2026D20314 Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de geannoteerde agenda van de Informele Landbouw- en Visserijraad (Kamerstuk 21501–32, nr. 1777).

De voorzitter van de commissie,

Steen

De griffier van de commissie,

Jansma

Inhoudsopgave

  • I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

    Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

  • II Antwoord / Reactie van de Minister en Staatssecretaris voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met zorg kennisgenomen van berichten dat het Cypriotisch voorzitterschap voornemens is reeds volgende week een compromisvoorstel voor te leggen van het omnibuspakket Veiligheid van voedsel en diervoerder. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat dit inderdaad de intentie is van het Cypriotisch voorzitterschap? Is de Staatssecretaris hiervan op de hoogte en heeft hij hierover overleg gevoerd met zijn ambtgenoten dan wel via de permanente vertegenwoordiging?

De leden van de D66-fractie achten versnelling van de besluitvorming op dit dossier onwenselijk. Nederland heeft in het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4261) substantiële bezwaren geuit over het omnibusvoorstel. Daarnaast heeft de Nederlandse EU-wetenschapstoets (2026D18869) kritische observaties opgeleverd die geadresseerd dienen te worden in een compromisvoorstel vanuit de Raad. Als er volgende week inderdaad al een principeakkoord wordt bereikt, is er voor Nederland en de Kamer onvoldoende ruimte om daar invloed op uit te oefenen. Dat is wat deze leden betreft zeer bezwaarlijk.

Is de Staatssecretaris bereid zich actief te verzetten tegen deze versnelde planning? Zo ja, is hij bereid daartoe contact op te nemen met gelijkgestemde lidstaten, zoals België, Zweden, Denemarken en Frankrijk, om gezamenlijk een minderheidsblok te vormen dat voldoende omvang heeft om de besluitvorming te vertragen? Is hij bereid daartoe ook op ministerieel niveau en via de permanente vertegenwoordiging actie te ondernemen, ook richting de ANTICI-groep? Deelt hij de analyse van deze leden dat Nederland hiervoor een goede positie heeft, mede omdat andere kritische lidstaten de uitkomsten van de Nederlandse wetenschapstoets met belangstelling volgen?

De leden van de D66-fractie hebben een helder verzoek: gebruik de beschikbare tijd om te achterhalen wat de ondertekende lidstaten daadwerkelijk nodig hebben om de vertragingen weg te werken en de toelatingsprocedures voor groene middelen te versnellen. Die vraag is met het huidige omnibusvoorstel onbeantwoord gebleven. Versnelling van het compromis vóórdat die vraag is beantwoord, is onverantwoord en ondermijnt het draagvlak voor het uiteindelijke besluit.

De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de besluitvorming in de Europese Visserijraad over het makreelquotum. Hoewel het quotum is verlaagd, ligt het vastgestelde niveau van 299.010 ton nog altijd ver boven het wetenschappelijk advies van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES), dat een maximale vangst van 174.000 ton adviseert. Dat is het headline-advies op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis wat de maatstaf is die het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) als uitgangspunt neemt. Daarbij geldt dat er nog altijd geen internationale vangstverdeling is afgesproken met alle kuststaten, waardoor de daadwerkelijke vangst naar verwachting nog aanzienlijk boven het vastgestelde quotum zal uitkomen.

Dit baart deze leden zorgen, temeer omdat het makreelbestand de afgelopen tien jaar sterk is afgenomen. Makreel vervult als sleutelsoort een cruciale ecologische functie in de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Door opnieuw boven het wetenschappelijk advies te vissen, wordt het herstel van de soort verder onder druk gezet en neemt het risico op een uiteindelijk totaal vangstverbod toe. Dat scenario kent op termijn alleen verliezers: de natuur, de vissers en de kustgemeenschappen die van de visserij afhankelijk zijn. Bovendien wordt hiermee een precedent geschapen: als voor makreel de wetenschappelijke grenzen worden losgelaten onder druk van internationale kuststaten, wordt het moeilijker om voor andere soorten wél op Maximum Sustainable Yield (MSY)-niveau vast te houden. Met welke motivatie heeft de Staatssecretaris in Europa gepleit voor een quotum dat ruim boven het ICES-advies ligt? Deelt de Staatssecretaris de analyse dat dit besluit het risico vergroot op verdere achteruitgang van het makreelbestand en uiteindelijk op een totaal vangstverbod? Zo nee, op grond van welk wetenschappelijk inzicht wijkt zij af van het ICES-advies? Welke stappen zet de Staatssecretaris om te komen tot bindende internationale vangstafspraken met alle kuststaten binnen de wetenschappelijke grenzen, zodat het vastgestelde quotum ook daadwerkelijk de bovengrens is en niet slechts een papieren getal?

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 en danken het kabinet voor de toezending daarvan. Deze leden hechten aan een sterke en toekomstbestendige landbouw- en visserijsector, waarin ruimte is voor ondernemerschap, innovatie en een goed verdienvermogen voor ondernemers. Tegelijkertijd vinden deze leden het van belang dat Europees beleid uitvoerbaar blijft, regeldruk wordt beperkt en het gelijke speelveld binnen de Europese Unie (EU) wordt geborgd.

Risicomanagement in de Europese landbouwsector

De leden van de VVD-fractie steunen de inzet op een weerbare landbouwsector die beter bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering. Deze leden vinden het belangrijk dat ondernemers in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het managen van risico’s en dat de overheid vooral faciliteert door randvoorwaarden op orde te brengen en innovatie mogelijk te maken. Tegelijkertijd constateren deze leden dat het Europese instrumentarium voor risicomanagement nog weinig concreet is uitgewerkt.

Deze leden vragen het kabinet daarom welke Europese instrumenten op dit moment beschikbaar zijn of worden overwogen om agrarische ondernemers te ondersteunen bij het omgaan met risico’s, en hoe wordt voorkomen dat nieuwe maatregelen leiden tot extra administratieve lasten of marktverstoring. Daarbij vragen zij hoe het kabinet ervoor wil zorgen dat er binnen de EU sprake blijft van een eerlijk en gelijk speelveld tussen lidstaten, met name wanneer nationale steunmaatregelen worden ingezet.

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet aankijkt tegen de verdere ontwikkeling van de brede weersverzekering en hoe wordt geborgd dat deze toegankelijk en betaalbaar blijft voor ondernemers. Deze leden zijn van mening dat innovatie, zoals nieuwe teelten, digitalisering en precisielandbouw, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het vergroten van de weerbaarheid van bedrijven. Zij vragen daarom hoe het kabinet deze innovaties in Europees verband wil stimuleren en hoe wordt voorkomen dat ondernemers worden geconfronteerd met complexe regelgeving of onnodige subsidieregelingen. Zij vragen ook hoe wordt geborgd dat maatregelen voor risicomanagement aansluiten bij de praktijk van ondernemers en voldoende ruimte laten voor investeringen.

Evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de aankomende evaluatie van het GVB en onderschrijven het belang van een beleid dat zowel duurzaam als werkbaar is voor de visserijsector. Deze leden vinden dat regelgeving in de praktijk uitvoerbaar moet zijn en dat investeringen in innovatie en verduurzaming niet onnodig mogen worden belemmerd door complexe regels.

Zij vragen het kabinet welke onderdelen van het huidige GVB volgens Nederland het meest knellen in de praktijk en welke concrete wijzigingen Nederland in Europees verband wil bepleiten om de uitvoerbaarheid te verbeteren. In het bijzonder vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen de werking van de aanlandplicht en welke aanpassingen mogelijk zijn om deze beter uitvoerbaar en handhaafbaar te maken, zonder de duurzaamheidsdoelen uit het oog te verliezen.

Daarnaast vragen deze leden hoe Nederland zich inzet voor het verminderen van regeldruk binnen het GVB en het versterken van de concurrentiepositie van de sector, onder meer door ruimte te bieden voor innovatie en digitalisering en door procedures te vereenvoudigen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026. Deze leden hebben echter ook vragen en opmerkingen over actualiteiten rondom het omnibuspakket voor voedsel- en diervoederveiligheid. Hun inbreng richt zich met name daarop, met het oog op het geplande plenaire debat over de Omnibus voedsel- en diervoederveiligheid na het meireces 2026.

Geannoteerde agenda

Risicomanagement Landbouw

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een discussie zal plaatsvinden over risicomanagement in de Europese landbouwsector. Volgens deze leden is de meest effectieve risicomanagement de structurele verduurzaming van de landbouw. Is Nederland in deze discussie bereid te pleiten voor natuurinclusiviteit als belangrijkste risicomitigerende maatregel en op te roepen tot het aantrekkelijker maken van natuurinclusieve bedrijfsvormen? Deze leden erkennen ook dat elke teler geraakt kan worden door de gevolgen van extreem weer. Hoe kijkt het kabinet naar het compenseren van telers die door onvoorziene klimaatomstandigheden hard worden getroffen? In welke mate dienen telers publiek, danwel privaat te worden gecompenseerd? Wat is volgens de regering een wenselijke «verantwoordelijkheidsverdeling» tussen de EU, de lidstaten en private verzekeraars? Deelt het kabinet de opvatting van deze leden dat publieke middelen in beginsel dienen te gaan naar duurzame telers wiens bedrijvigheid bijdraagt aan publieke belangen zoals duurzaamheid, dierenwelzijn en gezondheid?

Gemeenschappelijk Visserijbeleid

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben moeite met het uitblijven van de stukken voor de evaluatie van het GVB. Deze leden kunnen hierdoor geen gericht commentaar leveren. Zij vragen het kabinet of het standpunt over het GVB ongewijzigd is in vergelijking tot het voorgaande kabinet. Heeft het kabinet-Jetten andere prioriteiten, accenten of aandachtspunten. Zo ja, hoe komen deze tot uiting? Hoe beoordeelt het kabinet of voorstellen tot versimpeling en regeldrukverlichting daadwerkelijk effectief zijn en in feite geen afbreuk doen aan de gestelde doelen? Deze leden wijzen op het grote belang dat voorstellen daadwerkelijk getoetst worden en dat het kabinet niet zomaar meegaat in de aannames van de Europese Commissie (EC), zolang er geen wezenlijke en onafhankelijke impact assessment is uitgevoerd.

Omnibus

Actualiteit

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun grote zorgen over het Europese omnibusvoorstel voor voedsel- en diervoederveiligheid. Uit de EU-wetenschapstoets die is uitgevoerd maken deze leden op dat de gevolgen van het vereenvoudigingspakket niet onderbouwd zijn en dat vrijwel alle beoogde doelen (onder andere een gelijk speelveld creëren, regeldruk verminderen, innovaties versnellen, mens en milieu beschermen) niet worden gehaald. Deze leden vragen het kabinet om de EU-wetenschapstoets ter harte te nemen en zich, zolang de Kamer zich niet heeft uitgesproken, afwijzend uit te laten over het omnibusvoorstel. Zij vragen het kabinet een volledige terugkoppeling van de onderhandelingen die momenteel plaatsvinden of reeds hebben plaatsgevonden over het omnibusvoorstel en een tijdlijn te schetsen van belangrijke beslismomenten die de komende tijd zullen volgen. Zij vragen het kabinet ook om expliciet te maken of en zo ja, op welke wijze haar standpunt afwijkt van het voorgaande kabinet dat het BNC-Fiche destijds heeft opgesteld.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat de voorbereidende ANTICI-groep van de Europese Raad op woensdag 29 april een «compromisvoorstel» zal presenteren met betrekking tot het omnibuspakket (Europese Raad, 29 april 2026, «Antici Gr. (Simplification), 29 april 2026, (https://www.consilium.europa.eu/nl/meetings/mpo/2026/4/antici-sub-gr-on-simplification-(365244)/)). Deze leden vragen het kabinet om precies toe te lichten wat de inzet van het kabinet bij eerdere besprekingen van de ANTICI-groep waar het omnibuspakket is besproken. Is er al een compromis bereikt op enkele onderdelen, zoals pesticiden? Zo ja, is dat met akkoord van het kabinet of heeft Nederland dit afgekeurd of zich vocaal onthouden van stemming? Volgens deze leden is het van groot belang dat Nederland zich in dit voorbereidende overlegorgaan ondubbelzinnig tégen compromisteksten keert die in strijd zijn met de aangenomen motie-Podt/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) of anderszins geen recht doen aan de zorgen die de Kamer, mede via de EU-wetenschapstoets, over het omnibuspakket heeft geuit. Kan het kabinet beloven dat zij zich in de ANTICI-groep zal voegen bij de blokkerende minderheid en samen zal optrekken met gelijkgestemde landen om deze minderheid te bestendigen?

Toelating en herbeoordeling

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben specifieke vragen over de toelating van pesticiden. Deze leden zijn van mening dat pesticiden, die zorgwekkende stoffen bevatten vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW), hoe dan ook moeten worden uitgesloten van de goedkeuring voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor pesticiden die stoffen, synergisten en beschermstoffen bevatten die wél zijn toegelaten voor onbepaalde tijd. Is het kabinet het ermee eens dat de herbeoordeling van zowel middelen als werkzame stoffen ongewijzigd dient te blijven met oog op de gezondheid van mens en milieu? Hoe kijkt het kabinet naar het toelaten van pesticiden voor onbepaalde tijd, indien deze ten minste één stof bevatten die voor onbepaalde tijd is toegelaten? Kan het kabinet toelichten welke specifieke waarborgen zij bepleit bij onderhandelingen over dit punt? Zet het kabinet zich in voor het verkrijgen van de nationale bevoegdheid om middelen (uit voorzorg) terug te trekken zodra uit onderzoek blijkt dat er mogelijk onaanvaardbare risico’s zijn voor mens en milieu? Behoudt Nederland de bevoegdheid om deze middelen, die voor onbepaalde tijd zijn toegelaten, op eigen initiatief te herbeoordelen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben aanvullende vragen over het recht om als lidstaat herbeoordeling aan te vragen voor mogelijk zorgwekkende stoffen die eerder zijn toegelaten. Deze leden vragen het kabinet om duidelijk te maken welke Nederlandse instantie(s) aan zet zijn om gezondheidsrisico’s te identificeren en signaleren, die aanleiding geven om stoffen in het Europese werkprogramma opnieuw te beoordelen. Hoe wordt dit toezicht nationaal georganiseerd en hoe verzekert het kabinet dat mogelijke risico’s blijvend en effectief worden gemonitord? Kan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ook op eigen initiatief een herbeoordeling aanvragen voor een bepaalde stof? Aan welke criteria moet een in dat geval stof voldoen om ter worden herbeoordeeld?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op het verschuiven van de bewijslast voor de stukken die nodig zijn om een stof opnieuw te beoordelen. Volgens de EU-wetenschapstoets dreigt de bewijslast te verschuiven van de producenten naar overheden, of zelfs een onduidelijke derde partij. Klopt dit? Welke alternatieve plannen worden er besproken met betrekking tot de bewijslast? Deelt het kabinet de zorgen van deze leden over deze verschuiving, omdat dit de bewijslast neerlegt bij producenten die direct belang hebben bij het tegenhouden van een herbeoordeling? Welke aanpassingen stelt het kabinet voor bij het omnibusvoorstel om te garanderen dat er actuele en volledige gegevensverzameling plaatsvindt over risicovolle stoffen, ongeacht waar de bewijslast ligt?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen op de huidige tekortkomingen van de herbeoordelingssystematiek. Zo heeft Nederland, volgens de EU-wetenschapstoets (Appendix 1), in 2020 al eens verzocht om de stof «flypyradifurone» op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten opnieuw te beoordelen. Daarnaast heeft Nederland in juli en oktober van 2025 met twee andere lidstaten een verzoek gedaan om een andere PFAS-stof opnieuw te beoordelen. De EC heeft deze verzoeken echter afgewezen. De nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn ook niet opgenomen in lopend onderzoek naar de stoffen. Hiermee wordt het volgens deze leden vrijwel onmogelijk om aan het voorzorgsprincipe te voldoen. Hoe verwacht het kabinet dat verzoeken tot herbeoordeling van lidstaten op een neutrale en voortvarende manier worden ingewilligd als uit staande praktijk al blijkt dat dit moeizaam verloopt? Is het kabinet bereid te pleiten voor een verplichting aan de EC om herbeoordelingsverzoeken van lidstaten in te willigen? Welke andere mogelijkheden ziet het kabinet om, ongeacht de houding van de EC, wél over te kunnen gaan tot herbeoordeling van stoffen op basis van actuele wetenschappelijke inzichten?

Uitvoerbaarheid

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de uitvoeringslasten van het omnibuspakket voor de Ctgb en de EFSA, die reeds kampen met grote achterstanden bij lopende beoordelingen. Hoe groot is de bestaande achterstand bij (her)beoordelingsprocedures? Kan het kabinet toelichten welke aanvullende capaciteit deze organisaties nodig zouden hebben om de bestaande vertragingen in te halen? Hebben deze organisaties of de EC hier een analyse van gemaakt? Hoe reageert het kabinet op de stelling van de EFSA-voorzitter, Nikolaus Kriz, die in een openbare dialoog op 15 april jongstleden aangaf dat het omnibuspakket geen oplossing zou bieden voor de opgebouwde vertragingen? Op welke wijze zou het omnibuspakket wél kunnen leiden tot het effectief versnellen van (her)beoordelingsprocedures, bijvoorbeeld door het standaardiseren en digitaliseren van bepaalde werkprocessen? Is de mogelijke efficiencywinst van zulke maatregelen al onderzocht en zo ja, welke winst er te behalen? Indien dit enkel te realiseren is met aanvullende middelen, zou dit dan betaald moeten worden met publieke middelen of door een bijdrage te vragen van de vervuilende industrie? Welke soort bekostiging bepleit het kabinet?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet met klem om adviezen en inzichten over de uitvoerbaarheid van maatregelen door zowel de Ctgb en de EFSA zwaar mee te laten wegen in de kabinetsinzet op dit punt. Als die niet beschikbaar zijn, vragen deze leden om hier indien mogelijk een zienswijze op te vragen bij zowel de Ctgb als de EFSA.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken om een spoedige beantwoording van hun vragen, met name de vragen die zien op het ANTICI-vooroverleg van 29 april 2026. Deze leden verzoeken het kabinet om de resterende vragen met betrekking tot de omnibus in ieder geval vóór het plenaire debat over het omnibuspakket aan de Kamer te doen toekomen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben met een uiterst kritische blik kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad (informele Raad) die in mei op Cyprus zal plaatsvinden. Deze leden maken zich grote zorgen over de alsmaar groeiende bemoeienis van de EU met het Nederlandse landbouw- en visserijbeleid en benadrukken dat het Nederlandse belang en dat van onze boeren en vissers altijd de hoogste prioriteit moet hebben.

De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris waarom er op EU-niveau gesproken moet worden over risicomanagement in de Europese landbouwsector (agro-risicomanagement), terwijl Nederland al over een eigen Actieprogramma Klimaatadaptatie Landbouw beschikt. Kan de Staatssecretaris klip en klaar garanderen dat deze Europese discussie niet zal leiden tot nieuwe, dwingende Brusselse regelgeving die onze boeren nog verder in hun ondernemerschap belemmert?

De leden van de PVV-fractie merken op dat het kabinet inzet op adaptieve maatregelen voor water- en bodembeheer om de bedrijfsvoering toekomstbestendiger te maken. Kan de Staatssecretaris toelichten welke private investeringen hij precies van agrarische ondernemers verwacht en in hoeverre dit de economische levensvatbaarheid van de sector onder druk zet? Deze leden waarschuwen dat klimaatweerbaarheid nooit een excuus mag zijn om Nederlandse boeren op te zadelen met onbetaalbare eisen, terwijl een gelijk speelveld binnen de EU vaak ver te zoeken is. Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat onze boeren de dupe worden van strengere eisen dan hun Europese collega's?

De leden van de PVV-fractie uiten hun diepe onvrede over de huidige gang van zaken rondom de evaluatie van het GVB. Deze leden steunen weliswaar de inzet om onwerkbare aspecten te herzien, maar vragen de Staatssecretaris concreet welke stappen hij gaat zetten om de rampzalige aanlandplicht daadwerkelijk en definitief van tafel te krijgen in Brussel. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat hij de aanlandplicht als niet onderhandelbaar breekpunt beschouwt in de onderhandelingen over de herziening van het GVB?

De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij de beloofde versimpeling van regelgeving en verlichting van regeldruk in de visserijsector gaat afdwingen, aangezien de praktijk tot nu toe een tegenovergesteld beeld laat zien. Onze vissers worden momenteel verstikt door bureaucratie die innovatie en noodzakelijke verduurzaming eerder tegenhoudt dan stimuleert. Is de Staatssecretaris bereid om in de informele Raad te pleiten voor een radicale koerswijziging waarbij de praktische werkbaarheid voor de vissers leidend is, in plaats van de abstracte en vaak onhaalbare doelen van de EC?

De leden van de PVV-fractie willen weten hoe de Staatssecretaris de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de EU en de lidstaten voor ogen ziet bij het waarborgen van de voedselzekerheid. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij zich zal verzetten tegen elk voorstel dat de soevereiniteit van Nederland over zijn eigen voedselproductie verder uitholt onder het mom van Europese solidariteit of agro-risicomanagement?

De leden van de PVV-fractie dringen er bij de Staatssecretaris op aan om tijdens de informele Raad een onverzettelijke houding aan te nemen. Nederland is een forse netto-betaler aan de EU en onze voedselproducenten verdienen een kabinet die hun belangen in Brussel met verve verdedigt tegen de bureaucratische drang van de Europese instituties.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 3 tot en met 5 mei 2026 in Cyprus en hebben hierover enkele vragen.

Risicomanagement in de Europese landbouwsector

De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van een stevige Europese inzet op agro-risicomanagement. Deze leden constateren dat de brede weersverzekering in Nederland een belangrijk instrument vormt om restrisico's van extreem weer op te vangen. Kan de Staatssecretaris toelichten in hoeverre hij in Cyprus zal pleiten voor een Europese beleidsruimte die lidstaten in staat stelt instrumenten als de brede weersverzekering nationaal te subsidiëren, zonder dat dit tot ongelijkheid in het speelveld binnen de EU leidt?

De leden van de CDA-fractie hechten belang aan private investeringen als aanvulling op publieke ondersteuning bij klimaatadaptatie in de landbouw. Deze leden vragen hoe het kabinet de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de EU, lidstaten en individuele ondernemers weegt bij de inrichting van een breder instrumentarium voor agro-risicomanagement. Kan de Staatssecretaris toelichten welke instrumenten Nederland in Cyprus naar voren zal brengen als onderdeel van die mix en hoe daarin de balans wordt gevonden tussen publieke en private verantwoordelijkheid?

Evaluatie Gemeenschappelijk Visserijbeleid

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de aangekondigde toelichting door de EC op de evaluatie van het GVB. Deze leden hebben eerder vragen gesteld over onder meer de aanlandplicht en de ruimte voor innovatie en verduurzaming in de visserij. Zij delen de inzet van het kabinet op versimpeling van regelgeving zonder dat doelen worden afgezwakt. Kan de Staatssecretaris toelichten welke specifieke knelpunten in de huidige GVB-regelgeving Nederland in Cyprus als prioriteit zal inbrengen en hoe hij daarbij borgt dat versimpeling niet leidt tot een verzwakking van de gemeenschappelijke Europese visserijdoelen?

II Antwoord / Reactie van de Minister en Staatssecretaris

Naar boven