Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2015
Nr. 2125

Gepubliceerd op 21 april 2015 09:00



Uitvoeringsregeling Stichting Certificering SNL
GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE LIMBURG,
 
Overwegende dat certificaten zoals bedoeld in artikel 1, onder e, van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 worden afgegeven door de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (hierna te noemen: de Stichting Certificering SNL);
 
Gelet op de artikelen 2.4 en 3.4 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016;
 
BESLUITEN:
 
Paragraaf 1. Primaire besluiten
 
Artikel 1
Een aanvraag om afgifte van een certificaat wordt ingediend bij de Stichting Certificering SNL, met dien verstande dat een dergelijke aanvraag niet vóór 1 mei 2015 ingediend kan worden.
 
Artikel 2
Een aanvraag tot afgifte van een certificaat gaat in elk geval vergezeld van:
a. naam en adresgegevens van de aanvrager;
b. een kwaliteitshandboek van de aanvrager, met daarin een beschrijving van de elementen uit de bedrijfsvoering zoals beschreven in het Programma van Eisen zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling;
c. vermelding van het certificaat waarop de aanvraag betrekking heeft.
 
Artikel 3
1. Het bestuur van de Stichting Certificering SNL kan namens Gedeputeerde Staten een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer afgeven als de aanvrager voldoet aan de certificeringsvoorwaarden die zijn opgenomen in het corresponderende onderdeel van het Programma van Eisen, zoals dat in de bijlage bij dit besluit is vastgesteld.
2. Het bestuur van de Stichting Certificering SNL kan namens Gedeputeerde Staten een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer afgeven als de aanvrager voldoet aan de certificeringsvoorwaarden die zijn opgenomen in het corresponderende onderdeel van het Programma van Eisen, zoals dat in de bijlage bij dit besluit is vastgesteld.
 
Paragraaf 2. Schorsing en intrekking
 
Artikel 4
1. Het bestuur van de Stichting Certificering SNL kan namens Gedeputeerde Staten een certificaat voor een door hem te bepalen termijn schorsen als de houder van het certificaat niet voldoet aan één of meerdere certificeringsvoorwaarden.
2. Het bestuur van de Stichting Certificering SNL kan namens Gedeputeerde Staten een certificaat intrekken als:
a. na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de houder van het certificaat nog steeds niet voldoet aan de betreffende certificeringsvoorwaarde;
b. blijkt dat binnen een periode van 52 weken na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, de houder van het certificaat opnieuw niet voldoet aan de betreffende certificeringsvoorwaarde;
c. de houder van het certificaat opzettelijk een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een subsidie, bedoeld in de artikelen 2.2 of 3.2 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016.
3. Het bestuur van de Stichting Certificering SNL maakt geen gebruik van de bevoegdheid om namens Gedeputeerde Staten een certificaat te schorsen of in te trekken als het niet voldoen aan de betreffende certificeringsvoorwaarde het gevolg is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
 
Paragraaf 3. Overige bepalingen
 
Artikel 5
Certificaten natuurbeheer en certificaten samenwerkingsverband natuurbeheer die zijn afgegeven onder de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer behouden hun werking na inwerkingtreding van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016.
 
Artikel 6
De ondertekening van besluiten op grond van artikel 2 luidt:
‘NAMENS GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE LIMBURG,
gevolgd door
‘DE VOORZITTER VAN DE STICHTING CERTIFICERING SNL’
 
Artikel 7
Dit besluit wordt aangehaald als de Uitvoeringsregeling Stichting Certificering SNL.
 
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal Blad.

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten, gehouden op 14 april 2015.

Gedeputeerde Staten voornoemd

de voorzitter,

dhr. drs. Th.J.F.M. Bovens

secretaris

dhr. mr. A.C.J.M. de Kroon

Toelichting

Artikel 2

Op de website van het portaal Natuur en Landschap (http://www.portaalnatuurenlandschap.nl/themas/subsidiestelsel-natuur-en-landschapsbeheer/certificering-natuur-en-landschap/organisatie/) staan de gegevens opgesomd die een aanvrager van een certificaat aanlevert aan de Stichting Certificering SNL.

Artikel 3

Voor de certificering hebben Gedeputeerde Staten twee aparte Programma’s van Eisen opgesteld (PVE). Het ene PVE heeft betrekking op certificaten agrarisch natuurbeheer. Het andere PVE betreft certificaten natuurbeheer en certificaten samenwerkingsverband natuurbeheer. Vanwege deze aparte PVE’s bevat dit artikel twee leden.

Bijlage: Programma van Eisen

PROGRAMMA VAN EISEN VOOR AGRARISCH NATUURBEHEER EN VOOR NATUURBEHEER

In dit document zijn de twee Programma’s van Eisen (PVE) beschreven die gelden voor respectievelijk de certificering van de natuurbeheerders (paragraaf a) en de certificering van de agrarische collectieven die aan agrarisch natuur beheer doen (paragraaf b).

Tot nu toe is er gewerkt met één PVE voor beide categorieën beheerders. In het kader van de beleidsbepaling met betrekking tot het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLB) 2016 is evenwel besloten om te komen tot een specifiek PVE voor de nieuwe agrarische collectieven. Paragraaf a bestaat aldus uit het PVE voor de certificering van de natuurbeheerders. Deze paragraaf bestaat uit het oorspronkelijke PVE minus het deel dat betrekking had op de gebiedscoördinatoren ANLB. Paragraaf b bevat het PVE voor de collectieven die aan het ANLB 2016 gaan deelnemen.

(A) PROGRAMMA VAN EISEN NATUURBEHEER

In dit PVE geeft de subsidiegever (in dit geval de provincie) aan, aan welke eisen een natuurbeheerder moet voldoen om voor certificering in aanmerking te komen. De beheerder legt in een kwaliteitshandboek vast hoe hij invulling geeft aan deze eisen. De certificerende organisatie hanteert, in opdracht van de provincies, het PVE als toetsingskader bij de certificering van een beheerder. Als bepaalde aspecten al zijn geborgd via een andere certificaatvorm (bijvoorbeeld FSC of CBF) dan gelden die certificaten en kan in het kwaliteitshandboek daar naar worden verwezen. Zo wordt dubbele certificering voorkomen.

Het PVE dient de subsidiegever voldoende handvatten te geven dat de subsidiegever het vertrouwen heeft dat de natuurbeheerder het natuurbeheer op een goede manier uitvoert. Tegelijkertijd wordt er naar gestreefd het aantal eisen zo beperkt mogelijk te houden, om te voorkomen dat de lastendruk voor beheerder en overheid toenemen en om de beheerder voldoende de mogelijkheid te bieden zelf te bepalen op welke wijze hij het beheer gaat uitvoeren. Er wordt dus gezocht naar een goed evenwicht van waarborgen richting de subsidiegever en ruimte voor de beheerder.

Om te voorkomen dat certificering te complex wordt en extra eisen oplevert, wordt zoveel mogelijk aangesloten op de eigen organisatie van de beheerder. De inhoud van het kwaliteitshandboek is afhankelijk van de werkwijze en de organisatie van de beheerder zelf. Wel zal de opzet van het kwaliteitshandboek zo veel mogelijk verlopen via de volgorde van de onderdelen uit het PVE. Op die manier is sprake van een bij alle beheerders herkenbare en vergelijkbare inhoudsopgave. Zo wordt voorkomen dat de certificeringscommissie (het bestuur Stichting Certificering SNL) steeds verschillend opgezette handboeken moet beoordelen. Dit beperkt ook de uitvoeringskosten van de certificeringscommissie. Een en ander laat onverlet dat binnen die identieke inhoudsopgave elke beheerder zijn eigen werkprocessen dient te beschrijven.

Kortom: in het PVE wordt het “wat” beschreven en de beschrijving van het “hoe” wordt overgelaten aan de beheerder. Zo is bijvoorbeeld het bepalen van de beheermaatregelen een eigen keuze van de beheerder. Uitgangspunt daarbij is wel dat de kwaliteit moet zijn geborgd.

Om de doelen die verband houden met certificering te realiseren zijn in het Programma eisen benoemd voor zeven elementen:

1. De wijze waarop de beheerder vastlegt dat hij aansluit bij de beheerdoelen die zijn vastgelegd in het natuurbeheerplan

2. De handelingen waarmee de beheerder de doelen via beheer behaalt

3. De basismonitoring

4. De evaluatie van het beheer op basis van de basismonitoring en eventuele bijstelling van doelen en beheermaatregelen

5. De eigen controle van het beheersysteem

6. Aanvullende eisen voor groepscertificaathouders

7. De wijze waarop de beheerder projecten opstelt en uitvoert in een projectenprogramma

Punt 7 is optioneel. Om het certificaat ook van toepassing te laten zijn op projecten, moeten beheerders punt 7 invullen. Overigens zal punt 7 alleen onderwerp van audit

zijn wanneer de beheerder werkt met projectenprogramma’s, zoals overeengekomen met één of meer provincies. Indien de beheerder dit niet doet, dan geldt de certificering alleen voor de beheersubsidie en de recreatiesubsidie. Punt 6 geldt alleen voor houders van een groepscertificaat.

Hieronder wordt per element aangegeven wat in het kwaliteitshandboek moet worden uitgewerkt.

0. Verantwoording aanvraagtitel

• De beheerder geeft aan op welke wijze hij kan aantonen dat hij de aanvraagtitel bezit voor de gronden waarvoor hij subsidieaanvragen doet. Dat kan door te omschrijven hoe de eigendomsadministratie wordt bijgehouden of via een accountantscontrole.

1. Bepaling beheerdoelen

• De beheerder gaat uit van de beheertypen die zijn aangegeven in de SNL-subsidiebeschikking;

• De beheerder maakt inzichtelijk op welke wijze hij tot een tabel van beheertypen komt.

2. Behalen doelen door middel van beheer

• De beheerder legt de koppeling tussen het beheer en de doelstelling vast, bijvoorbeeld in een beheerplan, een beheerrichtlijn of een beheersvisie;

• De beheerder geeft aan hoe ecologische kennis die intern en extern beschikbaar is, benut wordt bij het beheer;

• De beheerder geeft aan welk aanbestedingsbeleid wordt gehanteerd en kan dit desgewenst staven met voorbeelden;

• De beheerder geeft de wijze aan waarop bij het beheer samenwerking met andere beheerders wordt gezocht.

3. Monitoring

• De beheerder beschrijft de werkwijze met betrekking tot de monitoring. Hierover worden separaat afspraken gemaakt met de overheid.

4. Evaluatie beheer

• De beheerder draagt zorg voor een evaluatie van het beheer en maakt daarbij gebruik van resultaten van de monitoring;

• De beheerder brengt in beeld op welke wijze de resultaten van de evaluatie worden benut.

5. Eigen controle van het proces

• De beheerder is zelf verantwoordelijk voor controle op het in het kwaliteitshandboek beschreven proces en geeft aan de subsidiegever aan hoe dit plaatsvindt (administratief en fysiek). De onderdelen die daarbij aan de orde komen zijn:

1. vastleggen van gebruikstitels en oppervlakten;

2. (tijdelijke) pachtovereenkomsten;

3. terreinen die worden afgesloten of waar om bepaalde redenen het beheer niet kan worden uitgevoerd;

4. wordt het beheer uitgevoerd op de wijze die binnen de organisatie is afgesproken

5. hoe wordt geborgd dat met het beheer de doelen gerealiseerd worden.

6. Certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer

De voorgaande punten uit dit PVE zijn ook van toepassing op de certificaathouder samenwerkingsverband natuurbeheer. Daarnaast gelden nog de volgende punten:

• De houder van een groepscertificaat maakt inzichtelijk op welke wijze hij afspraken met deelnemers maakt over de instandhouding van de beheertypen en de controle daarop;

• De houder van een groepscertificaat geeft inzicht hoe hij borgt dat deelnemers de beheertypen in stand houden (inzicht in veldcontrole en administratieve controle) en hoe bij het niet nakomen sanctionering plaatsvindt.

7. De wijze waarop de beheerder projecten voor kwaliteitsimpulsen opstelt en uitvoert

De beheerder kan aanvragen op projectniveau indienen of, wanneer de provincie die mogelijkheid biedt, op programmaniveau. Indien de gecertificeerde beheerder van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, dienen de onderstaande punten in het kwaliteitshandboek te worden uitgewerkt. Indien de gecertificeerde beheerder op andere wijze met de provincie afspraken maakt over projecten, bijvoorbeeld in de vorm van een meerjarenovereenkomst of op projectniveau, gelden ten aanzien van deze projecten de bepalingen in de overeenkomst of subsidieverordening en is uitwerking in het kwaliteitshandboek niet nodig.

a. De beheerder gaat bij projecten kwaliteitsimpuls uit van de beheertypen die zijn aangegeven in het provinciale natuurbeheerplan;

b. De beheerder geeft aan hoe bij projecten kwaliteitsimpuls een koppeling met provinciale doelen gelegd wordt;

c. De beheerder geeft aan op welke wijze binnen zijn organisatie bij formulering, uitvoering en oplevering van projecten kwaliteitsimpuls kwaliteitsborging plaatsvindt;

d. De beheerder geeft aan hoe hij garandeert dat de projecten tegen marktconforme prijs worden uitgevoerd;

e. De beheerder geeft aan hoe de financiële verantwoording over projecten kwaliteitsimpuls plaatsvindt;

f. De beheerder geeft aan hoe hij projecten kwaliteitsimpuls evalueert en hoe wordt omgegaan met de conclusies van evaluaties.

Toelichting bij het PVE natuurbeheer

Inleiding

Het subsidiestelsel voor Natuur- en Landschapsbeheer gaat uit van meer vertrouwen in de beheerder en een vermindering van uitvoeringslasten. De kwaliteit van het beheer van natuur en landschap is bovenal afhankelijk van de deskundigheid, professionaliteit, toewijding en inzet van de beheerders. De provincies willen de borging van de kwaliteit van het beheer dan ook allereerst vormgeven door gebruik te maken van deze kwaliteiten van de beheerders. Daarom hebben de provincies samen met de beheerders een kwaliteitsborgingsysteem ontwikkeld, dat wordt aangeduid met de term „certificering‟. Deze certificering geeft de overheid de zekerheid dat de kwaliteit van het natuurbeheer voldoende geborgd is bij een beheerder. De bedoeling van de provincies is uitdrukkelijk om tot een simpele eigen vorm van certificering te komen, die nauw aansluit bij de huidige werkwijze en systemen van de beheerders en niet bureaucratisch is. Het gaat in feite om een „erkenningseis‟ van professioneel handelen voor natuurbeheer.

De beheerder legt in een kwaliteitshandboek vast hoe hij invulling geeft aan de eisen uit het PVE. De certificerende organisatie hanteert, in opdracht van de provincies, het PVE als toetsingskader bij de certificering van een beheerder.

Het aantal eisen is zo beperkt mogelijk gehouden, om te voorkomen dat de lastendruk voor beheerder en overheid te hoog wordt. De beheerder heeft de ruimte om vorm en inhoud van het kwaliteitshandboek aan te laten sluiten op de eigen werkwijze. Het PVE is de leidraad voor de beheerder voor het opzetten en uitwerken van zijn kwaliteitshandboek. Binnen de identieke inhoudsopgave bestaat ruimte voor elke beheerder om zijn eigen werkprocessen te beschrijven. De wijze waarop de certificeringscommissie het kwaliteitshandboek toetst, zal verder worden uitgewerkt in een toetsingsprotocol.

Niet alle onderdelen uit het PVE zijn voor alle beheerders even relevant. Alle te certificeren beheerders en samenwerkingsverbanden van beheerders dienen onderdeel 1, 2, 4 en 5 uit te werken in het kwaliteitshandboek. Aanvullend wordt onderdeel 3 uitgewerkt door beheerders die zelf basismonitoring wensen uit te voeren. Onderdeel 6 is alleen relevant voor beoogde houders van een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer. Om het certificaat ook van toepassing te laten zijn op projecten, dienen beheerders onderdeel 7 invullen.

Aansluiting op eigen werkwijze

Bij de certificering in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap wordt zoveel mogelijk aangesloten op de werkwijze en bedrijfsvoering van de natuurbeheerder/organisatie op het terrein van de kwaliteitsborging. Het eigen werkproces van de beheerder is de maat voor de kwaliteitsborging, waarbinnen de beheerder de ruimte krijgt om zelf de eisen uit het programma te implementeren in zijn bedrijfsvoering op die wijze die daarin het beste past. De beheerder is er daarbij wel verantwoordelijk voor dat hij voldoet aan de eisen zoals opgesteld in het programma, maar de manier van invullen is vrij. Om een voor alle beheerders vergelijkbare inhoudsopgave te realiseren, volgt de beheerder daarbij de volgorde van het PVE.

Voor de kwaliteitseisen uit dit programma die al via andere certificaten zoals FSC, CBF of Milieukeur zijn geborgd, hoeft de beheerder binnen deze certificering geen aanvullende maatregelen te nemen. De kwaliteitseisen van het andere certificaat kunnen dan worden overgenomen met een verwijzing en uitleg in het kwaliteitshandboek.

(B) PROGRAMMA VAN EISEN AGRARISCH NATUURBEHEER

Dit PVE is beperkt tot een aantal essentiële eisen rond het uitvoeringsproces. Hiermee wordt voorkomen dat de lastendruk voor collectief en overheden toeneemt. Ook biedt dit het collectief de ruimte om zelf te bepalen op welke wijze de kwaliteit van het beheer wordt geborgd. Hierbij gaat het om een goed evenwicht tussen risico-waarborging richting subsidiegever en uitvoeringsruimte voor het collectief.

Het collectief dient de hieronder opgenomen onderdelen in het kwaliteitssysteem uit te werken en in het kwaliteitshandboek te beschrijven. En vervolgens conform die beschrijving de werkzaamheden in de praktijk uit te voeren.

Onderdelen PVE en de uitwerking ervan

1. De wijze waarop het collectief is ingericht en werkt

a. Beschrijving van de samenstelling van het collectief, de relatie met de deelnemende beheerders en de Agrarische Natuurverenigingen in het gebied;

b. Beschrijving van het gebied (oppervlakte/ begrenzing) waarop het collectief zich richt;

c. Beschrijving van de volledig rechtsbevoegde rechtspersoon;

d. Beschrijving van de wijze waarop het risico van financiële aansprakelijkheid van bestuurders van het collectief is gedekt;

e. Beschrijving van de wijze waarop het kwaliteitssysteem, zoals in het kwaliteitshandboek is vastgelegd, intern wordt bewaakt om voortdurend aan de certificeringeisen te blijven voldoen (bv. interne audit);

f. Beschrijving van de datum van afgifte van het certificaat;

g. Beschrijving van de functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de werkprocessen binnen het collectief, die fungeren als vaste aanspreekpunten voor respectievelijk het Betaalorgaan en de deelnemende beheerders;

h. Beschrijving van de wijze van contracteren van derden (zijnde niet beheerders) voor het uitvoeren van beheerwerkzaamheden;

i. Beschrijving van de wijze waarop de resultaten van door of namens de provincie uitgevoerde controles aan de betreffende beheerder wordt teruggekoppeld;

j. Beschrijving van de klachtenregeling inclusief de wijze waarop de objectiviteit en onafhankelijkheid van een klachtencommissie gewaarborgd is.

2. De wijze waarop het collectief de administratie heeft georganiseerd

a. Beschrijving van het administratieve systeem met de opzet van administreren, de momenten van vastlegging, de vast te leggen gegevens en de toegankelijkheid van de administratie voor audits van de certificeringscommissie. De administratieve beheer- en controlestructuur moet de naleving van de subsidievoorwaarden borgen. Zaken die worden vastgelegd in de administratie zijn:

- de lijst met alle deelnemers;

- de contracten met de deelnemers;

- de GIS-gegevens voor het geografisch vastleggen van overeengekomen/verrichte prestaties per perceel;

- Als de uitvoering in de beheerpraktijk wordt aangepast t.o.v. van de vastgelegde uitvoering in de gebiedsaanvraag, dan dient dit vooraf als mutatie te worden doorgevoerd in het administratiesysteem;

- de gegevens vastgelegd bij interne audits;

- de betalingsopdrachten en accountantscontrole.

b. Beschrijving van de wijze waarop wordt geregeld dat alle stukken die betrekking hebben op de gebiedsaanvraag en het betaalverzoek tenminste tot 5 jaar na de laatste betaling bewaard blijven. Het origineel van de getekende contracten dient bewaard te blijven. Digitale stukken kunnen digitaal worden bewaard, maar moeten eenduidig opvraagbaar en beschikbaar zijn. Deze bewaarplicht geldt ook voor alle mutaties die in de looptijd hebben plaats gevonden en herleidbaar moeten zijn voor uit te voeren EU audits (zogenaamde audit trail).

3. De wijze waarop het collectief contracten afsluit met deelnemende beheerders

Beschrijving van de wijze waarop met deelnemende beheerders afspraken voor het leveren van prestaties uit de gebiedsaanvraag/beschikking worden gemaakt. Het ondertekende contract maakt deel uit van de administratie.

4. De wijze waarop het collectief de interne controle in het veld (schouw) heeft georganiseerd op de naleving van de afspraken/prestaties

a. Beschrijving van het controleprotocol en de wijze van vastleggen van de bevindingen van de schouw (controle in het veld) in het administratiesysteem. De interne controle staat los van de controles die door of namens de provincie uitgevoerd worden. Gestreefd wordt door het collectief en de overheden naar een meervoudig gebruik van de verzamelde gegevens. De verzamelmethodieken zullen dan wel op elkaar worden afgestemd zodat de verzamelde data ook voor monitoring en controle door overheden kunnen worden gebruikt;

b. Beschrijving van de wijze waarop het collectief het objectief en onafhankelijk beoordelen via de interne veldcontrole heeft geregeld.

5. De wijze waarop het collectief sancties oplegt aan gecontracteerde beheerders

a. Beschrijving van de wijze waarop wordt gehandeld bij het niet naleven van contractuele afspraken door beheerders (in gebreke blijven of onrechtmatigheden) en hoe intern sancties worden opgelegd.

b. Beschrijving van de wijze waarop het collectief kortingen, die het Betaalorgaan op basis van Europese en nationale regelgeving oplegt, verwerkt in zijn administratie in afstemming met zijn gecontracteerde beheerders.

c. Beschrijving van de wijze waarop het collectief een sanctie voor cross compliance van een deelnemende agrariër int, naar rato van de betaling van het collectief aan de agrariër van een door de Europese Unie meegefinancierde activiteit binnen het agrarisch natuur- en landschapsbeheer.

6. De wijze waarop het collectief betalingen verricht aan gecontracteerde beheerders

a. Beschrijving van de wijze waarop betalingen worden uitgevoerd aan gecontracteerde beheerders. Het gaat daarbij om de opdracht tot betaling, gegeven door een gemachtigde in het collectief, waarop is aangegeven:

- Naam, adres, en KVK of BIN/BSN nummer en IBAN-rekeningnummer van de begunstigde;

- Het bedrag dat overgemaakt dient te worden inclusief de termijnen van de betalingen;

- De prestaties waarvoor de betalingen worden verricht;

- Naam en handtekening gemachtigde die handelt namens bestuur.

b. Beschrijving van de wijze waarop jaarlijks een totaal overzicht wordt gemaakt over de betalingen per gecontracteerde beheerder.

7. De wijze waarop het collectief de realisatie van prestaties verantwoordt (als onderbouwing van het betaalverzoek)

a. Beschrijving van de wijze waarop wordt bepaald hoe op gebiedsniveau de samenhang in maatregelen ten behoeve van de soorten in de leefgebieden is bereikt.

b. Beschrijving van de wijze waarop verbeteringen in de toepassing van maatregelen worden doorgevoerd op basis van veldwaarnemingen en controleresultaten in relatie tot de beoordelingscriteria van de gebiedsaanvraag.

8. De wijze waarop het collectief borgt dat medewerkers en beheerders voor hun taken bekwaam worden, zijn en blijven (kennis en vaardigheden borgen d.m.v. een kennisinfrastructuur)

a. Beschrijving van de wijze waarop het collectief zorgt dat de taken en rollen binnen het collectief (medewerkers en beheerders) op bekwame wijze worden uitgevoerd en dat deze bekwaamheid op niveau wordt gehouden. Het gaat daarbij o.a. om kennis en vaardigheden op gebied van organiseren, administratie, (EU-)regelingen, controle, ecologie/hydrologie en uitvoering van het beheer.

b. Beschrijving van de wijze waarop het collectief de inzichten die ontstaan bij het beheer op gebiedsniveau benut om de beheerders te ondersteunen bij het uitvoeren van het beheer op bedrijfsniveau.

Toelichting bij het PVE agrarisch natuurbeheer 2016

Inleiding

Vanaf 1 januari 2016 is een agrarisch collectief eindbegunstigde voor de subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer, en niet meer de individuele agrariër. Een collectief is een samenwerkingsverband in een begrensd gebied dat bestaat uit agrariërs en andere gebruikers van landbouwgrond. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet het agrarisch collectief zijn gecertificeerd. Voor de certificering is het nodig dat de overheid (IPO/EZ) een PVE opstelt, waaraan een collectief moet voldoen. Dat zijn vooral eisen die te maken hebben met de EU-conformiteit van de vernieuwde regeling. Op basis van het PVE heeftde SCAN (Stichting Collectief Agrarisch Natuurbeheer) een model-kwaliteitshandboek opgesteld. Vervolgens kan elk collectief op basis van dat model een -op de eigen organisatie en werkwijze toegesneden- kwaliteitshandboek maken. Dat handboek wordt vervolgens aan de certificeringscommissie voorgelegd en die verleent, na een positieve beoordeling, het collectief een certificaat.

Algemene eisen aan een doeltreffend en doelmatig collectief

Er zit een groot verschil in taak en rol van de huidige agrarische natuurverenigingen in vergelijking met die van het agrarisch collectief per 1 januari 2016 op grond van het Vernieuwde stelsel Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016. Daarom hebben de twaalf provincies, de koepels van agrarische natuurverenigingen en IPO/EZ in september 2013 gezamenlijk uitgangspunten vastgesteld voor de vorming van collectieven in de provincies.

De kern van het vernieuwde stelsel is een collectieve benadering voor een ecologisch meer effectief agrarisch natuur- en landschapsbeheer in die gebieden waar dit het meest kansrijk is qua verbetermogelijkheden van de habitat van de doelsoorten. Daarbij spelen ook de intensiteit van de landbouw in het landschap waarin de maatregelen worden uitgevoerd en de structuur en diversiteit van datzelfde landschap een rol. Waar beheer niet effectief kan zijn, is in het kader van dit stelsel geen collectief nodig. In potentieel kansrijke gebieden zijn vervolgens het aantal participerende boeren c.q. het aantal hectares onder beheer en de ruimtelijke verspreiding daarvan belangrijke factoren waar een collectief op in zet om een positief effect op de biodiversiteit ook daadwerkelijk te bereiken. Het beheer, gericht op groepen van soorten in hun leefgebieden, wordt zo uitgevoerd dat de maatregelen die voor één belangrijke doelsoort worden genomen, ook ten goede komen aan de andere soorten. Om de maatregelen op leefgebiedenniveau effectief uit te kunnen voeren, is een zekere gebiedsomvang nodig. Die gebiedsomvang wordt bepaald door de eisen die de doelsoorten aan hun leefgebied stellen en waarvoor leefgebieden optimaal worden ingericht en beheerd.

Verder moeten de uitvoeringskosten en de administratieve lasten drastisch worden beperkt door een efficiënte inzet van de beperkte middelen. Binnen het beschikbare budget wordt gestreefd naar relatief lage kosten en meer geld voor beheer door de deelnemende boeren. Het collectief hanteert als richtlijn een omvang van 15% van de subsidie als dekking voor de transactiekosten.

Eisen, gesteld voor doeltreffendheid en doelmatigheid, leiden tot een structuur met een beperkt aantal robuuste collectieven per provincie, die voldoende schaalgrootte voor kritieke massa aan deskundigheid, routine en “omzet” hebben (bijvoorbeeld 1,5 tot 2 miljoen euro per jaar) voor een efficiënte organisatie met beperkte overhead om een kwalitatief goede uitvoering te organiseren van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in het gebied.

Eisen vanuit nieuwe taken als collectief

De nieuwe taken van een agrarisch collectief (in vergelijking met de werkzaamheden bij een huidige agrarische natuurvereniging) stellen hoge eisen aan de organisatie en werkwijze van het collectief, maar ook aan de kwaliteit en competenties van bestuursleden en medewerkers van het collectief en de deelnemende boeren.

Het gaat hierbij om de volgende nieuwe taken:

• Sturen op aansluiting van maatregelen bij doelen, op samenhang en flexibiliteit in maatregelen en locaties in de tijd, en op continuïteit van maatregelen in de jaren;

• Sturen op het daadwerkelijk leveren van de afgesproken prestaties door het mobiliseren en ondersteunen van deelnemende boeren en andere grondgebruikers;

• Professioneel gesprekspartner zijn voor andere beheerders en overheden in gebiedsprocessen onder regie van de provincie;

• Effectief relatiebeheer;

• Een kwalitatief goede gebiedsaanvraag opstellen, die is afgestemd met gebiedspartijen en heldere na te streven doelen bevat;

• Als eindbegunstigde voldoen aan de hoge (Europese) eisen van accountability; dit is het verantwoorden van de wijze van handelen bij de uitvoering van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer;

• Contractpartner zijn van provincie/Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) aan de voordeur met verantwoordelijkheid voor de zakelijke verplichtingen en de reputatie en legitimatie als gebiedsverantwoordelijke;

• Contractpartner van deelnemende agrariërs zijn aan de achterdeur met verantwoordelijkheid voor de betreffende zakelijke verplichtingen;

• Beschikken over administratieve en financiële systemen die effectief corresponderen met die van de RVO.nl;

• Uitvoeren van veldcontroles en daarbij -zo nodig- optreden tegen in gebreke blijvende deelnemende boeren/ grondgebruikers;

• Organiseren van kwaliteitsborging via certificering en voortgaande kwaliteitsverbetering door te leren van experimenteren en van andere collectieven en kennispartners door het uitwisselen van kennis.

Certificeren: vertrouwen in de beheerder

Het vernieuwde stelsel gaat uit van vertrouwen in het collectief als natuur- en landschapsbeheerder in een agrarisch cultuurgebied. Dat vertrouwen is gericht op het vergroten van de effectiviteit én van de efficiency in transactie- en uitvoeringskosten. De kwaliteit van het beheer van natuur en landschap is in sterke mate afhankelijk van de deskundigheid van alle betrokkenen bij een collectief. De kwaliteit van het beheer wordt zodanig geborgd, dat rijk en provincies daaraan het vertrouwen ontlenen dat de risico’s die bij het beheer via de subsidieregeling spelen, beheerst worden. Belangrijk is ook de efficiëntie in kosten binnen het collectief die bereikt wordt door het zo efficiënt mogelijk organiseren van de werkzaamheden, waardoor er zo veel mogelijk geld beschikbaar is voor de uitvoering.

De kwaliteitsborging vindt plaats via certificering. In het PVE geeft de subsidiegever (de provincie) aan, aan welke eisen een collectief moet voldoen om voor certificering in aanmerking te komen. De stichting Certificering SNL hanteert, conform de provinciale Uitvoeringsregeling Stichting Certificering SNL, het PVE als toetsingskader bij de certificering van het collectief.

Het collectief werkt in een eigen kwaliteitssysteem uit hoe zij deze eisen invult en legt dit vervolgens vast in een kwaliteitshandboek. De met de EU conformiteit gerelateerde financiële risico’s worden zo via het kwaliteitssysteem beheerst. Het kwaliteitsysteem in het handboek wordt beoordeeld door de Certificeringscommissie SNL. Bij een positief oordeel wordt het certificaat verleend. Het certificaat is het bewijs dat het collectief haar eigen werkwijze heeft geprofessionaliseerd en de kwaliteit ervan borgt. Zo geeft het certificaat de overheid het vertrouwen dat de kwaliteit van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer procedureel voldoende geborgd is bij het collectief. En met het verlenen van het certificaat erkent de provincie ook het agrarische collectief als uitvoerende beheerorganisatie.

Bij een audit van de Certificeringscommissie SNL, na het verstrekken van het certificaat, wordt de naleving van werkwijze en afspraken conform het kwaliteitshandboek van het collectief in de werkpraktijk beoordeeld.

Aansluiting op eigen werkwijze

Een collectief kiest haar eigen wijze van werken en de organisatie die bij het collectief past. Wel dient de kwaliteit van de eigen werkwijze geborgd te worden. Dit is vooral ook bedoeld om de wijze van werken waar nodig te kunnen verbeteren. Het collectief heeft de ruimte om zelf de eisen uit het PVE in te vullen op de wijze die het best binnen de bedrijfsvoering past. Het collectief is dus verantwoordelijk voor het voldoen aan de eisen zoals opgesteld in dit PVE, maar de manier van invullen is vrij.

Bij de kwaliteitsborging staan de werkprocessen, de systemen, protocollen en werkwijzen van de organisatie van het collectief centraal. En dit geldt ook voor de competenties (kennis en vaardigheden) van de medewerkers en agrarische beheerders die deze werkprocessen uitvoeren c.q. daar verantwoordelijk voor zijn. De inhoud van het kwaliteitsysteem, beschreven in het kwaliteitshandboek, is afhankelijk van de werkwijze en de organisatie van het collectief. De ervaring vanuit de GLB pilots leert dat het eigen kwaliteitssysteem vaak verder is uitgewerkt dan dit PVE vraagt.

De Certificeringcommissie SNL wil graag het kwaliteitssysteem van een collectief op uniforme wijze toetsen. Daarom is het nodig dat alle collectieven een vergelijkbare volgorde hanteren in hun kwaliteitshandboek in lijn met de volgorde van de eisen in dit Programma. Het model-kwaliteitshandboek, dat is ontwikkeld door de SCAN, kan daarbij helpen. De vergelijkbare opzet is ook handig voor informatie-uitwisseling tussen collectieven en beperkt bovendien de uitvoeringskosten van de commissie. Dit laat onverlet dat binnen die vergelijkbare volgorde elk collectief zijn eigen werkprocessen beschrijft en hoe daarin de eisen zijn verwerkt. Uitgangspunt is steeds dat de kwaliteit van de eigen wijze van werken van alle uitvoerenden in het collectief wordt geborgd.

De vernieuwde Subsidieverdeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016

De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 wordt per provincie vastgelegd op basis van een modelverordening voor alle provincies. In de verordening worden onder meer de eisen beschreven waaraan een gebiedsaanvraag en een verantwoording en/of betalingsverzoek moeten voldoen om de beoordelingsprocedure en de uitbetaling bij provincie c.q. de RVO.nl zo effectief en efficiënt mogelijk te laten verlopen. Bij de eisen aan de gebiedsaanvraag gaat het over de wijze van samenwerking en afstemming van het collectief binnen haar werkgebied met gebiedspartners (waaronder natuur- en landschapsorganisaties, waterschap en gemeenten) en de samenwerking en afstemming met aangrenzende collectieven ten behoeve van gebiedsgrenzen overschrijdende optimale uitvoering van het beheer.

Dit PVE benoemt de eisen waaraan een collectief moet voldoen om voor certificering in aanmerking te komen. Als onderdelen van het kwaliteitsysteem al worden geborgd via een andere door de subsidiegever erkende certificaatvorm (bijv. CBF of Milieukeur), dan gelden deze certificaten en kan daar in het kwaliteitshandboek naar worden verwezen.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl