Niet-dossierstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 2026D41403 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 2026D41403 |
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over de Wijziging en verlenging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan 2027–20321.
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
|
I. |
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie |
|
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie |
|
|
II. |
Reactie van de Minister |
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van de brief van de Minister met onderliggende stukken over de Wijziging en verlenging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan 2027–2032. Momenteel hebben deze leden hier geen vragen of opmerkingen over.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit en de bijbehorende brief. Zij hebben geen verdere vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging en verlenging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan. Zij hebben nog enkele vragen over de uitwerking.
De leden van de PRO-fractie vragen of de verwachte ontwikkeling van het aantal kinderen per internaatlocatie voor ieder jaar van 2027 tot en met 2031 met de Kamer gedeeld kan worden. Welke aannames liggen aan deze prognose ten grondslag en hoe groot is de onzekerheidsmarge? Kan daarnaast per locatie inzichtelijk gemaakt worden wat het nieuwe financieringsmodel naar verwachting betekent voor de subsidie in 2027, afgezet tegen 2026? Welke locaties gaan erop voor- of achteruit en met welke bedragen? Kan tevens aangegeven worden of beide exploitanten met de voorgestelde bedragen een sluitende meerjarenbegroting kunnen opstellen?
De leden van de PRO-fractie begrijpen de wens om vaste kosten beter te erkennen, maar vragen waarom precies 11 procent van de totale subsidie als vaste component is aangemerkt. In hoeverre doet dit historische percentage recht aan de werkelijke, actuele vaste kosten, waaronder huisvesting, onderhoud, energie, verzekeringen en beveiliging? Is een stresstest uitgevoerd voor verschillende krimpscenario’s en onverwachte kostenstijgingen? Zo ja, wat waren de uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt voorkomen dat de variabele bijdrage van 35.000 euro per kind in de praktijk onvoldoende is om de benodigde personele bezetting en begeleiding te bekostigen?
De leden van de PRO-fractie vragen voorts hoe de wegingsfactor van 1,75 voor locaties met minder dan twintig kinderen is bepaald. Welke alternatieven zijn doorgerekend en waarom biedt juist deze factor volgens de Minister een solide financiële basis? Klopt het dat de verdeling mede zo is vormgegeven dat de subsidie tussen de twee bestaande exploitanten ongeveer gelijk blijft aan de huidige verdeling? Hoe verhoudt dit doel zich tot het uitgangspunt dat de financiering moet aansluiten bij de daadwerkelijke kosten en ondersteuningsbehoeften per locatie?
De leden van de PRO-fractie hebben zorgen over de nieuwe ondergrens van zes kinderen per locatie. In de toelichting wordt deze grens gepresenteerd als een doelmatigheidsnorm, terwijl uit de evaluatie niet blijkt dat het getal zes uit een inhoudelijke analyse volgt. Kan nader onderbouwd worden waarom een locatie met vijf kinderen per definitie niet doelmatig genoeg zou zijn en een locatie met zes kinderen wel? Is daarbij gekeken naar regionale spreiding, reisafstanden, denominatie, de aansluiting op scholen met specifieke expertise en de gevolgen voor broertjes en zusjes? Welke kinderrechtentoets of belangenafweging op grond van artikel 3 van het VN-Kinderrechtenverdrag is bij deze keuze gemaakt? Kan per bestaande locatie aangegeven worden hoe dicht deze bij de grens van zes kinderen zit en welke locaties naar verwachting tijdens de looptijd van de regeling onder die grens kunnen komen? Hoeveel kinderen zouden in elk van die scenario’s moeten verhuizen en hoe groot worden hun reisafstanden naar ouders en school? Hoe wordt voorkomen dat onzekerheid over het voortbestaan van een kleine locatie ertoe leidt dat ouders hun kind daar niet meer inschrijven, waardoor een zichzelf versterkende neerwaartse spiraal ontstaat? Is overwogen om te werken met een meerjarige gemiddelde bezetting in plaats van één peildatum, of om gemotiveerd maatwerk mogelijk te maken wanneer het belang van kinderen of de regionale bereikbaarheid daarom vraagt? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PRO-fractie vragen tevens waarom de overgangsperiode voor een locatie met drie tot zes kinderen maximaal twee opeenvolgende subsidiejaren bedraagt. Wat gebeurt er wanneer na die periode geen reëel, passend alternatief beschikbaar is? Wie beoordeelt of een alternatief passend is en aan welke criteria wordt dit getoetst? Is de Minister eventueel bereid om vast te leggen dat een locatie niet sluit voordat voor ieder betrokken kind een duurzaam en passend alternatief is gevonden, waarbij continuïteit van onderwijs, sociale relaties, begeleiding en contact met de ouders zwaarwegend worden meegewogen?
De leden van de PRO-fractie constateren dat een exploitant voor een kleine locatie aannemelijk moet maken dat de activiteiten binnen de exploitatiebegroting kunnen worden uitgevoerd. Hoe wordt voorkomen dat deze voorwaarde leidt tot bezuinigingen op personeel, begeleiding of onderhoud om de begroting sluitend te krijgen? Welke minimale kwaliteitseisen en personele normen gelden en wie houdt daarop toezicht? De toelichting noemt onder meer circa 35 vierkante meter binnenruimte per kind, voldoende fte per kind en doorlopend goed onderhoud. Waarom zijn deze uitgangspunten niet als concrete, toetsbare normen in de regeling vastgelegd? Hoe wordt beoordeeld of de veiligheid en kwaliteit daadwerkelijk op orde zijn?
De leden van de PRO-fractie lezen in de evaluatie dat personeelskrapte, vergrijzing en zwaardere ondersteuningsvragen de continuïteit en kwaliteit van de begeleiding onder druk kunnen zetten. Tegelijkertijd vielen pedagogische kwaliteit, individuele leerprestaties en de ontwikkeling en het welzijn van kinderen buiten de reikwijdte van de evaluatie. Op welke informatie baseert de Minister dan de conclusie dat de voorgestelde financiering toereikend is om goede begeleiding te blijven bieden? Is de Minister bereid de pedagogische kwaliteit, de sociaal-emotionele ontwikkeling en de ervaringen van kinderen structureel te laten volgen, zonder de internaten met onnodige administratieve lasten op te zadelen? Hoe wordt de toegang tot passende jeugdhulp georganiseerd wanneer kinderen extra ondersteuning nodig hebben en hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen gemeenten tot ongelijke hulp leiden?
De leden van de PRO-fractie vinden dat kinderen niet alleen onderwerp van beleid moeten zijn, maar ook zelf moeten kunnen meepraten over beleid dat hun dagelijks leven raakt. Zijn kinderen en jongeren die in een internaat verblijven rechtstreeks betrokken bij de evaluatie en bij de vormgeving van deze wijzigingsregeling? Zo ja, op welke wijze, hoeveel kinderen zijn gehoord en wat is met hun inbreng gedaan? Zo nee, waarom niet? Is de Minister bereid bij de uitvoering en eerstvolgende evaluatie een structurele en leeftijdsadequate vorm van kinder- en jongerenparticipatie te organiseren, naast de betrokkenheid van ouders, scholen en exploitanten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorgenomen wijziging en verlenging van de Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan. Deze leden zijn positief over de verlenging van de regeling tot 1 januari 2032. De internaten vervullen een belangrijke functie voor kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan. Uit de evaluatie blijkt bovendien dat zij kinderen een veilige en stabiele leefomgeving bieden en bijdragen aan continuïteit in het onderwijs en de sociale omgeving.
De leden van de PVV-fractie hebben echter grote zorgen over de introductie van een minimum van zes kinderen per internaat-locatie om structureel voor subsidie in aanmerking te komen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister allereerst waarop de keuze voor precies zes kinderen is gebaseerd. Zij vragen welke concrete financiële of bedrijfsmatige berekening hieraan ten grondslag ligt. Ook vragen zij de Minister waarom een locatie met zes kinderen wel als doelmatig wordt beschouwd en een locatie met vijf kinderen uiteindelijk niet. Deze leden vragen de Minister of per locatie is onderzocht wat de daadwerkelijke minimale exploitatiekosten zijn.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister inzichtelijk te maken hoeveel van de huidige acht internaat-locaties op dit moment rond of onder deze grens van een minimum van zes kinderen zitten. Zij vragen de Minister welke locaties volgens de huidige prognoses in de periode 2027–2032 het risico lopen onder de grens van zes kinderen te komen.
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de Minister zelf benadrukt hoe belangrijk stabiliteit, onderwijscontinuïteit en de sociale omgeving voor deze kinderen zijn. Zij vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat een kind vanwege een administratieve bezettingsgrens zijn vertrouwde internaat, school en sociale omgeving moet verlaten. Ook vragen zij of voorafgaand aan het vaststellen van de grens van zes kinderen is onderzocht welke gevolgen eventuele sluiting van locaties heeft voor de regionale en landelijke spreiding van internaten. Zo ja, kan de Minister deze analyse met de Kamer delen? Ook vragen zij welke maximale reisafstand de Minister nog redelijk acht voor kinderen en hun ouders.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te garanderen dat ook kinderen van kermisexploitanten en circusartiesten, die terecht binnen de doelgroep van de regeling blijven vallen, daadwerkelijk toegang houden tot een redelijk bereikbaar internaat wanneer kleinere locaties zouden verdwijnen.
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat doelmatig met publieke middelen moet worden omgegaan, maar vinden dat financiële doelmatigheid niet automatisch zwaarder mag wegen dan continuïteit, bereikbaarheid en het belang van het kind.
Zij vragen daarom waarom is gekozen voor een harde overgangstermijn van maximaal twee aansluitende subsidiejaren voor locaties met drie tot zes kinderen. Ook vragen zij waarom de Minister geen mogelijkheid krijgt om ook daarna gemotiveerd subsidie te blijven verstrekken wanneer behoud van een locatie vanwege de geografische ligging, regionale spreiding of bijzondere omstandigheden noodzakelijk is.
De leden van de PVV-fractie vragen welke ontwikkeling de Minister tot 2032 verwacht in het totale aantal kinderen dat gebruikmaakt van de internaten. Zij vragen de Minister of is onderzocht of de zes-kinderenregel bij een verder dalend aantal kinderen kan leiden tot een domino-effect waarbij achtereenvolgens meerdere kleinere locaties verdwijnen en uiteindelijk slechts enkele grotere internaten overblijven.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister daarom nadrukkelijk of zij bereid is de regeling zodanig aan te passen dat bereikbaarheid, regionale spreiding, continuïteit en het belang van het kind doorslaggevend kunnen zijn bij de beslissing om een kleine locatie ook bij minder dan zes kinderen te blijven subsidiëren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Wijziging en verlenging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan 2027–2032. Het betreft een belangrijke regeling, die internaten in staat stelt schippers-, circus- en kermiskinderen huisvesting, verzorging en opvoeding te bieden. Deze leden zijn blij dat gehoor is gegeven aan de wens om tot een stabieler financieringsmodel te komen. Deze leden hebben nog een enkele vraag. Eerder hebben deze leden gevraagd naar de mogelijkheid van meerjarige subsidietoekenning, ook gezien de behoefte aan voorspelbaarheid. Klopt het dat dit geen onderdeel is van de wijziging van de subsidieregeling en zo ja, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de Wijziging en verlenging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan 2027–2032 met instemming gelezen. Zij zijn verheugd dat de regeling blijft bestaan en waarderen de inzet van de Minister om de regeling ook open te houden voor kinderen van kermis- en circusfamilies. Deze leden hebben vooralsnog verder dus geen vragen of opmerkingen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/nds-tk-2026D41403.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.