanwezig zullen zijn;

  • d.

    de aan te leggen openbare voorzieningen tegen hoogwater bestand zijn, dan wel dat deze gedurende hoogwater tijdelijk verwijderd kunnen worden; en

  • e.

    de activiteit positief is beoordeeld door burgemeester en wethouders van de gemeente in het Waalweeldegebied waar de activiteit plaatsvindt.

Artikel 2.6.3 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag in elk geval een schriftelijke verklaring van burgemeester en wethouders verstrekt waaruit blijkt dat de betreffende subsidiabele activiteit positief is beoordeeld.

Artikel 2.6.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 100.000.

Artikel 2.6.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien Gedeputeerde Staten reeds subsidie hebben verstrekt voor een soortgelijke activiteit in dezelfde gemeente.

Artikel 2.6.6 Verplichtingen

Onverminderd artikel 1.4.7 is de subsidieontvanger verplicht de openbare voorzieningen gedurende ten minste vijf jaar na de vaststelling van de subsidie te beheren en te onderhouden.

Hoofdstuk 3 Milieu, energie en klimaat

Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    hernieuwbare energie: niet-fossiele energie zoals windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

  • b.

    lokaal duurzaam energiebedrijf: een onderneming die hernieuwbare energie produceert waarbij de zijn gevestigd binnen een straal van 30 kilometer ten opzichte van een afnemers productielocatie van voornoemde onderneming;

  • c.

    terugverdientijd: de subsidiabele kosten gedeeld door de verwachte jaarlijkse besparing.

Paragraaf 3.2 Programmabureau EMT

Artikel 3.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de bouw of het upgraden van een innovatiecluster;

  • b.

    het exploiteren van een innovatiecluster.

Artikel 3.2.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt ten behoeve van de sector energie- en milieutechnologie.

Artikel 3.2.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan de Stichting Kennis en Innovatie in Energie- en Milieu Technologie.

Artikel 3.2.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de kosten.

Artikel 3.2.5 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening

Paragraaf 3.3 Lokale hernieuwbare energieprojecten en participatie door natuurlijke personen 

Artikel 3.3.2 Subsidiabele activiteit 

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van lokale hernieuwbare energieprojecten.

Artikel 3.3.3 Criteria 

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    minimaal 50 natuurlijke personen wonend op 50 verschillende adressen deelnemen door middel van een financiële bijdrage;

  • b.

    de financiële deelname van voornoemde personen gezamenlijk ten minste 25% van de kosten bedraagt;

  • c.

    de bijdrage per natuurlijk persoon minimaal € 50 bedraagt; en

  • d.

    het lokale hernieuwbare energieproject een terugverdientijd heeft van minimaal vijf jaar.

Artikel 3.3.4 Aanvrager 

Subsidie wordt verstrekt aan lokale duurzame energiebedrijven.

Artikel 3.3.5 Aanvraag 

Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een document verstrekt met een overzicht van NAW-gegevens van de deelnemende natuurlijke personen en van de hoogte van het ingezette bedrag per natuurlijke persoon.

Artikel 3.3.6 Hoogte van de subsidie 

De subsidie bedraagt ten hoogste 20% van de kosten, met een minimum van € 3.500,- en een maximum van € 100.000.

Artikel 3.3.7 Verplichtingen 

De subsidieontvanger is verplicht om ervoor zorg te dragen dat de bijdrage van natuurlijke personen ten minste 5 jaar beschikbaar blijft voor de subsidiabele activiteit.

Paragraaf 3.4 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in EMT-sector

Artikel 3.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt:

  • a.

    voor het verkleinen van arbeidsmarktdiscrepanties;

  • b.

    als cofinanciering voor een aanvraag van onderwijsinstellingen in het kader van het Regionaal investeringsfonds mbo zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 23 april 2014 (nummer 11234) met inbegrip van wijzigingen van deze regeling.

Artikel 3.4.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sector energie- en milieutechnologie; en

    • b.

      bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten één of meerdere ondernemingen zijn betrokken.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 3.4.2 onder b, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren EMT;

    • b.

      bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten één of meerdere ondernemingen zijn betrokken; en

    • c.

      de cofinanciering wordt aangewend ter verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt.

Artikel 3.4.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan:

    • a.

      ondernemingen;

    • b.

      verenigingen van ondernemingen;

    • c.

      kennisinstellingen;

    • d.

      onderwijsinstellingen

    • e.

      gemeenten.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 3.4.1, onder b, wordt verstrekt aan kennisinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs.

Artikel 3.4.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de kosten met een maximum van € 200.000.

Hoofdstuk 4 Vitaal platteland, natuurbeheer en ontwikkeling natuurgebieden

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    aanloopbeheer: beheerkosten voor agrarische natuurterreinen die gemaakt zijn in een periode direct voorafgaand aan de omvorming van agrarisch natuurbeheer tot natuurbeheer en waarvoor geen vergoeding voor agrarisch natuurbeheer is ontvangen;

  • b.

    agrarisch natuurbeheer: natuurbeheer op landbouwgronden;

  • c.

    agrarische onderneming: natuurlijke persoon of rechtspersoon die als economische activiteit gewassen, teelt of dieren houdt met als doel deze, of de producten die daaruit voortkomen, te verkopen;

  • d.

    ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland waarop

de begrenzing is vastgelegd van bestaande en nieuwe natuur;

  • e.

    asbest: vezelachtige silicaten zijnde actinoliet (CAS-nummer 77536-66-4), amosiet (CAS-nummer 12172-73-5), anthofylliet (CAS-nummer 77536-67-5), crysotiel (CAS-nummer 12001-29-5), crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4) en tremoliet (CAS-nummer 77536-68-6);

  • f.

    asbest dak: dak, dakgoot of gevel welke asbest bevat;

  • g.

    bedrijfslocatie: een terrein waarop een onderneming wordt uitgeoefend met een gebouw of meerdere gebouwen die samen een eenheid vormen vanwege eigendom of bedrijfsvoering;

  • h.

    begrensde grond: binnen de provincie gelegen grond die in het vigerende Natuurbeheerplan is begrensd met als hoofdfunctie om te vormen naar natuur:

  • i.

    beheereenheid: natuurterrein waarvan de gronden in samenhang met elkaar worden beheerd;

  • j.

    Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen;

  • k.

    bos- of landgoed: een voor het publiek opengestelde onroerende zaak, geheel of gedeeltelijk bezet met bossen, natuurterreinen of landschapselementen;

  • l.

    bos- of landgoedeigenaar: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechthebbende is opeen bos- of landgoed en de instandhouding daarvan nastreeft;

  • m.

    cultuurhistorische landschapselementen: elementen die kenmerkend zijn voor de lokale ontstaansgeschiedenis van het landschap;

  • n.

    erfbeplanting: beplanting binnen het agrarisch bouwblok;

  • o.

    EVZ: ecologische verbindingszone, aangeduid in het Natuurbeheerplan Gelderland;

  • p.

    Faunafonds: Faunafonds als bedoeld in artikel 83 van de Flora- en faunawet;

  • q.

    . faunavoorziening: een voorziening inclusief toeleidende rasters die het dieren mogelijk maakt openbare infrastructuur veiliger over te steken;

  • r.

    functieverandering: het feitelijk en publiekrechtelijk wijzigen van het gebruik van grond van landbouw naar natuur en het vestigen van een kwalitatieve verplichting op die grond;

  • s.

    gebouwen: opstallen alsmede het kadastrale perceel waarop deze opstallen zijn gelegen.

  • t.

    gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf;

  • u.

    gecertificeerd bedrijf: bedrijf dat beschikt over de volgende certificering ten behoeve van het inventariseren of verwijderen van asbest:

1°. SC 530: Asbestverwijdering;

2°. SC 540: Asbestinventarisatie;

  • v.

    gecertificeerde begunstigde: begunstigde als bedoeld in artikel 1.11 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016

  • w.

    GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door Provinciale Staten bij vaststelling van de Omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit van 24 september 2014 dan wel de op basis van artikel 2.7.3.1 van de Omgevingsverordening provincie Gelderland door Gedeputeerde Staten gewijzigde begrenzing;

  • x.

    GNN-verbindingen: verbindingen tussen het GNN, voorheen genaamd EHS-verbindingen, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland de in Structuurvisie Aanpassing EHS 2012 op 29 mei 2013;

  • y.

    grondstrategieplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin is vastgelegd de wijze waarop ruiling , aan- en verkoop van gronden plaatsvindt ten behoeve van het bereiken van provinciale doelen in een bepaald gebied;

  • z.

    hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen;

aa. herstelmaatregel natte landnatuur: maatregelen ten behoeve van herstel van natte landnatuur binnen de gebieden aangegeven op de kaart Water en natuur onderdeel van de Omgevingsvisie (PS2015-360) en gepubliceerd op 21 augustus 2015;

bb. inrichting: de uitvoering van maatregelen die de fysieke kenmerken van het natuurterrein wijzigen;

cc. inrichtingsmaatregelen: maatregelen die er toe strekken de fysieke conditie of kenmerken van het terrein te wijzigen;

dd. klein historisch water: wielen en kolken;

ee. knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om de overkant van infrastructuur te bereiken.

ff. landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b van de Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de raad;

gg. landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf;

hh. landbouwbedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de uitoefening van een landbouwbedrijf;

ii. landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, dan wel een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een landbouwactiviteit uitoefent;

jj. landbouwgrond: binnen de provincie gelegen stuk grond waarop een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd;

kk. landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten;

ll. leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus van een of meer prioritaire soorten zich kunnen afspelen;

mm. modernisering: vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op de nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie, of technologie fundamenteel wordt gewijzigd

nn. Nationale Landschappen: Nationale Landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005;

oo. Natura 2000-gebied: door het Rijk aangewezen Natura 2000 gebieden op basis van de Natuurbeschermingswet;

pp. Natura 2000-doelstellingen: instandhoudings- en ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000 gebied;

qq. Natura 2000-herstelmaatregelen: maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteiten zoals beschreven in Natura 2000 beheerplannen of ontwerp beheerplannen van door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natura 2000-gebieden;

rr. natuurambitieterrein: terrein dat is opgenomen op de ambitiekaart, dat is aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen op deze grond van toepassing zijn na functieverandering van landbouw naar natuur;

ss. natuurbeheer: beheer van een terrein met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten;

tt. Natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016;

uu. natuurbeheertype: in bijlage 1, tweede kolom, van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur en Landschap;

vv. Natuurgebied: eenheid natuurterreinen weergegeven op de bij het plafondbesluit gevoegde kaart;

ww. natuurontwikkelplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin een gebied is aangemerkt als een gebied met hoge actuele natuurwetenschappelijke-, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden en waarbij het in aanmerking brengen voor subsidie noodzakelijk is voor het behoud van deze waarden;

xx. natuurterrein: binnen de provincie Gelderland gelegen grond die op de ambitiekaart is begrensd als bestaande of als nieuwe natuur en op de bij het plafondbesluit gevoegde kaart als eenheid is weergegeven;

yy. nieuwe natuur: op de ambitiekaart aangegeven nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01 dan wel nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het natuurbeheertype of indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd binnen het GNN;

zz. Omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Gelderland zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 25 februari 2015, inclusief daarop aangebrachte wijzigingen;

aaa. onafhankelijke taxateur: persoon die voldoet aan de eisen gesteld in de Mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (97/C/209/03);

bbb. overgangsbeheer: beheer dat nodig is na afloop van de inrichting, totdat voor de terreinen een subsidie voor natuurbeheer kan worden aangevraagd;

ccc. PAS-gebiedsanalyses: ecologische analyse van een stikstofgevoelig PAS-Natura 2000-gebied, deel uitmakend van de passende beoordeling van de PAS, waarin herstel- en andere maatregelen zijn opgenomen die dienen ter verzekering dat de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten niet verder achteruit gaat of verbetert;

ddd. PAS-maatregel: gebiedsspecifieke maatregel of activiteit, onderzoek of monitoring, opgenomen op de PAS-maatregelenkaarten en ter uitvoering van het PAS-programma en als zodanig opgenomen in een PAS-gebiedsanalyse;

eee. PAS-maatregelenkaarten: kaarten ten behoeve van de uitvoering van de PAS-maatregelen;

fff. poel: waterelement gelegen in een EVZ met als doeltype "kamsalamander" of waterelement dat bijdraagt aan instandhouding van de boomkikker, heikikker en kamsalamander;

ggg. prioritaire soorten: soorten als genoemd in bijlage 3 bij de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming;

hhh. Programma-aanvraag: een aanvraag van een voor natuurbeheer gecertificeerd beheerder;

iii. reële marktwaarde: de waarde van grond in het vrije economische verkeer vastgesteld door een onafhankelijk taxateur

jjj. rijksbeschermde buitenplaatsen: buitenplaatsen aangewezen als rijksmonument;

kkk. rode lijst soorten: soorten die zijn vastgesteld bij besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 augustus 2009, nr. 25344, houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna;

lll. rustgebied: rustgebied voor overwinterende beschermde inheemse ganzen dat door Gedeputeerde Staten als zodanig is vastgesteld;

mmm. soortenbeschermingsmaatregelen: maatregelen gericht op behoud van een of meer prioritaire soorten en/of systeemherstel in de parels zoals opgenomen in de nota Actieve soortenbescherming Gelderland vastgesteld door gedeputeerde staten d.d. 6 januari 2015;

nnn. Standaard Opbrengst (SO): gestandaardiseerde opbrengst per ha of per dier die met het gewas of de diercategorie gemiddeld op jaarbasis wordt behaald;

ooo. verhoging van de productiecapaciteit: indien het landbouwbedrijfsgebouw na verplaatsing in staat is om meer producten voort te brengen;

ppp. verwerving: verkrijging van het recht van eigendom of het recht van erfpacht;

qqq. voorzieningen: installaties, machines en uitrusting in of aan een landbouwbedrijfsgebouw ten behoeve van de uitoefening van het landbouwbedrijf;

rrr. zonnepanelen: fotovoltaïsche panelen die zonne-energie omzetten in elektriciteit.

Paragraaf 4.2 Landschap en Landgoederen

Artikel 4.2.1 Subsidiabele activiteit

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      de aanleg van nieuwe en het herstel van bestaande landschapselementen en cultuurhistorische landschapselementen;

    • b.

      de aanleg van poelen;

    • c.

      het wegwerken van achterstallig onderhoud aan de volgende elementen:

      • -

        poelen;

      • -

        hagen en heggen en klein historisch water voor zover deze als identiteitsbepalend element zijn aangemerkt in het gemeentelijke landschapsbeleid;

      • -

        lanen ouder dan 60 jaar gelegen op landgoederen;

    • d.

      de aanleg van eenvoudige openbaar toegankelijke onverharde paden;

    • e.

      de aanleg van kleinschalige recreatieve voorzieningen;

    • f.

      de aanleg van eenvoudige houten loopbruggetjes in openbaar toegankelijke routes wanneer de oorspronkelijke brug verdwenen is;

    • g.

      burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij het landschap;

    • h.

      educatieve natuur- en landschapsvoorlichting gericht op jongeren.

  • 2.

    Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die plaatsvinden op terreinen in eigendom van een publiekrechtelijke rechtspersoon met uitzondering van de terreinen in eigendom van Staatsbosbeheer.

Artikel 4.2.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de activiteiten passen binnen een (inter)gemeentelijk landschapsbeleid-, landschapsontwikkel- of landschapuitvoeringsplan of een daarmee vergelijkbaar plan dat door de gemeenteraad is vastgesteld;

    • b.

      de nieuw aan te leggen landschapselementen, niet zijnde heggen en hagen, aan de volgende omvangscriteria voldoen:

      • -

        de aan te leggen houtopstanden omvatten tenminste 10 are;

      • -

        de aan te leggen rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, omvatten tenminste 20 bomen;

      • -

        de aan te leggen hoogstamfruitgaarden omvatten tenminste 15 en ten hoogste 50 bomen.

    • c.

      poelen een minimale omvang hebben van 3 are en de poelen gelegen zijn op een locatie met grondwatertrap 3 of ondieper;

    • d.

      heggen en hagen gelegen zijn buiten het GNN;

    • e.

      de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.2, onder a tot en met f, voldoen aan de normen uit het Normenboek Alterra.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie voor activiteiten die worden uitgevoerd op een bos- of landgoed slechts verstrekt indien:

    • a.

      het bos- of landgoed tenminste 50 jaren bestaat;

    • b.

      de activiteiten passen binnen een vastgesteld toekomstplan voor het bos- of landgoed en aantoonbaar en duurzaam bijdragen aan het behoud en de versterking van de in dat plan opgenomen landschappelijke kernkwaliteiten.

Artikel 4.2.3 Niet-subsidiabele kosten

Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    natuurontwikkeling binnen het GNN;

  • b.

    projectleiding, coördinatie, rapportage, verantwoording;

  • c.

    planvorming;

  • d.

    aankoop of verkoop van onroerende goederen en waardedaling van grond;

  • e.

    ambtelijke inzet.

Artikel 4.2.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt aan:

    • a.

      gemeenten;

    • b.

      bos- of landgoedeigenaren.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder h, ook worden verstrekt aan stichtingen met als statutaire doelstelling educatieve natuur- en landschapsvoorlichting.

  • 3.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.2.5 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie aan gemeenten bedraagt ten hoogste 75% van de kosten voor activiteiten binnen de begrenzing van de Nationale Landschappen. Voor activiteiten buiten de begrenzing van de Nationale Landschappen bedraagt de subsidie aan gemeenten ten hoogste 50% van de kosten.

  • 2.

    Voor de subsidie aan gemeenten geldt een minimum van € 25.000 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per gemeente.

  • 3.

    De subsidie aan bos- en landgoedeigenaren bedraagt ten hoogste 75% van de kosten, met een minimum van € 7.500 per subsidieaanvraag en een maximum van

€ 200.000 per bos- en landgoedeigenaar.

4.De subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder h, bedraagt ten hoogste 25% van de kosten, met een minimum van € 7.500 per subsidieaanvraag en een maximum van € 25.000 per stichting.

Artikel 4.2.6 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien het activiteiten betreft:

  • a.

    binnen de begrenzing van een rijks beschermde buitenplaats, met uitzondering van activiteiten gericht op het instandhouden van rode lijstsoorten; of

  • b.

    op agrarische bouwpercelen (erfbeplanting).

Artikel 4.2.7 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 1.4.3 te voorzien van een topografische kaart waarop de activiteiten op een topografische ondergrond zijn vastgelegd.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor subsidie ontvangen voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder g en h.

Paragraaf 4.3 Faunavoorzieningen

Artikel 4.3.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van een faunavoorziening.

Artikel 4.3.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt:

  • a.

    voorzover de subsidiabele activiteit op een locatie wordt gerealiseerd die gelegen is binnen de aandachtsgebieden die zijn opgenomen in het vigerende programma Ontsnippering Natuur; indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna;

  • b.

    op plaatsen binnen het GNN: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna;

  • c.

    op plaatsen buiten het GNN: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor rode lijst soorten en dassen; of

  • d.

    op plaatsen binnen het GNN verbindingen: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor rode lijst soorten en dassen.

Artikel 4.3.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor:

  • a.

    de aanleg van de faunavoorziening; en

  • b.

    de kosten voor procesondersteuning en begeleiding.

Artikel 4.3.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan:

    • a.

      het Rijk voor locaties genoemd in artikel 4.3.2, onder d, waarbij het Rijk eigenaar of beheerder is van openbare infrastructuur; en

    • b.

      aan andere eigenaren en beheerders van openbare infrastructuur voor plaatsen als genoemd in artikel 4.3.2, onder a, b en c.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt.

Artikel 4.3.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 2.1.3 worden bij de aanvraag in elk geval gevoegd een GIS kaart met daarop de faunavoorziening en het onderzoek waaruit blijkt dat er sprake is van een knelpunt.

Artikel 4.3.6 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 150.000.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 4.3.3, onder b, bedraagt ten hoogste 10% van de totale subsidie met een maximum van € 15.000.

Artikel 4.3.7 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien de faunavoorziening wordt aangelegd op grond van een verplichting tot mitigatie of compensatie.

Artikel 4.3.8 Verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht na de realisatie van de subsidiabele activiteit een GIS-kaart te overhandigen waarop de aangelegde faunavoorziening staat aangegeven.

Paragraaf 4.4 Grondverwerving ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 4.4.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de verwerving van een natuurambitieterrein;

  • b.

    de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van een natuurambitieterrein;

  • c.

    verkrijging van het recht van eigendom van een natuurambitieterrein in combinatie met de waardedaling van gelijktijdig in eigendom verkregen gebouwen als gevolg van functieverandering van het natuurambitieterrein naar natuur.

Artikel 4.4.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt slechts verstrekt voor:

    • a.

      de beëindiging van pachtovereenkomsten die reeds waren gevestigd op het moment waarop het natuurambitieterrein door de aanvrager is verworven; en

    • b.

      beëindiging van de op het natuurambitieterrein gevestigde pachtovereenkomst indien dat noodzakelijk is vanuit het oogpunt van natuur- of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarden, of natuurontwikkeling.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, wordt slechts verstrekt:

    • a.

      indien het natuurambitieterrein dat in eigendom wordt verkregen een omvang van ten minste 20 hectare heeft;

    • b.

      indien het natuurambitieterrein en de gebouwen deel uitmaken van hetzelfde gebied waarvoor een natuurontwikkelplan is vastgesteld.

Artikel 4.4.3 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, in aanmerking de kosten voor:

    • a.

      verwerving van een natuurambitieterrein tegen de reële marktwaarde;

    • b.

      een taxatie door een onafhankelijke taxateur;

    • c.

      het kadastraal recht en het registratierecht;

    • d.

      veiling;

    • e.

      notaris;

    • f.

      inschrijving in de openbare registers;

    • g.

      overdrachtsbelasting;

    • h.

      schenkingsrecht;

    • i.

      het afkopen van landinrichtingsrente voor het verworven terrein;

    • j.

      vooronderzoek of historisch bodemonderzoek volgens NEN 5725; en

    • k.

      milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, in aanmerking de kosten voor:

    • a.

      het vrijmaken van pacht van genoemd terrein, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur;

    • b.

      een taxatie door een onafhankelijke taxateur.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor de verkrijging in eigendom het natuurambitieterrein als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met k; en

    • b.

      het negatieve waardeverschil van de gebouwen ontstaan door het verschil in reële marktwaarde van het natuurambitieterrein in combinatie met de gebouwen op het moment van aankoop en de reële marktwaarde van de combinatie van het natuurambitieterrein met de gebouwen bij feitelijke en publiekrechtelijke functieverandering van het natuurambitieterrein naar natuur, voor zover het aandeel hierin van de gebouwen betreft en blijkend uit een taxatie waarin de waarde van de gebouwen is gespecificeerd.

Artikel 4.4.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a en c, wordt verstrekt aan een ieder die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt verstrekt aan een eigenaar van een terrein die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten.

  • 3.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.4.5 Aanvraag

  • 1.

    In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a en c, uiterlijk op de dag voor het passeren van de notariële akte van levering ingediend.

  • 2.

    In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, uiterlijk op de dag voor de beëindiging van de pachtovereenkomst ingediend.

Artikel 4.4.6 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, bedraagt ten hoogste:

    • a.

      80% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder a;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder b tot en met j;

    • c.

      € 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder k.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, tweede lid.

  • 3.

    Voor zover voor verwerving of pachtvrij maken van een natuurambitieterrein subsidie is verstrekt door Gedeputeerde Staten op grond van een andere regeling of door een bestuursorgaan van een ander overheidslichaam, wordt de subsidie zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of maximale vergoeding op grond van Europese regels of deze regeling te voorkomen.

  • 4.

    De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, bedraagt ten hoogste:

    • a.

      80% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder a;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder b tot en met j;

    • c.

      € 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder k;

    • d.

      50% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, derde lid, onder b, met een maximum van € 500.000.

Artikel 4.4.7 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      zorg te dragen voor de verwerving dan wel pachtvrij maken van het natuurambitieterrein waarvoor hij subsidie ontvangt binnen twaalf weken na de subsidieverlening;

    • b.

      het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein direct na verwerving dan wel pachtvrij maken als natuur te beheren;

    • c.

      het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein binnen twee jaar na verwerving dan wel pachtvrij maken overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen dat ingevolge het natuurbeheerplan op dit terrein in stand moet worden gehouden te beheren;

    • d.

      zorg te dragen dat het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein tenminste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde Staten ontheffing wordt verleend;

    • e.

      eventuele opbrengsten van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein uitsluitend aan duurzaam natuurbeheer te besteden; en

    • f.

      bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein enkel als natuur mag worden gebruikt.

  • 2.

    Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen genoemd in het eerste lid, onder a, b en c worden verlengd.

  • 3.

    Ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt verleend indien:

    • a.

      gehele of gedeeltelijke sluiting van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels voor soortenbescherming of de krachtens de artikelen 10, 10a, 19, 19a en 21 van de Natuurbeschermingswet 1998 voor beschermde natuurmonumenten of Natura 2000-gebieden vastgestelde instandhouding doelstellingen en toegangsbeperkingen;

    • b.

      het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is;

    • c.

      sluiting van ten hoogste één hectare van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of

    • d.

      andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen.

  • 4.

    Het is de subsidieontvanger niet toegestaan om het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein te vervreemden, te verpachten of daarop zakelijke rechten te vestigen, behoudens toestemming van Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    De subsidieontvanger is bij vervreemding, verpachting of vestigen van zakelijke rechten verplicht ingevolge deze regeling verstrekte subsidie binnen een termijn van zes maanden terug te betalen aan de provincie Gelderland, tenzij hiervan in de toestemming als bedoeld in het vierde lid ontheffing is verleend.

  • 6.

    Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen:

    • a.

      de verplichting, inhoudende dat de subsidieontvanger het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van de ecosystemen met de daarbij behorende soorten in gevaar brengt of verstoort; en

    • b.

      dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen.

  • 7.

    De overeenkomst als bedoeld in het zesde lid wordt uiterlijk binnen vier weken na totstandkoming daarvan op last van de subsidieontvanger als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein ingeschreven in de openbare registers.

  • 8.

    Indien de subsidieontvanger ook andere economische activiteiten verricht dan de verwerving van terreinen ten behoeve van natuurbeheer als bedoeld in deze regeling, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03).

  • 9.

    In afwijking van artikel 1.4.1, derde lid, is de subsidieontvanger verplicht de administratie en alle documenten inzake een aan hem verstrekte subsidie gedurende een periode van twintig jaar nadat de subsidie is verleend.

Artikel 4.4.8 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling

  • 1.

    Voor zover nodig in afwijking van artikel 25, tweede lid, van de AsG dient de subsidieontvanger binnen 13 weken na afloop van de activiteiten een aanvraag om vaststelling van de subsidie in.

  • 2.

    Bij de aanvraag om vaststelling wordt een afschrift van de overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.4.7, zevende lid, in de openbare registers ingeschreven kwalitatieve verplichting overlegd.

  • 3.

    Bij de aanvraag om vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een afschrift van de notariële akte van levering van het terrein of een afschrift van de notariële akte van vestiging van het erfpachtrecht op het terrein; en

    • b.

      in voorkomend geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van het recht van opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden of een de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek.

  • 4.

    Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt in elk geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek verstrekt.

  • 5.

    Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, wordt een afschrift van de notariële akte van levering van het natuurambitieterrein en de gebouwen verstrekt.

  • 6.

    Er wordt vrijstelling verleend van de verplichting genoemd in artikel 27, derde lid, van de AsG.

  • 7.

    In afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG dient aanvrager binnen 13 weken na inschrijving van de kwalitatieve verplichting in de openbare registers een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie.

Paragraaf 4.5 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 4.5.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de verplaatsing van een landbouwbedrijfsgebouw.

Artikel 4.5.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien door verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw:

  • a.

    ten minste 5 hectares begrensde grond gelegen binnen een Natura 2000 gebied beschikbaar komen die daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de Natura 2000 doelstellingen van dat gebied; of

  • b.

    ten minste 15 hectares begrensde grond gelegen in het GNN beschikbaar komen in een gebied waarvoor door Gedeputeerde Staten een grondstrategieplan is vastgesteld, welke gronden daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de doelstellingen genoemd in het natuurbeheerplan.

Artikel 4.5.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw;

  • b.

    de kosten voor het aanpassen van een landbouwbedrijfsgebouw of het oprichten van een landbouwbedrijfsgebouw op de nieuwe locatie, ter vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw op de bestaande locatie.

Artikel 4.5.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of gebruiksgerechtigde van het te verplaatsen landbouwbedrijfsgebouw.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.5.5 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Als de verplaatsing gepaard gaat met modernisering van voorzieningen of verhoging van de productiecapaciteit, bedraagt de subsidie naast het bepaalde in het eerste lid ten hoogste 40% van de met de modernisering of verhoging van de productiecapaciteit gepaard gaande kosten.

  • 3.

    De subsidie bedraagt ten hoogste € 400.000.

Artikel 4.5.6 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht binnen 12 maanden na subsidieverlening:

    • a.

      zijn landbouwbedrijfsgebouw te verplaatsen;

    • b.

      op de als gevolg van de verplaatsing vrijkomende begrensde grond gelegen binnen het Natura 2000-gebied en het GNN een kwalitatieve verplichting te vestigen of te doen vestigen, inhoudende dat het perceel niet gebruikt zal worden als landbouwgrond.

  • 2.

    Op verzoek van de subsidieontvanger kan de termijn genoemd in het eerste lid, onder a, worden verlengd.

  • 3.

    Het bepaalde in het eerste lid, onder b, geldt niet voor zover de provincie binnen 12 maanden na de subsidieverlening de gronden aankoopt.

Artikel 4.5.7 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 16 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 4.6 Behoud van prioritaire soorten

Artikel 4.6.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    kweek in combinatie met introductie van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • b.

    introductie van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • c.

    handmatig bestuiven van een prioritaire plantensoort in een leefgebied;

  • d.

    onderzoek gericht op het in kaart brengen van het voorkomen van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • e.

    onderzoek gericht op de effectiviteit van een maatregel ten aanzien van het behoud van een prioritaire soort;

  • f.

    onderzoek gericht op het bepalen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor het behoud van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • g.

    inrichtingsmaatregelen ten behoeve van het behoud of versterking van het leefgebied van een prioritaire soort.

Artikel 4.6.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van activiteiten en locaties die zijn opgenomen in de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten waarvan op basis van onderzoek of gedocumenteerde veldervaringen aannemelijk is dat zij bijdragen aan het behoud van prioritaire soorten in Gelderland en dat deze activiteiten aanvullend dan wel gelijkwaardig zijn ten opzichte van de activiteiten bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien de activiteit bijdraagt aan het behoud van een prioritaire soort.

  • 4.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.6.1, onder g, wordt slechts verstrekt ten aanzien van maatregelen die worden uitgevoerd op percelen gelegen buiten het GNN.

Artikel 4.6.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van het leefgebied of degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt.

Artikel 4.6.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de kosten met een minimum van € 2.500 en een maximum van € 30.000 per aanvraag.

Artikel 4.6.5 Weigeringsgrond

  • 1.

    Subsidie wordt niet verstrekt ten behoeve van maatregelen die zijn opgelegd op grond van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 of de daarvoor in de plaats tredende Wet Natuurbescherming.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.6.1, onder a en b, wordt slechts verstrekt indien de aanvrager bij de aanvraag een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet of de daarvoor in de plaats tredende bepalingen in de Wet Natuurbescherming overlegt die ziet op het betreffende leefgebied en de betreffende soort.

Paragraaf 4.7 Rustgebieden voor ganzen

Artikel 4.7.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het niet verjagen van ganzen in de periode tussen 1 november en 1 april van percelen die zijn gelegen in een rustgebied.

Artikel 4.7.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    door het Faunafonds schade is getaxeerd die is veroorzaakt door overwinterende beschermde inheemse ganzen in het betreffende seizoen; en

  • b.

    de percelen voldoen aan de in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade van het Faunafonds gestelde normen om voor schadevergoeding in aanmerking te komen.

Artikel 4.7.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar, de pachter of de erfpachter van de percelen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.7.4 Aanvraag

In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie ingediend voor 1 juli van het jaar waarin de periode als bedoeld in artikel 4.7.1 eindigt waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 4.7.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 50 per hectare per seizoen.

Artikel 4.7.6 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PbEU L 352/09).

Paragraaf 4.8 Inrichting van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 4.8.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de inrichting van nieuwe natuur;

  • b.

    het treffen van PAS-maatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur;

  • c.

    het uitvoeren van Natura 2000-herstelmaatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur;

  • d.

    het uitvoeren van soortenbeschermingsmaatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur;

  • e.

    het uitvoeren van herstelmaatregelen voor natte landnatuur, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur.

Artikel 4.8.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien de inrichtingsmaatregelen de gewenste natuurkwaliteit zoals aangegeven als indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart van het natuurterrein realiseren.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een subsidie worden verleend voor een ander natuurbeheertype of een indicatieve verhouding beheertype dan is opgenomen op de ambitiekaart, indien:

    • a.

      de aanvrager door middel van een landschap ecologische onderbouwing aantoont dat de het vigerende natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is; of

    • b.

      het voorgestelde nieuwe natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn; en

    • c.

      indien met het door de aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd.

  • 3.

    Subsidie voor PAS-maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, wordt slechts verstrekt voor activiteiten opgenomen op de PAS-maatregelenkaart of de PAS-gebiedsanalyse.

  • 4.

    Subsidie voor Natura 2000-maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien in het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan de beoogde kwaliteitsverbetering van het Natura 2000-gebied.

  • 5.

    Subsidie voor soortenbeschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder d, wordt slechts verstrekt indien in het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan behoud van een of meer prioritaire soorten of systeemherstel in de parels zoals opgenomen in de nota Actieve soortenbescherming Gelderland.

  • 6.

    Subsidie voor herstelmaatregelen voor natte landnatuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder e, wordt slechts verstrekt indien in het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan herstel van de natte landnatuur binnen de gebieden aangegeven op de kaart Water en natuur van de Omgevingsvisie.

  • 7.

    In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de programma aanvraag voor de activiteit inrichting nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, enkel het criterium dat de gronden op de ambitiekaart zijn begrensd als nieuwe natuur.

Artikel 4.8.3 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder a en b, komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      inrichtingskosten;

    • b.

      voorbereidingskosten die gemaakt zijn voor het opstellen van het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, onderscheidenlijk het opstellen van een programma-aanvraag;

    • c.

      onderzoekskosten die noodzakelijk zijn voor het bepalen van de te nemen inrichtingsmaatregelen;

    • d.

      accountantskosten, indien de subsidiebeschikking een accountantsverklaring voorschrijft;

    • e.

      aanloop- en overgangsbeheer.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen naast de kosten als bedoeld in het eerste lid voor subsidie als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, ook in aanmerking:

    • a.

      kosten voor de uitvoering van onderzoek;

    • b.

      kosten voor de uitvoering van monitoring.

Artikel 4.8.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd krachtens eigendom of erfpacht.

  • 2.

    Een programma-aanvraag kan slechts worden aangevraagd door een gecertificeerde begunstigde die in het kwaliteitshandboek het onderdeel projecten heeft opgenomen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan een gecertificeerde begunstigde een programma-aanvraag indienen voor gronden waarover deze begunstigde geen zeggenschap heeft, mits de eigenaar of erfpachter instemt met de aanvraag.

  • 4.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.8.5 Aanvraag

  • 1.

    Indien het natuurterrein is belast met erfpacht dient de aanvraag vergezeld te gaan van een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar dan wel de erfpachter.

  • 2.

    Een aanvraag gaat vergezeld van een investeringsplan bestaande uit:

    • a.

      een beschrijving van de uitgangssituatie;

    • b.

      een beschrijving van de uit te voeren maatregelen;

    • c.

      een beschrijving van de op de ambitiekaart opgenomen natuurbeheertype van de uit te voeren maatregelen ter uitvoering van de onder 4.8.1, onder a, genoemde activiteiten;

    • d.

      een beschrijving van het te voeren beheer nadat de maatregelen zijn uitgevoerd;

    • e.

      een opgave oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd;

    • f.

      een tijdplanning waarbinnen de maatregelen zullen worden uitgevoerd en een planning van de uitgaven;

    • g.

      een gespecificeerde begroting;

    • h.

      topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 waarop de locatie van de te treffen maatregelen is weergegeven.

  • 3.

    Een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag gaat vergezeld van:

    • a.

      opgave van het aantal hectares nieuwe natuur per natuurgebied waarop de maatregelen ter uitvoering van de onder 4.8.1, onder a, genoemde activiteiten zal worden uitgevoerd, voorzien van een jaarplanning voor de looptijd van het programma;

    • b.

      een beschrijving van de uit te voeren activiteiten als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b tot en met e, met per activiteit en per natuurgebied per natuurbeheertype een beknopte beschrijving van:

      • -

        de uit te voeren maatregelen binnen het natuurgebied;

      • -

        de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd, afgerond in hectares;

      • -

        een begroting;

      • -

        een jaarplanning van de realisatie voor de looptijd van het programma en een planning van de uitgaven.

    • c.

      een GIS-kaart met daarin aangegeven de buitengrenzen van het natuurgebied waarin de maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1 worden gerealiseerd;

    • d.

      een GIS-kaart waarop de PAS-herstelmaatregelen zijn aangeduid.

  • 4.

    Een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag gaat, indien de aanvrager geen zeggenschap heeft over het natuurgebied, vergezeld van een verklaring waarmee de eigenaar dan wel de erfpachter instemt met de subsidieaanvraag.

Artikel 4.8.6 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt ten hoogste:

    • a.

      voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a: 95% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 13.000 per hectare;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten voor uitvoering PAS-maatregelen, als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, tot de maximum subsidiebedragen per maatregel zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels;

    • c.

      95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder c, d en e, tot de maximale subsidiebedragen per maatregel zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de maximum bedragen als bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat:

    • a.

      de aanvrager aantoont dat de inrichting meer kost dan de maxima; en

    • b.

      de kosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project of het programma.

Artikel 4.8.7 Weigeringsgrond

Subsidie wordt niet verstrekt voor verwijderen van bodemverontreiniging of afval.

Artikel 4.8.8 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de inrichting de gerealiseerde natuur in stand te houden.

  • 2.

    De ontvanger van subsidie voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, binnen een programma-aanvraag dient het natuurterrein in te richten overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart zoals die luidt op het moment van indiening van de aanvraag.

  • 3.

    Op verzoek van subsidieontvanger kan voor inrichting van nieuwe natuur binnen een programma-aanvraag het natuurdoeltype of een indicatieve verhouding beheertype op de ambitiekaart gedurende de looptijd van het programma worden gewijzigd indien:

    • a.

      de aanvrager door middel van een landschapsecologische onderbouwing aantoont dat de het vigerende natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is; of

    • b.

      het voorgestelde nieuwe natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn; en

    • c.

      naar het oordeel van Gedeputeerde Staten met het door aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd.

Artikel 4.8.9 Looptijd

  • 1.

    In afwijking van artikel 15 van de AsG bedraagt de looptijd van de programma-aanvraag zes jaar.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de aanvrager de looptijd van de programma-aanvraag ten hoogste twee maal een jaar verlengen.

Artikel 4.8.10 Gescheiden boekhouding

Indien de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, ook economische activiteiten verricht, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03).

Artikel 4.8.11 Communautair toetsingskader

  • 1.

    Artikel 1.3.3, eerste lid, is niet van toepassing.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover dit niet in strijd is met de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014/C 204/01).

Paragraaf 4.9 Functieverandering ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 4.9.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor functieverandering op voorwaarde dat op de grond waarop de aanvraag betrekking heeft tevens inrichting plaatsvindt als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a.

Artikel 4.9.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien de grond waarvoor subsidie wordt aangevraagd is begrensd als N00.01 op de ambitiekaart.

Artikel 4.9.3 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor subsidie komt in aanmerking:

    • a.

      de door een onafhankelijke taxateur bepaalde waardedaling van de grond die aansluit op de marktsituatie op het moment van aanvraag, ontstaan door het verschil in marktwaarde voor en de marktwaarde na functieverandering en inrichting;

    • b.

      de kosten voor taxatie door een onafhankelijk taxateur.

  • 2.

    Artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, is niet van toepassing op de kosten als bedoeld in het eerste lid, onder b.

Artikel 4.9.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van de grond waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.9.5 Aanvraag

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.1.3 wordt bij de aanvraag de door een onafhankelijke taxateur opgestelde taxatie gevoegd waarin de waardedaling van de grond is bepaald als gevolg van de functieverandering.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.1.3 wordt bij de aanvraag een topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 gevoegd waarop de grenzen van de grond zijn aangegeven, alsmede de op die grond gelegen wegen en paden.

  • 3.

    Indien op de grond een recht van hypotheek is gevestigd, wordt onverminderd artikel 2.1.3 bij de aanvraag een verklaring van geen bezwaar gevoegd van degene aan wie het recht van hypotheek toekomt.

Artikel 4.9.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.9.7 Weigeringsgrond

  • 1.

    Subsidie wordt niet verstrekt voor functieverandering die dient tot uitvoering van wettelijke of contractuele verplichtingen.

  • 2.

    Subsidie wordt niet verstrekt voor grond die om niet van de overheid is verkregen.

  • 3.

    Subsidie kan worden geweigerd voor gronden die niet tegen marktwaarde van de overheid zijn verkregen.

  • 4.

    Subsidie wordt niet verstrekt voor grond waarop nog verplichtingen rusten op grond van:

    • a.

      de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Gelderland;

    • b.

      de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister van economische zaken;

    • c.

      hoofdstuk 4 of afdeling 5.1.3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2009;

    • d.

      de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden; of

    • e.

      de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland.

Artikel 4.9.8 Verplichtingen

  • 1.

    Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen:

    • a.

      de verplichting dat de subsidieontvanger de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van het natuurbeheertype verstoort; en

    • b.

      dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen.

  • 2.

    De overeenkomst als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk binnen vier weken na totstandkoming daarvan op initiatief van de subsidieontvanger en op kosten van de provincie als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein ingeschreven in de openbare registers.

  • 3.

    Subsidieontvanger is verplicht er voor zorg te dragen dat een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers in afschrift wordt toegezonden aan de provincie.

  • 4.

    Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen als bedoeld in voorgaande leden van dit artikel worden verlengd.

  • 5.

    Subsidieontvanger is verplicht zorg te dragen dat de grond waarvoor subsidie wordt aangevraagd ten minste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door gedeputeerde staten ontheffing wordt verleend;

  • 6.

    Ontheffing als bedoeld in lid 5 wordt verleend indien:

    • a.

      gehele of gedeeltelijke sluiting van het terrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels voor soortenbescherming of de krachtens de artikelen 10, 10a, 19, 19a en 21 van de Natuurbeschermingswet 1998 voor beschermde natuurmonumenten of Natura-2000-gebieden vastgestelde instandhouding doelstellingen en toegangsbeperkingen;

    • b.

      het terrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is;

    • c.

      sluiting van ten hoogste één hectare van het terrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of

    • d.

      andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen.

  • 7.

    Subsidieontvanger is verplicht binnen twaalf weken na subsidieverlening bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat de grond enkel als natuur mag worden gebruikt.

  • 8.

    Artikel 1.4.7 is niet van toepassing.

Artikel 4.9.9 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling

Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt een afschrift overgelegd van het verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan.

Artikel 4.9.10 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 21 van de AsG wordt nadat de aanvrager een afschrift heeft overgelegd van de vestiging van de kwalitatieve verplichting een voorschot uitgekeerd van ten hoogste 90%.

Artikel 4.9.11 Communautair toetsingskader

  • 1.

    Artikel 1.3.3, eerste lid, is niet van toepassing.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met de vigerende Catalogus Groenblauwe Diensten en de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014/C 204/01).

Paragraaf 4.10 Asbest eraf, zonnepanelen erop

Artikel 4.10.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de sanering van asbestdaken op gebouwen van een agrarische onderneming die zijn gelegen op een bedrijfslocatie;

  • b.

    de sanering van asbestdaken op gebouwen op een voormalige agrarische bedrijfslocatie of op een voormalig agrarisch bouwblok.

Artikel 4.10.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.10.1 wordt slechts verstrekt voor het saneren van asbestdaken indien:

    • a.

      de te saneren oppervlakte minimaal 250 m2 asbest dak betreft;

    • b.

      de sanering wordt uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf;

    • c.

      de aanvrager tegelijkertijd zonnepanelen plaatst op een asbestvrij dak van een gebouw waarvan hij eigenaar, erfpachter of pachter is en dat gelegen is op dezelfde bedrijfslocatie als het te saneren gebouw;

    • d.

      de te plaatsen zonnepanelen een capaciteit hebben van tenminste 5 kiloWatt-piek;

    • e.

      de subsidiabele activiteit uiterlijk op 31 december 2016 is afgerond; en

    • f.

      de zonnepanelen uiterlijk op 31 december 2016 zijn geplaatst.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4.10.2, onder b, wordt subsidie als bedoeld in artikel 4.10.1, onder b, slechts verstrekt indien de aanvrager tegelijkertijd zonnepanelen plaatst op een asbestvrij dak van een gebouw waarvan hij eigenaar, erfpachter of pachter is en dat gelegen is op dezelfde voormalige agrarische bedrijfslocatie als het te saneren gebouw of waarvan hij eigenaar is en dat gelegen is op hetzelfde voormalig agrarisch bedrijfsblok als het te saneren gebouw.

Artikel 4.10.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van verwijdering en afvoer van asbestdaken.

Artikel 4.10.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.10.1, onder a, wordt verstrekt aan een agrarische ondernemer die eigenaar, erfpachter of pachter is van het gebouw of de gebouwen waarvan de daken worden gesaneerd.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.10.1, onder b, voor zover het betreft een voormalige agrarische onderneming, wordt verstrekt aan de eigenaar, erfpachter of pachter van een voormalige agrarische bedrijfslocatie indien:

    • a.

      sinds 1993 de landbouwtelling, bedoeld in artikel 24 van de Landbouwwet, tenminste één keer is ingevuld; of

    • b.

      de onderneming op een agrarisch bouwblok werd uitgeoefend.

  • 3.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4.10.1, onder b, voor zover het betreft een voormalig agrarisch bouwblok, wordt verstrekt aan eigenaren van een voormalig agrarisch bouwblok indien:

    • a.

      het te verwijderen en af te voeren asbest dak of asbestdaken is gelegen op het voormalig agrarisch bouwblok; en

    • b.

      het agrarisch bouwblok na 1 januari 1993 een agrarische bestemming heeft gehad.

  • 4.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.10.5 Aanvraag

Een aanvraag moet worden ingediend voor 1 november 2016.

Artikel 4.10.6 Hoogte van de subsidie

De hoogte van de subsidie bedraagt € 4,50 per m2 te saneren asbestdak met een maximum van € 15.000.

Artikel 4.10.7 Communautair toetsingskader

Voor zover het verstrekken van subsidie onder het toepassingsbereik valt van Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PbEU L352), wordt de subsidie in afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met die verordening.

Hoofdstuk 5 Regionale bereikbaarheid en regionaal openbaar vervoer

Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Beter Benutten Vervolg: programma zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 20 januari 2015 inzake het gebied van de voormalige Stadsregio Arnhem-Nijmegen;

  • b.

    fietsvoorziening: infrastructurele voorzieningen, fietsenstallingen en fietspilotprojecten ten behoeve van de fiets die zijn opgenomen in het bovenlokale fietsnetwerk zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten;

  • c.

    goederenvervoer: vervoer van goederen over de weg en over water;

  • d.

    MIAM: Meerjaren InvesteringsAgenda Mobiliteit met een overzicht van alle (beoogde) projecten en programma’s die een bijdrage leveren aan regionale bereikbaarheid en regionaal openbaar vervoer;

  • e.

    mobiliteitsmanagement: alle activiteiten gericht op het afstemmen van vraag en aanbod van verkeer en vervoer gericht op het keuzeproces en bewustwording van de reiziger en goederen;

  • f.

    openbaar vervoer: vervoer per trein, bus, tram of regiotaxi dat wordt verzorgd door een vervoerder waaraan op grond van de Wet personenvervoer 2000 een concessie is verleend;

  • g.

    Samenwerkingsovereenkomst basismobiliteit : overeenkomst tussen provincie en in regioverband samenwerkende gemeenten waarbij de vervoerstaken van de regiotaxi worden overgedragen aan de regio’s;

  • h.

    snelfietsroute: een door Gedeputeerde Staten als zodanig aangewezen samenhangend geheel van voorzieningen, gebruik en infrastructurele werken ten behoeve van de fiets;

  • i.

    sociale veiligheid: objectieve veiligheid en het gevoel van veiligheid onder reizigers en personeel, ten aanzien van misdaad en wangedrag binnen het openbaar vervoer en bij halteplaatsen van het openbaar vervoer;

  • j.

    vervoerder: de rechtspersoon die openbaar vervoer verricht, waaronder begrepen regiotaxi.

Paragraaf 5.2 Infrastuctuurprojecten

Artikel 5.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor infrastructuurprojecten waarvoor in het MIAM middelen beschikbaar zijn gesteld.

Artikel 5.2.2 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten en openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 5.2.3 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de kosten.

  • 2.

    Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht erop worden voor ten hoogste 15% meegerekend in de kosten.

Paragraaf 5.3 Openbaar vervoer en regiotaxi

Artikel 5.3.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het verrichten van:

  • a.

    openbaar vervoer;

  • b.

    vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning in de vorm van regiotaxi.

Artikel 5.3.2 Criteria

Subsidie voor het verrichten van openbaar vervoer wordt slechts verstrekt voor de duur van de concessie of voor de duur van de overeenkomst tussen de provincie en de vervoerder.

Artikel 5.3.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder a, wordt verstrekt aan vervoerders.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder b, wordt verstrekt aan gemeenten en openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 5.3.4 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder a, bedraagt ten hoogste het bedrag zoals is overeengekomen in de concessie. De subsidie wordt jaarlijks geïndexeerd.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder b, bedraagt ten hoogste het bedrag zoals is overeengekomen in artikel 8 van de Samenwerkingsovereenkomst basismobiliteit.

Paragraaf 5.4 Infrastructurele openbaarvervoervoorzieningen

Artikel 5.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanpassing of uitbreiding van infrastructuur en voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer in het gebied van de voormalige Stadsregio.

Artikel 5.4.2 Aanvraag

  • 1.

    Onverminderd artikel 7 van de AsG worden aanvragen ingediend voor 1 maart van het jaar waarin de activiteiten zullen plaatsvinden.

  • 2.

    Aanvragen worden op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde geplaatst.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen bij onderbesteding van het budget na 1 maart tot een tweede openstelling besluiten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op aanvragen die in een tweede openstellingsperiode worden ingediend.

Artikel 5.4.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 5.4.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de kosten.

Paragraaf 5.5 Sociale veiligheid

Artikel 5.5.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten ter verbetering van de sociale veiligheid.

Artikel 5.5.2 Criteria

Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die plaatsvinden in gebieden waarvoor de provincie Gelderland bij of krachtens de Wet personenvervoer 2000 verantwoordelijk is voor het openbaar vervoer.

Artikel 5.5.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan vervoerders.

Artikel 5.5.4 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de kosten.

  • 2.

    Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden voor ten hoogste 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.

Paragraaf 5.6 Consumentenorganisaties

Artikel 5.6.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die ondernomen worden om de belangen van de OV reiziger in Gelderland te behartigen in het kader van de Wet personenvervoer.

Artikel 5.6.2 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan de organisatie die is aangewezen om de belangen te behartigen van de OV-reiziger in Gelderland in het kader van de Wet personenvervoer.

Artikel 5.6.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de kosten met een maximum van € 125.000 per jaar.

Paragraaf 5.7 Fietsvoorzieningen

Artikel 5.7.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de aanleg van fietsvoorzieningen in de voormalige Stadsregio;

  • b.

    de aanleg van fietsvoorzieningen in de provincie met uitzondering van de voormalige Stadsregio;

  • c.

    de aanleg van snelfietsroutes.

Artikel 5.7.2 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 5.7.3 Aanvraag

  • 1.

    Onverminderd artikel 7 van de AsG worden aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, onder a en b, ingediend voor 1 maart van het jaar waarin de activiteiten zullen plaatsvinden.

  • 2.

    Aanvragen als bedoeld in het eerste lid worden op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde geplaatst.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen bij onderbesteding van het budget voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, eerste lid, onder a en b, na 1 maart tot een tweede openstelling besluiten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op aanvragen die in een tweede openstellingsperiode worden ingediend.

Artikel 5.7.4 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, onder a en b, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met en minimum van € 35.000 en een maximum van € 500.000.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, onder c, bedraagt ten hoogste 90% van de kosten voor de realisatie van nieuwe snelfietsroutes.

  • 3.

    Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden voor ten hoogste 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.

Paragraaf 5.8 Mobiliteitsprojecten

Artikel 5.8.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor haalbaarheidsstudies, onderzoek, pilots en projecten gericht op gedragsbeinvloeding met betreking tot mobiliteit.

Artikel 5.8.2 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten;

  • b.

    privaatrechtelijke rechtspersonen:

    • -

      voor zover de activiteit gericht is op de eigen organisatie en uitsluitend voor eigen gebruik is; of

    • -

      die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van mobiliteitsmanagement.

Artikel 5.8.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.000.

Paragraaf 5.9 Logistiek en Goederenvervoer

Artikel 5.9.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    haalbaarheids- en onderzoeksstudies voor multimodaal of efficiënt en schoon goederenvervoer;

  • b.

    investeringsprojecten infrastructuur ten behoeve van overslagvoorzieningen voor multimodaal goederenvervoer;

  • c.

    pilots of praktijkproeven voor multimodaal of efficiënt en schoon goederenvervoer.

Artikel 5.9.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de activiteiten worden uitgevoerd in de provincie Gelderland dan wel, in geval van een provinciegrensoverschrijdende goederenvervoerstroom, het eind- of beginpunt in Gelderland ligt;

  • b.

    de activiteiten passen binnen het strategisch uitvoeringsprogramma logistiek en Goederenvervoer .

  • c.

    voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 6.9.1, onder c, de beoogde innovatie een bijdrage of besparing oplevert voor de Gelderse logistieke sector.

Artikel 5.9.3 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.9.1, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 100.000.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.9.1, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 1.000.000.

  • 3.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.9.1, onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van:

    • a.

      € 100.000 voor zover de subsidie betrekking heeft op transport over de weg;

    • b.

      € 200.000 voor zover de subsidie geen betrekking heeft op transport over de weg;

    • c.

      € 300.000 voor zover de activiteit wordt uitgevoerd door publiekrechtelijke rechtspersonen of publiekrechtelijke instellingen.

  • 4.

    Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden voor ten hoogste 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.

Paragraaf 5.10 Beter Benutten Vervolg

Artikel 5.10.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van projecten in het kader van Beter Benutten Vervolg.

Artikel 5.10.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de projecten zijn opgenomen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde bestedingsplan.

Artikel 5.10.3 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan de gemeenten Arnhem en Nijmegen, en aan de dienst Rijkswaterstaat van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Artikel 5.10.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de kosten.

Hoofdstuk 6 Regionale economie

Paragraaf 6.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Actieplan Vrijetijdseconomie: het actieplan zoals vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 22 mei 2012;

  • b.

    arbeidsmarktdiscrepantie: kwalitatief of kwantitatief verschil tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;

  • c.

    basisvoorwaarden: voorwaarden waaraan een business case moet voldoen, zijnde duidelijkheid omtrent een beproefde techniek, aangetoonde marktkansen, een beschouwing van de financiering van de marktintroductie en de organisatorische inbedding van de marktintroductie;

  • d.

    bedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat waarbinnen daadwerkelijk economische activiteiten, niet zijnde primaire landbouwproductie, worden verricht;

  • e.

    bedrijfsverplaatsing: verplaatsing van een geheel bedrijf;

  • f.

    bedrijfsverzamelgebouw: een gebouw bedoeld voor de huisvesting van meerdere afzonderlijke ondernemingen die in dezelfde sector of fase in het bestaan van de onderneming actief zijn;

  • g.

    bedrijventerrein: terrein in gebruik van meer dan één bedrijf, dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening;

  • h.

    businessplan voor de fysieke bedrijfsomgeving: een uitgewerkt plan dat inzicht geeft in de knelpunten, investeringskansen op zowel publiek als privaat terrein, beoogde maatregelen inclusief begroting en een visie op toekomstig beheer en onderhoud van het desbetreffende bedrijventerrein;

  • i.

    circulaire: Circulaire schadevergoedingen, Staatscourant 1997, 246;

  • j.

    concept: een schriftelijke uitwerking van een innovatie met een onderbouwing ter voldoening aan ten minste één van de basisvoorwaarden;

  • k.

    creatieve sector: sector van ondernemingen die gericht zijn op de exploitatie van kunstzinnigheid en intellectueel eigendom;

  • l.

    doorkomstgemeente: Renkum, Ede, Wageningen, Rhenen, Tiel, West Maas en Waal, Wijchen, Heumen, Groesbeek, Lingewaard, Westervoort, Zevenaar, Bronckhorst, Berkelland, Lochem, Zutphen, Brummen en Rheden;

  • m.

    economische spin-off: het realiseren van de additionele opbrengsten door het vergroten van bestedingen van bezoekers, deelnemers, media en de organisaties in Gelderland;

  • n.

    evenement: een bestaand één- of meerdaags sport- of cultuurevenement met een (boven)regionaal karakter dat georganiseerd wordt in Gelderland en past binnen het Gelders Evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken;

  • o.

    evenementenkalender: een lijst van sportevenementen verspreid over een jaar of meerdere jaren.

  • p.

    incubator: broedplaats die tot doel heeft om startende ondernemingen te ondersteunen in hun groei naar gezonde, goed draaiende ondernemingen, door hen huisvesting, seedcapital, administratie, technische ondersteuning, contacten en managementadvies te bieden;

  • q.

    innovatie: het proces waarbij kennis en technologie, worden samengebracht met het benutten van marktkansen voor nieuwe of betere producten, diensten en zakelijke processen ten opzichte van wat al op de markt beschikbaar is.

  • r.

    kennisinstelling: universiteiten, hogescholen en academische ziekenhuizen, instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs en onderzoeksinstellingen die zonder winstoogmerk onderzoek en ontwikkeling verrichten en voor minimaal 10% meerjarig structureel door de overheid worden gefinancierd;

  • s.

    kernsport: atletiek, judo, tennis, hippische sport, volleybal en wielersport;

  • t.

    kernsportbond:

    • -

      atletiek: Koninklijke Nederlandse Atletiekunie en Koninklijke Wandel Bond Nederland;

    • -

      hippische sport: Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie;

    • -

      wielersport: Koninklijke Nederlandsche Wielerunie en Nederlandse Toerfietsunie;

    • -

      volleybal: Nederlanse Volleybalbond;

    • -

      judo: Judobond Nederland;

    • -

      tennissport: Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond;

  • u.

    maakindustrie: het met behulp van machines bedrijfsmatig bewerken van grondstoffen en produceren van halffabricaten en eindproducten voor de commerciële markt;

  • v.

    maatschappelijke spin-off: de mate waarin de activiteit een stimulerend effect heeft op het bereiken van maatschappelijke doelen;

  • w.

    marktintroductie: overgang van de eindfase van het innovatieproces naar de pioniersfase van ondernemerschap; fase waarin afnemers en producenten van innovatieve producten overeenkomsten aangaan;

  • x.

    mercato: een markt in Italiaanse sfeer of die roze is gekleurd;

  • y.

    MKB-onderneming: een onderneming die behoort tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling (EG) nr. 2003/361 van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124);

  • z.

    organisatie: degene die een sportevenement of programma van side events organiseert.

aa. piazza: straat of plein in Italiaanse sfeer of die roze is gekleurd;

bb. potentiele kernsport: golf, gymnastiek, handbal, hockey, schaatsen (inclusief skeeleren), schermen, vrouwenvoetbal, waterpolo en zwemmen;

cc. primaire landbouwproductie: de in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de EU vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;

dd. proeftuinen: fysieke of virtuele proefomgeving voor meerdere onafhankelijke ondernemingen en organisaties waar eindgebruikers van innovatieprojecten of innovatieprocessen in oparticiperen teneinde te komen tot versnelde marktintroducties van een innovatief product;

ee. programma van side events: geheel van side events, dat als doel heeft het vergroten van de economische en de maatschappelijke spin-off van het sportevenement;

ff. programma: samenhangende reeks van projecten en activiteiten met een gezamenlijk doel;

gg. regiocontract: contract tussen enerzijds provincie en anderzijds regio's en steden in het kader van het Programma Stad en Regio;

hh. Regionale Bureaus voor Toerisme: organisaties ter bevordering van toerisme per regio zoals aangegeven op een als bijlage bij onderhavige subsidieregeling gevoegde kaart;

ii. Regionale Centra voor Technologie: de stichting Achterhoeks Centrum voor Technologie te Doetinchem, de stichting Platform Creatieve Technologie te Arnhem, de stichting RCT Rivierenland te Tiel, de stichting RCT Vallei te Ede, stichting Regionaal Nijmeegs Centrum voor Technologie te Nijmegen, stichting Innovatienetwerk Stedendriehoek te Apeldoorn, de stichting Veluws Centrum voor Technologie te Nunspeet;

jj. SBI-code: de door het Centraal Bureau voor de Statistiek opgestelde code conform de Standaard Bedrijfsindeling 2008 ter aanduiding van de belangrijkste activiteit van een onderneming die in het Handelsregister is ingeschreven;

kk. side event: nevenactiviteit voor, tijdens of na het sportevenement, dat een duidelijke verbinding heeft met het sportevenement en gericht is op het vergroten van de maatschappelijk of economische spin-off van het sportevenement;

ll. sector logistiek: sector van ondernemingen die goederen vervoeren, overslaan, sorteren of opslaan;

mm. sportevenement: één- of meerdaags samenhangend geheel van sportwedstrijden, of een topsportwedstrijd indien binnen de betreffende kernsport geen samenhangend geheel van sportwedstrijden wordt georganiseerd;

nn. sporttalent: Gelderse sporter waaraan NOC*NSF of Topsport Gelderland de talentenstatus heeft toegekend;

oo. toeristische informatie: informatie ten behoeve van (dag)recreanten die ten minste bezienswaardigheden, horeca, natuur en landschap en dagrecreatieve mogelijkheden betreft;

pp. vrijetijdseconomie: de economie die bestaat uit ondernemingen die zich in hoofdzaak bezighouden met dienstverlening ten behoeve van (dag)recreanten en toeristen;

qq. WESP-methodiek: richtlijnen van de landelijke Werkgroep Evaluatie Sportevenementen;

rr. startgemeente: Apeldoorn, Arnhem en Nijmegen.

Paragraaf 6.2 Verbeteren positie van starters

Artikel 6.2.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van een door meerdere partijen gezamenlijk opgesteld programma:

    • a.

      ter verbetering van ondernemersvaardigheden;

    • b.

      voor het opzetten van een fysieke bedrijfsomgeving; of

    • c.

      gericht op het ondersteunen van individuele startende ondernemingen.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op de volgende doelen:

    • a.

      stimuleren en versterken van MKB-ondernemingen;

    • b.

      verkleinen van regionale arbeidsmarktdiscrepantie;

    • c.

      versterken van de fysieke bedrijfsomgeving.

Artikel 6.2.2 Criteria 

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    het programma is bedoeld ter begunstiging van startende ondernemingen die tevens innovatieve ondernemingen zijn;

  • b.

    de in artikel 6.1.2 bedoelde partijen hun samenwerking schriftelijk hebben vastgelegd;

  • c.

    het programma leidt tot een research- en developmentimpuls bij ondernemingen of kennisinstellingen of het creëren van nieuwe arbeidsplaatsen; en

  • d.

    de doelgroep van het programma bij de totstandkoming daarvan is betrokken.

Artikel 6.2.3 Aanvrager 

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan:

    • a.

      ondernemingen;

    • b.

      verenigingen van ondernemingen;

    • c.

      kennisinstellingen;

    • d.

      gemeenten.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.2.4 Hoogte van de subsidie 

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 500.000.

Artikel 6.2.5 Communautair toetsingskader 

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 22 van de Algemene groepsvrijstellingingsverordening.

Paragraaf 6.3 Versnellen van innovaties in logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve sector

Artikel 6.3.1 Subsidiabele activiteit

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het ten behoeve van MKB-ondernemingen laten doen van onderzoek gericht op:

    • a.

      de fase van het innovatieproces waarbinnen ideeën worden omgezet in concepten;

    • b.

      deelname aan programma's van de Europese Unie.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op het stimuleren en versterken van MKB-ondernemingen.

Artikel 6.3.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve sector.

Artikel 6.3.3 Aanvrager 

Subsidie wordt verstrekt aan de Regionale Centra voor Technologie.

Artikel 6.3.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 50.000.

Artikel 6.3.5 Weigeringsgrond 

Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit betrekking heeft op fundamenteel onderzoek.

Artikel 6.3.6 Verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht de subsidie zodanig aan te wenden dat per kalenderjaar per onderneming ten behoeve waarvan het onderzoek wordt uitgevoerd ten hoogste € 10.000 wordt aangewend en ten hoogste 50% van de onderzoekskosten wordt vergoed.

Paragraaf 6.4 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in logistiek, vrijetijdseconomie, land- en tuinbouw en de creatieve sector

Artikel 6.4.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt:

    • a.

      voor het verkleinen van arbeidsmarktdiscrepanties;

    • b.

      als cofinanciering van een aanvraag van onderwijsinstellingen in het kader van het Regionaal investeringsfonds mbo zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 23 april 2014 (nummer 11234) met inbegrip van wijzigingen van deze regeling.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op het verkleinen van regionale arbeidsmarktdiscrepantie.

Artikel 6.4.2 Criteria 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.4.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren logistiek, vrijetijdseconomie, land- en tuinbouw en de creatieve sector; en

    • b.

      bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten één of meerdere ondernemingen zijn betrokken.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.4.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren logistiek, vrijetijdseconomie, land- en tuinbouw en de creatieve sector;

    • b.

      bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten één of meerdere ondernemingen zijn betrokken; en

    • c.

      de cofinanciering wordt aangewend ter verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt.

Artikel 6.4.3 Aanvrager 

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan:

    • a.

      ondernemingen;

    • b.

      verenigingen van ondernemingen;

    • c.

      kennisinstellingen;

    • d.

      onderwijsinstellingen;

    • e.

      gemeenten.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.4.1, onder b, wordt verstrekt aan kennisinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs.

Artikel 6.4.4 Hoogte van de subsidie 

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 100.000.

Paragraaf 6.5 Collectief onderzoek 

Artikel 6.5.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      industrieel onderzoek;

    • b.

      experimentele ontwikkeling;

    • c.

      haalbaarheidsstudies.

  • 2.

    In afwijking van het vorige lid wordt de subsidie voor experimentele ontwikkeling , voor zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve sector, slechts verstrekt indien de aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste één andere onderneming die een andere SBI-code heeft dan de aanvrager en de voorwaarden voor die samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.

  • 3.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op het stimuleren en versterken van MKB-ondernemingen.

Artikel 6.5.2 Criteria 

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve sector; en

    • b.

      de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking behelst:

      • -

        tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een MKB-onderneming is en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of

      • -

        tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het vorige lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 6.5.1, onder b, voor zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve sector, slechts verstrekt indien de aanvrager samenwerkt met ten minste één andere onderneming die een andere SBI-code heeft dan de aanvrager.

Artikel 6.5.3 Subsidiabele kosten 

  • 1.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, onder a en b, komen in aanmerking:

    • a.

      personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

    • c.

      kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

    • d.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • e.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 2.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, onder c, komen de studiekosten in aanmerking.

Artikel 6.5.4 Aanvrager 

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, onder b, voor zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve sector, verstrekt aan MKB-ondernemingen met ten minste één van de volgende SBI-codes: 5811, 5813, 5814, 5819, 5821, 5829, 59111, 59112, 5912, 5913, 5914, 5920, 6010, 6020, 6030, 7021, 7111, 7311, 7312, 7410, 74201, 7990, 8230, 90011, 90012, 90013, 9002, 9003, 90041, 91011, 91012, 91019, 91021, 91022, 9103, 93211, 93212, 94993 of 94994.

  • 3.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.5.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 2.1.3 worden bij een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, onder b, voor zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve sector, in ieder geval de navolgende gegevens verstrekt:

  • a.

    een beschrijving van de wijze waarop aanvrager zich inspant om de subsidiabeleactiviteit binnen zes maanden na subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    een beschrijving van de wijze waarop en de mate waarin de subsidiabele activiteit bijdraagt aan het verminderen van milieubelasting;

  • c.

    een beschrijving van de wijze waarop aanvrager inzake de subsidiabele activiteit samenwerkt met andere partijen dan de onderneming zoals bedoeld in artikel 6.5.2, tweede lid;

  • d.

    een verklaring van Oost N.V. waaruit blijkt dat voorafgaand aan de het indienen van de aanvraag afstemming heeft plaatsgevonden met Oost N.V.

Artikel 6.5.6 Hoogte van de subsidie 

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.5.1, onder a en c;

  • b.

    25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.5.1, onder b, voor zover deze plaatsvinden in de sectoren logistiek en vrijetijdseconomie;

  • c.

    75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.5.1, onder b, voor zover deze plaatsvinden in de creatieve sector.

Artikel 6.5.7 Verplichtingen 

De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 6.5.1, onder b, is voor zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve sector verplicht het resultaat van de subsidiabele activiteit of de zakelijke inhoud daarvan kenbaar te maken door vermelding daarvan op tenminste zijn eigen website of de website www.ondernemengelderland.nl.

Artikel 6.5.8 Communautair toetsingskader 

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van subsidie als bedoeld in artikel 6.5.1, onder b, voor zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve sector.

Paragraaf 6.6 Projectsubsidie

Artikel 6.6.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      industrieel onderzoek;

    • b.

      experimentele ontwikkeling.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op het stimuleren en versterken van MKB-ondernemingen.

Artikel 6.6.2 Criteria 

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve sector;

  • b.

    de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking behelst:

    • -

      tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een MKB-onderneming is en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of

    • -

      tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren, aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met meerdere andere ondernemingen of kennisinstellingen en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd; en

  • c.

    de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector betrekking heeft op een keten van producent, leverancier en eindgebruiker.

Artikel 6.6.3 Subsidiabele kosten 

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

  • b.

    kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkend boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

  • c.

    kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking;

  • d.

    kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

  • e.

    bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Artikel 6.6.4 Aanvrager 

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.6.5 Aanvraag 

Onverminderd artikel 2.1.3 wordt bij de aanvraag in elk geval een schriftelijk bewijsstuk verstrekt waar uit blijkt dat de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector betrekking heeft op de keten van producent, leverancier en eindgebruiker.

Artikel 6.6.6 Hoogte van de subsidie 

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 250.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.6.1, onder a;

  • b.

    25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 250.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.6.1, onder b.

Artikel 6.6.7 Weigeringsgrond 

Subsidie wordt geweigerd indien de aanvrager niet beschikt over een aantoonbaar marktaandeel van de betreffende markt waarbinnen de innovatie plaatsvindt.

Artikel 6.6.8 Communautair toetsingskader 

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.7 Onderzoeksinfrastructuur voor economische activiteiten

Artikel 6.7.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op het stimuleren en versterken van MKB-ondernemingen.

Artikel 6.7.2 Criteria 

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren logistiek, vrijetijdseconomie en de creactieve sector;

  • b.

    de infrastructuur wordt gebruikt voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

  • c.

    de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, overeenstemt met een marktprijs;

  • d.

    de toegang tot de infrastructuur open staat voor meerdere gebruikers en op transparante en niet-discriminerende basis wordt verleend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden; en

  • e.

    de infrastructuur is bedoeld voor MKB-ondernemingen.

Artikel 6.7.3 Subsidiabele kosten 

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa.

Artikel 6.7.4 Hoogte van de subsidie 

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000.

Artikel 6.7.5 Communautair toetsingskader 

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 26 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.8 Kwaliteitsverbetering en meeropbrengst ondernemingen vrijetijdseconomie

Artikel 6.8.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor regionale projecten ter versterking van de vrijetijdseconomie, niet zijnde marketing en promotie;

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op de versterking van de vrijetijdseconomie.

Artikel 6.8.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit:

  • a.

    plaatsvindt in de sector vrijetijdseconomie;

  • b.

    bijdraagt aan de doelstellingen uit het Actieplan Vrijetijdseconomie;

  • c.

    is gericht op verhoging van de kwaliteit van de activiteiten van aanvrager, toeristische bezoekersaantallen of werkgelegenheid;

  • d.

    leidt tot meer toeristische bestedingen;

  • e.

    aanvrager voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste vier andere ondernemingen uit eenzelfde regio en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd; en

  • f.

    bijdraagt aan de bestaande regionale identiteit zoals die volgt uit het Actieplan Vrijetijdseconomie of aansluit bij de activiteiten uit het regiocontract.

Artikel 6.8.3 Subsidiabele kosten 

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor:

  • a.

    uitvoering van procesbegeleiding;

  • b.

    uitvoering van haalbaarheidsonderzoek;

  • c.

    investeringsbijdragen.

Artikel 6.8.4 Aanvrager 

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen in de sector vrijetijdseconomie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.8.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000. Hiervan kan ten hoogste € 10.000,- worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.8.3, onder c.

Paragraaf 6.9 Samenwerkingsinitiatieven vrijetijdseconomie

Artikel 6.9.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      procesbegeleiding bij nieuwe samenwerkingsinitiatieven;

    • b.

      conceptontwikkeling van nieuwe producten of diensten;

    • c.

      haalbaarheidsonderzoek naar nieuwe producten of diensten.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op de versterking van de vrijetijdseconomie.

Artikel 6.9.2 Criteria 

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sector vrijetijdseconomie;

  • b.

    de subsidiabele activiteit bijdraagt aan de doelstellingen uit het Actieplan Vrijetijdseconomie;

  • c.

    de subsidiabele activiteit leidt tot meer toeristische bestedingen, hogere toeristische bezoekersaantallen of een toename van werkgelegenheid; en

  • d.

    aanvrager voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste twee andere ondernemingen en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.

Artikel 6.9.3 Aanvrager 

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen in de sector vrijetijdseconomie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.9.4 Hoogte van de subsidie 

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 15.000.

Paragraaf 6.10 Kwaliteitsverbetering routes voor wandelen, fietsen, varen, hardlopen, paardrijden en mennen

Artikel 6.10.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      het verbeteren van de kwaliteit van regionaal dekkende routestructuren voor fietsen, wandelen, hardlopen, paardrijden of mennen,

    • b.

      het maken van nieuwe aanlegplaatsen voor vaartuigen;

    • c.

      het maken van een digitaal routesysteem in de vorm van een applicatie voor wandelen, fietsen, hardlopen, varen, paardrijden of mennen.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op de versterking van de vrijetijdseconomie.

Artikel 6.10.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien het onderhoud en beheer na uitvoering van de subsidiabele activiteit voor minimaal 5 jaar zijn verzekerd.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.10.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de applicatie de gehele provincie Gelderland betreft; en

    • b.

      de applicatie toeristische informatie bevat.

Artikel 6.10.3 Niet-subsidiabele kosten 

  • 1.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 6.10.1, onder a, komen de kosten voor aanleg, wijziging of onderhoud van infrastructurele kunstwerken niet in aanmerking;

  • 2.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 6.10.1, onder c, komen de kosten voor het verzamelen van data en toeristische informatie niet in aanmerking.

Artikel 6.10.4 Aanvraag

Onverminderd artikel 2.1.3 wordt bij de aanvraag een toelichting verstrekt in de vorm van een projectplan op de in artikel 6.10.2 opgenomen criteria.

Artikel 6.10.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 200.000.

Artikel 6.10.6 Weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit:

    • a.

      zich niet leent voor herhaalde toepassing ten aanzien van andere routestructuren dan die waar de aanvraag betrekking op heeft;

    • b.

      de aanleg van nieuwe wandel,- fiets- of ruiterroutes betreft, tenzij het de aanleg van ontbrekende schakels betreft tussen bestaande routes waarbij:

      • -

        voor wandelroutes er binnen een straal van 2 kilometer geen alternatieve mogelijkheden bestaan voor recreatief wandelen, respectievelijk fietsen of paardrijden;

      • -

        voor fiets, of ruiteroutes er binnen een straal van 5 kilometer geen alternatieve mogelijkheden bestaan voor recreatief wandelen, respectievelijk fietsen of paardrijden

    • c.

      de aanleg van wandelknooppunten betreft;

    • d.

      reguliere onderhoudswerkzaamheden betreft;

    • e.

      geheel of gedeeltelijk bestaat uit marketing en promotie.

  • 2.

    Subsidie zoals bedoeld in artikel 6.10.1, onder a wordt geweigerd indien de activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor in de 10 jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag overheidssubsidie werd verleend voor eenzelfde type routestructuur.

Paragraaf 6.11 Marketing en promotie vrijetijdseconomie

Artikel 6.11.1 Subsidiabele activiteit 

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor generieke marketing en promotie van de provincie Gelderland of Gelderse regio's ter bevordering van de vrijetijdseconomie.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben op de versterking van de vrijetijdseconomie.

Artikel 6.11.2 Aanvrager 

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    Regionale Bureaus voor Toerisme;

  • b.

    Stichting Toerisme Gelderland.

Artikel 6.11.3 Hoogte van de subsidie 

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 750.000.

Artikel 6.11.4 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien de activiteit niet past binnen het Actieplan Vrijetijdseconomie.

Paragraaf 6.12 Versnellen van innovaties Food, Health en Maakindustrie

Artikel 6.12.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het ten behoeve van MKB-ondernemingen laten doen van onderzoek gericht op:

  • a.

    de fase van het innovatieproces waarbinnen ideeën worden omgezet in concepten; en

  • b.

    deelname aan programma's van de Europese Unie.

Artikel 6.12.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie.

Artikel 6.12.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    Valleybureaus;

  • b.

    Regionale Centra voor Technologie.

Artikel 6.12.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000.

Artikel 6.12.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit betrekking heeft op fundamenteel onderzoek.

Artikel 6.12.6 Verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht de subsidie zodanig aan te wenden dat per kalenderjaar per onderneming ten behoeve waarvan het onderzoek wordt uitgevoerd ten hoogste € 10.000 wordt aangewend en ten hoogste 50% van de onderzoekskosten wordt vergoed.

Paragraaf 6.13 Collectief onderzoek

Artikel 6.13.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    industrieel onderzoek;

  • b.

    experimentele ontwikkeling;

  • c.

    haalbaarheidsstudies.

Artikel 6.13.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie;

  • b.

    de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking behelst:

    • -

      tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een MKB-onderneming is en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of

    • -

      tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; en

  • c.

    de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in staat is zelf de productie ter hand te nemen na een eventuele succesvolle marktintroductie in vervolg op de subsidiabele activiteit.

Artikel 6.13.3 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 6.13.1, onder a en b, komen in aanmerking:

    • a.

      personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

    • c.

      kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

    • d.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • e.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 2.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 6.13.1, onder c komen de studiekosten in aanmerking.

Artikel 6.13.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.13.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    ten aanzien van de subsidiabele activiteit risicodragende financiering mogelijk is;

  • b.

    de aanvrager of holding waartoe de aanvrager behoort in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt aangevraagd al een subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf.

Artikel 6.13.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000.

Artikel 6.13.7 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.14 Projectsubsidie

Artikel 6.14.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    industrieel onderzoek;

  • b.

    experimentele ontwikkeling.

Artikel 6.14.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie;

  • b.

    de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking behelst:

    • -

      tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een MKB-onderneming is en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of

    • -

      tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren;

  • c.

    de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in staat is zelf de productie ter hand te nemen na een eventuele succesvolle marktintroductie in vervolg op de subsidiabele activiteit; en

  • d.

    de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector betrekking heeft op een keten van

producent, leverancier en eindgebruiker.

Artikel 6.14.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

  • b.

    kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

  • c.

    kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

  • d.

    kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

  • e.

    bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Artikel 6.14.4 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.14.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 2.1.3 wordt bij de aanvraag in elk geval een schriftelijk bewijsstuk verstrekt waar uit blijkt dat de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector betrekking heeft op de keten van producent, leverancier en eindgebruiker.

Artikel 6.14.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 250.000.

Artikel 6.14.7 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    ten aanzien van de subsidiabele activiteit risicodragende financiering mogelijk is;

  • b.

    de aanvrager of holding waartoe de aanvrager behoort in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt aangevraagd al een subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf; of

  • c.

    de aanvrager niet beschikt over een aantoonbaar marktaandeel van de betreffende markt waarbinnen de innovatie plaatsvindt.

Artikel 6.14.8 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met artikel 25 en hoofdstuk I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.15 Onderzoeksinfrastructuur voor economische activiteiten

Artikel 6.15.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht.

Artikel 6.15.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie;

  • b.

    de infrastructuur wordt gebruikt voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

  • c.

    de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, overeenstemt met een marktprijs; en

  • d.

    de toegang tot de infrastructuur open staat voor meerdere gebruikers en op transparante en niet-discriminerende basis wordt verleend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden.

Artikel 6.15.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa.

Artikel 6.15.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 300.000.

Artikel 6.15.5 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met artikel 26 en hoofdstuk I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.16 Proeftuinen ten behoeve van marktintroducties

Artikel 6.16.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het ontwikkelen van proeftuinen ten behoeve van marktintroducties door een innovatiecluster;

  • b.

    het generiek promoten van het Gelderse proeftuinklimaat;

  • c.

    het generiek promoten van het Gelderse ondernemingsklimaat voor innoverende ondernemingen.

Artikel 6.16.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien de aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste één andere onderneming, kennisinstelling of publiekrechtelijke rechtspersoon en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.

Artikel 6.16.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder a, wordt verstrekt aan de onderneming die het innovatiecluster exploiteert (de clusterorganisatie).

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder b, wordt verstrekt aan Valleybureaus en Regionale Centra voor Technologie.

  • 3.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder c, wordt verstrekt aan:

    • a.

      gemeenten;

    • b.

      openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • c.

      privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 6.16.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 200.000.

Artikel 6.16.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit betrekking heeft op de realisatie, verkrijging, gebruik of beheer van onroerende zaken en infrastructuur.

Artikel 6.16.6. Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder a, slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.17 Ondersteunen innovatieve starters

Artikel 6.17.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een programma gericht op het ondersteunen van innovatieve starters teneinde innovatie en ondernemerschap te bevorderen.

Artikel 6.17.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie;

  • b.

    de begunstigde onderneming een startende onderneming is; en

  • c.

    de begunstigde onderneming een innovatieve onderneming is.

Artikel 6.17.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon die deels of volledig statutair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van onderwijs- of kennisinstellingen en die zich blijkens zijn statuten het bevorderen van het ontstaan van jonge innoverende ondernemingen tot doel stelt.

Artikel 6.17.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 3.000.000.

Artikel 6.17.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien samenwerking met andere door de provincie ondersteunde programma's ter bevordering van ondernemerschap ontbreekt.

Artikel 6.17.6 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 22 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.18 Innovatieve starters Novio Tech Campus

Artikel 6.18.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    consulting, bijstand en opleiding ter bevordering van ondernemerschap;

  • b.

    huur van bedrijfsruimte.

Artikel 6.18.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie;

  • b.

    de aanvrager een startende onderneming is;

  • c.

    de aanvrager een innovatieve onderneming is; en

  • d.

    de aanvrager statutair en feitelijk is gevestigd op de Novio Tech Campus zoals aangeduid en begrensd door de gemeenteraad van Nijmegen in zijn besluit van 29 april 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan Nijmegen Goffert-Winkelsteeg-4 (NTC).

Artikel 6.18.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.18.4 Aanvraag

  • 1.

    In afwijking van artikel 7, eerste lid, AsG dient de aanvraag om subsidie te worden ingediend ten minste 4 weken voor de aanvang van de activiteiten.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.1.3 wordt bij de aanvraag in elk geval een door de verhuurder en aanvrager ondertekende huurovereenkomst gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager voor een periode van ten minste drie jaren vanaf het moment van subsidieverlening bedrijfsruimte huurt op de Novio Tech Campus.

Artikel 6.18.5 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt ten hoogste:

    • a.

      75% van de kosten met een maximum van € 5.000 voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 6.18.1, onder a;

    • b.

      50% van de kosten met een maximum van € 24.500 voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 6.18.1, onder b.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.18.1, onder b, kan worden aangevraagd voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten kalenderjaren.

Artikel 6.18.6 Verplichtingen

De aanvrager van subsidie zoals bedoeld in artikel 6.18.1, onder b, is verplicht om vanaf het moment van subsidieverlening gedurende een periode van tenminste drie jaren statutair en feitelijk gevestigd te blijven op de Novio Tech Campus.

Artikel 6.18.7 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 22 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.19 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie sectoren Food, Health of Maakindustrie

Artikel 6.19.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt:

  • a.

    voor het verkleinen van arbeidsmarktdiscrepanties;

  • b.

    als cofinanciering door kennisinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs in het kader van het Regionaal investeringsfonds mbo zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 23 april 2014 (nummer 11234) met inbegrip van wijzigingen van deze regeling.

Artikel 6.19.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.19.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie; en

    • b.

      bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten één of meerdere ondernemingen zijn betrokken.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.19.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie;

    • b.

      bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten één of meerdere ondernemingen zijn betrokken; en

    • c.

      de cofinanciering wordt aangewend ter verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt.

Artikel 6.19.3 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.19.1, onder a, wordt verstrekt aan:

    • a.

      ondernemingen;

    • b.

      verenigingen van ondernemingen;

    • c.

      kennisinstellingen;

    • d.

      gemeenten.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 6.19.1, onder b, wordt verstrekt aan kennisinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs.

Artikel 6.19.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de kosten met een maximum van € 200.000.

Paragraaf 6.20 Ondersteuning Valleybureaus als innovatiecluster

Artikel 6.20.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de bouw of het upgraden van een innovatiecluster;

  • b.

    het exploiteren van een innovatiecluster.

Artikel 6.20.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt ten behoeve van de sector Food of Health.

Artikel 6.20.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan de Valleybureaus.

Artikel 6.20.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 500.000.

Artikel 6.20.5 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.21 Aanjagen en stimuleren van regionale gebiedsontwikkeling

Artikel 6.21.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die betrekking hebben op de fysieke realisatie van een incubator, een bedrijfsverzamelgebouw of een gedeelde onderzoeksfaciliteit.

Artikel 6.21.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie; en

  • b.

    de bij de subsidiabele activiteit betrokken publieke en private partijen hun samenwerkingsafspraken schriftelijk hebben vastgelegd en daarbij ten minste regelingen hebben getroffen terzake de financiering van de voorgenomen fysieke realisatie en de verdeling van financiële risico's.

Artikel 6.21.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor:

  • a.

    het opstellen van een ruimtelijk-planologische visie of een ruimtelijk plan;

  • b.

    het opstellen van een business case;

  • c.

    het financieren van een onrendabele top in de vorm van kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking.

Artikel 6.21.4 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten;

  • b.

    openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • c.

    privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 6.21.5 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000 voor kosten als bedoeld in artikel 6.21.3, onder a of b.

  • 2.

    De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 6.21.3, onder c, bedraagt ten hoogste:

    • a.

      50% van de subsidiabele kosten indien en voor zover de betreffende gebouwen en grond als bedoeld in artikel 6.21.1 worden gebruikt voor industrieel onderzoek;

    • b.

      25% van de subsidiabele kosten indien en voor zover de betreffende gebouwen en grond als bedoeld in artikel 6.21.1 worden gebruikt voor experimentele ontwikkeling.

Artikel 6.21.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    niet uit een marktonderzoek het nut, de noodzaak en de realiseerbaarheid van de subsidiabele activiteit volgt;

  • b.

    de uitgangspunten van de subsidiabele activiteit niet in overleg met de provincie zijn opgesteld.

Artikel 6.21.7 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 6.21.3, onder c, slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.22 Herstructureren van de fysieke bedrijfsomgeving

Artikel 6.22.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het opstellen van een businessplan voor de fysieke bedrijfsomgeving;

  • b.

    de uitvoering van maatregelen op het bedrijventerrein waarmee investeringskansen worden verzilverd, zoals omschreven in het businessplan voor de fysieke bedrijfsomgeving;

Artikel 6.22.2 Criteria

Subsidie als bedoeld in artikel 6.22.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    er sprake is van een ruimtelijk knelpunt op het bedrijventerrein die het (toekomstig) functioneren van tenminste één bedrijf bemoeilijkt, er aantoonbaar draagvlak bij de ondernemers aanwezig is en er een positief effect is op de ontwikkeling of behoud van de werkgelegenheid op het bedrijventerrein; en

  • b.

    er een businessplan voor de fysieke bedrijfsomgeving aan de activiteit ten grondslag ligt dat voldoet aan de volgende vereisten:

    • -

      een omschrijving van de knelpunten, kansen, ambities en doelstellingen;

    • -

      een beschrijving van de projecten of deelprojecten;

    • -

      een beschrijving van de organisatie, communicatie, planning, kosten en financiering van de maatregelen.

Artikel 6.22.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 6.22.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    50% van de kosten tot een maximum van € 25.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.22.1, onder a;

  • b.

    50% van de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.22.1, onder b.

Paragraaf 6.23 Bedrijfsverplaatsingen

Artikel 6.23.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het verstrekken van een bijdrage voor bedrijfsverplaatsing vanwege een milieuhygiënisch knelpunt.

Artikel 6.23.3 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de bijdrage wordt verstrekt voor een bedrijfsverplaatsing vanwege een milieuhygiënisch knelpunt veroorzaakt door het te verplaatsen bedrijf;

  • b.

    de bijdrage van de gemeente ten hoogste 50% bedraagt van de kosten voor de verplaatsing van het bedrijf;

  • c.

    de gemeente bij het bepalen van haar bijdrage in de kosten voor de verplaatsing van het bedrijf toepassing geeft aan de circulaire;

  • d.

    de gemeente haar bijdrage in de kosten voor de verplaatsing van het bedrijf vaststelt op basis van een taxatie die is opgesteld door een onafhankelijk taxateur;

  • e.

    sprake is van bedrijfsverplaatsing binnen de provincie Gelderland naar een bedrijventerrein;

  • f.

    het milieuhygiënische knelpunt blijvend wordt opgelost.

Artikel 6.23.4 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komt in aanmerking de bijdrage van de gemeente in de kosten voor de verplaatsing van het bedrijf.

Artikel 6.23.5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 6.23.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van

€ 500.000.

Paragraaf 6.24 Samenwerking fysieke bedrijfsomgeving

Artikel 6.24.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het opstellen van een haalbaarheidsonderzoek naar de oprichting van een rechtspersoon die het beheer van een bedrijventerrein als statutair doel heeft;

  • b.

    het opstellen van een haalbaarheidsonderzoek naar de uitvoering van energiebesparende maatregelen op een bedrijventerrein.

Artikel 6.24.2 Criteria

Subsidie als bedoeld in artikel 6.24.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste één onderneming of gemeente en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.

Artikel 6.24.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten en ondernemingen voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.24.1, onder a;

  • b.

    aan rechtspersonen die het beheer van een bedrijventerrein als statutair doel hebben voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.24.1, onder b.

Artikel 6.24.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    50% van de kosten met een maximum van € 50.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.24.1, onder a;

  • b.

    50% van de kosten met een maximum van € 25.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.24.1, onder b.

Paragraaf 6.25 Economische impact - Sportevenementen

Artikel 6.25.1 Evenementenkalender

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen een evenementenkalender vast.

  • 2.

    Op de evenementenkalender worden sportevenementen opgenomen die:

    • a.

      betrekking hebben op een kernsport of een potentiele kernsport mits het sportevenement een hoge economische impact heeft; en

    • b.

      een Nederlands, Europees of wereldkampioenschap betreffen of een ander vergelijkbaar aansprekend nationaal of internationaal evenement waar sporters op het hoogste competitieniveau tegen elkaar uitkomen.

Artikel 6.25.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de organisatie van een sportevenement en de gelijktijdige organisatie van een programma van side events waar breedtesportactiviteiten deel van uitmaken;

  • b.

    de organisatie van een programma van side events waar breedtesportactiviteiten deel van uitmaken; of

  • c.

    de organisatie van een mercato of piazza in de periode van 1 april 2016 tot en met 8 mei 2016.

Artikel 6.25.3 Criteria

  • 1.

    Subsidie voor de organisatie van een sportevenement wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      het sportevenement op de evenementenkalender staat; en

    • b.

      er een programma van side events wordt georganiseerd.

  • 2.

    Subsidie voor de organisatie van een programma van side events wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      deze wordt georganiseerd bij een sportevenement dat op de evenementenkalender staat;

    • b.

      de breedtesportactiviteiten activiteiten bevatten gericht op gehandicapten; en

    • c.

      bij de organisatie van de activiteiten gericht op het vergroten van de economische spin-off het regionale bedrijfsleven substantieel wordt betrokken.

  • 3.

    Subsidie voor de organisatie van een mercato wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de mercato wordt georganiseerd in een doorkomstgemeente;

    • b.

      lokale ondernemers bij de organisatie worden betrokken, en

    • c.

      invulling wordt gegeven aan de thema’s Italië, Giro d’Italia, fietsen en culinair.

  • 4.

    Subsidie voor de organisatie van een piazza wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      deze wordt georganiseerd in een startgemeente of een doorkomstgemeente; en

    • b.

      invulling wordt gegeven aan de thema’s Italië, Giro d’Italia, fietsen en culinair;

Artikel 6.25.4 Aanvrager

In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie als bedoeld in artikel 6.25.2, onder c, ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.25.5 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie voor de organisatie van een sportevenement bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van:

    • a.

      € 60.000 voor een Nederlands kampioenschap;

    • b.

      € 120.000 voor een Europees kampioenschap;

    • c.

      € 160.000 voor een wereldkampioenschap.

  • 2.

    De subsidie voor de organisatie van een programma van side events bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van:

    • a.

      € 15.000 voor een Nederlands kampioenschap;

    • b.

      € 30.000 voor een Europees kampioenschap;

    • c.

      € 40.000 voor een wereldkampioenschap.

  • 3.

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een evenement als bedoeld in artikel 6.25.1, tweede lid, onder b.

  • 4.

    De subsidie voor de organisatie van een mercato bedraagt ten hoogste € 6.000.

  • 5.

    De subsidie voor de organisatie van een piazza bedraagt ten hoogste € 800.

Artikel 6.25.6 Weigeringsgrond

  • 1.

    Subsidie voor een mercato wordt slechts één keer ten behoeve van een doorkomstgemeente verstrekt.

  • 2.

    Subsidie voor een piazza wordt ten hoogste twee keer verstrekt ten behoeve van een doorkomstgemeente en maximaal vijftien keer ten behoeve van een startgemeente.

Artikel 6.25.7 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger overlegt bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een onderzoeksrapport, waarin de resultaten van een onderzoek naar de economische impact van het sportevenement voor het bedrijfsleven in Gelderland conform de WESP-methodiek staan beschreven.

  • 2.

    Het onderzoeksrapport mag ten hoogste een jaar oud zijn mits het is opgesteld voor de uitvoering van eenzelfde sportevenement als waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 3.

    De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accommodatie of locatie waar het sportevenement wordt georganiseerd toegankelijk is voor gehandicapten.

  • 4.

    Het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel is niet van toepassing op subsidie als bedoeld in artikel 6.25.2, onder c.

  • 5.

    De subsidieontvanger deelt op de dag dat de piazza plaatsvindt het resultaat middels een fotoverslag, blog of vlog via facebook of twitter, waarbij deze gedeeld wordt met de facebookpagina dan wel het twitteraccount van de provincie.

Paragraaf 6.26 Economische impact - kennis en innovatie

Artikel 6.26.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan de toepassing van innovatie op het gebied van top- en breedtesport in Gelderland.

Artikel 6.26.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de activiteiten betrekking hebben op een kernsport of een potentiele kernsport;

  • b.

    over de activiteiten een positief advies is uitgebracht door de kernsportbond(en) waar de activiteiten betrekking op hebben;

  • c.

    uit de aanvraag blijkt dat de resultaten van een innovatie in eerste instantie ten goede komen aan Gelderse sporttalenten.

Artikel 6.26.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 50.000 per activiteit.

Artikel 6.26.4 Weigeringsgronden

Geen subsidie wordt verstrekt voor het verrichten van fundamenteel onderzoek.

Hoofdstuk 7 Cultuur en erfgoed

Paragraaf 7.1 Algemene bepalingen

Artikel 7.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    cultuurhistorisch object: elk object behorende tot tenminste een van de volgende categorieën:

    • -

      andere objecten dan de waterlinieforten genoemd onder k (waterliniefort) en die een functie hadden in de militaire werking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie;

    • -

      relicten van landschappelijke veranderingen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie tot en met 1945 die direct het gevolg zijn van doorbraken van een kade of dijk van een inundatiekom;

    • -

      relicten van maatregelen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie tot en met 1945 om schade als gevolg van een doorbraak van kade of dijk van een inundatiekom te herstellen;

    • -

      relicten van menselijke ingrepen in het landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als onderdeel van ontginningen voor landbouwkundig gebruik tot en met 1945;

  • b.

    draaipremie: subsidie verstrekt voor het jaar 2012 op grond van artikel 7 van de Verordening Cultuurhistorie Gelderland;

  • c.

    historische molen: een door wind, water of ros aangedreven krachtwerktuig inclusief het bouwwerk, geschikt of bedoeld voor een historisch maal- productieactiviteitbedrijf;

  • d.

    normaal onderhoud: regulier onderhoud dat noodzakelijk is om de functie en zichtbare kenmerken van een object te behouden;

  • e.

    restauratie: werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor het herstel van een object of om verval van een object te voorkomen;

  • f.

    voorbereiding: alle handelingen, die nodig zijn om met de uitvoering van werkzaamheden te kunnen starten, inclusief het aanvragen van vergunningen;

  • g.

    waardenkaart: een besluit van een gemeentebestuur waarin de cultuurhistorische of archeologische waarden binnen het gehele grondgebied van de gemeente zijn weergegeven en dat gebruikt kan worden bij het voorbereiden van ruimtelijke planvorming.

Paragraaf 7.2 Instandhouding historische molens en stoomgemalen

Artikel 7.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het verstrekken van subsidie voor de instandhouding van historische molens en stoomgemalen.

Artikel 7.2.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien de aanvrager beschikt over een subsidieregeling op grond waarvan aan een eigenaar van een historische molen of stoomgemaal subsidie kan worden verstrekt voor het instandhouden van de historische molen of stoomgemaal.

Artikel 7.2.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 7.2.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 7.2.1 bedraagt ten hoogste € 3.100 per historische molen of stoomgemaal.

Artikel 7.2.5 Verplichtingen

De aanvrager is verplicht om in de subsidieregeling als bedoeld in artikel 7.2.2 te bepalen of te doen bepalen dat:

  • a.

    de subsidie aangevraagd wordt door de eigenaar van het monument of de molen waaraan de subsidie ten goede komt;

  • b.

    de subsidie aangevraagd wordt uiterlijk op 31 december 2016;

  • d.

    de subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan eigenaren van historische molens of stoomgemalen die een provinciale draaisubsidie hebben ontvangen.

Paragraaf 7.3 Draaisubsidie

Artikel 7.3.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de asomwenteling van een monumentale molen.

Artikel 7.3.2 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of beheerder van een monumentale molen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 7.3.3 Aanvraag

In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie ingediend voor 1 april van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 7.3.4 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt:

    • a.

      € 1 (een Euro) per 300 asomwentelingen voor molens met kleppen; of

    • b.

      € 1 (een Euro) per 200 asomwentelingen voor molens met zeilen met een maximum van € 1.200 per jaar;

    • c.

      € 450 per jaar voor een molen die niet door wind wordt aangedreven.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt verstrekt op basis van het aantal asomwentelingen dat de molen heeft gemaakt in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3.

    De subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstrekt indien er sprake is van het regelmatig draaien van de molen.

Artikel 7.3.5 Weigeringsgrond

Geen subsidie wordt verstrekt indien de subsidie als bedoeld in artikel 7.3.4, eerste lid, minder dan € 70 zou bedragen.

Paragraaf 7.4 Waardenkaarten

Artikel 7.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het opstellen van de volgende typen waardenkaarten:

  • a.

    archeologische waardenkaarten;

  • b.

    cultuurhistorische waardenkaarten.

Artikel 7.4.2 Criteria

Subsidie wordt slechts eenmaal verstrekt.

Artikel 7.4.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 7.4.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 10.000,- per type waardenkaart.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit van het openbaar bestuur

(gereserveerd)

Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 9.1

De volgende regelingen en beleidsregels worden ingetrokken:

  • a.

    Regels Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011;

  • b.

    Regels subsidieverstrekking SmpG Cultuur en Erfgoed 2013;

  • c.

    Regels asbest eraf, zonnepanelen erop Gelderland;

  • d.

    Nadere regels loonkosten Subsidieregeling meerjarenprogramma’s Gelderland 2008;

  • e.

    Nadere regels loonkosten Subsidieregeling meerjarenprogramma's Gelderland 2012;

  • f.

    Herziene regels subsidieverstrekking economie 2013;

  • g.

    Herziene regels energiebesparing en hernieuwbare energie 2013;

  • h.

    Regels subsidieverstrekking sociaal-economisch beleid 2011;

  • i.

    Regels subsidieverstrekking Sociaal en Jeugd 2011;

  • j.

    Beleidsregel recessie;

  • k.

    Subsidieregeling voor ontruiming en vernietiging van krotstandplaatsen voor woonwagens 1998;

  • l.

    Regels subsidieverstrekking klimaat 2011;

  • m.

    Nadere regels subsidieverordening jeugdzorg provincie Gelderland 2010;

  • n.

    Beleidsregel subsidieverstrekking ontgroening en vergrijzing;

  • o.

    Uitvoeringsregels cultuur Gelderland 2006;

  • p.

    Regels subsidieverstrekking archieven 2011;

  • q.

    Regels subsidieverstrekking cultuur 2011;

  • r.

    Nadere regels Subsidieregeling sociaal beleid Gelderland 2004;

  • s.

    Regels subsidieverstrekking groenblauwe diensten;

  • t.

    Regels subsidieverstrekking Programma Thuisgeven in Gelderland 2011;

  • u.

    Uitvoeringsregeling stadsvernieuwingsfonds Gelderland 1998;

  • v.

    Beleidsrichtlijnen Subsidieverordening vernieuwing landelijk gebied 1998;

  • w.

    Beleidsregels voor het opstellen van het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997;

  • x.

    Regels subsidieverstrekking activiteiten ruimtelijke kwaliteit;

  • y.

    Regels subsidieverstrekking Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 Gelderland;

  • z.

    Beleidsregels verlagen subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 Gelderland.

Artikel 9.2 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Regels Ruimte voor Gelderland 2016.

Artikel 9.3 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

  • 2.

    De in artikel 9.1 bedoelde regelingen blijven van kracht op aanvragen om subsidie die zijn ingediend en besluiten omtrent subsidie die zijn genomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling.

Gedeputeerde Staten voornoemd

Gegeven te Arnhem, 12 november 2015 - zaaknummer 2015-013248

Gedeputeerde Staten van Gelderland

C.G.A. Cornielje - Commissaris van de Koning

P.G.G. Hilhorst - secretaris

Toelichting

Algemene toelichting

Relatie Algemene subsidieverordening Gelderland 2016

Met ingang van 1 januari 2016 is de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016 (AsG 2016) in werking. De AsG 2016 is ontstaan door samenvoeging van de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998, de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 en de Subsidieverordening meerjarenprogramma’s Gelderland 2012. Door deze samenvoeging, waarbij tevens stappen zijn gezet in de sfeer van uniformering en deregulering, is het stelsel van subsidieregels van de provincie aanzienlijk vereenvoudigd.

De Algemene wet bestuursrecht bevat in hoofdstuk 4 een titel (4.2) voor subsidies. De doelstellingen van de Algemene wet bestuursrecht op het onderdeel subsidies zijn de beheersbaarheid van de overheidsuitgaven, het verschaffen van rechtszekerheid voor aanvragers en het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Subsidieverstrekking vindt mede met het oog daarop plaats op wettelijke grondslag. De AsG 2016 bevat een bijlage waarop de programma’s zijn opgenomen voor de uitvoering waarvan Gedeputeerde Staten bevoegd zijn om subsidies te verstrekken en derhalve ook nadere regels te stellen. De AsG 2016 en de bijbehorende bijlage vormen de door de Algemene wet bestuursrecht vereiste wettelijke grondslag.

De AsG 2016 bepaalt in artikel 3, eerste lid, dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot het nemen van besluiten omtrent subsidie indien zij daartoe in de AsG 2016, in een bijzondere verordening of bij besluit van Provinciale Staten bevoegd zijn verklaard. Indien Gedeputeerde Staten bevoegd zijn, zijn zij op grond van artikel 3, zesde lid, van de AsG 2016 tevens bevoegd om nadere regels te stellen. De Regels Ruimte voor Gelderland 2016 voorzien in die nadere regels voor de onderwerpen waarvoor Gedeputeerde Staten op grond van de AsG 2016 bevoegd zijn.

Daarnaast bevat de AsG 2016 diverse en uiteenlopende algemeen geldende bepalingen in verband met subsidieverstrekking, waaronder het uitgangspunt van subsidieverstrekking aan rechtspersonen, diverse termijnen, algemene weigeringsgronden, het Uniform subsidiekader, regels over bevoorschotting en vaststelling. Verwezen wordt op deze plaats naar de AsG 2016 en de daarbij behorende toelichting.

Staatssteun

Bij het verstrekken van subsidie moeten de regels omtrent staatssteun in acht worden genomen. Europeesrechtelijk is vastgelegd dat staatssteun alleen is toegestaan als een uitzondering op het staatssteunverbod geldt (artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Alvorens te toetsen aan het staatssteunverbod en eventuele uitzonderingen moet eerst worden vastgesteld of er sprake is van staatssteun. Daarvoor gelden de volgende cumulatieve eisen:

  • a.

    er is sprake van een steunmaatregel die een voordeel verschaft, in welke vorm dan ook;

  • b.

    dit voordeel wordt direct of indirect bekostigd uit overheidsmiddelen;

  • c.

    hierdoor worden één of meer specifieke ondernemingen begunstigd;

  • d.

    dit vervalst de mededinging of dreigt dat te doen; en

  • e.

    hierdoor wordt de handel tussen de Europese lidstaten ongunstig beïnvloed.

Om te kunnen spreken van staatssteun moet aan al deze criteria zijn voldaan. Is dat niet het geval dan is er geen sprake van staatssteun.

Er is geen sprake van staatssteun als er geen economische activiteiten worden gesubsidieerd. De subsidieontvanger wordt daardoor in zoverre niet als onderneming aangemerkt waardoor er alleen al daarom niet aan de cumulatieve eisen wordt voldaan om te kunnen spreken van staatssteun. Het betreft de paragrafen 3.3, 4.3, 4.6, 5.6, 6.11, 6.23, 7.2, 7.3 en 7.4.

De activiteiten die worden uitgevoerd ter uitvoering van een wettelijke taak door overheden dan wel door overheid geliëerde instanties zijn aan te merken als overheidstaken en hebben derhalve geen economisch karakter. Gelet hierop vallen deze subsidies buiten de werking van het staatssteunrecht. Dit betreft paragraaf 5.3.

De aanleg van openbare infrastructuur, zoals wegen, fietspaden, straatverlichting en aansluiting op openbare nutsvoorzieningen, vormt een belangrijk deel van overheidsinvesteringen bij gebiedsontwikkeling. Zolang deze infrastructuur algemeen toegankelijk blijft voor alle potentiële eindgebruikers is er geen sprake van staatssteun. Voor wat betreft de aanleg of verbetering van infrastructuur ter verbetering van de sociale veiligheid geldt dat geen staatssteun optreedt zolang de infrastructuur niet commercieel wordt geëxploiteerd en algemeen toegankelijk blijft voor alle potentiële eindgebruikers. Het betreft de paragrafen 2.6, 5.2, 5.4, 5.5, 5.7 en 5.10.

In het bijzonder bij subsidieverstrekking aan gemeenten kan de situatie zich voordoen dat de subsidieverstrekking op zichzelf geen staatssteun oplevert, maar dat de subsidie wordt gebruikt voor het ondersteunen van activiteiten van derden. In die gevallen zal de gemeente een staatssteunbeoordeling moeten maken en de relatie met genoemde derden zo moeten vormgeven dat geen ongeoorloofde staatssteun optreedt.

Voor bepaalde activiteiten heeft de Europese Commissie specifieke vrijstellingsverordeningen vastgesteld. Het gaat daarrbij vooral om de Algemene groepsvrijstellingsverordening, de Landbouw groepsvrijstellingsverordening en de Landbouw de-minimisverordening. Daar waar een specifieke vrijstellingsverordening van toepassing is, wordt niet getoetst aan de De-minimisverordening of andere vrijstellingsverordeningen. Dit betreft de paragrafen 2.2, 2.3, 3.2, 4.5, 4.7, 4.10, 6.2, 6.5 (artikel 6.5.8, eerste lid), 6.6, 6.7, 6.13, 6.14, 6.15, 6.16. 6.17, 6.18, 6.20 en 6.21.

In een enkel geval worden aanvragen getoetst aan andere regels omtrent staatssteun, of zijn voorwaarden die zijn opgenomen in een goedkeurend besluit van de Europese Commissie als voorwaarden in de regels overgenomen. Op die manier wordt verzekerd dat geen ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. Het betreft de paragrafen 4.4, 4.8 en 4.9.

Voor aanvragen onder een deel van paragraaf 6.5 (artikel 6.25) geldt maatwerk. Voor de verschillende typen aanvragen gelden andere staatssteunoplossingen. Dit wordt per aanvraag beoordeeld.

Voor alle overige paragrafen geldt dat indien de subsidie valt binnen de reikwijdte van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en er geen andere staatssteungrondslag is, zij alleen kan worden verstrekt in overeenstemming met de De-minimisverordening. Op grond van die verordening bedraagt de totale overheidssteun maximaal € 200.000 over een periode van drie jaren. De verordening bevat een aantal (procedurele) voorwaarden waaraan in alle gevallen moet worden voldaan. Het proces van subsidieverlening bij de provincie Gelderland is zodanig ingericht dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Subsidie op grond van de paragrafen 2.4, 2.5, 3.3, 3.4, 4.2, 5.8, 5.9, 6.2, 6.4, 6.5 (artikel 6.5.8, tweede lid), 6.8, 6.9, 6.10, 6.12, 6.19, 6.22, 6.24, en 6.26 wordt verstrekt met inachtneming van de De-minimisverordening.

Het melden van een voorgenomen activiteit bij de Europese Commissie met als doel goedkeuring te verkrijgen voor een subsidie komt in de provinciale praktijk niet voor.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.3.2, zesde lid

Bij subsidietenders moet op transparante wijze een onderlinge beoordeling van de aanvragen plaatsvinden. De aanvragen worden als het ware bevroren op het moment van sluiting van de openstellingsperiode. Dit betekent dat aanvragers na deze datum geen gelegenheid meer hebben om onvolledige aanvragen te completeren. De onvolledigheid kan gelegen zijn in het niet bijvoegen van verplichte bijlagen, in het niet onderbouwen van kosten van activiteiten op de begroting of het niet voldoen aan criteria die in de betrokken regels zijn opgenomen. Wanneer een onderdeel van de begroting niet is onderbouwd kan niet beoordeeld worden of de daarbij behorende actiteiten ook daadwerkelijk subsidiabel zijn. Vaste praktijk is dat aanvragers die ten minste 10 werkdagen voor de sluiting van de aanvraagperiode een aanvraag indienen, in de gelegenheid worden gesteld hun aanvraag te completeren. Aanvragers die later een aanvraag indienen, ontnemen zichzelf de mogelijkheid om aanvragen aan te vullen. Een aanvulling na de sluitingsdatum is in strijd met de transparantie van de onderlinge beoordeling van de aanvragen. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht kan in deze situatie praktisch gezien niet worden toegepast. Om die reden is het zesde lid opgenomen.

Artikel 2.2.1, onder e

Fort Asperen - gemeente Geldermalsen - Complexnummer 531771;

Fort de Nieuwe Steeg - gemeente Lingewaal - Complexnummer 531807;

Fort Vuren - gemeente Lingewaal - Complexnummer 531890;

Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk - gemeente Geldermalsen - Complexnummer 531760;

Batterij onder Poederoijen - gemeente Zaltbommel - Complexnummer 531925;

Batterij onder Brakel - gemeente Zaltbommel - Complexnummer 531918;

Fort Everdingen - gemeenten Vianen en Culemborg - Complexnummers 531650 en 531840.

Artikel 2.4.1

Procesbegeleidingsactiviteiten kunnen zijn:

  • -

    Adviseren en faciliteren in de subsidieaanvraag van de provincie

  • -

    Het begeleiden en ondersteunen van het collectief bij het ontwikkel- en ontwerpproces

  • -

    Het opstellen van een gezamenlijk programma van eisen van het collectief

  • -

    Het ondersteunen en adviseren van het collectief om tot contractvorming te komen met de ontwerpende en bouwende partijen

  • -

    Organisatie van overlegmomenten met de groep

  • -

    Het bewaken van een kostenbegroting, planning en kwaliteit

Ontwerpactiviteiten kunnen zijn:

  • -

    Inventarisatie gezamenlijke wensen van het collectief

  • -

    Opstellen schetsontwerp en bouwkostenraming

  • -

    Overleg met welstandscommissie e.d. en toetsing bestemmingsplannen,

  • -

    Coördinatie adviseurs constructie, installateurs e.d.

  • -

    Opstellen definitief ontwerp en bouwkosten

  • -

    Aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van woningbouw

  • -

    Deelnemen aan overlegmomenten met de groep

Niet-reguliere activiteiten kunnen zijn:

  • -

    Het instellen van een loket voor initiatiefnemers

  • -

    Het opstellen van een CPO-cursus

  • -

    Het opstellen van CPO-randvoorwaarden

  • -

    Het in kaart brengen van concrete CPO-locaties in de bestaande bouw

Paragraaf 2.5 Beleef de Waal

Met de subsidieverstrekking wordt beoogd doelstellingen van het project Beleef de Waal te realiseren. De doelen van het project Beleef de Waal zijn:

  • -

    het invulling geven aan de belevingsdoelen van WaalWeelde (recreatie en toerisme, cultuur en cultuurhistorie);

  • -

    het versterken van de beleefbaarheid en beleving van de rivier de Waal en haar oevers;

  • -

    het ondersteunen van de ontwikkeling van duurzame vormen van toerisme langs de Waal;

  • -

    als bijeffect het creëren van draagvlak voor herinrichtingsprojecten en gebiedsontwikkelingen die de komende jaren langs de Waal worden uitgevoerd.

De subsidies zijn gericht op het verder uitbouwen en versterken van de samenwerking tussen initiatiefnemers in het gebied, op het ondersteunen van initiatieven op het gebied van toerisme die passen in een duurzame ontwikkeling van het gebied en passen bij de versterking van de beleefbaarheid en de beleving van de Waal en haar oevers.

Artikel 2.5.1, eerste lid, onder a

Vertierplekken geven een gelegenheid om bij de Waal te recreëren en de rivier te beleven. De minimale inrichting van de vertierplekken sluit aan bij het streven naar duurzaam toerisme waarbij zorg voor bestaande natuur- en cultuurwaarden nadrukkelijk een plaats krijgt. Een vertierplek is dus nadrukkelijk niet een recreatieplek met voorzieningen zoals speelvoorzieningen, steigers, badhokjes, zitmeubilair en dergelijke.

Artikel 2.5.1, eerste lid, onder b

Het subsidiëren van producten en arrangementen bevordert de samenwerking tussen recreatieondernemers en levert daarmee een bijdrage aan een duurzame toeristisch-economische ontwikkeling in het gebied. Te denken valt aan een overnachtingsarrangement waarbij de exploitant in samenwerking met andere ondernemers een georganiseerde fietstocht met picknick aanbiedt of een wandelroute van meerdere dagen met diverse overnachtingen en een aanbod van lunches & diners tegen gereduceerd tarief bij diverse gelegenheden die de wandelaars onderweg tegenkomen. De betrokkenheid van lokale ondernemers draagt bij aan de duurzaamheid van de toeristische sector.

Artikel 2.5.1, eerste lid, onder c

Verspreid over de Waal zijn er meerdere veerverbindingen. Subsidies worden verstrekt voor het opzetten en ontwikkelen van samenwerkingsverbanden tussen ondernemers die het doel hebben in het gebied bij en tussen twee veerverbindingen een interessant vrijetijdsaanbod voor inwoners van Gelderland en toeristen te creëren.

Artikel 2.5.1, eerste lid, onder d

Voor een duurzame toeristisch-economische ontwikkeling in het gebied is een langdurige betrokkenheid van gemeenten, personen en rechtspersonen noodzakelijk. Een subsidie wordt daarom alleen verleend aan rechtspersonen waarvan aangenomen kan worden dat zij een langdurige verbinding met het WaalWeeldegebied bewerkstelligen en zo zullen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling.

Voor andere rechtspersonen dan gemeenten geldt dat zij niet per se gevestigd hoeven te zijn in het WaalWeeldegebied. Wanneer uit de doelstellingen en activiteiten van de rechtspersoon blijkt dat zij een bijdrage kunnen leveren aan Beleef de Waal, komen zij in aanmerking voor subsidie. Te denken valt aan rechtspersonen in de sector van de vrijetijdseconomie (bijvoorbeeld campinghouder, fietsen- of kanoverhuurbedrijf) die net buiten het WaalWeeldegebied gevestigd zijn en die toeristische activiteiten willen ontplooien in het gebied.

Artikel 2.5.4.eerste lid, onder a

Draagvlak voor de activiteiten bij het plaatselijk bestuur is van belang bij het ontwikkelen van een duurzame vrijetijdseconomie. Daarom wordt een schriftelijke verklaring van een betrokken college gevraagd, waarin wordt uitgesproken dat het college positief staat tegenover de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Een verklaring is niet vereist wanneer het een subsidie voor de ontwikkeling of het opzetten van een samenwerkingsverband betreft, omdat dit niet een activiteit is die zich in de openbare ruimte afspeelt en dus geen betrokkenheid van het gemeentebestuur vereist.

Artikel 2.6.2

Paragraaf 2.6 heeft tot doel de aanleg van tweesterren pleisterplaatsen te stimuleren. Daarom moet op de betreffende locatie nog niet alle voorzieningen als bedoeld in artikel 2.6.2, onder d, onderdelen i tot en met iv, aanwezig zijn. Na afloop van de subsidiabele activiteit moeten deze wel aanwezig zijn.

Paragraaf 3.4 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in EMT-sector

Deze paragraaf maakt het mogelijk subsidie beschikbaar te stellen voor het verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepanties in de sector energie- en milieutechnologie onder andere ter ondersteuning van de uitvoering van de human capital agenda's.

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1

Onder k wordt bedoeld bos- en landgoederen die deel uitmaken van de cultuurhistorie van Gelderland. Bos- en landgoederen kennen verschillende verschijningsvormen die samenhangen met de ontstaansgeschiedenis. Op het goed kan uitsluitend bos voorkomen. Maar een goed kan ook bestaan uit een combinatie van bos en agrarische percelen, met lanen en bijvoorbeeld een poel. Op bos- of landgoederen komt veelal een buitenplaats voor of andere bij het karakter van de onroerende zaak passende opstallen, maar dat is niet altijd het geval.

Voorbeelden van cultuurhistorische landschapselementen onder m zijn bijvoorbeeld steilranden, grafheuvels, kerkenpaden, legakkers, terpen, wielen en kolken.

Landschapselementen bedoeld onder jj zijn bijvoorbeeld een bos van geringe omvang, heggen, hagen, houtwallen en lanen.

Paragraaf 4.2 Landschap en Landgoederen

Artikel 4.2.1

Regulier onderhoud en beheer worden niet ondersteund. Achterstallig onderhoud wordt in beperkte mate ondersteund, namelijk als de activiteit bijdraagt aan een provinciale doelstelling en onmogelijk rendabel kan worden uitgevoerd. Met achterstallig onderhoud worden bedoeld: werkzaamheden die aanvullend op het reguliere beheer en onderhoud nodig zijn voor de instandhouding van het landschapselement.

Subsidie voor aanleg van eenvoudige openbare onverharde paden als bedoeld in het eerste lid, onder d, is bedoeld om de toegankelijkheid en de mate waarin het landschap beleefd kan worden te vergroten. Het openbaar toegankelijk maken van het landschap is het primaire doel.

Eenvoudige onverharde paden zijn paden die niet zijn voorzien van klinkers, asfalt, beton, puin, grind en dergelijke. Voorbeelden zijn zandpaden, graspaden of paden enkel voorzien van een toplaag van houtsnippers ter bevordering van de toegankelijkheid voor voetgangers.

In het eerste lid onder e worden met kleine recreatieve voorzieningen eenvoudige voorzieningen bedoeld waarmee het recreatief medegebruik op landgoederen wordt vergroot, zoals een bankje of een parkeervoorziening.

De aanleg van eenvoudige loopbruggen onder f wordt ondersteund met als doel de toegankelijkheid en het recreatief medegebruik van het landschap te vergroten.

In veel landschapsplannen is betrokkenheid en participatie als bedoeld onder g een instrument om tot groene prestaties te komen. Activiteiten die daaraan bijdraagt kunnen worden gesubsidieerd. Denk bijvoorbeeld aan een informatieavond voor vrijwilligers die aan de slag willen in het landschap, of een interactief proces om samen met bewoners tot afspraken over realisatie van het landschapsplan te komen. Ook educatieve activiteiten om jongeren mee te nemen in het verhaal over het landschap kunnen worden gesubsidieerd.

Artikel 4.2.2

In een landschapsplan als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden bestaande kwaliteiten van een landschap benoemd en de mogelijkheden geïnventariseerd om die kwaliteiten te behouden en te versterken door landschapsinrichting en beheer. Activiteiten die voortvloeien uit een landschapsplan dragen aantoonbaar en voor de lange termijn bij aan het behoud en versterking van de in het plan opgenomen landschappelijke kernkwaliteiten en zijn daarom subsidiabel.

Ten aanzien van houtopstanden, rijbeplanting en hoogstamfruitgaarden zijn in het eerste lid, onder b, aanvullende voorwaarden opgenomen zodat deze landschapselementen onder de beschermende werking van de Boswet vallen en de instandhouding voor de lange termijn is geborgd. Voor hagen en heggen gelden geen aanvullende eisen omdat hagen en heggen karakteristiek kunnen zijn zonder een bepaalde minimale omvang.

Een poel moet voor de lange termijn in stand te houden zijn. Omdat bij een diepe grondwatertrap de poel opdroogt, wordt in het eerste lid, onder c, de voorwaarde gesteld van een grondwatertrap 3 of minder. Dat betekent dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich op 20 cm onder maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand op 90 cm beneden maaiveld of daarmee vergelijkbare situaties.

De achtergrond van het eerste lid, onder d, is dat als het aanleggen van heggen en hagen binnen de EHS een provinciale doelstelling is, dit is gevat in het Natuurbeheerplan. Ondersteuning daarvan vindt plaats vanuit andere regelingen.

Het Normenboek Natuur, Bos en Landschap van Alterra wordt gehanteerd om met initiatiefnemers op gelijke wijze subsidieafspraken te kunnen maken. In het Normenboek staan tijd- en kostennormen voor maatregelen die in natuur, bos en landschap worden uitgevoerd. Het Normenboek is te bestellen op de website www.normenboek.nl. en is in te zien bij de provincie. De normen zijn marktconform en worden elke 2 jaar geactualiseerd. Voor de aanvraag dient de jaargang van de datum van de subsidieaanvraag te worden gebruikt.

Wij nodigen landgoedeigenaren uit planmatig aan landschapskwaliteiten te werken. Daarom dient een landgoedvisie of landgoedplan als bedoeld in het tweede lid als basis voor de aanvraag. In het plan wordt een beeld geschetst van de activiteiten die nu en in de toekomst nodig zijn om op het goed de voorkomende kwaliteiten voor de lange termijn in stand te houden of verder te versterken. Er worden geen verdere voorwaarden gesteld aan het plan.

Artikel 4.2.3

Kosten die worden gemaakt voor natuurontwikkeling binnen de EHS zoals bedoeld in het Natuurbeheerplan Gelderland, met uitzondering van kosten die worden gemaakt voor de aanleg en voor het wegwerken van achterstallig onderhoud aan poelen.

Bestaande landschapsplannen en landgoedplannen dienen als basis voor een subsidieaanvraag. Er wordt geen nadere uitwerking gevraagd.

Artikel 4.2.5

De Nationale Landschappen zijn symbolen van de diversiteit van het Gelderse landschap, daarom hebben ze in de regeling ruimere mogelijkheden in de vorm van een hoger subsidiepercentage.

De regeling ondersteunt in het tweede lid gemeenten die planmatig uitvoering willen geven aan hun landschapsplannen. Het is mogelijk om afspraken te maken voor een planperiode van maximaal vier jaar. Met de ondergrens nodigen we gemeenten uit om voor die periode een behoorlijke ambitie vast te leggen. De bovengrens is bedoeld om met de beschikbare middelen een groot deel van Gelderland te kunnen bedienen.

De regeling ondersteunt in het derde lid landgoedeigenaren die planmatig uitvoering willen geven aan hun landgoedplannen. Zij kunnen rekenen op 75% subsidie. Het is mogelijk om afspraken te maken voor een planperiode van maximaal vier jaar. Met de ondergrens nodigen we eigenaren uit om voor die periode een behoorlijke ambitie vast te leggen. De bovengrens is bedoeld om met de beschikbare middelen een groot deel van Gelderland te kunnen bedienen.

Paragraaf 4.3 Faunavoorzieningen

Voorbeelden van faunavoorzieningen zijn:

  • a.

    amfibiën- en dassentunnels;

  • b.

    herpetoducten;

  • c.

    verkeersmaatregelen bij gelijkvloerse oversteken, waaronder snelheidsverlaging en waarschuwingssystemen;

  • d.

    vispassages;

  • e.

    loopplanken;

  • f.

    faunauittreeplaatsen.

Paragraaf 4.4 Grondverwerving ten behoeve van het Gelders natuurnetwerk

Artikel 4.4.1

Subsidie is beschikbaar voor de verwerving van een natuurambitieterrein of voor de beëindiging van een pachtovereenkomst die nog van toepassing is op een natuurambititieterrein. Daarnaast is het mogelijk om subsidie te verkrijgen op de waarde daling van gebouwen als verwerving van deze gebouwen onlosmakelijk en aantoonbaar gekoppeld is aan de verwerving van het natuurambitieterrein.

Artikel 4.4.2

Subsidie op de waardedaling van gebouwen wordt slechts verstrekt als het natuurambitieterrein waar de gebouwen aan zijn gekoppeld tenminste 20 ha bedraagt en door Gedeputeerde Staten een natuurontwikkelplan is vastgesteld voor een gebied waarbinnen het betreffende natuurterrein met gebouwen liggen.

Artikel 4.4.4

In lijn met het besluit van de Europese Commissie van 13 juli 2011 (N308/2010) kan op grond van de regeling in beginsel aan eenieder subsidie worden verleend die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten. Dat betekent dat een aanvrager over voldoende deskundigheid moet beschikken of externe deskundigheid moet inschakelen. Voor de vraag wie in aanmerking komt voor subsidie, is onder meer van belang welk type natuurbeheer is voorgeschreven. Complexe natuurbeheertypen stellen hogere eisen dan eenvoudiger typen. In voorkomend geval zal van een aanvrager een nadere onderbouwing van zijn aanvraag worden verlangd om te bepalen of die aanvrager aan de regeling op dit onderdeel voldoet, bijvoorbeeld in de vorm van een plan van aanpak. Met de Europese Commissie zijn Gedeputeerde Staten van oordeel dat de regeling een goed evenwicht bevat tussen de behoefte aan rechtszekerheid en de wens geen aanvragers op voorhand uit te sluiten.

Artikel 4.4.7

Op grond van het eerste lid, onder a, is de subsidieontvanger verplicht het verworven terrein direct na verwerving of pacht vrij maken als natuur te beheren. De wijze van beheer is mede afhankelijk van het natuurdoeltype en het daarbij behorende gebruik. Mits daardoor het gebruik conform natuurbeheertype niet in gevaar komt, kan beperkt afgeleid landbouwkundig gebruik verenigbaar zijn met de regeling op dit punt.

Voorts is de subsidieontvanger op grond van het eerste lid, onder c, verplicht het verworven terrein binnen twee jaar na verwerving of pachtvrij maken overeenkomstig het beheertype te beheren. Bij dit beheer kan beperkt afgeleid landbouwkundig gebruik verenigbaar zijn mits daardoor het voorgeschreven natuurbeheertype niet in gevaar komt. Voor zover noodzakelijk worden in de beschikking tot subsidieverlening hieromtrent verplichtingen opgenomen.

Voor het wijzigen van de bestemming staat in het eerste lid, onder f, geen termijn. Indien het uit een oogpunt van doelmatigheid aangewezen is om een bestemmingswijziging te koppelen aan een algehele wijziging, kan daar ruimte voor zijn. Gedeputeerde Staten hechten eraan dat het GNN ook in de bestemmingsplannen is verankerd, dus los van privaatrechtelijke bedingen ten aanzien van het gebruik.

In het achtste lid wordt met een gescheiden boekhouding het volgende bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar besluit van 13 juli 2011 (N308/2010) de aankoop van terreinen voor de realisering van het GNN gekwalificeerd als DAEB. Daarbij heeft zij als eis opgenomen dat wanneer een onderneming activiteiten verricht die zowel binnen als buiten de werkingssfeer van de DAEB vallen, in de interne boekhouding de kosten en de inkomsten die met die DAEB verband houden, en die welke met andere diensten verband houden, gescheiden moeten worden aangegeven alsmede de parameters voor de toerekening van die kosten en inkomsten. Deze eis is gebaseerd op de DAEB-kaderregeling (Mededeling van de Commissie van 11 januari 2011, PbEU 2012, C8/15) en op Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006, PbEG 2006, L318 (Transparantierichtlijn) die op dit onderdeel is geïmplementeerd in artikel 25b van de Mededingingswet. Uit deze bepalingen volgt dat de afgescheiden boekhouding zodanig is ingericht dat:

  • a.

    de registratie van de lasten en baten van de DAEB gescheiden is van de overige activiteiten. De Transparantierichtlijn spreekt over interne rekeningen die voor verschillende activiteiten gescheiden moeten zijn. Dat dienen afzonderlijke en betrouwbare rekeningen te zijn;

  • b.

    alle lasten en baten, op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden toegerekend; en

  • c.

    de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de administratie wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.

Het doel hiervan is om te waarborgen dat de uit andere activiteiten resulterende kosten niet aan de DAEB inzake grondverwerving kunnen worden toegerekend. Op grond van artikel 25b, eerste lid, van de Mededingingswet bestaat de verplichting om de onder a, b en c genoemde gegevens ten minste vijf jaar te bewaren, gerekend vanaf het einde van het boekjaar waar de gegevens betrekking op hebben. Bovengenoemde verplichtingen gelden ook voor andere DAEB’s dan die in verband met grondverwerving voor realisatie van het GNN.

Paragrafen 4.8 en 4.9 Inrichting en functieverandering natuur

Per 1 januari 2016 is de Subsidieverordening kwaliteitsimpuls natuur en landschap Gelderland (SKNL) ingetrokken als separate subsidieverordening. Vanaf deze datum gelden voor functieverandering en inrichting van nieuwe en bestaande natuur de paragrafen 4.8 en 4.9.

De provincie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid en bepaalt waar zij welke doelen wil realiseren en welke financiële middelen zij hiervoor inzet. De doelen zijn vastgelegd in de Beleidsuitwerking Natuur en Landschap en het provinciale Natuurbeheerplan dat uitwerking geeft aan de beleidsuitwerking. De Ambitiekaart van het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe natuur en vormt de basis voor de aanvraag van deze subsidies. Het soortenbeschermingsplan, de beheerplannen Natura 2000, de PAS-gebiedsanalyse en herstel van natte landnatuur uit de Omgevingsvisie vormen het beleidskader voor de subsidie voor kwaliteitsverbetering voor bestaand natuur.

Artikel 4.8.1 (inrichting)

De omschrijving van de activiteiten geeft inzicht in de te onderscheiden activiteiten die voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Subsidie kan worden verstrekt voor inrichting van nieuwe natuur. Nieuwe natuur aan te leggen in het kader van de Programmatisch Aanpak Stikstof (PAS) of Natura 2000 vallen onder deze activiteit. Daarnaast is subsidie mogelijk voor kwaliteitsverbetering in bestaande natuur voor: PAS-maatregelen, onderzoek en monitoring zoals in de PAS-gebiedsanalyse van de afzonderlijk PAS-gebieden is beschreven, voor Natura 2000 maatregelen, soortenbeschermingsmaatregelen en herstelmaatregelen voor natte landnatuur.

Artikel 4.8.2 Criteria

Subsidie voor inrichting van nieuwe natuur is beschikbaar voor percelen die op de ambitiekaart als zodanig zijn aangegeven. Op de ambitiekaart is aangeven welk natuurbeheertype of welke indicatieve verhouding beheertypen gerealiseerd moet worden. Het is mogelijk om af te wijken van de ambitiekaart, indien uit een landschap ecologische onderbouwing blijkt dat het aangegeven beheertype niet kan worden gerealiseerd of niet doelmatig is of dat natuur met een hogere kwaliteit mogelijk is. Gedeputeerde Staten kunnen dan subsidie verlenen voor het realiseren van een ander natuurbeheertype, mits het voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied borgt. Voor programma-aanvragen is de begrenzing als nieuwe natuur op de ambitiekaart het criterium voor het aanvragen van een subsidie.

Artikel 4.8.4

Subsidie kan worden verstrekt aan natuurlijke personen of rechtspersonen, die zeggenschap hebben over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Gecertificeerde begunstigden kunnen daarnaast een programma aanvraag indienen voor gronden, waarover zij geen zeggenschap hebben. Bij de aanvraag dient dan wel een verklaring gevoegd zijn waarin de eigenaar aangeeft geen bezwaar te hebben tegen de inrichting als natuur.

Artikel 4.8.8

De subsidieontvanger is verplicht om de door de inrichting gerealiseerde natuur in stand te houden. Hiervoor kan een subsidie voor natuurbeheer op grond van de Subsidieverordening natuur en landschapsbeheer Gelderland 2016 worden aangevraagd.

Artikel 4.8.10

Indien de ontvanger een subsidie voor PAS maatregelen ontvangt is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren. Dit betekent dat op projectniveau de kosten voor PAS-maatregelen in de boekhouding apart moeten worden bijgehouden. De reden hiervoor is dat de uitvoering van PAS-maatregelen wordt beschouwd als niet-economische activiteiten waarbij van staatssteun geen sprake is. Het houden van een gescheiden boekhouding heeft als doel deze activiteiten te kunnen onderscheiden van andere activiteiten van de aanvrager.

Artikel 4.9.3 (functieverandering)

De subsidiabele kosten is het verschil in marktwaarde voor en na functieverandering en inrichting van landbouwgrond dat wordt omgevormd naar natuurterrein. Hierbij wordt rekening gehouden met de feitelijke restwaarde van het natuurterrein, die bij natuurlijke graslanden hoger is dan bij een moeras. Het verschil in waarde wordt voor 100% gesubsidieerd. De kosten voor het uitvoeren van de taxatie door een onafhankelijk taxateur komen eveneens voor 100% vergoeding in aanmerking.

Artikel 4.9.7

Indien functieverandering onderdeel is van een wettelijke of contractuele verplichtingen zoals ontgronding of compensatie voor ruimtelijke ontwikkeling is geen subsidie mogelijk. Geen subsidie is mogelijk als de grond om niet is verkregen van de overheid, minder subsidie als deze voor minder dan de marktwaarde van de overheid is verkregen. In die gevallen heeft de eigenaar de gronden immers al met overheidssteun verkregen ten behoeve van natuurrealisatie.

Artikel 4.9.8

Na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een kwalitatieve verbintenis die wordt ingeschreven bij het kadaster. In de verbintenis is de verplichting opgenomen dat de grond niet gebruikt wordt voor landbouw en beheerd wordt zodat de gerealiseerde natuur tenminste in stand blijft en zo mogelijk verder ontwikkelt. Deze verplichting geldt niet alleen voor de huidige gebruiker maar ook voor alle toekomstige gebruikers. De grond waarvoor subsidie wordt aangevraagd moet ten minste 358 dagen per jaar toegankelijk zijn voor het publiek. Subsidieontvanger is verplicht na subsidieverlening bij de gemeente een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemmingsplan inhoudende dat de grond wordt bestemd als natuur.

Artikel 4.9.10

Na ontvangst van vestiging van de kwalitatieve verplichting wordt een voorschot van 90% uitgekeerd, de resterende 10% wordt uitbetaald bij vaststelling van de beschikking als ook de inrichting is afgerond.

Paragraaf 5.8.11 Kwaliteitsverbetering routes wandelen, hardlopen, fietsen, varen, paardrijden en mennen

Wandelen en fietsen behoren tot de belangrijkste vrijetijdsbestedingen van Gelderland. Gelderland heeft op dit gebied veel te bieden. De financiële bestedingen van wandelaars en fietsers zijn over het algemeen niet hoog. We willen de positie van de provincie Gelderland als fiets- en wandelprovincie versterken om zo meer bestedingen te genereren. Voor varen geldt dat Gelderland veel mogelijkheden biedt, die nog verder ontwikkeld kunnen worden. Meer bestedingen kunnen gegenereerd worden als er meer bezoekers komen met een gelijkblijvend bestedingspatroon of als de bestedingen per bezoeker stijgen. Dat kan bereikt worden als ondernemers meer gebruik maken van de mogelijkheden die de wandel- en fietsroutes bieden. Ook een toename van sportief gebruik van routes kan een toename van bestedingen en economische spin-off genereren. Wij verwachten dan ook initiatieven waarin deze combinatie van doelstellingen tot uiting komt. Gelderland heeft veel toeristische fiets- en wandelroutes, dus nieuwe routes zullen weinig bijdragen aan extra bestedingen, tenzij er aantoonbaar onvoldoende routes zijn in een gebied. Wel bieden verhoging van de kwaliteit van bestaande routes of beter aansluiten van ondernemers bij die routes mogelijkheden. Voor wandelknooppunten is nog niet aangetoond dat deze tot extra bestedingen leiden en daar ligt dus (nog) geen prioriteit.

Om de bestedingen van varende recreanten in Gelderland te vergroten willen we het aantal aanlegplaatsen vergroten. Om meer bezoekers en meer bestedingen te genereren kan gerichte marketing en promotie een belangrijk onderdeel vormen van een initiatief. Omdat marketing en promotie op een andere grondslag in deze regels subsidiabel zijn, worden deze activiteiten apart beoordeeld volgens de criteria die voor die titel gelden.

Veel activiteiten leveren meerwaarde op wanneer de continuïteit voor langere tijd is gewaarborgd. Het is daarbij een verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer zelf om beheer en onderhoud, alsmede de financiering daarvan, voor langere duur te regelen. Belangrijk voor alle activiteiten is dat deze zoveel mogelijk breed over Gelderland kunnen worden uitgevoerd. Behoud van diversiteit en regionale identiteit is uitdrukkelijk de bedoeling: het gaat om uniforme systematiek met bijvoorbeeld regionale look en feel bij de uitvoering. Dat geldt met name voor de ontwikkeling van digitale routestructuren in de vorm van applicaties. Hierbij is de voorwaarde dat een applicatie de gehele provincie moet betreffen, waarbij dient te worden opgemerkt dat het project gefaseerd opgebouwd mag zijn, als aanzet naar uitrol tot provinciale schaal. Bij de beoordeling van de mogelijkheden voor Gelderland brede uitvoering zal een advies meewegen van belanghebbenden zoals regio’s of gemeenten, recreatieschappen, RBT’s, Stichting Landschapsbeheer Gelderland, Natuurmonumenten, Hoge Veluwe, BOVAG, ANWB, nationaal fietsen wandelplatform en toeristisch platform Gelderland. Met deze subsidie wordt bijgedragen aan initiatieven die zijn gericht op kwaliteitsverbetering, verhoging van de beleving van routes en aanhaken van het toeristisch bedrijfsleven. Uitgangspunt voor ondersteuning is een uniforme uitvoering in de gehele provincie.

Algemeen bij hoofdstukken 3 en 6

Het economisch beleid van de provincie Gelderland is beschreven in de Economische visie "Een concurrerende, innovatieve en duurzame Gelderse economie" die op 9 november 2011 is vastgesteld door provinciale staten. In vervolg daarop is in april 2012 het economisch beleid voor de Gelderse topsectoren Health, Food, EMT en de Maakindustrie vastgelegd in de prioritaire Programma's Topsectoren en Innovatie en Energietransitie. Deze regeling strekt mede ter uitvoering van dat beleid.

Voor het beoordelen van subsidieaanvragen zijn naast deze regels ook de Algemene subsidieverordening Gelderland en Subsidieverordening Vitaal Gelderland kaders die gelden voor de toekenning van subsidies.

Deze regels zijn de juridische vertaling van het beleid dat is vastgelegd in:

  • a.

    het Prioritair Programma Topsectoren en Innovatie, vastgesteld door PS op 12 april 2012 (PS2012-191);

  • b.

    het Prioritair Programma Energietransitie, vastgesteld door PS op 12 april 2012 (PS2012-193)

  • c.

    de lange termijnvisie Economie, van 9 november 2011 (PS2011-644);

  • d.

    de statennotitie Instrumentarium 1e en 2e fase innovatieproces van 2 oktober 2012 (2012-016170);

  • e.

    de statennotitie Actieplan Vrijetijdseconomie van 22 mei 2012 (2012-008498).

    • 1.

      Instrumentarium Innovatie

De provincie wil met de subsidies in deze regeling het innovatieproces ondersteunen en bevorderen dat wordt geïnvesteerd in het verbeteren van het innovatieklimaat in Gelderland. De provincie wil met verschillende instrumenten de verschillende fasen van het innovatieproces en verschillende doelgroepen ondersteunen. De provincie maakt daarbij onderscheid tussen verschillende fasen in het innovatieproces. De 1e fase begint met eenvoudige ideeën waarbij bijvoorbeeld een ondernemer een idee heeft over het ontwikkelen van een nieuw product of een nieuw proces. In deze fase wordt een eerste onderzoek gedaan, naar bijvoorbeeld de technische haalbaarheid, de marktkansen of hoe de innovatie zich verhoudt tot bestaande intellectuele eigendommen. Als er meer inzicht over de kansen van het idee, is er sprake van een concept. In de 2e fase wordt een concept verder doorontwikkeld naar een business case.

Een business case is een project waarbij een initiatiefnemer vertrouwen heeft dat het technisch haalbaar is, duidelijkheid is dat er een markt is, zicht is op financiering van de toeleiding naar de markt en bekend is via welke organisatorische structuur het project tot uitvoering kan worden gebracht. In de 3e fase is de initiatiefnemer vooral op zoek naar financiering. Hij kan hiervoor samenwerking zoeken met een bestaand bedrijf of als hij de innovatie in eigen beheer wil uitvoeren, externe financiering aantrekken.

Door initiatiefnemers in de eerste twee fases van het innovatieproces te ondersteunen met beperkte subsidies en leningen, wordt voorkomen dat kansrijke ideeën vroegtijdig sneuvelen als gevolg van budgettaire problemen. De bijdrage van de provincie is niet beschikbaar voor fundamenteel onderzoek dat voorafgaat aan het toegepaste onderzoek in de 1e fase. Fundamenteel onderzoek wordt door het Rijk gefinancierd vanuit het budget van het Ministerie van OC&W.

Het instrumentarium dient laagdrempelig te zijn, zodat ondernemers worden gestimuleerd innovatietrajecten te starten. Anderzijds mag het de bereidheid van ondernemers, om zelf te investeren in de ontwikkeling van de door hen zelf aangedragen ideeën en projecten, niet verminderen. Voorkomen moet worden dat het verstrekken van subsidies een dominant onderdeel wordt van het innovatieproces. Derhalve zullen subsidies slechts een deel van de gemaakte kosten dekken. Verondersteld wordt dat ondernemers die bereid zijn zelf te investeren en dus risico willen lopen in de door hen voorgestelde projecten, voldoende belang hebben bij het slagen van een project.

De volgende instrumenten zullen worden ingezet in Gelderland ter ondersteuning van ondernemers bij het innovatieproces:

1. Vouchers

Ter ondersteuning van de 1e fase van het innovatieproces worden vouchers ter beschikking gesteld. Deze vouchers kunnen ten behoeve van bedrijven worden ingezet voor de volgende activiteiten:

  • a.

    het uitwerken van een idee naar een concreet ontwerp/concept;

  • b.

    het ontwikkelen van een prototype;

  • c.

    het testen van een prototype in een laboratoriumomgeving;

  • d.

    het doen van onderzoek naar intellectueel eigendom (IP), ontwikkeling en de registratie van het IP;

  • e.

    een eerste marktonderzoek;

  • f.

    een onderzoek naar financieringsmogelijkheden;

  • g.

    ondersteuning voor de aanvraag van subsidie in het kader van het Europese programma's zoals Horizon 2020 en EFRO.

De vouchers kunnen onder andere worden ingezet voor diensten die uitgevoerd worden door dienstverleners, zoals:

  • -

    universiteiten en hogescholen in binnen- en buitenland;

  • -

    onderzoeksinstellingen, zoals NIZO, MARIN, TNO;

  • -

    laboratoria en huur specialistische apparatuur, zoals het Nanolab in Nijmegen, en het 'High Field Magnet Laboratory' (HFML) in Nijmegen, CAT-AGRO in Wageningen, onderzoeksfaciliteiten op de Novio Tech Campus in Nijmegen;

  • -

    innovatie- en subsidieadviseurs, zoals PNO ( voor zover de diensten bijdragen aan aanvragen voor Europese regelingen zoals het Horizon 2020 programma);

  • -

    MKB-bedrijven gespecialiseerd in het ontwerpen, ontwikkelen, maken, etc.

De vouchers zijn specifiek bedoeld voor bedrijven in het MKB (ondernemingen met minder dan 250 werknemers en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt) die in het verlengde van hun eigen activiteiten verbeteringen willen doorvoeren, nieuwe producten op de markt willen brengen, processen willen verbeteren of een samenwerking willen aangaan. Het kan daarbij gaan om zowel product- als procesinnovaties. De vouchers zijn vooral bestemd voor bedrijven die geen eigen R&D afdeling hebben en die weinig ervaring hebben met het innovatieproces en dus zonder ondersteuning van derden dergelijke activiteiten niet zullen oppakken.

Het bedrag per voucher bedraagt maximaal 50 % van de gemaakte kosten tot een maximum van

€ 10.000 (incl. btw). Per MKB-bedrijf wordt maximaal één voucher per jaar verstrekt. De regeling wordt continue gemonitord, jaarlijks geëvalueerd en zo nodig bijgesteld als de markt daar om vraagt of de effectiviteit kan worden verbeterd. Dit instrument is beschikbaar voor bedrijven in de sectoren Food, Health, EMT de Maakindustrie, logistiek, creatief en vrijetijdseconomie. De provincie zal een subsidie verstrekken aan de eerstelijns dienstverleners, zodat zij opdrachten kunnen verstrekken waarvan de resultaten ten gunste zijn van individuele bedrijven. Voor de bedrijven in de Food- en Health-sector zijn dat respectievelijk Stichting Food Valley en Stichting Health Valley. Voor de bedrijven in de EMT-sector is dat de Stichting Kennis en Innovatie in Energie- en Milieu Technologie (programmabureau EMT) en voor bedrijven in de maakindustrie en in de sectoren logistiek, creatief en vrije tijd zijn dat de zeven RCT's.

1.Gelderland voor Innovaties'

In de 2e fase van het innovatieproces kunnen innovatieconcepten, die al verder zijn uitgewerkt en waarvoor ook zicht ontstaat op een mogelijk verdienmodel of marktkansen, worden ondersteund door middel van leningen. Dit instrument wordt reeds toegepast onder de naam Gelderland voor Innovaties. De leningen worden verstrekt door PPM Oost in samenwerking met Oost NV. De provincie zal daartoe afspraken maken met PPM Oost.

1.Projectfinanciering

Innovatieprojecten die gericht zijn op het ontwikkelen van een product of proces en waar een uitgewerkte business case aan ten grondslag ligt, zullen primair worden ondersteund met revolverende middelen vanuit het Topfonds Gelderland. Projecten waaraan geen verdienmodel aan ten grondslag ligt vallen voor een groot deel onder de noemer fundamenteel onderzoek en dienen derhalve te worden bekostigd vanuit Rijksmiddelen, waaronder de tweede geldstroom van kennisinstellingen vanuit het Ministerie van OC&W. Het blijft daarnaast noodzakelijk projectfinanciering te verstrekken voor projecten in de sectoren Food, Health, EMT en de maakindustrie zonder duidelijk verdienmodel en die niet kunnen worden geschaard onder fundamenteel onderzoek. Het kan hierbij gaan om:

  • a.

    collectief onderzoek in de vorm van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling en haalbaarheidsstudies waarbij de betreffende MKB-onderneming samenwerkt met andere ondernemingen of kennisinstellingen. Hoewel dit onderzoek qua doelstelling wellicht in aanmerking zou komen voor het beschikbaar stellen van een voucher rechtvaardigt de omvang en impact alsmede de samenwerking een grotere bijdrage van de provincie. Het kan hierbij ook cofinanciering betreffen, voor projecten waarmee extra Europese middelen naar Gelderland worden gehaald;

  • b.

    projectsubsidie ten behoeve van industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling. Hierbij geldt ten opzichte van collectief onderzoek de belangrijke aanvullende eis dat het betreffende onderzoek binnen de betreffende sector betrekking heeft op de gehele keten van producent, leverancier en eindgebruiker;

  • c.

    projecten die het innovatieklimaat verstevigen, zoals de bouw of upgrade van onderzoeksinfrastructuur die open staat voor meerdere gebruikers (faciliteiten en middelen voor hoogwaardig onderzoek en de ontwikkeling van proeftuinen ten behoeve van marktintroducties door een innovatiecluster (paragrafen).

Voor de sectoren logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve sector bestaan vergelijkbare subsidiemogelijkheden met dien verstande dat aan de subsidiemogelijkheid inzake proeftuinen ten behoeve van marktintroducties nog geen invulling is gegeven.

De provinciale subsidie kan worden ingezet in combinatie met middelen uit het Europese Horizon 2020-programma, zodat de deelname van Gelderse MKB-bedrijven aan dit programma wordt ondersteund. Ook kan hetzelfde MKB-bedrijf per jaar zowel gebruik maken van een voucher als van een projectfinanciering. Bij samenwerkingsverbanden waarbij ook partijen buiten Gelderland meedoen, is het van belang dat het economisch rendement uiteindelijk (voornamelijk) in de provincie Gelderland terecht komt.

Voor het ondersteunen van afgestudeerden van de universiteiten en hogescholen in Gelderland bij het innoveren zijn aparte instrumenten beschikbaar. Daarmee wordt zo maximaal mogelijk gebruik gemaakt van Rijksmiddelen. Deze vorm van innovatie gericht op het vermarkten van de wetenschappelijke kennis wordt kennisvalorisatie genoemd. Deze programma's worden grotendeels gefinancierd door het Ministerie van ELI. De provincie Gelderland kan aan deze programma's een financiële bijdrage leveren.

Naast de subsidies gericht op het innovatieproces en het innovatieklimaat ondersteunt de provincie activiteiten gericht op de topsectoren in Gelderland die in de verschillende subsidieparagrafen zijn benoemd. Zo zijn subsidies beschikbaar voor het verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepanties in verschillende topsectoren ter ondersteuning van de uitvoering van de human capital agenda's.

Ook is het mogelijk ter ondersteuning van verschillende topsectoren subsidies te verstrekken aan de Valleybureaus en het programmabureau EMT in hun hoedanigheid van innovatie-intermediairs en het aanjagen en stimuleren van regionale gebiedsontwikkeling in de vorm van de fysieke realisatie van incubators, bedrijfsverzamelgebouwen en gedeelde onderzoeksfaciliteiten.

De toekenning van de verschillende subsidies voor de verschillende sectoren is ondergebracht in afzonderlijke paragrafen, zodat bij de toekenning kan worden verwezen naar de verschillende budgetten die per sector zijn vastgelegd in twee prioritaire programma's en het basisprogramma Economie.

De toekenning van de verschillende subsidies voor de verschillende sectoren is ondergebracht in afzonderlijke artikelen en paragrafen, zodat bij de toekenning kan worden verwezen naar de verschillende budgets, de per sector zijn vastgelegd in twee prioritaire programma's en het basisprogramma Economie.

Paragraaf 6.2 Verbeteren positie van starters

Deze subsidie is bedoeld voor activiteiten die bijdragen aan het verbeteren van de positie van starters en het ondernemerschap binnen het Gelders MKB. Voor het welslagen van de projecten is de betrokkenheid van de doelgroep van essentieel belang. Zij moeten baat hebben bij de voorzieningen en projecten die het ondernemersklimaat versterken. Uit de projectbeschrijving moet dan ook blijken hoe de doelgroep aantoonbaar betrokken is bij de voorbereiding en de uitvoering van het project.

Aangezien het verspreiden van kennis een belangrijke doelstelling is, dient expliciet uitgewerkt te worden welke leereffecten een project heeft en op welke wijze verspreiding hiervan plaatsvindt.

Met structurele verankering wordt bedoeld dat de activiteiten na afronding van de projectperiode zonder subsidie kunnen blijven bestaan, doordat de uitvoering en evt. exploitatie in een reguliere werkomgeving is opgenomen.

Paragraaf 6.3 Versnellen van innovaties in logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve sector

Deze subsidie maakt het mogelijk dat de RCT's opdrachten kunnen verstrekken aan onderzoekinstellingen ten behoeve van het nader uitwerken van innovatie-ideeën van ondernemingen. De eigen bijdrage die bedrijven leveren in de bekostiging van de onderzoeken door derden kan worden aangemerkt als de eigen bijdrage van de aanvragers.

Met de subsidie gericht op de deelname aan Europese programma's wordt gedoeld op het voorbereiden van een aanvraag voor een subsidie c.q. de deelname in een gezamenlijk onderzoek in het kader van één van de Europese programma's zoals EFRO, POP, Horizon2020, Interreg.

Paragraaf 6.4 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in de logistiek, vrijetijdseconomie, land- en tuinbouw en de creatieve sector

Deze paragraaf maakt het mogelijk subsidie beschikbaar te stellen voor het verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepanties in de creatieve sector, de logistieke sector in de vrijetijdseconomie ter ondersteuning van de uitvoering van de human capital agenda's.

Paragrafen 6.5 en 6.13 Collectief onderzoek

Deze subsidie is bedoeld voor MKB-ondernemingen die in samenwerking industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of technische haalbaarheidsstudies (laten) uitvoeren. Aldus vormen zij een logisch vervolg op de voucher, maar dan voor een groep van bedrijven. Eén van de bedrijven zal als aanvrager optreden. De overige bedrijven zullen in de regel alleen een deel van de kosten van het project te dragen.

Artikel 6.5.4 Aanvrager

Genoemde SBI-codes staan voor de volgende sectoren:

5811 - Uitgeverijen van boeken

5813 - Uitgeverijen van kranten

5814 - Uitgeverijen van tijdschriften

5819 - Overige uitgeverijen (niet van software)

5821 - Uitgeverijen van computerspellen

5829 - Overige uitgeverijen van software

59111 - Productie van films (geen televisiefilms)

59112 - Productie van televisieprogramma's

5912 - Facilitaire activiteiten voor film- en televisieproductie

5913 - Distributie van films en televisieproducties

5914 - Bioscopen

5920 - Maken en uitgeven van geluidsopnamen

6010 - Radio-omroepen

6020 - Televisieomroepen

6030 - Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie

7021 - Public relationsbureau’s

7111 - Architecten

7311 - Reclamebureaus

7312 - Handel in advertentieruimte en –tijd

7410 - Grafisch ontwerp en industrieel, product- en interieurontwerp

74201 - Fotografie

7990 - Informatieverstrekking op het gebied van toerisme en reserveringsbureaus

8230 - Organiseren van congressen en beurzen

90011 - Beoefening van podiumkunst

90012 - Producenten van podiumkunst

90013 - Circus en variété

9002 - Dienstverlening voor uitvoerende kunst

9003 - Schrijven en overige scheppende kunst

90041 - Theaters en schouwburgen

91011 - Openbare bibliotheken

91012 - Kunstuitleencentra

91019 - Overige culturele uitleencentra en openbare archieven

91021 - Musea

91022 - Kunstgalerieën en –expositieruimten

9103 - Monumentenzorg

93211 - Pret- en themaparken

93212 - Kermisattracties

94993 - Steunfondsen (niet op het gebied van welzijnszorg)

94994 - Vriendenkringen o.h.g..v cultuur, fanclubs en overige kunstbevordering

Paragrafen 6.6 en 6.14 Projectsubsidie

Deze subsidie heeft een algemeen karakter en kan rechtstreeks aan bedrijven worden verstrekt bij projecten waar de voucher of collectief onderzoek onvoldoende (financiële) ruimte biedt. Belangrijk verschil met collectief onderzoek is dat aan projectsubsidie de aanvullende eis wordt gesteld dat deze binnen de betreffende sector betrekking heeft op een keten van producent, leverancier en eindgebruiker. Naar verwachting is dit onderzoek dus omvangrijker hetgeen ook tot uitdrukking komt in de hogere maximale subsidie.

Paragraaf 6.8 K waliteitsverbetering en meeropbrengst ondernemingen vrijetijdseconomie

Uit de analyse die gemaakt is voor het Actieplan Vrijetijdseconomie is gebleken dat er een kwaliteitsverbetering nodig is van het Gelders vrijetijdsaanbod. Het Gelders marktaandeel daalt en de bestedingen liggen onder het landelijk gemiddelde. De noodzaak tot kwaliteitsverbetering speelt in de vier regio's in Gelderland in meer of mindere mate. De noodzaak van kwaliteitsverbetering heeft niet betrekking op bestaande individuele bedrijven maar op aansluiting van het aanbod bij de vraag.

Dat Gelderland bestaat uit vier regio's met hun eigen identiteit leidt tot een divers aanbod en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van Gelderland. Deze subsidie is bedoeld voor regionale initiatieven van het bedrijfsleven die aansluiten bij de identiteit van de regio en diversiteit van het Gelders aanbod.

De initiatieven moeten gericht zijn op kwaliteitsverbetering, vernieuwing, verhoging van het economisch rendement en samenwerking. De subsidies kunnen worden aangevraagd door het (toeristisch) bedrijfsleven.

Paragraaf 6.9 Samenwerkingsinitiatieven vrijetijdseconomie

Betere samenwerking tussen bedrijven in de vrijetijdssector en tussen de vrijetijdssector en andere sectoren kan bijdragen aan kwaliteitsverbetering van het vrijetijdsproduct en de ontwikkeling van nieuwe product-marktcombinaties. Het tot stand brengen van die samenwerking kost tijd en geld. Met deze subsidie wordt bijgedragen aan de kosten van die samenwerking. Subsidie is mogelijk voor kosten van haalbaarheidsonderzoeken gericht op nieuwe product-markt-combinaties en kosten van procesbegeleiding voor samenwerkingsactiviteiten. Voorwaarde is dat de activiteiten bijdragen aan de Gelderse toeristische infrastructuur, gericht zijn op het trekken van meer bezoekers en creëren van meer werkgelegenheid.

Paragraaf 6.12 Versnellen van innovaties Food, Health en Maakindustrie

Deze subsidie maakt het mogelijk dat de Valleybureau’s en de RCT's opdrachten kunnen verstrekken aan onderzoekinstellingen ten behoeve van het nader uitwerken van innovatie-ideeën van ondernemingen. De eigen bijdrage die bedrijven leveren in de bekostiging van de onderzoeken door derden kan worden aangemerkt als de eigen bijdrage van de aanvragers.

Met de subsidie gericht op de deelname aan Europese programma's wordt gedoeld op het voorbereiden van een aanvraag voor een subsidie c.q. de deelname in een gezamenlijk onderzoek in het kader van één van de Europese programma's zoals EFRO, POP, Horizon2020, Interreg.

Paragraaf 6.19 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie sectoren Food, Health en Maakindustrie

Deze paragraaf maakt het mogelijk subsidie beschikbaar te stellen voor het verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepanties in de topsectoren Food, Health en Maakindustrie, onder andere ter ondersteuning van de uitvoering van de human capital agenda's.

Paragrafen 6.21 Aanjagen en stimuleren van regionale gebiedsontwikkeling

Deze subsidie is bedoeld voor het ondersteunen van activiteiten die leiden tot regionale gebiedsontwikkeling in de vorm van de fysieke realisatie van incubatoren, bedrijfsverzamelgebouwen of gedeelde onderzoeksfaciliteiten. Deze ontwikkeling draagt tevens bij aan het versterken van het vestigingsklimaat.

Paragraaf 6.22 Herstructureren van de fysieke bedrijfsomgeving

De provincie heeft de ambitie om bij te dragen aan het creëren van een optimale bedrijfsomgeving, die duurzaam is, voldoende speelruimte biedt aan ondernemers en lokaal, regionaal en internationaal voorzien is van betrouwbare netwerken voor het verkeer van personen, goederen en informatie. De provincie wil via bestuurlijk en ambtelijk overleg in de zes Gelderse regio’s vraag en aanbod van bedrijventerreinen bij elkaar brengen via de ‘Regionale Programma’s Bedrijventerreinen’. Dit wenst zij te monitoren via het IBIS-systeem. Hierin is opgenomen dat partijen (bedrijven, overheden) zoveel als mogelijk de herstructurering samen oppakken en de kwaliteit op de bedrijventerreinen verhogen.

Herstructurering van bedrijventerreinen vergt een goede voorbereiding in de vorm van een businessplan en een uitvoeringsplan. Een dergelijk businessplan voor de fysieke bedrijfsomgeving kan door de gemeente worden opgesteld voor een bepaald project. Dit plan bevat – naast een omschrijving van de maatregelen en het beheer – een analyse van de marktkansen in het gebied, inclusief de voorgestane strategie. Daarbij wordt bijvoorbeeld ook gekeken hoe door middel van het inbrengen van functies met een hogere grondwaarde of het bieden van intensiveringsmogelijkheden voor de bedrijven de levenscyclus van bedrijfskavels kan worden verlengd.

Herstructureringsplannen worden ook beoordeeld op duurzaam en efficiënt ruimtegebruik. Een beproefde methodiek om te komen tot duurzaam en efficiënt ruimtegebruik is de toepassing van de ladder van duurzaam ruimtegebruik. Bij deze-ladder dienen gemeenten samenhangend (bij voorkeur in regionaal verband) te kijken naar de relatie tussen de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. De ladder is een denkmodel waarbij aan het accommoderen van ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen een volgorde wordt toegekend:

  • 1.

    optimalisering gebruik beschikbare ruimte o.a. door herstructurering;

  • 2.

    het beter benutten van de ruimte door meervoudig ruimtegebruik en intensivering;

  • 3.

    en indien nodig uitbreiding van het ruimtegebruik door bedrijventerreinen.

De afwegingsprocedure heeft tot doel te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van verrommeling. Verder wordt "inbreiding voor uitbreiding" gesteld, waarmee onnodige verstedelijking wordt voorkomen. Meervoudig ruimtegebruik en intensivering moeten leiden tot een zorgvuldiger afweging van het gebruik van de ruimte.

Een instrument om deze samenhangende ruimtelijke aanpak van nieuwe en bestaande bedrijventerreinen financieel te regelen is verevening. Bij verevening worden de revenuen uit de uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen gebruikt voor de financiering van de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.

Paragraaf 6.23 Bedrijfsverplaatsingen

De Circulaire schadevergoedingen (Staatscourant 1997, 246) ziet op schadevergoedingen die ten laste komen van het Rijk. Paragraaf 5.8.15 ziet niet op deze situaties. Evenwel dient de aanvrager ter voorkoming van ongeoorloofde staatssteun naar analogie toepassing te geven aan de Circulaire Schadevergoedingen. Het te verplaatsen bedrijf dient zelf minimaal 50% van de kosten van de verplaatsing voor zijn rekening te nemen.

Paragraaf 6.24 Samenwerking fysieke bedrijfsomgeving

De provincie wil de samenwerking tussen ondernemers onderling en tussen ondernemers en de overheid stimuleren teneinde de kwaliteit van bedrijventerreinen te behouden en te verbeteren. Een goede samenwerking voorkomt dat bedrijventerreinen verloederen en dat er (nogmaals) herstructurering plaats moet vinden. Daarnaast wil de provincie de samenwerking stimuleren ten behoeve van duurzaam energiegebruik op bedrijventerreinen.