Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 27 oktober 2015, nr. 8162AB8A, tot wijziging van de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht

Gedeputeerde staten van Utrecht;

 

Gelet op de artikelen 4, 6 en 28 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht ;

 

Overwegende

 

-dat de collectieven voor agrarisch natuurbeheer werkzaam in de provincie Utrecht, maatregelen dienen te treffen om het agrarisch natuurbeheer in de beschikte gebiedsaanvragen in 2015 vanaf 2016 uit te kunnen voeren;

 

-dat het gewenst is gelet op de hoogte van de kosten van de maatregelen, de collectieven agrarisch natuurbeheer hierin financiëel te ondersteunen door het verstrekken van subsidies;

 

-dat de collectieven agrarisch natuurbeheer verder bij de uitvoering van agrarisch natuurbeheer een kasritmeprobleem hebben doordat de kosten die zij maken pas uitbetaald worden na afloop van een beheerjaar;

 

-dat het gewenst is gelet op de grootte van dit kasritmeprobleem collectieven agrarisch natuurbeheer hierin te ondersteunen door onder daarvoor gestelde voorwaarden subsidies te verstrekken in de vorm van een renteloze lening;

 

-dat het gewenst is om regelingen te treffen om het programma aanpak veenweiden vanaf 2016 uit te kunnen voeren;

 

-dat het gewenst is EU verordeningen 702/2014 en 651/2014 van toepassing te laten zijn op een aantal regelingen in verband met EU staatssteunregelgeving;

 

-dat het gewenst is hiervoor de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland aan te passen,

 

Besluiten:

 

Artikel 1

De Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland wordt als volgt gewijzigd:

 

A

 

Aan artikel 1.1 Begripsbepalingen worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel z door een puntkomma, onderdelen toegevoegd, luidende:

 

  • aa.

    collectief voor agrarisch natuurbeheer: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, overeenkomstig de artikelen 3.1 en 3.4, lid 1, sub a, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016;

  • bb.

    Natuurbeheerplan 2016: door Gedeputeerde Staten van Utrecht op 14 april 2015 vastgesteld Natuurbeheerplan 2016 voor de provincie Utrecht;

  • cc.

    positief beschikte gebiedsaanvraag ANLb 2016: een in 2015 verleende subsidie aan een collectief voor agrarisch natuurbeheer op basis van de artikelen 3.1 tot en met 3.15 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016.

B

 

Artikel 1.4 subsidieplafond wordt als volgt gewijzigd:

De subsidieplafonds voor het tijdvak van 2013 tot en met 2015 bedragen:

 

MIDDELEN

BEDRAG SUBSIDIEPLAFOND AVP

Gebiedsprogramma Oost

€ 4.200.000

Gebiedsprogramma West (Excl. regeling voor

onderwaterdrainage)

€ 12.300.000

Programma Nieuwe Hollandse Waterlinie

€ 3.400.000

Recreatie om de Stad Utrecht

Beheer recreatieterreinen van Staatsbosbeheer

€ 541.081

Bethunepolder

€ 970.000

Overgangsregeling Agrarisch Natuurbeheer 2015

€ 200.000

Regeling niet-productieve investeringen agrarisch natuurbeheer 2015

€ 550.000

Voorfinanciering organisatiekosten collectieven agrarisch natuurbeheer

€ 700.000

Totaal

€ 22.861.081

 

C

 

Er wordt een nieuw artikel 2.8 ingevoegd, luidende:

Artikel 2.8 Niet-productieve investeringen agrarisch natuurbeheer 2015

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv, die gericht zijn op:

    • a.

      niet-productieve investeringen voor het realiseren van plas/dras en hoog waterpeil ten behoeve van het leefgebied open grasland en de aanleg van natuurvriendelijke oevers ten behoeve van de purperreiger, zoals opgenomen in een positief beschikte gebiedsaanvraag ANLb 2016;

    • b.

      de aanleg van natuurvriendelijke oevers die het mogelijk maakt de positief beschikte gebiedsaanvraag ANLb 2016 vanaf 2017 uit te breiden voor wat betreft het beheer van natuurvriendelijke oevers ten behoeve van de purperreiger door het indienen van een uitbreidingsaanvraag in 2016 en die bijdraagt aan het in Natuurbeheerplan 2016 van de provincie Utrecht geambieerde beheer voor de purperreiger.

  • 2.

    Weigeringsgrond

    • a.

      Conform artikel 1, lid 5, sub (a) van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;

    • b.

      Conform artikel 1 lid 6 van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden.

  • 3.

    Hoogte subsidie

    • a.

      De hoogte van de subsidie bedraagt mininaal € 3000,--;

    • b.

      De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 300.000.

  • 4.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden aangevraagd door een collectief voor agrarisch natuurbeheer werkzaam in de provincie Utrecht.

  • 5.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan tot en met 7 december 2015 worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient, voor zover het investeringen betreft voor het realiseren van plas/dras en hoog waterpeil, voorzien te zijn van een advies van het waterschap van het gebied waarin de activiteiten plaatsvinden.

  • 6.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    De gesubsidieerde activiteiten worden tenminste tot en met 2021 in stand gehouden.

  • 7.

    Europese regelgeving

    Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden waarbij hoofdstuk 1 en artikel 14 van Verordening (EU), nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren van toepassing is.

D

 

Er wordt een nieuw artikel 2.9 ingevoegd, luidende:

Artikel 2.9 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweidenproblematiek (watersysteem, bebouwing en infrastructuur)

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv, die gericht zijn op het beperken van bodemdaling, het beperken van de nadelige effecten van bodemdaling of het realiseren van een duurzaam watersysteem in het Utrechtse veenweidegebied door middel van onderzoek, experimentele ontwikkeling of pilotprojecten:

    • a.

      innovaties in het watersysteem;

    • b.

      innovaties in het gebruik, het beheer en de realisatie van infrastructuur in het buitengebied;

    • c.

      innovaties in de realisatie en het beheer van bebouwing in het buitengebied.

  • 2.

    Nadere criteria

    • a.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a, richten zich zoveel mogelijk op het volgende:

      • i.

        het verbeteren van de waterkwaliteit;

      • ii.

        het vergroten van biodiversiteit;

      • iii.

        het voorkomen van wateroverlast en/of watertekorten;

      • iv.

        het vergroten van de efficiëntie in het waterbeheer;

      • v.

        het aanpassen van het watersysteem aan innovatieve vormen van grondgebruik.

    • b.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b en c, richten zich zoveel mogelijk op het volgende:

      • vi.

        het beperken van de belasting en beheerskosten van infrastructuur;

      • vii.

        het beperken van de effecten van bodemdaling op bebouwing.

  • 3.

    Weigeringsgrond

    • a.

      Conform artikel 1, lid 4, sub (a) van Verordening (EU) nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

    • b.

      Conform artikel 1 lid 4 sub (c) van Verordening (EU) Nr. 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden.

  • 4.

    Hoogte van de subsidie

    • a.

      Voor activiteiten zoals bedoeld in dit artikel bedraagt de totale bijdrage maximaal 50% van de subsidiabele kosten met inachtneming van artikel 25, lid 5 en 6 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1;

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend:

      • i.

        personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

      • ii.

        kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze wordt gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

      • iii.

        kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

      • iv.

        kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

      • v.

        extra algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 5.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan:

    • a.

      publiekrechtelijke rechtspersonen;

    • b.

      maatschappelijke organisaties;

    • c.

      organisaties op het gebied van onderzoek en kennisverspreiding;

    • d.

      adviesbureaus;

    • e.

      coöperaties.

  • 6.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een communicatieplan.

  • 7.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    De eindrapportage bevat een advies voor de verdere implementatie van de innovatie bij de doelgroep waarvoor de innovatie van belang is.

  • 8.

    Europese regelgeving

    Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden. In aanvulling op die voorwaarden is van toepassing dat indien aan ondernemingen subsidie wordt verstrekt in de vorm van steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, dit geschiedt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikel 25 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.

E

 

Artikel 3.3 Onderwaterdrainage tot behoud van traditionele landschappen wordt ingetrokken.

 

F

 

Artikel 4.1.1 Kavelruil en landbouwstructuurverbetering, het zevende lid, wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 7.

    Weigeringsgrond

    • a.

      Conform artikel 1, lid 5, sub (a) van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;

    • b.

      Conform artikel 1 lid 6 van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden.

Er wordt een achtste lid toegevoegd, luidende:

 

  • 8.

    Europese regelgeving en POP2 2007-2013

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien de subsidie wordt verstrekt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikelen 14 en 15 van Verordening (EU), nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1,betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren.

G

 

Artikel 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven, het achtste lid, wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 8.

    W eigeringsgrond

    • a.

      Conform artikel 1, lid 5, sub (a) van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;

    • b.

      Conform artikel 1 lid 6 van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden.

Er wordt een negende lid toegevoegd, luidende:

 

  • 9.

    Europese regelgeving en POP2 2007-2013

    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien de subsidie wordt verstrekt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikelen 14 en 16 van Verordening (EU), nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1,betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren.

H

 

Er wordt een nieuw artikel 4.2.4 ingevoegd, luidende:

Artikel 4.2.4 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweideproblematiek (Agrarisch)

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv, die gericht zijn op het beperken van bodemdaling, het beperken van de nadelige effecten van bodemdaling, of het realiseren van een duurzaam watersysteem in het Utrechtse veenweidegebied door middel van onderzoek, experimentele ontwikkeling of pilotprojecten:

    • a.

      innovaties ten behoeve van de melkveehouderij;

    • b.

      nieuwe verdienmodellen of nieuwe teelten.

  • 2.

    Nadere criteria

    • a.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a richten zich zoveel mogelijk op het volgende:

      • i.

        het stimuleren van draagvlak voor het toepassen van maatregelen door met de boeren bestaande kennis te delen (onbekendheid verminderen en kennis te vergroten), of gerichte onderzoeken te doen naar effecten (onzekerheid beperken);

      • ii.

        het samen met boeren zichtbaar maken van de voordelen voor de bedrijfsvoering van maatregelen in de bedrijfsvoering die tegelijkertijd een voordeel opleveren voor milieudoelen als afremmen bodemdaling en beperken van emissies naar lucht- en water;

      • iii.

        het vertalen van generieke maatregelen om milieuprestaties (bijvoorbeeld beperken bodemdaling en emissies, zorgvuldig gebruik van water en andere grondstoffen et cetera) te verbeteren naar de specifieke omstandigheden van het veenweidegebied;

      • iv.

        het met boeren ontwikkelen van nieuwe maatregelen of instrumenten om de milieuprestaties (bijvoorbeeld beperken bodemdaling en emissies, zorgvuldig gebruik van water en andere grondstoffen et cetera) van veenweidebedrijven te vergroten.

    • b.

      De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b richten zich zoveel mogelijk op het ontwikkelen en testen van innovaties die passen bij de specifieke omstandigheden van het veenweidegebied en breder in het gebied toepasbaar zijn.

  • 3.

    Weigeringsgrond

    • a.

      Conform artikel 1 lid 4 sub (a) van Verordening (EU) nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

    • b.

      Conform artikel 1 lid 4 sub (c) van Verordening (EU) Nr. 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden.

  • 4.

    Hoogte van de subsidie

    • a.

      Voor activiteiten zoals bedoeld in dit artikel bedraagt de totale bijdrage maximaal 50% van de subsidiabele kosten met inachtneming van artikel 25, lid 5 en 6 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1;

    • b.

      Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend:

      • i.

        personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

      • ii.

        kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

      • iii.

        kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

      • iv.

        kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

      • v.

        extra algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 5.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden verstrekt aan:

    • a.

      publiekrechtelijke rechtspersonen;

    • b.

      maatschappelijke organisaties;

    • c.

      organisaties op het gebied van onderzoek en kennisverspreiding;

    • d.

      adviesbureaus;

    • e.

      coöperaties.

  • 6.

    Aanvraag

    • a.

      De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend;

    • b.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      De aanvraag dient voorzien te zijn van een communicatieplan.

  • 7.

    Verplichtingen subsidieontvanger

    • a.

      Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project:

      • i.

        de monitoring wordt op een duidelijke manier gerapporteerd waaruit blijkt hoeveel bedrijven zijn bereikt, welke activiteiten zijn uitgevoerd, en wat het gemeten of berekende effecten zijn van deze activiteiten in brede zin (te denken valt aan milieu, de feitelijke toepassing en de sociaaleconomische aspecten);

      • ii.

        de rapportage bevat ook een advies voor de verdere implementatie van de maatregel bij de doelgroep.

    • b.

      Vóór de begindatum van het gesteunde project wordt op het internet de volgende informatie bekendgemaakt:

      • iii.

        dat het gesteunde project wordt uitgevoerd;

      • iv.

        de doelstellingen van het gesteunde project;

      • v.

        de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht;

      • vi.

        de plaats waar de van het gesteunde project verwachte resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt;

      • vii.

        de vermelding dat de resultaten van het gesteunde project gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouw- of bosbouwsector of -subsector actief zijn.

    • c.

      De resultaten van het gesteunde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesteunde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesteunde project.

  • 8.

    Europese regelgeving

    Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden. In aanvulling op die voorwaarden is van toepassing dat indien aan ondernemingen subsidie wordt verstrekt in de vorm van steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, dit geschiedt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikel 25 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.

I

Er wordt een nieuw artikel 5.2 ingevoegd, luidende:

Artikel 5.2 Voorfinancieringorganisatiekosten collectieven agrarisch natuurbeheer

  • 1.

    Subsidiabele activiteiten

    In afwijking van artikel 1.2 sub d. kan subsidie in de vorm van een renteloze lening worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv voor het oplossen van de kasritmeproblemen van collectieven die ontstaan doordat de subsidies op basis van de positief beschikte gebiedsaanvraag ANLb 2016 voor elk beheerjaar pas worden uitbetaald aan het begin van het jaar daarop.

  • 2.

    Hoogte subsidie

    De subsidie bedraagt maximaal 25% van de maximaal jaarlijks te ontvangen subsidie op basis van de positief beschikte gebiedsaanvraag ANLb 2016.

  • 3.

    Subsidieontvangers

    Subsidie kan worden aangevraagd door een collectief voor agrarisch natuurbeheer werkzaam in de provincie Utrecht.

  • 4.

    Aanvraag

    De subsidieaanvraag kan tot en met 30 november 2015 worden ingediend.

  • 5.

    Europese regelgeving

    Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van Verordening (EU) 1407/2013, PbEU 2013, L352/1, betreffende de-minimissteun.

Artikel 2

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tot wijziging van de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland 2015.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal Blad.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Utrecht van 227 oktober 2015.

Gedeputeerde staten van Utrecht

Voorzitter

Secretaris

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2.8 Niet-productieve investeringen agrarisch natuurbeheer 2015

Begin oktober 2015 is door de provincie Utrecht aan zeven collectieven voor agrarisch natuurbeheer subsidie verstrekt voor agrarisch natuurbeheer voor de jaren 2016 tot en met 2021. Om het beheer overeenkomstig de subsidiebeschikkingen te kunnen uitvoeren dienen de collectieven in bepaalde gebieden plas/dras of een hoog waterpeil te realiseren, of natuurvriendelijke oevers aan te leggen. Dit vraagt in veel gevallen aanzienlijke investeringen van de collectieven, zoals de aanschaf van pompen, de aanleg van dammen/waterkeringen of de aanleg van natuurvriendelijke oevers. De subsidie voor het agrarisch natuurbeheer heeft alleen betrekking op het beheer en niet of deze investeringen. Artikel 2.8 maakt het mogelijk dat de collectieven ook voor deze niet-productieve investeringen subsidie kunnen ontvangen. Ook kan subsidie voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers worden aangevraagd die het mogelijk maakt het beheer vanaf 2017 uit te breiden door het indienen van een uitbreidingsaanvraag in 2016.

Artikel 2.9 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweidenproblematiek (watersysteem, bebouwing en infrastructuur)

Dit artikel richt zich op de subsidiëring van de thema’s “Nieuwe watersystemen” en “Nieuwe oplossingen voor infrastructuur en bebouwing” uit het programma Aanpak Veenweiden. De uitvoering van de andere onderdelen van het programma wordt mogelijk gemaakt via artikel 4.2.4.

Het programma Aanpak Veenweiden is opgesteld en wordt uitgevoerd door de gebiedscommissie Utrecht-West in opdracht van GS en richt zich op de opgaven afremmen bodemdaling en realiseren duurzaam watersysteem door het ontwikkelen en testen van innovaties. Onderdeel van de programmering is een vervolg op het project Kockengen Waterproof. In totaal heeft de provincie hiervoor ca 3,5 mln beschikbaar gesteld.

Binnen het programma Aanpak Veenweiden richt het thema “Nieuwe watersystemen” zich op het optimaliseren van het watersysteem om de effecten van klimaatverandering te beperken en de functies van het gebied te bedienen tegen aanvaardbare kosten. Het thema “Nieuwe oplossingen voor infrastructuur en bebouwing” richt zich op beperken van de kosten aan infrastructuur (wegen, kabels en leidingen, aansluitingen) en bebouwing (hoogwatervoorzieningen, verzakking) in het buitengebied als gevolg van bodemdaling en zetting.

Daarbij gelden de volgende doelen:

  • -

    wateroverlast voorkomen

  • -

    watertekorten voorkomen

  • -

    waterkwaliteit verbeteren

  • -

    afremmen bodemdaling

  • -

    ecologische kwaliteit verbeteren

  • -

    kosten besparen

Dit gebeurt door het steunen van ontwikkeling en uittesten van innovaties die zich richten op structurele oplossingen. De regeling is bedoeld voor organisaties die het onderzoek, experiment en pilot uitvoeren of daar de opdracht voor geven. De resultaten hiervan zijn openbaar.

Toelichting artikel 4.2.4 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweidenproblematiek

Dit artikel richt zich op de subsidiering van de twee thema’s uit het programma Aanpak Veenweiden die aan het grondgebruik gerelateerd zijn: “het nieuwe melkveebedrijf” en “nieuwe verdienmodellen”. De uitvoering van de andere onderdelen van het programma wordt mogelijk gemaakt via artikel 2.9.

Het programma Aanpak Veenweiden is opgesteld en wordt uitgevoerd door de gebiedscommissie Utrecht-West in opdracht van GS en richt zich op de opgaven afremmen bodemdaling en realiseren duurzaam watersysteem door het ontwikkelen en testen van innovaties. Onderdeel van de programmering is een vervolg op het project Kockengen Waterproof. In totaal heeft de provincie hiervoor ca 3,5 mln beschikbaar gesteld.

Binnen het programma Aanpak Veenweiden richten de thema’s “Het nieuwe melkveebedrijf” en “Nieuwe verdienmodellen” zich op het zo veel mogelijk wegnemen van de oorzaak van problemen door op verschillende manieren oxidatie van veen en bodemdaling te beperken met de volgende doelen:

  • -

    minder oxidatie van veen, dus minder bodemdaling,

  • -

    minder emissies van broeikasgassen,

  • -

    minder stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden,

  • -

    economisch rendabel, met toekomstperspectief en ruimte voor groei,

  • -

    zorgvuldig omgaan met beschikbaar water, kwalitatief en kwantitatief,

  • -

    nieuwe kansen voor natuur en

  • -

    minder belasting infrastructuur.

Bij het nieuwe melkveebedrijf gebeurt dat door het steunen van de ontwikkeling van de melkveehouderij naar economisch vitale, duurzame bedrijven die in kunnen spelen op nieuwe maatschappelijke eisen, klimaatverandering en het afremmen van bodemdaling. Bij het thema nieuwe verdienmodellen gebeurt dat door het zoeken naar nieuwe vormen van grondgebruik die nieuwe economische perspectieven kunnen bieden voor het gebied en naast, of gecombineerd met, de huidige melkveehouderij kunnen inspelen op nieuwe maatschappelijke eisen, klimaatverandering en het afremmen van bodemdaling.

De regeling is bedoeld voor organisaties die het onderzoek, experiment en pilot uitvoeren. De resultaten hiervan zijn openbaar en voor alle ondernemers beschikbaar. Daarom kan de regeling niet worden benut door individuele landbouwondernemers. Ondernemers kunnen wel het initiatief nemen voor een bepaald onderzoeksproject en hiervoor een organisatie inschakelen om het onderzoek uit te voeren.

Artikel 5.2 Voorfinanciering organisatiekosten collectieven agrarisch natuurbeheer

Zoals in de toelichting op artikel 2.8 vermeld, is begin oktober 2015 door de provincie Utrecht aan zeven collectieven voor agrarisch natuurbeheer subsidie verstrekt voor agrarisch natuurbeheer voor de jaren 2016 tot en met 2021. De subsidies worden voor 50% uit EU-middelen gefinancierd en voor 50% door de provincie en de waterschappen. Bevoorschotting van subsidies voor beheer die (mede) uit EU-middelen worden gefinancierd is op basis van EU-regels niet mogelijk. De subsidies voor elk beheerjaar worden pas uitbetaald aan het begin van het jaar daarop, dus voor het beheerjaar 2016 pas in het begin van 2017. Hierdoor hebben de collectieven een kasritmeprobleem; zij hebben voor elk beheerjaar te maken met organisatiekosten (ca. 20% van de subsidie die zij jaarlijks ontvangen) voordat zij inkomsten ontvangen. Artikel 5.2 maakt het mogelijk dat de collectieven om dit probleem op te lossen een (van de subsidie voor het beheer losstaande) subsidie van de provincie in de vorm van een renteloze lening ontvangen (maximaal 25% van de jaarlijks maximaal te ontvangen subsidie voor het agrarisch natuurbeheer).

Naar boven