Provinciaal blad van Gelderland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GelderlandProvinciaal blad 2015, 2200Overige besluiten van algemene strekking
Wijziging van de Beleidsregel Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Oost-Nederland
GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND
Maken bekend dat zij bij vergadering van 21 april 2015 het volgende hebben besloten:
GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND
Gelet op de goedkeuring van deze beleidsregel door het Comité van Toezicht op grond van artikel 110, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L 347/320);
Gelet op de goedkeuring van deze beleidsregel door het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel;
Gelet op het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Oost-Nederland;
Gelet op de Uitvoeringswet EFRO;
Gelet op de Uitvoeringsregeling EFRO programmaperiode 2014-2020;
Gelet op artikel 1.2, eerste lid, juncto titel 6.1a van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011;
Gelet op artikel 1:3, vierde lid, juncto titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;
BESLUITEN
vast te stellen het volgende besluit tot wijziging van de Beleidsregel Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Oost-Nederland:
Artikel I
De Beleidsregel Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Oost-Nederland wordt als volgt gewijzigd:
a.Artikel 1.1.1 komt te luiden:
Artikel 1.1.1
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
  • a.
    adviesorganisatie: een organisatie die over de benodigde deskundigheid beschikt om een innovatieadviesproject te verrichten en die als bedrijfsactiviteit adviesopdrachten uitvoert;
  • b.
    algemene innovatie: innovatie als bedoeld in artikel 5, onderdeel 1, aanhef en onder b, van de verordening 1301/2013;
  • c.
    businesscase: een uitwerking van het plan tot marktintroductie van de innovatie bezien vanuit technisch, organisatorisch, economisch en financieel perspectief;
  • d.
    deskundigencommissie: een door Gedeputeerde Staten ingestelde adviescommissie;
  • e.
    Europe 2020: de langetermijnstrategie van de Europese Unie die door de Europese Raad op 17 juni 2010 is vastgesteld;
  • f.
    experimentele ontwikkeling: fase van onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de verordening 651/2014;
  • g.
    haalbaarheidsproject: een project dat bestaat uit een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;
  • h.
    haalbaarheidsstudie: studie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de verordening 651/2014;
  • i.
    industrieel onderzoek: fase van onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85 van de verordening 651/2014;
  • j.
    innovatieadviesproject: een door een kennisinstelling of een onafhankelijke adviesorganisatie verrichte activiteit bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, adviseren over een toepassingsgerichte kennisvraag van een mkb-onderneming, uitgaande van voor de mkb-onderneming nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, procedés of diensten, dan wel het adviseren van een mkb-onderneming over marktintroductie van een nieuw product of een nieuwe dienst;
  • k.
    innovatiecluster: een cluster als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, van de verordening 651/2014;
  • l.
    innovatieprogramma Topsectoren: programma zoals te raadplegen op www.op-oost.eu;
  • m.
    instantie: een publieke- of privaatrechtelijke instantie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van de verordening 1303/2013;
  • n.
    kennisinstelling: een instelling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de verordening 651/2014;
  • o.
    kennispartner: de stichting Bio-energiecluster Oost-Nederland, de stichting Food Valley, de stichting Health Valley, de stichting Kennispark Twente, de stichting Kennispoort regio Zwolle, de stichting kiEMT, Regionale Centra voor Technologie en de stichting Stedendriehoek Innoveert;
  • p.
    kennisverspreiding: het proces als bedoeld in onderdeel 15, aanhef en onder v, van de Mededeling van de Commissie, Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2014/C 198/01);
  • q.
    koolstofarme innovatie: innovatie als bedoeld in artikel 5, onderdeel 4, aanhef en onder f, van de verordening 1301/2013;
  • r.
    mkb-onderneming: een onderneming die behoort tot het midden- en kleinbedrijf, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 28, van de verordening 1303/2013;
  • s.
    ondersteunende sectoren: de sectoren ICT, water, creatieve industrie, chemie en maakindustrie;
  • t.
    Operationeel Programma: programma als bedoeld in artikel 2, onderdeel 6, van de verordening 1303/2013;
  • u.
    Oost-Nederland: de provincies Gelderland en Overijssel;
  • v.
    proeftuin: een voorziening waar producten, procedés of diensten die nog in ontwikkeling zijn onder realistische omstandigheden kunnen worden getest;
  • w.
    Regionale Centra voor Technologie: de stichting Achterhoeks Centrum voor Technologie, de stichting Platform Creatieve Technologie Midden-Gelderland, de stichting RCT De Vallei, de stichting RCT Rivierenland, de stichting Regionaal Nijmeegs Centrum voor Technologie en de stichting Veluws Centrum voor Technologie;
  • x.
    S3-sectoren: de sectoren Agro & Food, Health, High Tech Systemen & Materialen en Energie en Milieutechnologie;
  • y.
    uitvoeringsregeling: Uitvoeringregeling EFRO programmaperiode 2014-2020;
  • z.
    verordening 1301/2013: Verordening (EU) Nr. 1301/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006;
  • aa.
    verordening 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;
  • bb.
    verordening 1407/2013: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
  • cc.
    verordening 651/2014: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie, van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
     
  • b.
    Artikel 1.2.2 komt te luiden:
Artikel 1.2.2
  • 1.
    Subsidie wordt geweigerd indien:
    • a.
      de subsidiabele activiteit geen bijdrage levert aan artikel 8 van de Verordening 1303/2013, of
    • b.
      de subsidiabele activiteit geen gelijke kansen biedt tussen mannen en vrouwen dan wel discrimineert op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.
  • 2.
    Subsidie kan worden geweigerd, ingetrokken of lager vastgesteld indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in deze beleidsregel.
  • 3.
    Er wordt geen subsidie verstrekt voor kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag.
     
    • c.
      Artikel 2.1.1 komt te luiden:
       
      Artikel 2.1.1
  • 1.
    Activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden beoordeeld op:
    • a.
      de mate waarin deze passen binnen de doelstellingen van het Operationeel Programma;
    • b.
      de mate van innovativiteit;
    • c.
      de kwaliteit van de businesscase;
    • d.
      de kwaliteit van de aanvraag, en
    • e.
      de mate waarin deze bijdragen aan duurzame ontwikkeling.
  • 2.
    Aan een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt een score van maximaal 100 punten toegekend.
  • 3.
    Tenzij in deze beleidsregel anders is bepaald, worden de punten als bedoeld in het tweede lid over de criteria als bedoeld in het eerste lid als volgt verdeeld:
    • a.
      voor zover de activiteit gericht is op algemene innovatie:
    • i.
      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a;
    • ii.
      maximaal 25 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b;
    • iii.
      maximaal 25 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c;
    • iv.
      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d;
    • v.
      maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder e;
    • b.
      voor zover de activiteit gericht is op koolstofarme innovatie:
    • i.
      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a;
    • ii.
      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b;
    • iii.
      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c;
    • iv.
      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d;
    • v.
      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder e.
  • 4.
    Tenzij in deze beleidsregel anders is bepaald, wordt de hoogte van de score van het criterium:
    • a.
      genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, bepaald door de bijdrage van de activiteit aan de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen van het Operationeel programma, in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag;
    • b.
      genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b, bepaald door het innovatieve karakter van de activiteit waarbij de ontwikkeling van een product, procedé of dienst uniek is voor Nederland;
    • c.
      genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c, bepaald door de kwaliteit van de technische, organisatorische, economische en financiële aspecten van de businesscase;
    • d.
      genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d, bepaald door de kwaliteit en ambities van het projectplan, samenwerking en aanvragers;
    • e.
      genoemd in het eerste lid, aanhef en onder e, bepaald door de bijdrage van de activiteit aan de ontwikkeling van ecologische duurzaamheid, sociale duurzaamheid en maatschappelijke uitdagingen zoals genoemd in het Operationeel Programma en Europe 2020.
  • 5.
    Tenzij in deze beleidsregel anders is bepaald, wordt bij de beoordeling van activiteiten aan de criteria als bedoeld in het eerste lid advies ingewonnen van de deskundigencommissie.
  • 6.
    Tenzij in deze beleidsregel anders is bepaald, wordt de subsidie geweigerd indien aan de activiteit niet ten minste een score van 70 punten wordt toegekend.
  • 7.
    De subsidie wordt geweigerd indien aan de activiteit niet ten minste 70% van de voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, vastgestelde punten wordt toegekend.
     
    • d.
      Aan paragraaf 2.1 worden twee artikelen toegevoegd, luidende:
Artikel 2.1.2
  • 1.
    Loting als bedoeld in artikel 2.7, derde lid en artikel 2.8, tweede lid, van de uitvoeringsregeling wordt verricht door een notaris.
  • 2.
    De door de loting bepaalde onderlinge rangschikking wordt in een akte vastgelegd.
     
    Artikel 2.1.3
    Voor zover door verstrekking van een subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden, wordt de subsidie geheel geweigerd.
     
  • e.
    Paragraaf 3.1 komt te luiden:
    Paragraaf 3.1 Haalbaarheidsprojecten en innovatieadviesprojecten
Artikel 3.1.1
  • 1.
    Subsidie kan worden verstrekt voor:
  • a.
    het verrichten van een haalbaarheidsproject;
  • b.
    het verrichten van een innovatieadviesproject;
  • c.
    het verrichten van experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek, of
  • d.
    de ontwikkeling van een businesscase ten behoeve van het resultaat van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie.
  • 2.
    De in het eerste lid genoemde activiteiten zijn gericht op:
    • a.
      algemene innovatie, of
    • b.
      koolstofarme innovatie.
Artikel 3.1.2
  • 1.
    Subsidie wordt slechts verstrekt indien de activiteiten, genoemd in artikel 3.1.1:
    • a.
      door een derde worden uitgevoerd, die ten opzichte van de mkb-onderneming als bedoeld in artikel 3.1.3 een zelfstandige onderneming is als bedoeld in bijlage 1 van de verordening 651/2014 of een kennisinstelling is, en
    • b.
      zijn gericht op een S3-sector of een S3-sector in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector.
  • 2.
    Subsidie wordt slechts verstrekt indien de activiteiten, genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, voldoen aan en passen binnen de innovatieprogramma’s Topsectoren.
  • 3.
    Een haalbaarheidsproject als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, moet voldoende inzicht geven in het economische perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten.
Artikel 3.1.3
Subsidie wordt slechts verstrekt aan een mkb-onderneming met een vestiging in Oost-Nederland.
Artikel 3.1.4
  • 1.
    De subsidie ten behoeve van activiteiten, genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten en maximaal € 50.000.
  • 2.
    De subsidie ten behoeve van activiteiten, genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, aanhef en onder b en d, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten en maximaal € 10.000.
  • 3.
    Een mkb-onderneming wordt op grond van deze paragraaf maximaal drie subsidies verstrekt van tezamen maximaal € 100.000, maar niet meer dan één subsidie per vastgestelde subsidieplafond.
Artikel 3.1.5
  • 1.
    De beschikbare middelen worden overeenkomstig artikel 2.7 van de uitvoeringregeling op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeeld.
  • 2.
    In afwijking van artikel 2.1.1, vijfde lid, wordt geen advies bij de deskundigencommissie ingewonnen.
Artikel 3.1.6
In afwijking van artikel 1.2.3 wordt in de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger in ieder geval de verplichting opgelegd om:
  • a.
    de activiteit uiterlijk binnen twee maanden na inwerkingtreding van de subsidieverlening aan te vangen;
  • b.
    de subsidiabele kosten uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van de subsidieverlening te hebben gemaakt en betaald, en
  • c.
    de aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk drie maanden na de datum als bedoeld onder b te hebben ingediend.
Artikel 3.1.7
  • 1.
    Onverminderd artikel 1.2.2, eerste lid, wordt de subsidie geweigerd indien de te verstrekken subsidie minder dan € 2.500 bedraagt.
  • 2.
    Onverminderd artikel 1.2.2, eerste lid, wordt de subsidie voor een haalbaarheidsproject als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, geweigerd indien de voorgenomen activiteiten in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om het haalbaarheidsproject te rechtvaardigen.
  • 3.
    Onverminderd artikel 1.2.2, eerste lid, wordt de subsidie voor de activiteit, genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, geweigerd indien de aanvrager en de kennisinstelling reeds voor de subsidieverlening verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan met betrekking tot het innovatieadviesproject, het advies of het onderwerp van het advies.
Artikel 3.1.8
Subsidie wordt slechts verstrekt met toepassing van de verordening 1407/2013.
f.Paragraaf 3.2 komt te luiden:
Paragraaf 3.2 Innovatie samenwerkingsproject
Artikel 3.2.1
Subsidie kan worden verstrekt voor het verrichten van experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek, gericht op:
  • a.
    algemene innovatie, of
  • b.
    koolstofarme innovatie.
Artikel 3.2.2
  • 1.
    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
  • a.
    de activiteit als bedoeld in artikel 3.2.1, aanhef en onder a, is gericht op de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen of de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • b.
    de activiteit als bedoeld in artikel 3.2.1, aanhef en onder b, is gericht op de sector Energie en Milieutechnologie of de sector Energie en Milieutechnologie in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • c.
    de activiteiten als bedoeld in artikel 3.2.1, voldoen aan en passen binnen de innovatieprogramma’s Topsectoren, en
  • d.
    een mkb-onderneming als bedoeld in artikel 3.2.3, eerste lid, niet meer dan 70% van de subsidiabele kosten maakt.
  • 2.
    Onverminderd artikel 1.2.2, derde lid, wordt er geen subsidie verstrekt voor kosten die gemaakt zijn na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, met uitzondering van kosten ten behoeve van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Artikel 3.2.3
  • 1.
    Subsidie wordt verstrekt aan twee of meer onafhankelijke samenwerkende mkb-ondernemingen, waarvan ten minste één:
    • a.
      afkomstig is uit een S3-sector, en
    • b.
      een vestiging heeft in Oost-Nederland.
  • 2.
    Een aanvraag wordt slechts in behandeling genomen indien:
    • a.
      deze in een daartoe nader te bepalen periode is ontvangen, en
    • b.
      deze is voorzien van een samenwerkingsovereenkomst waaruit blijkt dat de instanties, genoemd in het eerste lid, voor eigen rekening en risico samenwerken.
Artikel 3.2.4
  • 1.
    De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten en maximaal € 100.000.
  • 2.
    De subsidie ten behoeve van een activiteit als bedoeld in artikel 3.2.1 bedraagt maximaal € 200.000.
  • 3.
    Mkb-ondernemingen als bedoeld in artikel 3.2.3, eerste lid, wordt niet meer dan één subsidie per vastgestelde subsidieplafond verstrekt.
Artikel 3.2.5
  • 1.
    De beschikbare middelen worden overeenkomstig artikel 2.7 van de uitvoeringregeling op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeeld.
  • 2.
    In afwijking van artikel 2.1.1, zesde lid, wordt de subsidie geweigerd indien aan de activiteit niet ten minste een score van 80 punten wordt toegekend.
Artikel 3.2.6
In afwijking van artikel 1.2.3 wordt in de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger in ieder geval de verplichting opgelegd om:
  • a.
    de activiteit uiterlijk binnen vier maanden na inwerkingtreding van de subsidieverlening aan te vangen;
  • b.
    de activiteit uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van de subsidieverlening te hebben voltooid;
  • c.
    minimaal één keer per zes maanden te rapporteren over de voortgang van de activiteit, en
  • d.
    de aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk drie maanden na de datum als bedoeld onder b te hebben ingediend.
Artikel 3.2.7
Onverminderd artikel 1.2.2, eerste lid, wordt de subsidie geweigerd indien de te verstrekken subsidie minder dan € 50.000 bedraagt.
Artikel 3.2.8
Onverminderd artikel 3.2.2, eerste lid, aanhef en onder d, wordt de subsidie met:
  • a.
    25% lager vastgesteld indien een mkb-onderneming meer dan 70% maar minder dan 75% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • b.
    50% lager vastgesteld indien een mkb-onderneming ten minste 75% maar minder dan 80% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • c.
    75% lager vastgesteld indien een mkb-onderneming ten minste 80% maar minder dan 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • d.
    100% lager vastgesteld indien een mkb-onderneming ten minste 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt.
Artikel 3.2.9
Subsidie wordt slechts verstrekt met toepassing van artikel 25 van de verordening 651/2014.
g.Aan hoofdstuk 3 worden vier paragrafen toegevoegd, luidende:
Paragraaf 3.3 Stimulering innovatieprojecten
Artikel 3.3.1
Subsidie kan worden verstrekt voor het verrichten van experimentele ontwikkeling gericht op:
  • a.
    algemene innovatie, of
  • b.
    koolstofarme innovatie.
Artikel 3.3.2
  • 1.
    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
  • a.
    de activiteit als bedoeld in artikel 3.3.1, aanhef en onder a, is gericht op de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen of de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • b.
    de activiteit als bedoeld in artikel 3.3.1, aanhef en onder b, is gericht op de sector Energie en Milieutechnologie of de sector Energie en Milieutechnologie in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • c.
    geen van de samenwerkende instanties als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, meer dan 70% van de subsidiabele kosten maakt, en
  • d.
    de mkb-ondernemingen als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, ten minste 50% van de subsidiabele kosten maken.
  • 2.
    Onverminderd artikel 1.2.2, derde lid, wordt er geen subsidie verstrekt voor kosten die gemaakt zijn na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, met uitzondering van kosten ten behoeve van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Artikel 3.3.3
  • 1.
    Subsidie wordt verstrekt aan twee of meer onafhankelijke samenwerkende instanties, waarvan ten minste één:
    • a.
      een mkb-onderneming is, en
    • b.
      afkomstig is uit een S3-sector.
  • 2.
    Een aanvraag wordt slechts in behandeling genomen indien:
  • a.
    deze in een daartoe nader te bepalen periode is ontvangen, en
  • b.
    deze is voorzien van een samenwerkingsovereenkomst waaruit blijkt dat de instanties, genoemd in het eerste lid, voor eigen rekening en risico samenwerken.
Artikel 3.3.4
  • 1.
    De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten.
  • 2.
    De subsidie ten behoeve van een activiteit als bedoeld in artikel 3.3.1 bedraagt maximaal € 500.000.
  • 3.
    Instanties als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, met uitzondering van kennisinstellingen, worden niet meer dan één subsidie per vastgestelde subsidieplafond verstrekt.
Artikel 3.3.5
  • 1.
    De beschikbare middelen worden overeenkomstig artikel 2.7 van de uitvoeringregeling op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeeld.
  • 2.
    In afwijking van artikel 2.1.1, zesde lid, wordt de subsidie geweigerd indien aan de activiteit niet ten minste een score van 80 punten wordt toegekend.
Artikel 3.3.6
Onverminderd artikel 1.2.3 wordt in de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger in ieder geval de verplichting opgelegd om:
  • a.
    minimaal één keer per zes maanden te rapporteren over de voortgang van de activiteit, en
  • b.
    de aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk drie maanden na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, te hebben ingediend.
Artikel 3.3.7
Onverminderd artikel 1.2.2, eerste lid, wordt de subsidie geweigerd indien de te verstrekken subsidie minder dan € 200.000 bedraagt.
Artikel 3.3.8
  • 1.
    Onverminderd artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder c, wordt de subsidie met:
  • a.
    25% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie meer dan 70% maar minder dan 75% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • b.
    50% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 75% maar minder dan 80% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • c.
    75% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 80% maar minder dan 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • d.
    100% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt.
  • 2.
    Het eerste lid is niet van toepassing indien de subsidie ingevolge artikel 25 van de verordening 651/2014 lager dan het bepaalde in het eerste lid moet worden vastgesteld.
  • 3.
    Onverminderd artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder d, wordt de subsidie met:
    • a.
      25% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen minder dan 50% maar meer dan 45% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
    • b.
      50% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 45% maar meer dan 40% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
    • c.
      75% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 40% maar meer dan 35% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
    • d.
      100% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 35% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt.
Artikel 3.3.9
Subsidie wordt slechts verstrekt met toepassing van artikel 25 van de verordening 651/2014.
Paragraaf 3.4 Stimulering grote innovatieprojecten
Artikel 3.4.1
  • 1.
    Subsidie kan worden verstrekt voor het verrichten van experimentele ontwikkeling of het verrichten van industrieel onderzoek in combinatie met experimentele ontwikkeling.
  • 2.
    De in het eerste lid genoemde activiteit is gericht op:
  • a.
    algemene innovatie, of
  • b.
    koolstofarme innovatie.
Artikel 3.4.2
  • 1.
    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
  • a.
    de activiteit als bedoeld in artikel 3.4.1, tweede lid, aanhef en onder a, is gericht op de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen of de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • b.
    de activiteit als bedoeld in artikel 3.4.1, tweede lid, aanhef en onder b, is gericht op de sector Energie en Milieutechnologie of de sector Energie en Milieutechnologie in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • c.
    de subsidiabele kosten minimaal € 1.400.000 bedragen;
  • d.
    minimaal 25% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling worden gemaakt;
  • e.
    geen van de samenwerkende instanties als bedoeld in artikel 3.4.3, eerste lid, meer dan 70% van de subsidiabele kosten maakt, en
  • f.
    de mkb-ondernemingen als bedoeld in artikel 3.4.3, eerste lid, ten minste 30% van de subsidiabele kosten maken.
  • 2.
    Onverminderd artikel 1.2.2, derde lid, wordt er geen subsidie verstrekt voor kosten die gemaakt zijn na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, met uitzondering van kosten ten behoeve van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Artikel 3.4.3
  • 1.
    Subsidie wordt verstrekt aan twee of meer onafhankelijke samenwerkende instanties, waarvan ten minste één:
    • a.
      een mkb-onderneming is, en
    • b.
      afkomstig is uit een S3-sector.
  • 2.
    Een aanvraag wordt slechts in behandeling genomen indien:
  • a.
    deze in een daartoe nader te bepalen periode is ontvangen, en
  • b.
    deze is voorzien van een samenwerkingsovereenkomst waaruit in ieder geval blijkt dat de instanties, genoemd in het eerste lid, voor eigen rekening en risico samenwerken.
Artikel 3.4.4
  • 1.
    De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.
  • 2.
    De subsidie ten behoeve van een activiteit als bedoeld in artikel 3.4.1 bedraagt maximaal € 2.000.000.
  • 3.
    Instanties als bedoeld in artikel 3.4.3, eerste lid, met uitzondering van kennisinstellingen, worden niet meer dan één subsidie per vastgestelde subsidieplafond verstrekt.
Artikel 3.4.5
  • 1.
    De beschikbare middelen worden overeenkomstig artikel 2.8 van de uitvoeringregeling op basis van rangschikking naar geschiktheid verdeeld.
  • 2.
    De activiteit die op grond van artikel 2.1.1 het hoogst scoort, wordt het hoogst gerangschikt en komt het eerst voor subsidie in aanmerking.
Artikel 3.4.6
Onverminderd artikel 1.2.3 wordt in de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvangers in ieder geval de verplichting opgelegd om:
  • a.
    minimaal één keer per zes maanden te rapporteren over de voortgang van de activiteit, en
  • b.
    de aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk drie maanden na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, te hebben ingediend.
Artikel 3.4.7
  • 1.
    Onverminderd artikel 3.4.2, eerste lid, aanhef en onder d, wordt de subsidie met:
    • a.
      25% lager vastgesteld indien minder dan 25% maar meer dan 20% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling zijn gemaakt;
    • b.
      50% lager vastgesteld indien maximaal 20% maar meer dan 15% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling zijn gemaakt;
    • c.
      75% lager vastgesteld indien maximaal 15% maar meer dan 10% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling zijn gemaakt;
    • d.
      100% lager vastgesteld indien maximaal 10% van de subsidiabele kosten ten behoeve van experimentele ontwikkeling zijn gemaakt.
  • 2.
    Onverminderd artikel 3.4.2, eerste lid, aanhef en onder e, wordt de subsidie met:
  • a.
    25% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie meer dan 70% maar minder dan 75% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • b.
    50% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 75% maar minder dan 80% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • c.
    75% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 80% maar minder dan 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • d.
    100% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt.
  • 3.
    Het tweede lid is niet van toepassing indien de subsidie ingevolge artikel 25 van de verordening 651/2014 lager dan het bepaalde in het tweede lid moet worden vastgesteld.
  • 4.
    Onverminderd artikel 3.4.2, eerste lid, aanhef en onder f, wordt de subsidie met:
  • a.
    25% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen minder dan 30% maar meer dan 25% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
  • b.
    50% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 25% maar meer dan 20% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
  • c.
    75% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 20% maar meer dan 15% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
  • d.
    100% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 15% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt.
Artikel 3.4.8
Subsidie wordt slechts verstrekt met toepassing van artikel 25 van de verordening 651/2014.
Paragraaf 3.5 Stimuleren proeftuinen
Artikel 3.5.1
Subsidie kan worden verstrekt voor het verrichten van experimentele ontwikkeling gericht op:
  • a.
    algemene innovatie, of
  • b.
    koolstofarme innovatie;
in een proeftuin.
Artikel 3.5.2
  • 1.
    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
  • a.
    de activiteit als bedoeld in artikel 3.5.1, aanhef en onder a, is gericht op de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen of de sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • b.
    de activiteit als bedoeld in artikel 3.5.1, aanhef en onder b, is gericht op de sector Energie en Milieutechnologie of de sector Energie en Milieutechnologie in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • c.
    er ten minste twee verschillende experimentele ontwikkelingen in de proeftuin worden verricht;
  • d.
    de eindgebruiker van het te testen product, dienst of procedé bij de experimentele ontwikkeling wordt betrokken;
  • e.
    de exploitant van de proeftuin partij is in de samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.5.3, tweede lid, aanhef en onder b;
  • f.
    de subsidiabele kosten minimaal € 200.000 bedragen;
  • g.
    geen van de samenwerkende instanties als bedoeld in artikel 3.5.3, eerste lid, meer dan 70% van de subsidiabele kosten maakt, en
  • h.
    mkb-ondernemingen ten minste 40% van de subsidiabele kosten maken.
  • 2.
    Toegang tot de proeftuin als bedoeld in artikel 3.5.1 staat open voor meerdere gebruikers, anders dan de aanvragers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend.
  • 3.
    Onverminderd artikel 1.2.2, derde lid, wordt er geen subsidie verstrekt voor kosten die gemaakt zijn na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, met uitzondering van kosten ten behoeve van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Artikel 3.5.3
  • 1.
    Subsidie wordt verstrekt aan onafhankelijke samenwerkende instanties, waarvan ten minste twee mkb-ondernemingen uit een S3-sector zijn.
  • 2.
    Een aanvraag wordt slechts in behandeling genomen indien:
  • a.
    deze in een daartoe nader te bepalen periode is ontvangen, en
  • b.
    deze is voorzien van een samenwerkingsovereenkomst waaruit in ieder geval blijkt dat de instanties, genoemd in het eerste lid, voor eigen rekening en risico samenwerken.
Artikel 3.5.4
Onverminderd artikel 2.13 van de uitvoeringsregeling komen slechts voor subsidie in aanmerking:
    • a.
      kosten voor het verrichten van experimentele ontwikkeling;
    • b.
      personeelskosten en administratieve kosten, met inbegrip van de algemene kosten, met betrekking tot:
  • i.
    het aansturen van een proeftuin ter bevordering van samenwerking, informatiedeling en het verschaffen of toeleiden van gespecialiseerde en op maat gemaakte zakelijke ondersteuningsdiensten;
  • ii.
    de marketing van de proeftuin om nieuwe ondernemingen of organisaties aan te trekken en de zichtbaarheid te verhogen;
  • iii.
    het beheer van de faciliteiten van de proeftuin, de organisatie van opleidingsprogramma's, workshops en conferenties ter ondersteuning van kennisdeling, netwerking en transnationale samenwerking;
    c.kosten voor het inrichten ten behoeve van het upgraden van een proeftuin.
Artikel 3.5.5
  • 1.
    De subsidie bedraagt per instantie maximaal 40% van de subsidiabele kosten.
  • 2.
    De subsidie ten behoeve van een activiteit als bedoeld in artikel 3.5.1 bedraagt maximaal € 600.000.
  • 3.
    Instanties als bedoeld in artikel 3.5.3, eerste lid, met uitzondering van kennisinstellingen, worden niet meer dan één subsidie per vastgestelde subsidieplafond verstrekt.
Artikel 3.5.6
  • 1.
    De beschikbare middelen worden overeenkomstig artikel 2.8 van de uitvoeringregeling op basis van rangschikking naar geschiktheid verdeeld.
  • 2.
    De activiteit die op grond van artikel 2.1.1 het hoogst scoort, wordt het hoogst gerangschikt en komt het eerst voor subsidie in aanmerking.
Artikel 3.5.7
Onverminderd artikel 1.2.3 wordt in de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvangers in ieder geval de verplichting opgelegd om:
  • a.
    minimaal één keer per zes maanden te rapporteren over de voortgang van de activiteit, en
  • b.
    de aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk drie maanden na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, te hebben ingediend.
Artikel 3.5.8
  • 1.
    Onverminderd artikel 3.5.2, eerste lid, aanhef en onder g, wordt de subsidie met:
  • a.
    25% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie meer dan 70% maar minder dan 75% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • b.
    50% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 75% maar minder dan 80% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • c.
    75% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 80% maar minder dan 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt;
  • d.
    100% lager vastgesteld indien een samenwerkende instantie ten minste 85% van de subsidiabele kosten heeft gemaakt.
  • 2.
    Het eerste lid is niet van toepassing indien de subsidie ingevolge artikel 25 van de verordening 651/2014 lager dan het bepaalde in het eerste lid moet worden vastgesteld.
  • 3.
    Onverminderd artikel 3.5.2, eerste lid, aanhef en onder h, wordt de subsidie met:
  • a.
    25% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen minder dan 40% maar meer dan 35% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
  • b.
    50% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 35% maar meer dan 30% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
  • c.
    75% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 30% maar meer dan 25% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt;
  • d.
    100% lager vastgesteld indien de mkb-ondernemingen maximaal 25% van de subsidiabele kosten hebben gemaakt.
Artikel 3.5.9
  • 1.
    Subsidie ten behoeve van kosten als bedoeld in artikel 3.5.4, aanhef en onder a, wordt slechts verstrekt met toepassing van artikel 25 van de verordening 651/2014.
  • 2.
    Subsidie ten behoeve van kosten als bedoeld in artikel 3.5.4, aanhef en onder b en c, wordt slechts verstrekt:
  • a.
    voor zover de proeftuin aan is te merken als innovatiecluster als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, van de verordening 651/2014, met toepassing artikel 27 van de verordening 651/2014, of
  • b.
    voor zover de proeftuin niet onder a valt, met toepassing van de verordening 1407/2013.
Paragraaf 3.6 Cluster- en netwerkregeling
Artikel 3.6.1
  • 1.
    Subsidie kan worden verstrekt voor:
  • a.
    het tot stand brengen van samenwerking gericht op mkb-ondernemingen;
  • b.
    het uitbreiden van een bestaande samenwerking met mkb-ondernemingen, of
  • c.
    de stimulering van mkb-ondernemingen tot valorisatie.
  • 2.
    Subsidie kan worden verstrekt voor het tot stand brengen van samenwerking gericht op het bevorderen van CO2-arme technologieën.
  • 3.
    De in het eerste lid genoemde activiteiten zijn gericht op:
  • a.
    algemene innovatie, of
  • b.
    koolstofarme innovatie.
  • 4.
    De in het tweede lid genoemde activiteit is gericht op koolstofarme innovatie.
Artikel 3.6.2
  • 1.
    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
  • a.
    de activiteiten die gericht zijn op algemene innovatie, als bedoeld in artikel 3.6.1, derde lid, aanhef en onder a, gericht zijn op een S3-sector in combinatie met een:
  • i.
    andere S3-sector, of
  • ii.
    ondersteunende sector;
  • b.
    de activiteiten die gericht zijn op koolstofarme innovatie, als bedoeld in artikel 3.6.1, derde lid, aanhef en onder b en vierde lid, in ieder geval gericht zijn op de sector Energie en Milieutechnologie;
  • c.
    de activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.1 additioneel zijn ten opzichte van bestaande sectorale, regionale en nationale initiatieven die reeds door de aanvragers als bedoeld in artikel 3.6.3, eerste en tweede lid, worden uitgevoerd, en
  • d.
    de activiteiten in artikel 3.6.1 worden gerealiseerd:
    • i.
      door het gebruik van een innovatiecluster;
    • ii.
      door middel van kennisverspreiding door een kennisinstelling, of
    • iii.
      op een andere wijze dan als bedoeld in onderdelen i en ii.
  • 2.
    Onverminderd artikel 1.2.2, tweede lid, wordt er geen subsidie verstrekt voor kosten die gemaakt zijn na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, met uitzondering van kosten ten behoeve van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Artikel 3.6.3
  • 1.
    Subsidie wordt slechts verstrekt aan:
  • a.
    kennispartners;
  • b.
    kennisinstellingen, of
  • c.
    onafhankelijke samenwerkende instanties.
  • 2.
    Voor zover de activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.1 door het gebruik van een innovatiecluster worden gerealiseerd, wordt de subsidie verstrekt aan:
  • a.
    een kennispartner;
  • b.
    een kennisinstelling, of
  • c.
    een instantie.
  • 3.
    Een aanvraag wordt slechts in behandeling genomen indien deze in een daartoe nader te bepalen periode is ontvangen.
  • 4.
    Een aanvraag in het eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde instanties wordt slechts in behandeling genomen indien deze is voorzien van een samenwerkingsovereenkomst waaruit in ieder geval blijkt dat de instanties voor eigen rekening en risico samenwerken.
Artikel 3.6.4
Voor zover de activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.1 door het gebruik van een innovatiecluster worden gerealiseerd, komen onverminderd artikel 2.13 van de uitvoeringsregeling slechts voor subsidie in aanmerking personeelskosten en administratieve kosten, met inbegrip van de algemene kosten, met betrekking tot:
  • a.
    het aansturen van een innovatiecluster ter bevordering van samenwerking, informatiedeling en het verschaffen of toeleiden van gespecialiseerde en op maat gemaakte zakelijke ondersteuningsdiensten;
  • b.
    de marketing van de innovatiecluster om nieuwe ondernemingen of organisaties aan te trekken en de zichtbaarheid te verhogen;
  • c.
    het beheer van de faciliteiten van de innovatiecluster, de organisatie van opleidingsprogramma's, workshops en conferenties ter ondersteuning van kennisdeling, netwerking en transnationale samenwerking.
Artikel 3.6.5
  • 1.
    Voor zover een activiteit als bedoeld in artikel 3.6.1 door het gebruik van een innovatiecluster wordt gerealiseerd, bedraagt de subsidie ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
  • 2.
    Voor zover een activiteit als bedoeld in artikel 3.6.1 door middel van kennisverspreiding door een kennisinstelling wordt gerealiseerd, bedraagt de subsidie ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
  • 3.
    Voor zover een activiteit als bedoeld in artikel 3.6.1 op een andere wijze dan als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt gerealiseerd, bedraagt de subsidie per subsidieontvanger:
    • a.
      genoemd in artikel 3.6.3, eerste lid, aanhef en onder a, ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten en maximaal € 200.000;
    • b.
      genoemd in artikel 3.6.3, eerste lid, aanhef en onder b en c, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten en maximaal € 200.000.
  • 4.
    De subsidie ten behoeve van een activiteit als bedoeld in artikel 3.6.1 bedraagt maximaal € 500.000.
     
    Artikel 3.6.6
In afwijking van artikel 2.1.1, derde lid, worden de punten voor een activiteit als bedoeld in artikel 3.6.1 als volgt verdeeld:
  • a.
    maximaal 35 punten voor het criterium, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder a;
  • b.
    maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder b;
  • c.
    maximaal 0 punten voor het criterium, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder c;
  • d.
    maximaal 35 punten voor het criterium, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder d;
  • e.
    maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder e.
Artikel 3.6.7
  • 1.
    De beschikbare middelen worden overeenkomstig artikel 2.8 van de uitvoeringregeling op basis van rangschikking naar geschiktheid verdeeld.
  • 2.
    De activiteit die op grond van artikel 2.1.1 het hoogst scoort, wordt het hoogst gerangschikt en komt het eerst voor subsidie in aanmerking.
Artikel 3.6.8
Onverminderd artikel 1.2.3 wordt in de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvangers in ieder geval de verplichting opgelegd om:
  • a.
    minimaal één keer per jaar te rapporteren over de voortgang van de activiteit, en
  • b.
    de aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk drie maanden na de datum als bedoeld in artikel 1.2.3, aanhef en onder b, te hebben ingediend.
Artikel 3.6.9
  • 1.
    Voor zover de activiteit door het gebruik van een innovatiecluster wordt gerealiseerd, wordt de subsidie slechts verstrekt met toepassing van artikel 27 van de verordening 651/2014.
  • 2.
    Voor zover de activiteit door middel van kennisverspreiding door een kennisinstelling wordt gerealiseerd, is artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet van toepassing op de subsidie.
  • 3.
    Voor zover de activiteit op een andere wijze dan als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt gerealiseerd, wordt de subsidie slechts verstrekt met toepassing van verordening 1407/2013.
Artikel II
Dit besluit treedt in werking met ingang van 19 mei 2015. Voor zover het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel of het Comité van Toezicht dit besluit na 19 mei 2015 goedkeuren, dan wel voor zover het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel het besluit tot vaststellen van het subsidieplafond voor het Operationeel Programma EFRO 2014-2020, van 21 april 2015, na 19 mei 2015 goedkeuren, treedt dit besluit in werking op de dag waarop de laatste goedkeuring is verkregen.
Gedeputeerde Staten voornoemd
Gegeven te Arnhem, 21 april 2015 - zaaknummer 2014-016804
Gedeputeerde Staten van Gelderland
C.G.A. Cornielje - Commissaris van de Koning
drs. P.P.L. van Kalmthout - secretaris