Bekendmaking Wijziging Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

Maken bekend dat zij bij vergadering van 8 juli 2014 het volgende hebben besloten:

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

Gelet op artikel 1.2, tweede lid, van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011

BESLUITEN

vast te stellen de volgende regeling tot wijziging van de Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011:

Artikel I

De Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 worden als volgt gewijzigd:

  • 1.In de inhoudsopgave worden de volgende wijzigingen aangebracht:

Na paragraaf 3.1.4 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

Paragraaf 3.1.5 Grondverwerving ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur

 

 

  • 1.Na paragraaf 3.1.4 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

 

Paragraaf 3.1.5 Grondverwerving ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur

 

Artikel 3.1.5.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland

EHS: ecologische hoofdstructuur zoals begrensd door Provinciale Staten bij besluit van 1 juli 2009 of een daarvoor in de plaats tredende begrenzing;

terrein: gronden waaronder begrepen natuurterreinen, wateren, landgoederen, bossen en andere houtopstanden, alsmede de op die gronden gelegen objecten die van belang of potentieel belang zijn om hun natuurwetenschappelijke, landschappelijke of cultuurhistorische betekenis of vanwege bosbouwkundige waarden;

natuurbeheer: beheer van grond met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten;

Natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 2.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009;

natuurbeheertype: in bijlage 1, tweede kolom, van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2009 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur en Landschap;

natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond waarop natuurbeheer wordt uitgeoefend;

onafhankelijke taxateur: persoon die voldoet aan de eisen gesteld in de Mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (97/C/209/03);

reële marktwaarde: de waarde van grond in het vrije economische verkeer vastgesteld door een onafhankelijk taxateur;

verwerving: verkrijging van het recht van eigendom of het recht van erfpacht.

 

Artikel 3.1.5.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden verstrekt voor:

de verwerving van terreinen die zijn opgenomen op de ambitiekaart en zijn aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen op deze gronden van toepassing zijn; en

de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van terreinen die zijn opgenomen op de ambitiekaart en zijn aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen op deze gronden van toepassing zijn.

 

Artikel 3.1.5.3 Criteria

Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder b, wordt slechts verstrekt voor:

  • 1.de beëindiging van pachtovereenkomsten die reeds waren gevestigd op het moment waarop het terrein door de aanvrager is verworven; en

  • 2.waarvoor in het licht van het Natuurbeheerplan beëindiging van de op het terrein gevestigde pachtovereenkomst gewenst is vanuit het oogpunt van natuur- of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarden, of natuurontwikkeling.

 

Artikel 3.1.5.4 Subsidiabele kosten

  • 1.Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder a, komen in aanmerking de kosten voor:

  • 2.verwerving van een terrein tegen de reële marktwaarde;

  • 3.een taxatie door een onafhankelijke taxateur;

  • 4.het kadastraal recht en het registratierecht;

  • 5.veiling;

  • 6.notaris;

  • 7.inschrijving in de openbare registers;

  • 8.overdrachtsbelasting;

  • 9.schenkingsrecht;

  • 10.het afkopen van landinrichtingsrente voor het verworven terrein;

  • 11vooronderzoek of historisch bodemonderzoek volgens NEN 5725; en

  • 12milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740.

  • 13Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder b, komen in aanmerking de kosten voor:

    • 1.het vrijmaken van pacht van genoemd terrein, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur;

    • 2.een taxatie door een onafhankelijke taxateur.

 

Artikel 3.1.5.5 Aanvrager

  • 1.Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder a, wordt verstrekt aan eenieder die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten.

  • 2.Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder b, wordt verstrekt aan een eigenaar van een terrein die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten.

 

Artikel 3.1.5.6 Aanvraag

Een subsidieaanvraag voor de subsidiabele activiteit als bedoel in artikel:

3.1.5.2, aanhef en onder a, wordt uiterlijk op de dag voor het passeren van de notariële akte van levering ingediend;

3.1.5.2, aanhef en onder b, wordt uiterlijk op de dag voor de beëindiging van de pachtovereenkomst ingediend.

 

 

Artikel 3.1.5.7 Hoogte van de subsidie

  • 1.De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste:

80% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.1.5.4, eerste lid, aanhef en onder a;

100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.1.5.4, eerste lid, aanhef en onder b tot en met j;

€ 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 3.1.5.4, eerste lid, aanhef en onder k.

  • 1.De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.1.5.4, tweede lid.

  • 2.Voor zover voor verwerving of pachtvrij maken van grond subsidie is verstrekt door Gedeputeerde Staten op grond van een andere regeling of door een bestuursorgaan van een ander overheidslichaam, wordt de subsidie zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of maximale vergoeding op grond van Europese regels of deze regeling te voorkomen.

 

Artikel 3.1.5.8 Verplichtingen

  • 1.De subsidieontvanger is verplicht:

  • 2.zorg te dragen voor de verwerving dan wel pachtvrij maken van het terrein waarvoor hij subsidie ontvangt binnen twaalf weken na de subsidieverlening;

  • 3.het verworven dan wel pachtvrij gemaakte terrein direct na verwerving dan wel pachtvrij maken als natuur te beheren;

  • 4.het verworven dan wel pachtvrij gemaakte terrein binnen twee jaar na verwerving dan wel pachtvrij maken overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen dat ingevolge het natuurbeheerplan op dit terrein in stand moet worden gehouden te beheren;

  • 5.zorg te dragen dat het terrein tenminste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde Staten ontheffing wordt verleend;

  • 6.eventuele opbrengsten van het terrein uitsluitend aan duurzaam natuurbeheer te besteden; en

  • 7.bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat het terrein enkel als natuur mag worden gebruikt.

  • 8.Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, b en c worden verlengd.

  • 9.Ontheffing als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, wordt verleend indien:

  • 10.gehele of gedeeltelijke sluiting van het natuurterrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels voor soortenbescherming of de krachtens de artikelen 10, 10a, 19, 19a en 21 van de Natuurbeschermingswet 1998 voor beschermde natuurmonumenten of Natura-2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en toegangsbeperkingen;

  • 11het natuurterrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is;

  • 12sluiting van ten hoogste één hectare van het natuurterrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of

  • 13andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen.

  • 14Het is de subsidieontvanger niet toegestaan om het terrein te vervreemden, te verpachten of daarop zakelijke rechten te vestigen, behoudens toestemming van Gedeputeerde Staten.

  • 15De subsidieontvanger is bij vervreemding, verpachting of vestigen van zakelijke rechten verplicht ingevolge deze regeling verstrekte subsidie binnen een termijn van zes maanden terug te betalen aan de provincie Gelderland, tenzij hiervan in de toestemming als bedoeld in het vierde lid ontheffing is verleend.

 

 

  • 1.Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen:

  • 2.de verplichting, inhoudende dat de subsidieontvanger het terrein niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van de ecosystemen met de daarbij behorende soorten in gevaar brengt of verstoort; en

  • 3.dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen.

  • 4.De overeenkomst als bedoeld in het zesde lid wordt uiterlijk binnen vier weken na totstandkoming daarvan op last van de subsidieontvanger als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein ingeschreven in de openbare registers.

  • 5.Indien de subsidieontvanger ook andere economische activiteiten verricht dan de verwerving van terreinen ten behoeve van natuurbeheer als bedoeld in deze regeling, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03).

  • 6.Een subsidieontvanger bewaart de administratie en alle documenten inzake een aan hem verstrekte subsidie gedurende een periode van ten minste twintig jaar nadat de subsidie is verleend.

 

Artikel 3.1.5.9 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling

Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2 wordt een afschrift van de overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.5.9, zevende lid in de openbare registers ingeschreven kwalitatieve verplichting overlegd.

Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2 aanhef en onder a, worden de volgende gegevens verstrekt:

een afschrift van de notariële akte van levering van het terrein of een afschrift van de notariële akte van vestiging van het erfpachtrecht op het terrein; en

in voorkomend geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van het recht van opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden of een de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek.

Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder b, wordt in elk geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek verstrekt.

Artikel 5.3, derde lid, van de AsG is niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in dit artikel.

In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, van de AsG dient aanvrager binnen 13 weken na inschrijving van de kwalitatieve verplichting in de openbare registers een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2.

 

Artikel II

In de toelichting wordt de volgende wijziging aangebracht:

 

Na de tekst onder paragraaf 3.1.4 Faunavoorzieningen wordt de volgende tekst toegevoegd:

 

Paragraaf 3.1.5 Grondverwerving ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur

 

Artikel 3.1.5.5

In lijn met het besluit van de Europese Commissie van 13 juli 2011 (N308/2010) kan op grond van de regeling in beginsel aan eenieder subsidie worden verleend die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten. Dat betekent dat een aanvrager over voldoende deskundigheid moet beschikken of externe deskundigheid moet inschakelen. Voor de vraag wie in aanmerking komt voor subsidie, is onder meer van belang welk type natuurbeheer is voorgeschreven. Complexe natuurbeheertypen stellen hogere eisen dan eenvoudiger typen. In voorkomend geval zal van een aanvrager een nadere onderbouwing van zijn aanvraag worden verlangd om te bepalen of die aanvrager aan de regeling op dit onderdeel voldoet, bijvoorbeeld in de vorm van een plan van aanpak. Met de Europese Commissie zijn Gedeputeerde Staten van oordeel dat de regeling een goed evenwicht bevat tussen de behoefte aan rechtszekerheid en de wens geen aanvragers op voorhand uit te sluiten.

 

Artikel 3.1.5.8 lid 1 onder b

Op grond van de regeling is de subsidieontvanger verplicht het verworven terrein direct na verwerving of pachtvrij maken als natuur te beheren. De wijze van beheer is mede afhankelijk van het natuurdoeltype en het daarbij behorende gebruik. Mits daardoor het gebruik conform natuurbeheertype niet in gevaar komt, kan beperkt afgeleid landbouwkundig gebruik verenigbaar zijn met de regeling op dit punt.

 

Artikel 3.1.5.8 lid 1 onder c

Op grond van de regeling is de subsidieontvanger verplicht het verworven terrein binnen twee jaar na verwerving of pachtvrij maken overeenkomstig het beheertype te beheren. Bij dit beheer kan beperkt afgeleid landbouwkundig gebruik verenigbaar zijn mits daardoor het voorgeschreven natuurbeheertype niet in gevaar komt. Voor zover noodzakelijk worden in de beschikking tot subsidieverlening hieromtrent verplichtingen opgenomen.

 

Artikel 3.1.5.8 lid 1 onder f

Voor het wijzigen van de bestemming bevat de regeling geen termijn. Indien het uit een oogpunt van doelmatigheid aangewezen is om een bestemmingswijziging te koppelen aan een algehele wijziging, kan daar ruimte voor zijn. Gedeputeerde Staten hechten eraan dat de EHS ook in de bestemmingsplannen is verankerd, dus los van privaatrechtelijke bedingen ten aanzien van het gebruik.

 

 

Artikel 3.1.5.8 lid 8

Met een gescheiden boekhouding wordt het navolgende bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar besluit van 13 juli 2011 (N308/2010) de aankoop van terreinen voor de realisering van de EHS gekwalificeerd als DAEB. Daarbij heeft zij als eis opgenomen dat wanneer een onderneming activiteiten verricht die zowel binnen als buiten de werkingssfeer van de DAEB vallen, in de interne boekhouding de kosten en de inkomsten die met die DAEB verband houden, en die welke met andere diensten verband houden, gescheiden moeten worden aangegeven alsmede de parameters voor de toerekening van die kosten en inkomsten. Deze eis is gebaseerd op de DAEB-kaderregeling (Mededeling van de Commissie van 11 januari 2011, PbEU 2012, C8/15) en op Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006, PbEG 2006, L318 (Transparantierichtlijn) die op dit onderdeel is geïmplementeerd in artikel 25b van de Mededingingswet. Uit deze bepalingen volgt dat de afgescheiden boekhouding zodanig is ingericht dat:

a. de registratie van de lasten en baten van de DAEB gescheiden is van de overige activiteiten. De Transparantierichtlijn spreekt over interne rekeningen die voor verschillende activiteiten gescheiden moeten zijn. Dat dienen afzonderlijke en betrouwbare rekeningen te zijn;

b. alle lasten en baten, op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden toegerekend; en

c. de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de administratie wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.

Het doel hiervan is om te waarborgen dat de uit andere activiteiten resulterende kosten niet aan de DAEB inzake grondverwerving kunnen worden toegerekend. Op grond van artikel 25b lid 1 van de Mededingingswet bestaat de verplichting om de onder a, b en c genoemde gegevens ten minste vijf jaar te bewaren, gerekend vanaf het einde van het boekjaar waar de gegevens betrekking op hebben. Bovengenoemde verplichtingen gelden ook voor andere DAEB’s dan die in verband met grondverwerving voor realisatie van de EHS.

 

De regels in deze paragraaf dienen ter uitvoering van de beleidsuitwerking Natuur en Landschap.

 

 

Artikel III

 

Deze regeling treedt in werking op 26 augustus 2014.

 

 

Gedeputeerde Staten voornoemd

 

Gegeven te Arnhem, 8 juli 2014 - zaaknummer 2013-015121

Gedeputeerde Staten van Gelderland

C.G.A. Cornielje - Commissaris van de Koning

drs. P.P.L. van Kalmthout - secretaris

Naar boven