Provinciaal blad van Utrecht

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
UtrechtProvinciaal blad 2014, 2180Verordeningen
Besluit van Provinciale Staten van Gelderland van 9 juli 2014, van Zuid-Holland van 25 juni 2014, van Utrecht van 7 juli 2014 en van Noord-Brabant van 4 juli 2014 tot wijziging van de Waterverordening waterschap Rivierenland.
PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND, VAN ZUID-HOLLAND, VAN UTRECHT EN VAN NOORD-BRABANT
 
Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Gelderland, van Zuid-Holland van Utrecht en van Noord-Brabant;
Gelet op de artikelen 2.4 en 5.1 van de Waterwet en artikel 145 van de Provinciewet;
Overwegende dat Provinciale Staten van Gelderland, van Zuid-Holland, van Utrecht en van Noord-Brabant gezamenlijk de Waterverordening waterschap Rivierenland hebben vastgesteld;
Overwegende dat Provinciale Staten van Gelderland en van Noord-Brabant het niet langer wenselijk achten voor de Lingedijken ten oosten van de Diefdijklinie en de regionale waterkering Werkendam vrijstelling te verlenen van de verplichting tot vaststelling van de legger waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm en afmeting en constructie moeten voldoen;
Overwegende dat Provinciale Staten van Zuid-Holland en van Gelderland het wenselijk achten de Lingedijken ten westen van de Diefdijklinie aan te wijzen als regionale waterkeringen en daarvoor een veiligheidsnormering vast te stellen;
Overwegende dat Provinciale Staten van Utrecht het wenselijk achten het tracé van de regionale kering ter hoogte van de Grote Sluis te Vianen aan te passen;
 
BESLUITEN
Ieder voor zover ze bevoegd zijn;
Artikel I.
De Waterverordening waterschap Rivierenland wordt als volgt gewijzigd:
  • A.
    In artikel 1.1 wordt in de alfabetische rangschikking het volgende begrip en de bijbehorende begripsomschrijving ingevoegd:
    • -
      Normprofiel: een in de legger vastgelegd maatgevend dwarsprofiel voor delen van waterkeringen die qua vorm, afmeting, ondergrond en belasting vergelijkbaar zijn;
  • B.
    In artikel 4.1, derde lid, wordt de zinsnede ‘Het eerste en tweede lid zijn’ vervangen door: ‘Het tweede lid is’.
  • C.
    Aan artikel 4.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:
    • 4.
      Voor de regionale waterkeringen, bedoeld in het derde lid, wordt het lengte- en dwarsprofiel aan de hand van normprofielen in de legger vastgelegd. Voorafgaand aan de daartoe te volgen procedure vindt daarover overleg plaats met Gedeputeerde Staten.
  • D.
    In artikel 4.2, eerste lid, wordt de zinsnede “Regionale waterkeringen die als “handhaven huidig profiel” zijn aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten” vervangen door: Regionale waterkering Kapiteldijk-Duffeltdijk.
  • E.
    Artikel 4.3 komt te luiden:
  • 1.
    Artikel 4.3 Tijdelijke vrijstelling leggerplicht waterkeringen
  • 2.
    Artikel 5.1, eerste lid, van de wet, is tot één jaar na afronding van de dijkverbetering van de Diefdijklinie, doch uiterlijk 1 januari 2017 niet van toepassing op de primaire waterkering de Diefdijklinie
F. De kaarten regionale waterkeringen, bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Waterverordening waterschap Rivierenland: delen 2 en 3 die zijn opgenomen in bijlage 1 van die verordening, worden vervangen door de bij dit besluit behorende kaarten deel 2 en deel 3.
 
Artikel II.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het laatst uitgegeven Provinciaal Blad van de provincie Gelderland, Zuid-Holland, Utrecht of Noord-Brabant waarin dit besluit wordt geplaatst.
 
Voorzitter
 
Griffier
 
Uitgegeven 12 september 2014
Geputeerde Staten van Utrecht
namens hen
Secretaris
 
Bijlage 1
Kaart regionale waterkeringen als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Waterverordening waterschap Rivierenland: deel 2
 
Bijlage 2
Kaart regionale waterkeringen als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Waterverordening waterschap Rivierenland: deel 3
 
Toelichting
Algemeen
Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen waterkeringen, niet zijnde primaire waterkeringen, die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, veiligheidsnormen worden vastgesteld.
Op grond van artikel 5.1 Waterwet moet de beheerder een legger maken waarin is aangegeven waaraan een waterstaatswerk naar ligging, vorm, afmeting en constructie dient te voldoen. In de provinciale verordening kunnen nadere voorschriften worden gegeven ten aanzien van de inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger en is een mogelijkheid tot vrijstelling van de leggerplicht voor waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor de omschrijving van die elementen.
De Lingedijken in Gelderland zijn bij Waterverordening waterschap Rivierenland in 2009 als regionale waterkeringen aangewezen. Destijds zijn zij genormeerd op hun huidig profiel vanwege de belangrijke invloed die ze hebben op het overstromingsverloop na de doorbraak van primaire waterkeringen (compartimenterende werking).
De provincie Zuid-Holland heeft de Lingedijken op haar grondgebied nog niet als regionale waterkeringen aangewezen en wil daar nu toe overgaan.
In samenwerking met het waterschap Rivierenland hebben de provincies Zuid-Holland en Gelderland onderzocht in hoeverre de Lingedijken in verband met het keren van regionaal water een veiligheidsnorm moeten krijgen op basis van de gemiddelde overschrijdingsfrequentie per jaar (kans van voorkomen van een bepaalde waterstand).
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de provincie Noord-Brabant in overleg met het waterschap Rivierenland besloten om ook voor de regionale waterkering Werkendam aan te sluiten bij de werkwijze om normprofielen te hanteren. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om het tracé van de regionale kering ter hoogte van de Grote Sluis te Vianen te herzien. Omdat de Waterverordening waterschap Rivierenland een interprovinciale verordening is, is sprake van een gemeenschappelijk besluit van Provinciale Staten van Gelderland, Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Brabant.
Artikelsgewijs
Artikel 1.1
In de vigerende waterverordening is nog geen definitie opgenomen van het begrip ‘normprofiel’. Voor waterkeringen met de norm ‘handhaven huidig profiel’ wordt het normprofiel bepaald op basis van de in het veld aanwezige geometrie en opbouw van de waterkering en ondergrond en geeft een conservatieve benadering van de sterkte van de waterkering (de minimale sterkte per dijktraject).
Artikel 4.1, derde en vierde lid
Het lengte- en dwarsprofiel voor regionale waterkeringen die als “handhaven huidig profiel” worden aangegeven op de kaarten in bijlage 1 van deze verordening, worden in de legger vastgelegd aan de hand van normprofielen.
De beheerder bepaalt deze normprofielen in eerste instantie aan de hand van de bestaande geometrie van de regionale waterkeringen gecombineerd met de op dat moment beschikbare gegevens over de opbouw van de waterkeringen en de ondergrond. Op basis van deze gegevens worden de representatieve trajecten en het bijbehorende maatgevende lengte- en dwarsprofiel per traject bepaald (het normprofiel). Vervolgens onderzoekt de beheerder de mogelijkheid tot verdere verfijning van het normprofiel. Een mogelijke uitwerking is dat aanvullend onderzoek wordt verricht naar de ondergrond en de dijkopbouw (grondonderzoek) en naar de verschillende belastingen op de waterkeringen (bijvoorbeeld waterstandsbelasting vanuit het regionale systeem of vanuit het hoofdsysteem en bovenbelasting door een weg).
De betreffende beheerder stelt, in overleg met Gedeputeerde Staten, voor het bovenstaande een plan van aanpak op. Hierin wordt in elk geval aandacht geschonken aan de termijn voor het vaststellen van de legger, de te leveren inspanning (grondonderzoek) afgezet tegen de meerwaarde die het inzicht in de sterkte van de regionale waterkeringen heeft voor de vergunningverlening en/of handhaving, de doorwerking naar het dagelijks beheer en de calamiteitenzorg.
Artikel 4.2
In artikel 5.1, derde lid, van de Waterwet is een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen van de verplichting tot vaststelling van een legger waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van deze mogelijkheid wordt gebruikgemaakt voor de waterkering Kapiteldijk-Duffeltdijk en C-watergangen omdat deze zich gelet op hun aard en functie niet lenen voor het vastleggen van de vorm, afmeting en constructie. Het vermelden van de ligging van deze waterkering en C-watergangen blijft wel verplicht omdat de legger de reikwijdte van de keur van het waterschap bepaalt. De huidige vrijstelling van de leggerplicht voor de vorm, afmeting en constructie wordt voor de Lingedijken ten oosten van de Diefdijklinie en de regionale waterkering Werkendam opgeheven.
Artikel 4.3
Het eerste lid komt te vervallen, omdat de genoemde termijn in dit artikel is verstreken.
In het nieuwe artikel 4.3 wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid van artikel 2.14 van de Invoeringswet Waterwet om bij verordening te bepalen dat de legger tijdelijk niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen. Er wordt uitstel verleend voor de primaire waterkering Diefdijklinie tot uiterlijk 1 jaar na afronding van de dijkverbetering van de Diefdijklinie, met als uiterste datum 1 januari 2017. Deze tijdelijke vrijstelling wordt verleend, omdat het waterschap Rivierenland momenteel een dijkverbetering in uitvoering heeft genomen voor een omvangrijk deel van de Diefdijk.
Kaartdelen 2 en 3, bijlage 1
De regionale waterkeringen langs de Linge in Gelderland (ten oosten van de Diefdijklinie) zijn in 2009 genormeerd op hun huidig profiel vanwege de belangrijke invloed die ze hebben op het overstromingsverloop na de doorbraak van de primaire waterkeringen (compartimenterende werking).
Conform de Richtlijn Normering keringen langs regionale rivieren (Stowa, 2008) is in 2012 voor de Lingedijken vanwege het keren van regionaal water een normeringstudie uitgevoerd en het veiligheidsniveau bepaald, zoals bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening.
Voor de dijkvakken ten oosten van de Diefdijklinie (Gelders grondgebied) is in deze normeringstudie vastgesteld dat de compartimenterende werking maatgevend is ten opzichte van het keren van regionaal water. Deze regionale waterkeringen blijven daarom genormeerd op hun huidig profiel. Bij het vaststellen van het lengte- en dwarsprofiel voor deze regionale waterkeringen in de legger - zoals bepaald in artikel 4.1, lid 4 - worden de berekende normen vanwege het keren van regionaal water als ondergrens aangehouden.
De regionale waterkeringen langs de Linge ten westen van de Diefdijklinie zijn volgens de voornoemde normeringstudie vooral belangrijk vanwege het keren van regionaal water. Naar aanleiding van deze studie zijn deze waterkeringen aangewezen en voorzien van een veiligheidsklasse op de kaartdelen 2 en 3 van bijlage 1 bij deze verordening.
Ten westen van de Diefdijklinie wordt voor de Lingedijk op Zuid-Hollands grondgebied deels een veiligheidsklasse IV en deels een veiligheidsklasse V aangehouden en voor de Lingedijk op Gelders grondgebied veiligheidsklasse III. Voor het deel van de regionale waterkering rondom de binnenstad van Gorinchem, dat nog niet was genormeerd, wordt, overeenkomstig het reeds genormeerde deel, een veiligheidsklasse III aangehouden.
Tevens wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt om het tracé van de regionale kering ter hoogte van de Grote Sluis te Vianen aan te passen. De reden van deze aanpassing is de volgende:Aan beide zijden van het Merwedekanaal ligt een regionale waterkering. Tot voor kort waren de meest zuidelijk gelegen sluisdeuren van de Grote Sluis te Vianen als verbindende schakel aangegeven als regionale waterkering. Omdat in het kader van een renovatie van die sluis de zuidelijke sluisdeuren zijn verwijderd, dient het tracé van de regionale kering zodanig te worden aangepast dat de noordelijk gelegen sluisdeuren de verbindende schakel vormen. Het nieuwe tracé is uit een oogpunt van veiligheid minstens gelijkwaardig aan het oude tracé.