2026D24439 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over haar brief inzake de Nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35 386, nr. 42) en het Ontwerpbesluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35 386, nr. 41).

De voorzitter van de commissie,

Huizenga

Adjunct-griffier van de commissie,

Koerselman

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inhoudsopgave

Inleiding

VVD-fractie

Fracties van GroenLinks-PvdA en Partij voor de Dieren

PVV-fractie

CDA-fractie

BBB-fractie

Inleiding

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief «Nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven» en het «Ontwerpbesluit houdende inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling» (hierna: het ontwerpbesluit). Deze leden hebben daarover geen vervolgvragen en vertrouwen op een spoedige inwerkingtreding van de wet.

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het ontwerpbesluit en van de brief over de nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkbedrijven. Deze leden danken de Staatssecretaris voor de toezending van deze stukken en hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van de stukken en hebben hier enkele vragen en opmerkingen bij.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken op de agenda van dit schriftelijk overleg en hebben nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van brieven over de nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven en de voorhang van het ontwerpbesluit en hebben daarover enkele vragen.

De leden van de BBB-fractie hebben met grote zorgen kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris over de nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkbedrijven en het ontwerpbesluit.

VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie constateren dat het kabinet van oordeel is dat is voldaan aan de drie voorwaarden uit het amendement-Michon-Derkzen (Kamerstuk 35 386, nr. 16). Deze leden onderschrijven het belang van een zorgvuldige invoering van de wet en hebben in dat kader nog enkele vragen over de uitvoerbaarheid, de compensatieregeling en het verdere proces.

Handhaving en uitvoerbaarheid

De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan een uitvoerbare en handhaafbare regeling. Kan de Staatssecretaris nader toelichten op basis van welke criteria is geconcludeerd dat sprake is van een effectief handhavingsplan? Kan zij nader toelichten of er sprake is van een nulmeting en helder geformuleerde indicatoren aan de hand waarvan na afloop kan worden gemeten of het handhavingsplan effectief heeft gewerkt? Is zij voornemens om het handhavingsplan na de jaarwisseling te evalueren? Zo ja, gebeurt dat door een externe partij?

Deze leden vragen daarnaast hoe de Staatssecretaris kijkt naar het risico van een toename van illegaal vuurwerkgebruik en welke maatregelen worden genomen om dat risico zo veel mogelijk te beperken.

Ontheffingsmogelijkheid

De leden van de VVD-fractie constateren dat de ontheffingsmogelijkheid voor georganiseerde groepen burgers onderdeel vormt van de voorwaarden voor inwerkingtreding. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe deze regeling in de praktijk werkbaar wordt gemaakt voor gemeenten? Hoe wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de toepassing van deze bevoegdheid of grote verschillen tussen gemeenten?

Nadeelcompensatie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de hoofdlijnen van de nadeelcompensatieregeling. Deze leden zijn van mening dat het belangrijk is om te komen tot een nette en juridisch houdbare regeling voor ondernemers die door deze wetswijziging worden geraakt. Kan de Staatssecretaris nader toelichten hoe de juridische houdbaarheid van de nadeelcompensatieregeling is getoetst?

Deze leden lezen dat de nadere uitwerking via een convenant en beleidsregel nog volgt. Kan de Staatssecretaris toezeggen de Kamer te informeren, zodra het convenant met importeurs en de beleidsregel voor detailhandel definitief zijn vastgesteld?

Vervolgproces

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Staatssecretaris het verdere tijdpad voor zich ziet richting de komende jaarwisseling. Kan zij bij elk van de drie voorwaarden schetsen welke overleggen de komende maanden plaatsvinden in voorbereiding op de jaarwisseling, op welk moment en op welke wijze burgers en getroffen ondernemers actief door het kabinet worden geïnformeerd?

Fracties van GroenLinks-PvdA en Partij voor de Dieren

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren zijn blij dat met de nadeelcompensatieregeling de laatste losse eindjes van het vuurwerkverbod kunnen worden afgehandeld. Na decennia van overlast en vervuiling, schade en letsel, vaak zeer ernstig, is de weg naar een oplossing vrij. Het is haast niet te bevatten hoeveel vingers en ogen in de loop de jaren aan dit vermaak zijn geofferd. Met een einde aan de vrije verkoop van deze explosieven aan het publiek, wordt ook handhaving makkelijker en kunnen we hopelijk de oorlogsachtige taferelen rond de jaarwisseling in onze steden achter ons laten. Deze leden verzoeken de Staatssecretaris dan ook om voortvarend alles in het werk te zetten dat nodig is om de nieuwe vuurwerkregels nog dit jaar van kracht te laten worden.

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren zijn van mening dat de voorgestelde nadeelcompensatie voor de branche gul en daarmee volgens de eisen van de Kamer is ingevuld. Voor een sector die al jaren weet dat het einde van de vrije verkoop van vuurwerk in zicht is en voor wie het in verreweg de meeste gevallen ook slechts om neveninkomsten gaat, is dit naar de mening van deze leden ruim voldoende. Ook volgens de staatssteunregels is dit met maximale wat mag worden geboden. En meer dan maximaal compenseren is geen optie. Deze leden vinden het totaalbedrag dat nodig lijkt wel heel fors, maar deze eenmalige prijs is gezien de enorme maatschappelijke schade die vuurwerk veroorzaakt, de investering waard.

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren hebben wel grote twijfels bij de dekking van deze compensatie. De Kamer stemde in 2025 voor het amendement dat de afhandeling onderbracht in de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Maar het dubbel demissionaire kabinet verzuimde om hiervoor reserveringen in de begroting voor 2026 te maken. De noodzaak om nu in reeds toegekende fondsen en posten geld te vinden heeft geleid tot keuzen die voor deze leden moeilijk te dragen zijn. Met name de bezuinigingen op de investeringen van ProRail in verduurzaming en klimaatneutraliteit, is pijnlijk, bijna cynisch. Als we de ene verduurzaming betalen met de middelen voor de andere, gaan we niet vooruit. Deze leden verzoeken het kabinet dan ook om het gat dat hiermee is geslagen bij de volgende Miljoenennota te herstellen en aan te vullen uit de algemene middelen. De maatschappelijke baten van het vuurwerkverbod maken deze compensatie meer dan goed.

PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie merken op dat de vuurwerkbranche met deze regeling slechts een zeer beperkte compensatie ontvangt. Bedrijven worden door overheidsbeleid gedwongen hun activiteiten te beëindigen, terwijl daar slechts een fractie van de geleden schade tegenover staat. Hoe kan het dat het bedrag dat het kabinet hiervoor wil uittrekken zoveel lager ligt dan de schadebedragen die vanuit de sector zelf worden genoemd?

De leden van de PVV-fractie lezen dat een ruimere vergoeding volgens de Staatssecretaris het risico op ongeoorloofde staatssteun met zich meebrengt. Deze leden vragen wat binnen deze staatssteunkaders dan wél het maximale bedrag is dat aan handelaren kan worden gecompenseerd. Welke ruimte bestaat er bijvoorbeeld om de compensatie over meerdere jaren uit te keren of te verlengen?

De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat ondernemers in de vuurwerkbranche volgens de Staatssecretaris altijd rekening moeten houden met overheidsregulering, waaronder een mogelijk verbod. Deze leden vinden dit een vreemde redenering en vragen daarom voor welke andere sectoren deze redenering eveneens zou gelden. Kan de Staatssecretaris toelichten waar hierin de grens ligt? En of deze andere sectoren hiervan op de hoogte worden gebracht door de overheid?

De leden van de PVV-fractie vragen ook of de Staatssecretaris erkent dat het beëindigen van deze sector, in combinatie met deze beperkte compensatie, ertoe zal leiden dat veel detailhandelaren hun onderneming moeten sluiten. Dit geldt met name voor ondernemers die afhankelijk zijn van de extra omzet rond de jaarwisseling. Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken hoeveel ondernemers als gevolg van deze maatregel genoodzaakt zullen zijn hun gehele onderneming te beëindigen? En wat zijn naar verwachting de kosten voor de schatkist wanneer ondernemers als gevolg van deze maatregel noodgedwongen een beroep moeten doen op sociale uitkeringen?

De leden van PVV-fractie zijn principieel tegen een vuurwerkverbod voor de gewone burger en zien dit als een symboolmaatregel die de echte problemen niet aanpakt. Deze leden maken zich grote zorgen over het feit dat er geen eenduidige afspraken binnen de EU zijn. Uit de bronnen blijkt dat in buurlanden, zoals Duitsland, de prijsniveaus voor vuurwerk aanzienlijk lager liggen. Dit verbod zal volgens deze leden leiden tot een enorme toename van (illegaal) vuurwerk uit Duitsland en België, aangezien de grenzen open zijn. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris denkt het illegale vuurwerk uit Nederland te weren als het aan de andere kant van de grens gewoon voorhanden blijft. Erkent de Staatssecretaris dat dit verbod de illegale handel juist een enorme stimulans geeft?

De leden van de PVV-fractie zien dat dit verbod zich richt op legaal, gecontroleerd consumentenvuurwerk (F2), terwijl de overlast en incidenten vaak worden veroorzaakt door zwaar illegaal vuurwerk of professioneel vuurwerk dat niet voor particulieren bestemd is. Er wordt gesproken over een effectief handhavingsplan als voorwaarde voor inwerkingtreding. Deze leden vragen hoe de handhaving effectief kan zijn als de politie nu al met een tekort aan capaciteit kampt. Is de Staatssecretaris bereid toe te geven dat dit verbod een vorm van collectieve straf is voor de goedwillende burger, terwijl de raddraaiers met illegaal vuurwerk buiten schot blijven?

De leden van de PVV-fractie zien dat uit de analyse van Sman Business Value dat het importeren van vuurwerk voor importeurs de hoofdactiviteit is en dat hun bedrijfsvoering bij een verbod niet langer levensvatbaar zal zijn. Hoewel de Staatssecretaris kiest voor scenario B (drie jaar winstderving voor importeurs), dekt dit volgens deze leden op geen enkele wijze de volledige vernietiging van de bedrijfswaarde. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris waarom er voor detailhandelaren slechts uitgegaan wordt van één jaar winstderving, terwijl voor velen van hen de vuurwerkverkoop essentieel is voor een gezonde bedrijfsvoering in de wintermaanden.

De leden van de PVV-fractie zijn zeer kritisch over het feit dat de waardedaling van onroerend goed niet wordt gecompenseerd, omdat dit onder het normaal ondernemersrisico zou vallen. De bronnen tonen aan dat vuurwerkbunkers aan extreem specifieke bouwkundige eisen (PGS-15 richtlijn) moeten voldoen en vaak niet zomaar voor andere doeleinden of gevaarlijke stoffen gebruikt kunnen worden. Deze ondernemers hebben op last van de overheid zwaar geïnvesteerd in deze bunkers. Graag vernemen deze leden hoe de Staatssecretaris het kan rechtvaardigen dat deze ondernemers nu met onbruikbare, onverkoopbare panden blijven zitten zonder enige vorm van compensatie voor deze kapitaalvernietiging.

De leden van de PVV-fractie lezen dat de Staatssecretaris stelt dat restvoorraden deels met margederving in het buitenland verkocht kunnen worden. De praktijk is echter veel weerbarstiger; Duitse labels, gebruiksaanwijzingen en keuringen verschillen van de Nederlandse, en de concurrentie met bestaande buitenlandse leveranciers is moordend. Deze leden vragen waarom van ondernemers wordt verwacht dat zij hun schade beperken door verkoop in het buitenland, terwijl uit de bronnen blijkt dat dit proces complex, duur en vaak onmogelijk is door afwijkende nationale eisen. Deze leden vragen of de Staatssecretaris bereid is de margederving op restvoorraden volledig te vergoeden in plaats van slechts het verlies op de inkoopwaarde. Deze leden vragen of de Staatssecretaris naar aanleiding van de bovenstaande redenaties/vragen reden ziet om toch af te zien van de invoering van het consumentenvuurwerkverbod voor dit jaar en komende jaren. Zo ja, welke argumenten zijn er en zo nee waarom niet?

CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de financiële compensatie voor vuurwerkondernemingen zorgvuldig, transparant en doelmatig wordt vormgegeven, zodat overcompensatie en daarmee ongeoorloofde staatssteun worden voorkomen. Dat vereist dat ook de daadwerkelijk geleden schade goed in beeld wordt gebracht. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe de monitoring en evaluatie van de compensatieregeling worden ingericht om achteraf te kunnen vaststellen dat geen sprake is geweest van overcompensatie. In hoeverre zijn met importeurs en detailhandelaren afspraken gemaakt over de wijze waarop zij hun daadwerkelijk geleden schade moeten aantonen? Hoe wordt getoetst of opgevoerde schade daadwerkelijk geleden en proportioneel is? Welke indicatoren, toetsingscriteria en controlemomenten worden daarbij gehanteerd? Hoe en door wie wordt de daadwerkelijk geleden schade van bedrijven die compensatie ontvangen vastgesteld? Welke onafhankelijke partijen of deskundigen worden betrokken bij de beoordeling en verificatie van de schade?

De leden van de CDA-fractie constateren dat bij de vormgeving van de compensatieregeling nadrukkelijk is gekozen voor een ruimhartige benadering. Daarbij zijn ook elementen meegenomen die niet direct samenhangen met het verbod zelf. Deze leden vragen de Staatssecretaris waarom ervoor is gekozen om bij de berekening van de winstderving ook de winst op F1-vuurwerk mee te tellen, terwijl het verbod daarop geen betrekking heeft? Waarom zijn de positieve effecten van de Wet veilige jaarwisseling, zoals verkoop aan ontheffinghouders en een verwachte omzettoename van F1-vuurwerk, buiten beschouwing gelaten? Deze leden vragen de Staatssecretaris duidelijk uiteen te zetten in hoeverre deze ruimhartige benadering strijdig is met het voorkomen van overcompensatie en met het doelmatig inzetten van publieke middelen.

De leden van de CDA-fractie merken op dat uit de stukken blijkt dat het oorspronkelijke ambtelijke advies was om te kiezen voor scenario A (2 en 1 jaar winstderving), mede vanwege de beperkte risico’s op precedentwerking en ongeoorloofde staatssteun. Uiteindelijk is echter gekozen voor een ruimhartiger benadering. Deze leden vragen de Staatssecretaris waarom er niet is vastgehouden aan het oorspronkelijke ambtelijke advies om te kiezen voor scenario A. Welke inhoudelijke, juridische en politieke afwegingen hebben geleid tot de keuze voor drie jaar winstderving voor importeurs? Hoe is daarbij het risico op precedentwerking en mogelijke terugvordering wegens ongeoorloofde staatssteun meegewogen?

De leden van de CDA-fractie lezen dat in de compensatieregeling ook rekening wordt gehouden met eventuele restvoorraden vuurwerk, waarbij is ingezet op het zoveel mogelijk beperken daarvan. Dit roept bij hen vragen op over eigendom, verwerking en compensatie van deze voorraden. Zij vragen wat er gebeurt met de resterende vuurwerkvoorraden waarvoor geen afzet in Nederland meer mogelijk is. Wiens eigendom blijven deze restvoorraden na compensatie? Welke restricties, voorschriften of verplichtingen gelden voor opslag, verkoop, export, vernietiging of andere verwerking van deze voorraden? Hoe wordt gecontroleerd dat restvoorraden niet alsnog leiden tot dubbele compensatie of ongeoorloofde staatssteun? Welke rol hebben importeurs zelf bij de verdere afhandeling van deze restvoorraden? Deze leden merken op dat er sinds mei 2025 gesprekken plaatsvinden met importeurs over de compensatieregeling en in het bijzonder de afhandeling van restvoorraden. De laatste gesprekken zouden plaatsvinden in de week van 4 mei 2026. Zij vragen wat de uitkomst was van deze laatste gesprekken.

BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie constateren dat de discussie over de compensatie voor vuurwerkondernemers op meerdere punten sterke overeenkomsten vertoont met eerdere dossiers waarin ondernemers of burgers pas na langdurige juridische procedures erkenning en compensatie kregen voor schade veroorzaakt door overheidsbeleid. Deze leden vinden dat voorkomen moet worden dat opnieuw een situatie ontstaat waarin ondernemers jarenlang tegenover hun eigen overheid komen te staan om een rechtvaardige compensatie af te dwingen.

Kan de Staatssecretaris bevestigen dat nadeelcompensatie juridisch gezien een openeinderegeling betreft waarbij de daadwerkelijke schade leidend behoort te zijn? Hoe voorkomt zij dat het reeds communiceren van een totaalbudget ertoe leidt dat budgettaire begrenzing feitelijk belangrijker wordt dan volledige en zorgvuldige schadevaststelling? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het beschikbare budget of het ontbreken van dekking binnen de begroting juridisch geen zelfstandige grond mag vormen voor het beperken van een schadevergoeding waarop ondernemers recht hebben? Erkent de Staatssecretaris dat nadeelcompensatie geen politieke tegemoetkoming is, maar een juridisch afdwingbare verplichting, indien sprake is van een onevenredige last als gevolg van rechtmatig overheidshandelen?

De leden van de BBB-fractie constateren dat in de brief uitgebreid wordt verwezen naar overleg en afstemming met de branche. Tegelijkertijd ontvangen deze leden vanuit de consumentenvuurwerkdetailhandel signalen dat gesprekken vooral werden ervaren als eenzijdige mededelingen vanuit het ministerie, waarbij inhoudelijk weinig tot niets zou zijn gedaan met voorstellen en argumenten vanuit de branche. De Kamer is met de Kamerbrief van 8 mei weliswaar op de hoogte gebracht van alle contactmomenten met de brancheverenigingen, maar uit dat schrijven blijkt niet duidelijk welke voorstellen van de ondernemers besproken zijn. Kan de Staatssecretaris specifiek aangeven welke voorstellen vanuit de branche aantoonbaar hebben geleid tot aanpassingen in de regeling? Deze leden vragen niet om de letterlijke inhoud van gesprekken, maar wel een duidelijk overzicht van de voorgestelde aanpassingen van de sector en een overzicht van óf en hoe die voorstellen verwerkt zijn in de uiteindelijke uitwerking.

De leden van de BBB-fractie ontvangen daarnaast signalen dat brancheorganisaties na vrijwel ieder overleg schriftelijk hebben aangegeven het gevoel te hebben dat het ministerie primair stuurde op het zo laag mogelijk houden van de compensatie, onder verwijzing naar staatssteun, normaal ondernemersrisico, voorzienbaarheid en budgettaire beperkingen. Hoe reflecteert de Staatssecretaris op deze signalen? Kan zij alle correspondentie tussen het ministerie en brancheorganisaties over de nadeelcompensatieregeling aan de Kamer doen toekomen, inclusief reacties op voorstellen vanuit de branche? Kan de Staatssecretaris ook bevestigen dat de brancheorganisaties van de consumentenvuurwerkverkopers expliciet hebben aangegeven niet akkoord te zijn met de huidige opzet van de compensatieregeling?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris stelt dat het voorstel van de branche voor schadevaststelling via uitgebreide invulformulieren en steekproefcontroles niet goed uitvoerbaar zou zijn. Deze leden begrijpen dat ondernemers juist hebben voorgesteld om via een dergelijke systematiek de daadwerkelijke schade zorgvuldig per onderneming inzichtelijk te maken. Waarom is dit voorstel niet inhoudelijk verder uitgewerkt? Werd bij het voorstel van de sector gewerkt met dezelfde cijfers als uitgangspunt als bij de uiteindelijk gebruikte systematiek? Zo nee, wat waren daarin de verschillen? En als er van dezelfde gegevens gebruik gemaakt zou worden, is de Staatssecretaris het dan met deze leden eens dat het voorstel van de branche wat controleerbaarheid betreft gelijkwaardig is aan het uiteindelijk gekozen systeem? Acht de Staatssecretaris het argument dat individuele schadevaststelling «te veel werk» of onvoldoende uitvoerbaar zou zijn verenigbaar met de verplichting van de overheid om onevenredige schade zorgvuldig vast te stellen?

De leden van de BBB-fractie maken zich daarnaast ernstige zorgen over de wijze waarop structurele schadeposten grotendeels onder het normaal ondernemersrisico lijken te worden geschoven. In het Sman-rapport worden expliciet schadeposten genoemd, zoals winstderving, huurverplichtingen, afschrijvingen, restvoorraden, waardedaling van investeringen en verlies van bedrijfswaarde. Waarom worden deze posten vervolgens slechts zeer beperkt vergoed? Hoe verhoudt dit zich volgens de Staatssecretaris tot artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het vereiste van een «fair balance» waarbij ondernemers niet geconfronteerd mogen worden met een individuele en buitensporige last? Hoe verhoudt het huidige voorstel zich tot artikel 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht, nu de gekozen omvang van de compensatie volgens brancheorganisaties onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd? Wat wordt specifiek en per casus gedaan voor de schrijnende gevallen (als bijvoorbeeld sprake is van lang doorlopende huurcontracten)? Deze leden ontvangen signalen van ondernemers die nog jarenlang vastzitten aan huurcontracten, onderhoudsverplichtingen voor bunkers, sprinklerinstallaties en kosten voor het terugbrengen van panden in oorspronkelijke staat. Deze leden begrijpen niet hoe een forfaitaire opslag van 15% plus € 3.500 per winkel in dergelijke gevallen een redelijke compensatie kan vormen. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe deze bedragen zich volgens haar verhouden tot de daadwerkelijke lasten waar ondernemers mee geconfronteerd worden?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris stelt dat ondernemers rekening hadden moeten houden met verdergaande regulering of zelfs een verbod, mede omdat de discussie over consumentenvuurwerk al langere tijd speelde. Deze leden vinden die redenering moeilijk te volgen. De politieke discussie over vuurwerk bestaat al tientallen jaren, zonder dat er gedurende lange tijd een meerderheid was voor een landelijk verkoopverbod. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom ondernemers hieruit hadden moeten afleiden dat zij investeringen in veiligheidsmaatregelen, bunkers, sprinklerinstallaties en vergunningstrajecten niet meer mochten vertrouwen? Kan de Staatssecretaris bovendien aangeven op welke uitspraken van de Rechtbank Den Haag zij precies doelt?

Deze leden merken daarbij op dat ondernemers juist jarenlang hebben geïnvesteerd op basis van steeds strengere overheidsregels en veiligheidseisen. Erkent de Staatssecretaris dat ondernemers hierdoor juist mochten vertrouwen op continuering van een gereguleerde legale activiteit? Hoe reflecteert zij op het gevoel bij ondernemers dat de overheid hen eerst verplichtte forse investeringen te doen en vervolgens stelt dat de gevolgen van het verbod grotendeels voor eigen rekening zijn?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris zich herhaaldelijk beroept op mogelijke kapitalisatierisico’s. Tegelijkertijd wijzen zowel Simmons & Simmons als de Landsadvocaat erop dat compensatie binnen het reguliere nadeelcompensatierecht in beginsel geen verboden staatssteun vormt. Waarom blijft het ministerie staatssteun zo nadrukkelijk als argument gebruiken? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat binnen het nadeelcompensatierecht geen vaste maximale kapitalisatiefactor bestaat en dat in jurisprudentie factoren van 8 tot 10 bij structurele inkomensschade niet ongebruikelijk zijn? Op basis van welke concrete jurisprudentie concludeert de Staatssecretaris dat in dit dossier volstaan kan worden met circa één jaar winstderving?

Deze leden ontvangen bovendien signalen dat zelfs volgens de Landsadvocaat ruimte bestaat voor een hogere compensatie dan het gekozen scenario (namelijk hoger dan scenario C) voor detailhandelaren. Klopt dit? Waarom is desondanks gekozen voor wat door ondernemers wordt ervaren als het laagste compensatiescenario? Klopt het dat het kabinet met deze regeling feitelijk kiest voor het laagste compensatiescenario voor detailhandelaren, terwijl zelfs volgens de Landsadvocaat ruimte bestaat voor een hogere vergoeding? Is de Staatssecretaris bereid onafhankelijk juridisch advies openbaar te maken over de vraag welke kapitalisatiefactor binnen het nadeelcompensatierecht in deze specifieke situatie redelijk en juridisch houdbaar is?

De leden van de BBB-fractie maken zich tevens zorgen over de positie van consumentenvuurwerkverkopers ten opzichte van de importeurs. Deze leden willen benadrukken dat importeurs recht hebben op een eerlijke en rechtvaardige compensatie. Het is wat deze leden betreft dan ook goed dat voor importeurs wordt gekeken naar een regeling die daadwerkelijk aansluit bij de omvang van de schade en de lange inkoop- en verkoopcycli waarmee zij te maken hebben.

Tegelijkertijd vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat detailhandelaren door deze situatie feitelijk met de rug tegen de muur worden gezet. Wanneer importeurs via convenanten tot overeenstemming komen en stoppen met importeren, terwijl detailhandelaren nog grote bezwaren hebben tegen de hoogte en systematiek van hun eigen compensatieregeling, ontstaat immers de situatie dat detailhandelaren nauwelijks nog een reële onderhandelingspositie hebben. Zij hebben dan mogelijk geen vuurwerk meer om te verkopen, ook niet wanneer procedures of besluitvorming nog lopen. Hoe reflecteert de Staatssecretaris op dit risico?

Daarnaast lezen de leden van de BBB-fractie dat de Staatssecretaris het verschil in compensatie tussen importeurs en detailhandelaren onder andere rechtvaardigt door te stellen dat vuurwerkverkoop voor detailhandelaren vaak een nevenactiviteit betreft. Deze leden vinden die redenering moeilijk te volgen. Het feit dat een ondernemer naast vuurwerkverkoop nog andere activiteiten heeft, betekent immers niet automatisch dat de schade die ontstaat door het wegvallen van de vuurwerkverkoop minder groot of minder ingrijpend is. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom een ondernemer minder recht op compensatie zou hebben, enkel omdat hij naast deze activiteit nog andere bedrijfsactiviteiten heeft? Deze leden ontvangen daarnaast signalen dat vuurwerkverkoop bij veel ondernemers juist verantwoordelijk is voor een substantieel deel van de jaarwinst. Is de Staatssecretaris hiermee bekend? Hoe voorkomt zij dat ondernemers die afhankelijk zijn van deze winstcomponent onevenredig hard geraakt worden? Deze leden wijzen er bovendien op dat veel investeringen juist specifiek voor de vuurwerkverkoop zijn gedaan, zoals bunkers, sprinklerinstallaties, veiligheidsvoorzieningen en vergunningstrajecten. Die kosten waren niet nodig geweest zonder de vuurwerkactiviteit. Waarom wordt dit onvoldoende meegewogen?

Ook vragen deze leden waarop precies is gebaseerd dat detailhandelaren juridisch gezien «minder ingrijpend» geraakt zouden worden dan importeurs. Beschikt de Staatssecretaris over cijfers waaruit blijkt hoeveel importeurs uitsluitend afhankelijk zijn van vuurwerkverkoop en hoeveel detailhandelaren daarnaast géén of juist wél substantiële andere inkomstenbronnen hebben? Kan zij deze cijfers met de Kamer delen?

De leden van de BBB-fractie lezen dat bij het opstellen van de regeling geen rekening is gehouden met toekomstige verkoopmogelijkheden via verenigingen en stichtingen. Tegelijkertijd wijst de Staatssecretaris wel op deze mogelijkheid. Deze leden vragen hoe realistisch deze mogelijkheid daadwerkelijk is, gelet op de grote beleidsvrijheid van burgemeesters en signalen dat veel gemeenten zeer terughoudend zullen omgaan met vergunningverlening. Is de Staatssecretaris bereid te erkennen dat deze markt in de praktijk mogelijk zeer beperkt zal blijken?

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast waarom nog steeds geen duidelijkheid bestaat over de fiscale behandeling van de compensatiebedragen. Klopt het dat hierover nog geen definitief standpunt is ingenomen? Erkent de Staatssecretaris dat deze onzekerheid grote gevolgen heeft voor de netto compensatie die ondernemers uiteindelijk daadwerkelijk overhouden?

De leden van de BBB-fractie hebben ook over de procedurele stappen vragen. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom het kabinet van mening is dat aan de derde voorwaarde uit het amendement Michon-Derkzen is voldaan, terwijl de daadwerkelijke beleidsregel en concrete schade-uitwerking nog niet gereed zijn? Acht de Staatssecretaris het wenselijk dat beide Kamers feitelijk moeten oordelen over de inwerkingtreding van het vuurwerkverbod, terwijl ondernemers nog steeds geen volledige duidelijkheid hebben over de daadwerkelijke omvang van hun compensatie?

De leden van de BBB-fractie willen de Staatssecretaris nadrukkelijk wijzen op de parallellen met de eerdere nadeelcompensatieregeling voor pelsdierhouders. Ook in dat dossier werd door de overheid gesteld dat de regeling ruim binnen de juridische kaders van het nadeelcompensatierecht bleef en dat rekening was gehouden met normaal ondernemersrisico. Uiteindelijk heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven echter geoordeeld dat daarbij onterechte kortingen waren toegepast en dat ondernemers dus te weinig compensatie hadden ontvangen. Deze leden maken zich zorgen dat opnieuw een situatie ontstaat waarin de overheid zich beroept op juridische voorzichtigheid, voorzienbaarheid en normaal ondernemersrisico, terwijl pas jaren later via procedures blijkt dat ondernemers structureel tekort zijn gedaan. Hoe reflecteert de Staatssecretaris inhoudelijk op deze vergelijking? Welke lessen zijn volgens haar geleerd uit het dossier van de pelsdierhouders bij het vormgeven van de huidige nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkondernemers?

De leden van de BBB-fractie maken zich dus grote zorgen over het risico dat opnieuw een langdurig juridisch traject ontstaat waarin ondernemers pas via de rechter een hogere compensatie moeten afdwingen. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het risico dat ondernemers uiteindelijk via procedures alsnog hogere vergoedingen zullen verkrijgen, vergelijkbaar met eerdere nadeelcompensatiedossiers? Acht de Staatssecretaris het, mede gelet op de ervaringen bij de pelsdierhouders, niet juist van groot belang om nu uiterst zorgvuldig en ruimhartig te handelen om langdurige juridische trajecten en noodzakelijk herstel achteraf te voorkomen?

Naar boven