Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2015
Nr. 4561

Gepubliceerd op 29 juli 2015 09:00



Tweede wijzigingsregeling Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020
 
 
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in de hoedanigheid van managementautoriteit voor het Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020;
Gelet op artikel 125, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006;
Gelet op artikel 5.2.2 van de Regeling Europese EZ-subsidies;
Overwegende dat de Managementautoriteit op 24 februari 2015 de Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020 heeft vastgesteld;
Overwegende dat voor het openstellen van de investeringsprioriteiten OPZuid: 1B3 Human Capital en 4F Koolstofarme economie de regeling aanvulling met paragraaf 4 en 5 behoeft;
Overwegende dat enkele omissies en verschrijvingen in de regeling correctie behoeven;
Overwegende dat de subsidiabele activiteiten van deze regeling breed ingevuld kunnen worden en deze ruime invulling ten behoeve van een optimaal bereik van de doelstellingen wordt beoogd, acht de Managementautoriteit, daar waar sprake is van staatssteun, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, de volgende steunmaatregelen van toepassing:
  • a.
    Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;
  • b.
    Verordening (EG) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013;
Besluiten vast te stellen de volgende regeling:
Artikel I Wijzigingen
De Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020 wordt als volgt gewijzigd:
 
A. Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:
  • 1.
    Onderdeel f, komt te luiden:
    • f.
      Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Awb en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet;
  • 2.
    Aan het slot van onderdeel k, onder 3, onderdeel a, wordt de komma vervangen door een puntkomma;
  • 3.
    In onderdeel t vervalt “en opgenomen in bijlage 1”;
  • 4.
    Onder verlettering van de onderdelen v tot en met x tot de onderdelen z tot en met bb worden een onderdeel ingevoegd, luidende:
    • y.
      slimme uitrol: testen, demonstreren en eerste toepassing in een operationele omgeving;
  • 5.
    Onder verlettering van onderdeel u tot onderdeel x, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
    • w.
      REES: Regeling Europese EZ-subsidies;
  • 6.
    Onder verlettering van de onderdelen s en t tot de onderdelen u en v, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
    • t.
      operationele omgeving: omgeving waarin door omstandigheden en condities een innovatie conform de werkelijkheid kan worden getest;
  • 7.
    De onderdelen n tot en met r worden verletterd o tot en met s;
  • 8.
    Onderdeel m vervalt;
  • 9.
    Onder verlettering van de onderdelen i tot en met l tot de onderdelen k tot en met n, worden twee onderdeel ingevoegd, luidende:
    • i.
      gebouwde omgeving: gebied dat door aaneengesloten bebouwing een overwegend woon- , recreatie- of verblijffunctie heeft en daadwerkelijk als zodanig wordt gebruikt;
    • j.
      Human Capital: arbeidskracht;
B. Artikel 1.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. in de aanhef wordt “ artikel 2.5, eerste lid onder a, d en f van de Ministeriële Regeling” vervangen door: artikel 5.2.5, eerste lid, onder a, d en f van de REES;
2. Onderdeel a komt te luiden:
a. de werkzaamheden aan het project of de activiteiten zijn aangevangen voordat de schriftelijke subsidieaanvraag is ingediend, waardoor de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
3. In onderdeel c wordt “Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2004/C 244/02) vervangen door: Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C249/01).
C. In artikel 1.5 wordt “ de artikelen 2.9 tot en met 2.12 van de Ministeriële Regeling” vervangen door: de artikelen 5.2.9 tot en met 5.2.12 van de REES.
D. Artikel 1.8 vervalt.
E. Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, wordt “artikel 2.5, eerste lid, onder b, c en e en artikel 2.5, tweede lid, van de Ministeriële Regeling” vervangen door: artikel 5.2.5, eerste lid, onder b, c en e en artikel 5.2.5, tweede lid van de REES;
2. In het eerste lid, onder d, wordt na “outputindicatoren” ingevoegd: als bedoeld in bijlage 1.
3. In het tweede lid wordt onder verlettering van de onderdelen a tot en met g tot de onderdelen b tot en met h, een onderdeel ingevoegd, luidende:
a. het project is gericht op startende ondernemingen als bedoeld in artikel 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
F. Artikel 2.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. “ de artikelen 2.13 van de Ministeriële Regeling” wordt vervangen door: de artikelen 1.3 tot en met 1.5 van de REES.
2. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Indien sprake is van staatssteun, zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel voor zover deze kosten passen binnen het betreffende artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.
G. In artikel 2.7, derde lid, wordt na “overheidsbijdragen” ingevoegd: die aangemerkt moeten worden als staatssteun.
H. Artikel 2.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt “ artikel 2.8, tweede lid, van de Ministeriële Regeling” vervangen door: artikel 5.2.8, tweede lid, van de REES.
2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, wordt het volgende lid ingevoegd:
2. Aanvragers van subsidieaanvragen als bedoeld in het eerste lid, lichten op verzoek van de Managementautoriteit hun subsidieaanvraag mondeling toe.
I. Artikel 3.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, wordt “artikel 2.5, eerste lid, onder b, c en e en artikel 2.5, tweede lid, van de Ministeriële Regeling” vervangen door: artikel 5.2.5, eerste lid, onder b, c en e en artikel 5.2.5, tweede lid van de REES.
2. In het eerste lid, onder d, wordt na “outputindicatoren” ingevoegd: als bedoeld in bijlage 1.
J. In artikel 3.4 wordt “de artikelen 2.13 van de Ministeriële Regeling” telkenmale vervangen door: de artikelen 1.3 tot en met 1.5 van de REES.
K. In artikel 3.7, vierde lid wordt na “overheidsbijdragen” ingevoegd: die aangemerkt moeten worden als staatssteun.
L. In artikel 3.8, tweede lid, wordt “artikel 2.8, tweede lid, van de Ministeriële Regeling” vervangen door: artikel 5.2.8, tweede lid, van de REES.
M. Onder vernummering van paragraaf 4 tot paragraaf 6 en onder vernummering van de artikelen 4.1 en 4.2 tot de artikelen 6.1 en 6.2 worden na artikel 3.9 twee paragrafen ingevoegd, luidende:
Paragraaf 4 Systeemversterking Human Capital
Artikel 4.1 Doelgroep
  • 1.
    Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door:
    • a.
      natuurlijke personen;
    • b.
      rechtspersonen;
    • c.
      samenwerkingsverbanden van onder a en b bedoelde doelgroepen.
  • 2.
    Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:
    • a.
      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;
    • b.
      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.
Artikel 4.2 Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op duurzame versterking van het systeem waarbinnen arbeidsvraag- en aanbod op elkaar worden afgestemd.
Artikel 4.3 Subsidievereisten
  • 1.
    Onverminderd artikel 5.2.5, eerste lid onder b, c en e en artikel 5.2.5, tweede lid, van de REES, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:
    • a.
      de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister;
    • b.
      het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland;
    • c.
      het project is gericht op de nationale of internationale topclusters;
    • d.
      het project is gericht op optimaal benutten van het innovatiepotentieel binnen de nationale of internationale topclusters;
    • e.
      het project is gericht op arbeidsvraag en arbeidsaanbod op HBO- en WO- niveau;
    • f.
      het project is gericht op het leveren van een bijdrage aan een meer van de outputindicatoren als bedoeld in bijlage 2;
    • g.
      het MKB maakt aantoonbaar onderdeel uit van het project;
    • h.
      het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria:
  • 1º.
    het project draagt bij aan de doelstellingen van het OPZuid;
  • 2º.
    het project is innovatief;
  • 3º.
    de businesscase van het project is onderbouwd;
  • 4º.
    het projectplan heeft een voldoende kwaliteit;
  • 5º.
    het project draagt bij aan duurzame ontwikkeling.
  • 2.
    Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2 in aanmerking te komen, voldaan aan een van de volgende vereisten:
    • a.
      het project is gericht op het verkrijgen van consultancydiensten en de aanvrager is een MKB-onderneming, bedoeld in artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • b.
      het project is gericht op het deelnemen aan beurzen en de aanvrager is een MKB-onderneming, bedoeld in artikel 19 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • c.
      het project is gericht op startende ondernemingen als bedoeld in artikel 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • d.
      het project is grotendeels gericht op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 25, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • e.
      het project is gericht op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • f.
      het project is gericht op de bouw of het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters, bedoeld in artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • g.
      het project is gericht op innovatie en de aanvrager is een MKB-onderneming als bedoeld in artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • h.
      het project is gericht op proces- of organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • i.
      het project is gericht op opleiding als bedoeld in artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
  • 3.
    Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan een van de vereisten in het tweede lid, slechts subsidie verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de de-minimisverordening.
  • 4.
    Aan het project liggen ten grondslag:
    • a.
      een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;
    • b.
      een begroting en een sluitend financieringsplan van de aanvrager.
Artikel 4.4 Subsidiabele kosten
  • 1.
    Ten aanzien van de subsidiabele kosten zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.5 van de REES en artikel 69 van verordening 1303/2013 van toepassing.
  • 2.
    Kosten voor de aanschaf en bouw van gebouwen komen niet in aanmerking voor subsidie.
  • 3.
    Indien sprake is van staatssteun, zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel voor zover deze kosten passen binnen het betreffende artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid.
Artikel 4.5 Vereisten subsidieaanvraag
Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 1 oktober 2015 tot en met 30 november 2015.
Artikel 4.6 Subsidieplafond
De Managementautoriteit stelt het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.2, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 4.5, vast op € 5.000.000.
Artikel 4.7 Subsidiehoogte
  • 1.
    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.2, bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.
  • 2.
    Indien de aanvrager minder dan 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.
  • 3.
    Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal aan overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun aan subsidieontvanger niet meer bedraagt dan op grond van de in artikel 4, tweede lid, genoemde vrijstellingen van de algemene groepsvrijstellingsverordening is toegestaan.
  • 4.
    Onverminderd het eerste tot en met derde lid, wordt niet meer subsidie verstrekt dan op grond van artikel 69, eerste lid, onder a van verordening 1303/2013 is toegestaan.
  • 5.
    Onverminderd het eerste tot en met het derde lid wordt, indien sprake is van staatssteun en de activiteit voldoet aan artikel 4.3, derde lid, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor rechtspersonen en € 100.000 voor ondernemingen in het wegverkeer niet wordt overschreden.
Artikel 4.8 Verdeelcriteria
  • 1.
    Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 4.6 te boven gaan, maakt de Managementautoriteit voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:
    • a.
      de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het OPZuid;
    • b.
      de mate van innovativiteit van het project;
    • c.
      de kwaliteit van de businesscase;
    • d.
      de kwaliteit van het projectplan; en,
    • e.
      de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling.
  • 2.
    Aanvragers van subsidieaanvragen als bedoeld in het eerste lid, lichten op verzoek van de Managementautoriteit hun subsidieaanvraag mondeling toe.
  • 3.
    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen gelijk gerangschikt zijn, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald op grond van artikel 5.2.8, tweede lid, van de REES.
Artikel 4.9 Deskundigencommissie
De Managementautoriteit legt aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2 voor advies over artikel 4.3, eerste lid, onder h, en artikel 4.8, voor aan de Deskundigencommissie.
 
Paragraaf 5 Koolstofarme economie
Artikel 5.1 Doelgroep
  • 1.
    Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door:
    • a.
      natuurlijke personen;
    • b.
      rechtspersonen;
    • c.
      samenwerkingsverbanden van onder a en b bedoelde doelgroepen.
  • 2.
    Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:
    • a.
      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;
    • b.
      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.
Artikel 5.2 Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de slimme uitrol van innovatieve koolstofarme technologieën en instrumenten ten gunste van de gebouwde omgeving.
Artikel 5.3 Subsidievereisten
  • 1.
    Onverminderd artikel 5.2.5, eerste lid onder b, c en e en artikel 5.2.5, tweede lid, van de REES, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:
    • a.
      de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister;
    • b.
      het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland;
    • c.
      het project is gericht op het testen, demonstreren of de eerste toepassing van innovaties in een operationele omgeving;
    • d.
      het project is gericht op de gebouwde omgeving;
    • e.
      het project is gericht op het aanwenden van koolstofarme technologie in een of meerdere facetten van het energiesysteem;
    • f.
      het project is gericht op verdere implementatie van het product, proces of dienst na afloop van het project;
    • g.
      het project is gericht op het leveren van een bijdrage aan een of meer van de outputindicatoren als bedoeld in bijlage 3;
    • h.
      het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria:
  • 1º.
    het project draagt bij aan de doelstellingen van het OPZuid;
  • 2º.
    het project is innovatief;
  • 3º.
    de businesscase van het project is onderbouwd;
  • 4º.
    het projectplan heeft een voldoende kwaliteit;
  • 5º.
    het project draagt bij aan duurzame ontwikkeling.
  • 2.
    Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2 in aanmerking te komen, voldaan aan een van de volgende vereisten:
    • a.
      het project is gericht op het verkrijgen van consultancydiensten en de aanvrager is een MKB-onderneming, bedoeld in artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • b.
      het project is gericht op het deelnemen aan beurzen en de aanvrager is een MKB-onderneming, bedoeld in artikel 19 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • c.
      het project is gericht op startende ondernemingen als bedoeld in artikel 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • d.
      het project is grotendeels gericht op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 25, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • e.
      het project is gericht op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • f.
      het project is gericht op de bouw of het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters, bedoeld in artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • g.
      het project is gericht op innovatie en de aanvrager is een MKB-onderneming als bedoeld in artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • h.
      het project is gericht op proces- of organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • i.
      het project is gericht op onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector als bedoeld in artikel 30 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • j.
      het project is gericht op opleiding als bedoeld in artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • k.
      het project is gericht op het verhogen van het niveau van milieubescherming of verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming als bedoeld in artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • l.
      het project is gericht op vroege aanpassing aan toekomstige Unienormen terzake milieubescherming als bedoeld in artikel 37 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • m.
      het project is gericht op het behalen van energie-efficientie als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • n.
      het project is gericht op het opzetten of instand houden van een hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 40 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • o.
      het project is gericht op bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • p.
      het project is gericht op energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling als bedoeld in artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
    • q.
      het project is gericht op milieustudies, met inbegrip van energieaudits, als bedoeld in artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
  • 3.
    Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan een van de vereisten in het tweede lid, slechts subsidie verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de de-minimisverordening.
  • 4.
    Aan het project liggen ten grondslag:
    • a.
      een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;
    • b.
      een begroting en een sluitend financieringsplan van de aanvrager.
Artikel 5.4 Subsidiabele kosten
  • 1.
    Ten aanzien van de subsidiabele kosten zijn de artikel 1.3 tot en met 1.5 van de REES en artikel 69 van verordening 1303/2013 van toepassing.
  • 2.
    Indien sprake is van staatssteun, zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel voor zover deze kosten passen binnen het betreffende artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid.
Artikel 5.5 Vereisten subsidieaanvraag
Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 1 oktober 2015 tot en met 30 november 2015.
Artikel 5.6 Subsidieplafond
De Managementautoriteit stelt het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 5.2, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 5.5, vast op € 10.000.000.
Artikel 5.7 Subsidiehoogte
  • 1.
    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.2, bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.
  • 2.
    Indien de aanvrager minder dan 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.
  • 3.
    Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun aan subsidieontvanger niet meer bedraagt dan op grond van een van de in artikel 5.3, tweede lid, genoemde vrijstellingen is toegestaan.
  • 4.
    Onverminderd het eerste tot en met derde lid, wordt niet meer subsidie verstrekt dan op grond van artikel 69, eerste lid, onder a van verordening 1303/2013 is toegestaan.
  • 5.
    Onverminderd het eerste tot en met het derde lid wordt, indien sprake is van staatssteun en de activiteit voldoet aan artikel 2.3, derde lid, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor rechtspersonen en € 100.000 voor ondernemingen in het wegverkeer niet wordt overschreden.
Artikel 5.8 Verdeelcriteria
  • 1.
    Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 5.6 te boven gaan, maakt de Managementautoriteit voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:
    • a.
      de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het OPZuid;
    • b.
      de mate van innovativiteit van het project;
    • c.
      de kwaliteit van de businesscase;
    • d.
      de kwaliteit van het projectplan; en,
    • e.
      de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling.
  • 2.
    Aanvragers van subsidieaanvragen als bedoeld in het eerste lid, lichten op verzoek van de Managementautoriteit hun subsidieaanvraag mondeling toe.
  • 3.
    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen gelijk gerangschikt zijn, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald op grond van artikel 5.2.8, tweede lid, van de REES.
Artikel 5.9 Deskundigencommissie
De Managementautoriteit legt aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2 voor advies over artikel 5.3, eerste lid, onder h, en artikel 5.8, voor aan de Deskundigencommissie.
Artikel II Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel III Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tweede wijzigingsregeling Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020.
’s-Hertogenbosch, 14 juli 2015
Gedeputeerde Staten voornoemd in hun hoedanigheid als managementautoriteit voor het Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020,
de voorzitter de secretaris
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger
Bijlage 1 bij Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020
Outputindicatoren
Versterking innovatiesysteem
en
Valorisatievermogen MKB-ondernemingen
Bijlage 2 bij Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020
Outputindicatoren Human Capital
 
CO01
Aantal ondernemingen dat steun ontvangt
 
CO02
Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt
 
CO06
De private bijdrage in de totale kosten van het subsidieproject
 
PS2
Aantal ondersteunde nieuw opgezette, uitgebreide of geoptimaliseerde samenwerkingsverbanden gericht op de versterking van de aansluiting van arbeidsmarkt & onderwijs
Bijlage 3 bij Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020
Outputindicatoren Koolstofarm
 
CO01
Aantal ondernemingen dat steun ontvangt
 
CO02
Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt
 
CO06
De private bijdrage in de totale kosten van het subsidieproject
 
CO30
De extra capaciteit van hernieuwbare energieproductie
 
PS3
Aantal demonstraties gericht op de 'slimme uitrol' van koolstofarme technologie in de gebouwde omgeving
Toelichting behorende bij de Tweede wijzigingsregeling Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020
Algemeen
Op 24 februari 2015 is de Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020 vastgesteld om uitvoering te geven aan twee investeringsprioritieten uit 1B, te weten 1B1- Innovatie Systeemversterking en 1B2 – Valorisatievermogen van het MKB uit het Operationeel Programma voor Zuid-Nederland – Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling 2014 – 2020 (hierna OPZuid). De voorliggende regeling geeft uitvoering aan twee volgende investeringsprioriteiten OPZuid: 1B.3 Human Capital en 4F Koolstofarme economie.
Juridisch kader
De Uitvoeringsregeling EFRO programmaperiode 2014-2020 is per 1 juli 2015 vervangen door de Regeling Europese EZ-subsidies (hierna: REES). De REES is opgesteld als gevolg van de samenvoeging van de voormalige Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Economische zaken. De REES vormt een integratie van subsidiering op de terreinen van deze ministeries op grond van o.a. EFRO-gelden. De vervanging van de Ministeriële Regeling door de REES heeft door de hele regeling tot aanpassing geleid.
Artikelsgewijs
A.
1.3 Weigeringsgronden algemeen
a. Stimulerend effect
De wijziging van dit lid ziet op verduidelijking. Het betreft geen inhoudelijke wijziging van de weigeringsgrond.
In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de activiteit aanvangt.
D.
Artikel 1.8 vervalt gezien dit is geregeld in artikel 1:8 van de REES.
H. Artikel 2.8, tweede lid
Bij de verdeelcriteria wordt de mogelijkheid toegevoegd om een zogeheten pitch van het project te vragen aan de aanvragers. Deze toelichting kan van belang zijnvoor het kunnen ranken van de aanvraag.
M.
Paragraaf 4 Systeemversterking Human Capital
Artikel 4.2 Subsidiabele activiteiten
Het OPZuid richt zich specifiek op verbetering van de werkgelegenheid door betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsvraag naar technisch geschoolde mensen, door stimulering van onderwijsprogramma’s en- voorzieningen waarbij zowel bedrijfsleven als ook kennisinstellingen betrokken zijn en die inspelen op kwalitatieve eisen die het bedrijfsleven in de topclusters stelt aan technisch talent. In het OPZuid is dit beschreven in paragraaf 2.A.1 van het OPZuid, onderdeel ‘Investeringsprioriteit 1B- specifiek doel 1.B3’.
Artikel 4.3 Subsidievereisten
De strategie waarop het OPZuid is gebaseerd is vastgelegd in de RIS3. De vereisten waaraan de aanvrager en het project dienen te voldoen, zijn uit het OPZuid en de RIS3 afgeleid. De Managementautoriteit beoordeelt of een aanvraag voldoet aan de subsidievereisten.
Eerste lid, onder g
De wijze waarop het MKB deel uitmaakt van het project, is afhankelijk van het soort project. Derhalve is geen nadere invulling aan dit vereiste gegeven. Op welke wijze het MKB deel uitmaakt van het project, dient nader te worden beschreven in het projectplan.
Eerste lid, onder h
De beoordeling of een aanvraag aan het geheel van de genoemde criteria voldoet, wordt beoordeeld door de Deskundigencommissie, die een advies afgeeft aan de Managementautoriteit. Nadrukkelijk is gekozen voor de term ‘geheel’ omdat een mindere beoordeling van het ene criterium kan worden opgevangen door een betere beoordeling van één van de andere criteria. De Deskundigencommissie beoordeelt hierbij of een aanvraag in zijn geheel van voldoende kwaliteit is om voor subsidie in aanmerking te komen dan wel om mee te gaan in de onderlinge rangschikking bij overschrijding van het subsidieplafond. Dezelfde criteria worden vervolgens gebruikt in de tender om te beoordelen in welke mate aan de criteria wordt voldaan en aldus welke plaats het project inneemt in de rangschikking.
De afgeleide criteria die de Deskundigencommissie in de beoordeling betrekt, zijn onder andere:
1º. Bijdrage aan doelstellingen van OP
Bij het beoordelen van dit criterium wordt gevraagd om een kwalitatief en kwantitatief oordeel te vellen over het project in relatie tot het operationele programma. Onder andere op basis van de volgende onderdelen:
  • -
    bijdrage aan relevante specifieke doelstelling en resultaten van de desbetreffende prioriteit van het programma en daarmee aan resultaatindicator, waarbij onder resultaatsindicator de indicatoren uit artikel 27, vierde lid, onder c van verordening 1303/2013 uitgewerkt in paragraaf 2A.1, tabel 3 van het OPZuid;
  • -
    score op van toepassing zijnde outputindicatoren;
  • -
    onderbouwing van de bijdrage aan de relevante resultaatindicator en de score op de van toepassing zijnde outputindicatoren;
  • -
    verhouding van de bijdrage aan de specifieke doelstelling tot de gevraagde bijdrage (score op value for money);
  • -
    schaaleffect of impact van de actie op Zuid-Nederland of regionale, nationale of internationale waarde van het project;
  • -
    aansluiting en betrokkenheid van het MKB binnen het project.
2º. Innovativiteit
Het kan hierbij gaan om product-, proces-, en diensteninnovatie. Aspecten die onder andere een rol kunnen spelen:
  • -
    het project is een coherent geheel van activiteiten en draagt bij aan een crossover tussen verschillende in het OPZuid benoemde sectoren;
  • -
    het project is voor de sector in Nederland geheel nieuw of het project beoogt een in het buitenland ontwikkelde techniek toe te passen in een Nederlandse situatie;
  • -
    de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling van een product, proces of dienst.
3º. De uitvoerbaarheid van de businesscase
Bij het beoordelen van aanvragen kunnen de deskundigen de businesscase onder andere vanuit de volgende vier perspectieven beoordelen.
  • 1.
    Technisch perspectief;
  • 2.
    Organisatorisch perspectief;
  • 3.
    Economisch perspectief;
  • 4.
    Financieel perspectief.
Tevens zal worden beoordeeld op welke wijze omgang met resultaten na afloop van het project plaatsvindt en wat het ex-post perspectief en aanpak van het project is.Hierbij speelt het vermoedelijke investeringsvermogen van potentiële investeerders een rol. Het gaat hierbij om een aantoonbare investeringspotentie van het project voor de fase na de subsidieperiode.
4º.Kwaliteit van de aanvraag
Bij het beoordelen van de kwaliteit van het projectplan tellen met name de volgende zaken:
  • 1.
    Kwaliteit aanvrager
    • -
      Relevant en representatief consortium over het werkveld;
    • -
      Mate van samenwerking binnen het project;
    • -
      Track record;
    • -
      Breedte van keten, meerder schakels uit keten betrokken.
  • 2.
    Kwaliteit projectplan
    • -
      bijstuurbaarheid, planning en opzet;
    • -
      doelstelling objectief en meetbaar;
    • -
      begroting helder en effectief ingericht;
    • -
      hoe is de opzet van het project, in hoeverre zijn de activiteiten goed beschreven en tonen deze ambitie.
Bij de beoordeling wordt ook de mate waarin eventueel marktfalen wordt onderbouwd, meegenomen.
5º. Duurzame ontwikkeling
Het criterium duurzame ontwikkeling wordt ingegeven door artikel 8 uit verordening 1303/2013. De onderdelen waarop beoordeeld wordt, zijn aan de hand van het triple P duurzaamheidsprincipe (people, planet, profit) volgens de Telos-methode:
  • -
    de ecologische duurzaamheid (planet), hierbij valt te denken aan efficiënt gebruik van hulpbronnen, milieumaatregelen, klimaatadaptie en mitigatie herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en beheer;
  • -
    de sociale duurzaamheid (people), hierbij valt te denken aan (sociale) participatie, verrijking cultuur, veiligheid, gezondheid, onderwijs;
  • -
    de economische duurzaamheid (profit), hierbij valt te denken aan bevordering van kennis, kapitaalgoederen, vestigingsvoorwaarden of economische structuur.
Tevens zal hierbij gekeken worden naar de bijdrage aan de maatschappelijke uitdagingen zoals verwoord in de RIS3 en het OPZuid.
Tweede lid
Indien sprake is van staatssteun dan kan dit worden aangemerkt als geoorloofde staatssteun als het past binnen een van de genoemde vrijstellingen in de algemene groepsvrijstellingsverordening. De aanvullende vereisten aan een project om te passen binnen een vrijstelling zijn opgenomen in het aangehaalde artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Op welke wijze een aanvrager voldoet, dient nader te worden toegelicht in het projectplan.
Derde lid
Indien sprake is van staatssteun, de subsidie niet past binnen een van de vrijstellingen van de algemene groepsvrijstellingsverordening en het totaal verstrekte subsidiebedrag onder de deminimisgrens blijft, kan subsidie aan een onderneming worden verstrekt op basis van de de-minisverordening.
Vierde lid
Zoals eerder aangegeven, dient een aanvraag volledig te zijn om in behandeling te worden genomen. Dit betekent dat een aantal bijlagen voor zowel de aanvrager, als ook voor de deelnemers van het samenwerkingsverband, dient te worden aangeleverd. In het aanvraagformulier staat duidelijk beschreven welke bijlagen dienen te worden aangeleverd. De bijlagen die niet blijken uit de regeling zelf, zijn opgesomd in het vierde lid. Als een van deze bijlagen ontbreekt, is de aanvraag niet volledig.
Onder a
In het projectplan dient onder andere te worden aangegeven of het project voldoet aan de vereisten in het eerste lid.
Onder b
Een sluitend financieringsplan betekent dat alle betrokken partijen die cofinanciering verlenen, hiervan een bewijs dienen aan te leveren, zodat uit deze stukken kan worden opgemaakt dat de financiering sluitend is met de gevraagde subsidiebijdrage.
Artikel 4.5 Vereisten subsidieaanvraag
Op grond van de Awb is een aanvraag tijdig indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
Artikel 4.7 Subsidiehoogte
Tweede lid
Uit de aanvraag blijkt voor welk percentage en bedrag subsidie wordt aangevraagd, omdat de financiering bij aanvraag sluitend dient te zijn.
Derde lid
EFRO wordt als cofinanciering aangeduid in verordening 1303/2013. Uit deze bewoording en de systematiek blijkt dat de EFRO bijdrage aanvult op de reeds verkregen bijdragen. Voorts mag de totale subsidie niet meer bedragen dan het percentage dat op grond van staatssteunregelgeving is toegestaan. Derhalve wordt de subsidiebijdrage verminderd naar gelang dit volgt uit cofinanciering en de staatssteunbepalingen.
Artikel 4.8 Verdeelcriteria
Eerste lid
Met de keuze voor rangschikking naar geschiktheid indien het subsidieplafond wordt overschreden, wordt uitvoering gegeven aan artikel 5.2.6, onder b, van de REES. De Deskundigencommissie geeft advies af over de beoordeling en rangschikking van projecten.
De afgeleide criteria die de Deskundigencommissie in de beoordeling betrekt, zijn onder andere:
1º. Bijdrage aan doelstellingen van OP
Bij het beoordelen van dit criterium wordt gevraagd om een kwalitatief en kwantitatief oordeel te vellen over het project in relatie tot het operationele programma. Onder andere op basis van de volgende onderdelen:
  • -
    bijdrage aan relevante specifieke doelstelling en resultaten van de desbetreffende prioriteit van het programma en daarmee aan resultaatindicator, waarbij onder resultaatsindicator de indicatoren uit artikel 27, vierde lid, onder c van verordening 1303/2013 uitgewerkt in paragraaf 2A.1, tabel 3 van het OPZuid;
  • -
    score op van toepassing zijnde outputindicatoren;
  • -
    onderbouwing van de bijdrage aan de relevante resultaatindicator en de score op de van toepassing zijnde outputindicatoren;
  • -
    verhouding van de bijdrage aan de specifieke doelstelling tot de gevraagde bijdrage (score op value for money);
  • -
    schaaleffect of impact van de actie op Zuid-Nederland of regionale, nationale of internationale waarde van het project;
  • -
    aansluiting en betrokkenheid van het MKB binnen het project.
2º. Innovativiteit
Het kan hierbij gaan om product-, proces-, en diensteninnovatie. Aspecten die onder andere een rol kunnen spelen:
  • -
    het project is een coherent geheel van activiteiten en draagt bij aan een crossover tussen verschillende in het OPZuid benoemde sectoren;
  • -
    het project is voor de sector in Nederland geheel nieuw of het project beoogt een in het buitenland ontwikkelde techniek toe te passen in een Nederlandse situatie;
  • -
    de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling van een product, proces of dienst.
3º. De kwaliteit van de businesscase
Bij het beoordelen van aanvragen kunnen de deskundigen de businesscase onder andere vanuit de volgende vier perspectieven beoordelen.
  • 1.
    Technisch perspectief;
  • 2.
    Organisatorisch perspectief;
  • 3.
    Economisch perspectief;
  • 4.
    Financieel perspectief.
Tevens zal worden beoordeeld op welke wijze omgang met resultaten na afloop van het project plaatsvindt en wat het ex-post perspectief en aanpak van het project is.Hierbij speelt het vermoedelijke investeringsvermogen van potentiële investeerders een rol. Het gaat hierbij om een aantoonbare investeringspotentie van het project voor de fase na de subsidieperiode.
4º.Kwaliteit van de aanvraag
Bij het beoordelen van de kwaliteit van het projectplan tellen met name de volgende zaken:
  • 1.
    Kwaliteit aanvrager
    • -
      Relevant en representatief consortium over het werkveld;
    • -
      Mate van samenwerking binnen het project;
    • -
      Track record;
    • -
      Breedte van keten, meerder schakels uit keten betrokken.
  • 2.
    Kwaliteit projectplan
    • -
      bijstuurbaarheid, planning en opzet;
    • -
      doelstelling objectief en meetbaar;
    • -
      begroting helder en effectief ingericht;
    • -
      hoe is de opzet van het project, in hoeverre zijn de activiteiten goed beschreven en tonen deze ambitie.
Bij de beoordeling wordt ook de mate waarin eventueel marktfalen wordt onderbouwd, meegenomen.
5º. Duurzame ontwikkeling
Het criterium duurzame ontwikkeling wordt ingegeven door artikel 8 uit verordening 1303/2013. De onderdelen waarop beoordeeld wordt, zijn aan de hand van het triple P duurzaamheidsprincipe (people, planet, profit) volgens de Telos-methode:
  • -
    de ecologische duurzaamheid (planet), hierbij valt te denken aan efficiënt gebruik van hulpbronnen, milieumaatregelen, klimaatadaptie en mitigatie herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en beheer;
  • -
    de sociale duurzaamheid (people), hierbij valt te denken aan (sociale) participatie, verrijking cultuur, veiligheid, gezondheid, onderwijs;
  • -
    de economische duurzaamheid (profit), hierbij valt te denken aan bevordering van kennis, kapitaalgoederen, vestigingsvoorwaarden of economische structuur.
Tevens zal hierbij gekeken worden naar de bijdrage aan de maatschappelijke uitdagingen zoals verwoord in de RIS3 en het OPZuid.
Tweede lid
Bij de verdeelcriteria wordt de mogelijkheid toegevoegd om een zogeheten pitch van het project te vragen aan de aanvragers. Deze toelichting kan van belang zijnvoor het kunnen ranken van de aanvraag
Derde lid
Alleen indien twee of meer aanvragen, na toepassing van de rangschikking, op dezelfde plaats eindigen en het plafond overschrijden, vindt loting op grond van het tweede lid plaats.
Paragraaf 5 Koolstofarme economie
Artikel 5.2 Subsidiabele activiteiten
Een van de speerpunten om de doelstellingen uit het OPZuid te bereiken is de overgang naar koolstofarme economie. De focus ligt hierbij op de gebouwde omgeving aangezien hier een groot deel van de totale energieconsumptie plaatsvindt. Een cruciale stap in de introductie van vernieuwende koolstofarme technologieën en instrumenten is het testen, demonstreren en eerste toepassing van de innovaties in hun operationele omgeving. In het OPZuid is dit beschreven in paragraaf 2.A.1 van het OPZuid, onderdeel ‘Investeringsprioriteit 4F- specifiek doel 4.F.1’.
Artikel 5.3 Subsidievereisten
De strategie waarop het OPZuid is gebaseerd is vastgelegd in de RIS3. De vereisten waaraan de aanvrager en het project dienen te voldoen, zijn uit het OPZuid en de RIS3 afgeleid. De Managementautoriteit beoordeelt of een aanvraag voldoet aan de subsidievereisten.
Eerste lid, onder c-e
Het project dient aan te tonen dat met sociale- of technische innovaties een reëel uitzicht bestaat op een brede uitrol van maatregelen die leiden tot een relevante daling van het gebruik van fossiele brandstoffen in de gebouwde omgeving.
Eerste lid, onder d
Ongeacht de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd, dienen de resultaten van het project ten goede te komen aan de gebouwde omgeving. In geval van energieopwekking bijvoorbeeld betekent dit dat de locatie waar de energie wordt opgewekt niet is gebonden aan de gebouwde omgeving mits de levering van energie primair plaats vindt in of aan de gebouwde omgeving.
Eerste lid, onder f
Het project is hiermee gericht op een brede uitrol en vergroten van het bereidheid van de markt en financiers om te participeren in de implementatie en de vergroting van de bereidheid van de eindgebruiker om de dienst of het product af te nemen.
Eerste lid, onder h
De beoordeling of een aanvraag aan het geheel van de genoemde criteria voldoet, wordt uitgevoerd door de Deskundigencommissie. Nadrukkelijk is gekozen voor de term ‘geheel’ omdat een mindere beoordeling van het ene criterium kan worden opgevangen door een betere beoordeling van een van de andere criteria. De Deskundigencommissie beoordeelt hierbij of een aanvraag in zijn geheel van voldoende kwaliteit is om voor subsidie in aanmerking te komen dan wel om mee te gaan in de onderlinge rangschikking bij overschrijding van het subsidieplafond.
Dezelfde criteria worden vervolgens gebruikt in de tender om te beoordelen in welke mate aan de criteria wordt voldaan en aldus welke plaats het project inneemt in de rangschikking.
De afgeleide criteria die de Deskundigencommissie in de beoordeling betrekt, zijn onder andere:
1º. Bijdrage aan doelstellingen van OP
Bij het beoordelen van dit criterium wordt gevraagd om een kwalitatief en kwantitatief oordeel te vellen over het project in relatie tot het operationele programma. Onder andere op basis van de volgende onderdelen:
  • -
    bijdrage aan relevante specifieke doelstelling en resultaten van de desbetreffende prioriteit van het programma en daarmee aan resultaatindicator, waarbij onder resultaatsindicator de indicatoren uit artikel 27, vierde lid, onder c van verordening 1303/2013 uitgewerkt in paragraaf 2A.1, tabel 3 van het OPZuid;
  • -
    score op van toepassing zijnde outputindicatoren;
  • -
    onderbouwing van de bijdrage aan de relevante resultaatindicator en de score op de van toepassing zijnde outputindicatoren;
  • -
    verhouding van de bijdrage aan de specifieke doelstelling tot de gevraagde bijdrage (score op value for money);
  • -
    schaaleffect of impact van de actie op Zuid-Nederland of regionale, nationale of internationale waarde van het project;
  • -
    aansluiting en betrokkenheid van het MKB binnen het project.
2º. Innovativiteit
Het kan hierbij gaan om product-, proces-, en diensteninnovatie. Aspecten die onder andere een rol kunnen spelen:
  • -
    het project is een coherent geheel van activiteiten en draagt bij aan een crossover tussen verschillende in het OPZuid benoemde sectoren;
  • -
    het project is voor de sector in Nederland geheel nieuw of het project beoogt een in het buitenland ontwikkelde techniek toe te passen in een Nederlandse situatie;
  • -
    de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling van een product, proces of dienst.
3º. De uitvoerbaarheid van de businesscase
Bij het beoordelen van aanvragen kunnen de deskundigen de businesscase onder andere vanuit de volgende vier perspectieven beoordelen.
  • 1.
    Technisch perspectief;
  • 2.
    Organisatorisch perspectief;
  • 3.
    Economisch perspectief;
  • 4.
    Financieel perspectief.
Tevens zal worden beoordeeld op welke wijze omgang met resultaten na afloop van het project plaatsvindt en wat het ex-post perspectief en aanpak van het project is.Hierbij speelt het vermoedelijke investeringsvermogen van potentiële investeerders een rol. Het gaat hierbij om een aantoonbare investeringspotentie van het project voor de fase na de subsidieperiode.
4º.Kwaliteit van de aanvraag
Bij het beoordelen van de kwaliteit van het projectplan tellen met name de volgende zaken:
  • 1.
    Kwaliteit aanvrager
    • -
      Relevant en representatief consortium over het werkveld;
    • -
      Mate van samenwerking binnen het project;
    • -
      Track record;
    • -
      Breedte van keten, meerder schakels uit keten betrokken.
  • 2.
    Kwaliteit projectplan
    • -
      bijstuurbaarheid, planning en opzet;
    • -
      doelstelling objectief en meetbaar;
    • -
      begroting helder en effectief ingericht;
    • -
      hoe is de opzet van het project, in hoeverre zijn de activiteiten goed beschreven en tonen deze ambitie.
Bij de beoordeling wordt ook de mate waarin eventueel marktfalen wordt onderbouwd, meegenomen.
5º. Duurzame ontwikkeling
Het criterium duurzame ontwikkeling wordt ingegeven door artikel 8 uit verordening 1303/2013. De onderdelen waarop beoordeeld wordt, zijn aan de hand van het triple P duurzaamheidsprincipe (people, planet, profit) volgens de Telos-methode:
  • -
    de ecologische duurzaamheid (planet), hierbij valt te denken aan efficiënt gebruik van hulpbronnen, milieumaatregelen, klimaatadaptie en mitigatie herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en beheer;
  • -
    de sociale duurzaamheid (people), hierbij valt te denken aan (sociale) participatie, verrijking cultuur, veiligheid, gezondheid, onderwijs;
  • -
    de economische duurzaamheid (profit), hierbij valt te denken aan bevordering van kennis, kapitaalgoederen, vestigingsvoorwaarden of economische structuur.
Tevens zal hierbij gekeken worden naar de bijdrage aan de maatschappelijke uitdagingen zoals verwoord in de RIS3 en het OPZuid.
Tweede lid
Indien sprake is van staatssteun dan kan dit worden aangemerkt als geoorloofde staatssteun als het past binnen een van de genoemde vrijstellingen in de algemene groepsvrijstellingsverordening. De aanvullende vereisten aan een project om te passen binnen een vrijstelling zijn opgenomen in het aangehaalde artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Op welke wijze een aanvrager voldoet, dient nader te worden toegelicht in het projectplan.
Derde lid
Indien sprake is van staatssteun, de subsidie niet past binnen een van de vrijstellingen van de algemene groepsvrijstellingsverordening en het totaal verstrekte subsidiebedrag onder de deminimisgrens blijft, kan subsidie aan een onderneming worden verstrekt op basis van de de-minisverordening.
Vierde lid
Zoals eerder aangegeven, dient een aanvraag volledig te zijn om in behandeling te worden genomen. Dit betekent dat een aantal bijlagen voor zowel de aanvrager, als ook voor de deelnemers van het samenwerkingsverband, dient te worden aangeleverd. In het aanvraagformulier staat duidelijk beschreven welke bijlagen dienen te worden aangeleverd. De bijlagen die niet blijken uit de regeling zelf, zijn opgesomd in het vierde lid. Als één van deze bijlagen ontbreekt, is de aanvraag niet volledig.
Onder a
In het projectplan dient onder andere te worden aangegeven of het project voldoet aan de vereisten in het eerste lid.
Onder b
Een sluitend financieringsplan betekent dat alle betrokken partijen die cofinanciering verlenen, hiervan een bewijs dienen aan te leveren, zodat uit deze stukken kan worden opgemaakt dat de financiering sluitend is met de gevraagde subsidiebijdrage.
Artikel 5.4 Vereisten subsidieaanvraag
Op grond van de Awb is een aanvraag tijdig indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.
Artikel 5.7 Subsidiehoogte
Tweede lid
Uit de aanvraag blijkt voor welk percentage en bedrag subsidie wordt aangevraagd, omdat de financiering bij aanvraag sluitend dient te zijn.
Derde lid
EFRO wordt als cofinanciering aangeduid in verordening 1303/2013. Uit deze bewoording en de systematiek blijkt dat de EFRO bijdrage aanvult op de reeds verkregen bijdragen. Voorts mag de totale subsidie niet meer bedragen dan het percentage dat op grond van staatssteunregelgeving is toegestaan. Derhalve wordt de EFRO bijdrage verminderd naar gelang dit volgt uit cofinanciering en de staatssteunbepalingen.
Artikel 6.8 Verdeelcriteria
Eerste lid
Met de keuze voor rangschikking naar geschiktheid indien het subsidieplafond wordt overschreden, wordt uitvoering gegeven aan artikel 5.2.6, onder b, van de REES. De Deskundigencommissie geeft advies af over de beoordeling en rangschikking van projecten.
De afgeleide criteria die de Deskundigencommissie in de beoordeling betrekt, zijn onder andere:
1º. Bijdrage aan doelstellingen van OP
Bij het beoordelen van dit criterium wordt gevraagd om een kwalitatief en kwantitatief oordeel te vellen over het project in relatie tot het operationele programma. Onder andere op basis van de volgende onderdelen:
  • -
    bijdrage aan relevante specifieke doelstelling en resultaten van de desbetreffende prioriteit van het programma en daarmee aan resultaatindicator, waarbij onder resultaatsindicator de indicatoren uit artikel 27, vierde lid, onder c van verordening 1303/2013 uitgewerkt in paragraaf 2A.1, tabel 3 van het OPZuid;
  • -
    score op van toepassing zijnde outputindicatoren;
  • -
    onderbouwing van de bijdrage aan de relevante resultaatindicator en de score op de van toepassing zijnde outputindicatoren;
  • -
    verhouding van de bijdrage aan de specifieke doelstelling tot de gevraagde bijdrage (score op value for money);
  • -
    schaaleffect of impact van de actie op Zuid-Nederland of regionale, nationale of internationale waarde van het project;
  • -
    aansluiting en betrokkenheid van het MKB binnen het project.
2º. Innovativiteit
Het kan hierbij gaan om product-, proces-, en diensteninnovatie. Aspecten die onder andere een rol kunnen spelen:
  • -
    het project is een coherent geheel van activiteiten en draagt bij aan een crossover tussen verschillende in het OPZuid benoemde sectoren;
  • -
    het project is voor de sector in Nederland geheel nieuw of het project beoogt een in het buitenland ontwikkelde techniek toe te passen in een Nederlandse situatie;
  • -
    de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling van een product, proces of dienst.
3º. De kwaliteit van de businesscase
Bij het beoordelen van aanvragen kunnen de deskundigen de businesscase onder andere vanuit de volgende vier perspectieven beoordelen.
  • 1.
    Technisch perspectief;
  • 2.
    Organisatorisch perspectief;
  • 3.
    Economisch perspectief;
  • 4.
    Financieel perspectief.
Tevens zal worden beoordeeld op welke wijze omgang met resultaten na afloop van het project plaatsvindt en wat het ex-post perspectief en aanpak van het project is.Hierbij speelt het vermoedelijke investeringsvermogen van potentiële investeerders een rol. Het gaat hierbij om een aantoonbare investeringspotentie van het project voor de fase na de subsidieperiode.
4º.Kwaliteit van de aanvraag
Bij het beoordelen van de kwaliteit van het projectplan tellen met name de volgende zaken:
  • 1.
    Kwaliteit aanvrager
    • -
      Relevant en representatief consortium over het werkveld;
    • -
      Mate van samenwerking binnen het project;
    • -
      Track record;
    • -
      Breedte van keten, meerder schakels uit keten betrokken.
  • 2.
    Kwaliteit projectplan
    • -
      bijstuurbaarheid, planning en opzet;
    • -
      doelstelling objectief en meetbaar;
    • -
      begroting helder en effectief ingericht;
    • -
      hoe is de opzet van het project, in hoeverre zijn de activiteiten goed beschreven en tonen deze ambitie.
Bij de beoordeling wordt ook de mate waarin eventueel marktfalen wordt onderbouwd, meegenomen.
5º. Duurzame ontwikkeling
Het criterium duurzame ontwikkeling wordt ingegeven door artikel 8 uit verordening 1303/2013. De onderdelen waarop beoordeeld wordt, zijn aan de hand van het triple P duurzaamheidsprincipe (people, planet, profit) volgens de Telos-methode:
  • -
    de ecologische duurzaamheid (planet), hierbij valt te denken aan efficiënt gebruik van hulpbronnen, milieumaatregelen, klimaatadaptie en mitigatie herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en beheer;
  • -
    de sociale duurzaamheid (people), hierbij valt te denken aan (sociale) participatie, verrijking cultuur, veiligheid, gezondheid, onderwijs;
  • -
    de economische duurzaamheid (profit), hierbij valt te denken aan bevordering van kennis, kapitaalgoederen, vestigingsvoorwaarden of economische structuur.
Tevens zal hierbij gekeken worden naar de bijdrage aan de maatschappelijke uitdagingen zoals verwoord in de RIS3 en het OPZuid.
Tweede lid
Bij de verdeelcriteria wordt de mogelijkheid toegevoegd om een zogeheten pitch van het project te vragen aan de aanvragers. Deze toelichting kan van belang zijnvoor het kunnen ranken van de aanvraag
Derde lid
Alleen indien twee of meer aanvragen, na toepassing van de rangschikking, op dezelfde plaats eindigen en het plafond overschrijden, vindt loting op grond van het tweede lid plaats.
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in hun hoedanigheid als managementautoriteit voor het Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020,
 
’s-Hertogenbosch, 14 juli 2015
Gedeputeerde Staten voornoemd,
de voorzitter
de secretaris
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk
mw. ir. A.M. Burger
Kenmerk: 3833950
Uitgegeven, *
De secretaris van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
mw. ir. A.M. Burger.

SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl