2026D20286 Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over Doelsturing. De op 24 april 2026 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de Minister mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat bij brief van ... toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Steen

De griffier van de commissie,

Jansma

Inhoudsopgave

  • I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

    Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie

    Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower

  • II Antwoord / Reactie van de Minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

  • III Volledige agenda

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voortgangsbrief over bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk 30 252, nr. 209). De huidige inzet richt zich op afrekenbare doelsturing in 2035. Deze leden begrijpen de keuze voor een zorgvuldig tijdpad, maar vragen de Minister hoe hij de balans bewaakt tussen voldoende tempo enerzijds en het risico van overvraging anderzijds. Op welke momenten worden tussentijdse beslismomenten ingebouwd waarbij het tempo desnoods kan worden bijgesteld? Is de Minister bereid die beslismomenten expliciet met de Kamer te delen? Aanvullend vragen deze leden of de minsiter een beeld kan schetsen van de overgangsperiode waarin middelsturing en doelsturing door elkaar zullen lopen, terwijl ondertussen natuurherstel moet worden geborgd.

De leden van de D66-fractie constateren dat in de brief wordt aangegeven dat de keuze voor de eenheden waarin emissienormen worden uitgedrukt een fundamentele keuze is met consequenties voor uitvoering, toezicht en handhaving. Deze leden onderschrijven dat belang. Zij vragen wanneer de Minister verwacht die keuze te kunnen maken en op welke wijze de Kamer daarbij wordt betrokken vóórdat de keuze definitief wordt vastgesteld.

De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat Wageningen University and Research (WUR) is gevraagd te onderzoeken wat het technisch reductiepotentieel is voor melkveebedrijven. Deze leden vragen wanneer dat onderzoek beschikbaar is en hoe de uitkomsten worden gebruikt bij het vaststellen van de hoogte van de normen. Worden normen gesteld op basis van wat technisch haalbaar is, of op basis van wat beleidsmatig noodzakelijk is voor het halen van de wettelijke klimaat- en stikstofdoelen? Hoe wordt omgegaan met de spanning die daar mogelijk tussen bestaat?

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat één van de kernargumenten voor de omslag naar doelsturing het terugdringen van administratieve lasten voor boeren is. Deze leden vragen de Minister hoe hij borgt dat het nieuwe systeem per saldo daadwerkelijk minder administratielast oplevert dan het huidige stelsel van middelvoorschriften en niet, zoals het Mineralen Aangiftesysteem (MINAS) destijds ook liet zien, naast de bestaande verplichtingen komt te staan in plaats van die te vervangen. Wordt er een nulmeting gedaan van de huidige administratieve last, zodat het effect van doelsturing later daadwerkelijk meetbaar is?

De leden van de D66-fractie constateren dat de brief een systeem beschrijft met een stoffenbalans, een Key Performance Indicators (KPI)-kernset, een data-ecosysteem en continue meting in stallen. Dat zijn vier afzonderlijke componenten die elk eigen datavereisten meebrengen. Hoe wordt voorkomen dat de som van al die componenten voor de gemiddelde ondernemer complexer en bewerkelijker wordt dan het huidige systeem? Is een integrale lastentoets voorzien?

De leden van de D66-fractie zien dat de Minister toewerkt naar een Afrekenbare Stoffenbalans (ASB) voor de melkveehouderij en akkerbouw. Deze leden vragen wat de lessen zijn uit het gesprek met Duitsland over de «Stoffstrombilanzverordnung». Zij vragen meer specifiek welke knelpunten daar in de juridische borging en handhaafbaarheid zijn opgetreden en hoe worden die meegenomen in de Nederlandse uitwerking. Kan de Minister toelichten waarom de brede verkenning die al in 2021 is gestart nog niet heeft geleid tot een definitief besluit over de opzet van de stoffenbalans?

De leden van de D66-fractie constateren dat de Minister aangeeft in Europa te streven naar voldoende ruimte in Europese regelgeving om doelsturing mogelijk te maken. Deze leden vragen hoe reëel die ruimte is, met name in het licht van de Nitraatrichtlijn. Eerder liep het MINAS-systeem juist stuk op de juridische onhoudbaarheid als nationale uitwerking van die richtlijn. Welke juridische waarborgen bouwt de Minister in om te voorkomen dat het nieuwe systeem over tien jaar hetzelfde lot beschoren is?

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de verschillende stukken over de uitwerking van bedrijfsgerichte doelsturing. Deze leden ondersteunen de beweging van middelsturing naar doelsturing, omdat deze beter kan aansluiten bij het vakmanschap van ondernemers en ruimte kan bieden voor innovatie en maatwerk. Tegelijkertijd constateren deze leden dat doelsturing een ingrijpende systeemwijziging betreft die zorgvuldig moet worden ingevoerd en alleen kan slagen wanneer uitvoerbaarheid en rechtszekerheid voor ondernemers centraal staan. Deze leden hebben enkele vragen.

Tijdpad en prioritering

De leden van de VVD-fractie lezen in de Kamerbrief Voortgang bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk 30 252, nr. 209) dat doelsturing gefaseerd wordt ingevoerd en dat een zorgvuldige balans wordt gezocht tussen snelheid en uitvoerbaarheid. Deze leden onderschrijven het belang van zorgvuldigheid, maar benadrukken tegelijkertijd dat duidelijkheid over het tempo van invoering essentieel is voor ondernemers die investeringsbeslissingen moeten nemen.

Deze leden vragen het kabinet daarom om concreet inzicht te geven in de fasering van de invoering van doelsturing. Kan het kabinet per fase aangeven welke onderdelen van het doelsturingssysteem wanneer operationeel moeten zijn en welke mijlpalen daarbij worden gehanteerd? Voorts vragen zij hoe wordt bepaald of het tempo van invoering voldoende voortgang kent. Welke indicatoren gebruikt het kabinet om de voortgang van de implementatie te monitoren en wanneer wordt ingegrepen als vertraging optreedt? Daarnaast vragen deze leden of het kabinet mogelijkheden ziet om onderdelen van doelsturing versneld in te voeren wanneer deze aantoonbaar uitvoerbaar en betrouwbaar zijn. De Kamer heeft het kabinet opgeroepen om de ingroei naar doelsturing voort te zetten zodat geen tijd verloren gaat en agrariërs komend najaar op perceelniveau het N-mineraal residu kunnen gaan meten. Deze leden vragen het kabinet of uiteengezet kan worden hoe die voorbereidingen lopen, welke departementen daarbij betrokken zijn en hoe de inbreng van sectororganisaties wordt meegenomen. Zij vragen voorts of er per milieuopgave (grondwaterkwaliteit, oppervlaktewaterkwaliteit, ammoniak, broeikasgassen) kan worden aangeven hoe doelsturing per sector (met mogelijk onderscheid tussen open teelten, glastuinbouw, grondgebonden veehouderij, intensieve veehouderij) kan worden ingevuld.

Draagvlak en evaluatie

De leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing alleen kan slagen wanneer het systeem in de praktijk uitvoerbaar en werkbaar blijkt te zijn voor ondernemers. Deze leden delen deze opvatting. Zij vragen het kabinet daarom hoe de werkbaarheid van doelsturing in de praktijk systematisch wordt getest en geëvalueerd. Daarnaast vragen zij welke criteria worden gehanteerd om te bepalen of een pilot of maatregel succesvol is en wanneer wordt besloten om een aanpak aan te passen of stop te zetten. Voorts vragen zij hoe het kabinet het draagvlak onder ondernemers monitort en op welke wijze signalen uit de praktijk worden betrokken bij verdere beleidsontwikkeling. De akkerbouwsector heeft in de BO Akkerbouw een sectoraanpak nitraat ontwikkeld. Deze leden vragen het kabinet in hoeverre die aanpak kan worden meegenomen in de ontwikkeling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn (AP)? Zij vragen voorts hoe wordt aangekeken tegen het realiseren van draagvlak voor deelname aan doelsturing, door het opnemen van wederkerigheid als incentive in het 8e AP. Dat wil zeggen; agrariërs die aantoonbaar aan de normen voldoen (en dus niet bijdragen aan uitspoeling van nutriënten) zouden moeten worden uitgezonderd van een deel van de generieke maatregelen. Deze leden vragen het kabinet of die wederkerigheid wordt meegenomen in het te ontwikkelen 8e AP en of de metingen die in het najaar van 2026 worden uitgevoerd zullen meetellen in het op te bouwen driejarig gemiddelde.

Meetmethode en betrouwbaarheid

De leden van de VVD-fractie constateren dat betrouwbare data en meetmethoden een randvoorwaarde vormen voor het functioneren van doelsturing. Deze leden onderschrijven het belang hiervan, maar wijzen erop dat onzekerheid over meetmethoden direct gevolgen kan hebben voor rechtszekerheid en investeringsbeslissingen van ondernemers. Zij vragen het kabinet daarom hoe wordt geborgd dat meetmethoden voldoende betrouwbaar, uniform en betaalbaar zijn voordat deze worden gebruikt voor afrekenbare doelsturing. Daarnaast vragen zij welke foutmarges worden gehanteerd bij het vaststellen van emissies op bedrijfsniveau en hoe wordt omgegaan met situaties waarin meetresultaten onzeker zijn. Deze leden vragen voorts of op korte termijn duidelijkheid wordt geboden over de financiering van de N-mineraalmetingen dit najaar, over het protocol dat daarbij moet worden gevolgd en de drempelwaarden die gaan gelden met oog op de kwaliteit van grondwater.

Uitvoerbaarheid voor ondernemers

De leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing ondernemers ruimte moet geven om zelf te bepalen hoe zij doelen realiseren, maar dat deze systematiek ook kan leiden tot extra inspanningen, bijvoorbeeld op het gebied van rapportage en monitoring. Deze leden vinden het van groot belang dat doelsturing niet leidt tot een toename van administratieve lasten of complexiteit op het boerenerf. Deze leden vragen het kabinet daarom hoe wordt geborgd dat de administratieve lasten voor ondernemers beheersbaar blijven. Op welke wijze worden de lasten en uitvoeringskosten van doelsturing structureel gemonitord? Daarnaast vragen deze leden hoe wordt omgegaan met verschillen tussen bedrijven, sectoren en regio’s. In hoeverre wordt maatwerk mogelijk gemaakt wanneer bepaalde doelen voor specifieke bedrijven moeilijk haalbaar blijken te zijn, bijvoorbeeld door locatie, bedrijfsomvang of sectorale kenmerken?

Rechtszekerheid en de overgang van middelsturing naar doelsturing

De leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing zorgvuldig moet worden ingebed in bestaande wetgeving om rechtsonzekerheid voor ondernemers te voorkomen. Deze leden onderschrijven dit uitgangspunt en achten het cruciaal dat ondernemers tijdens de overgang naar doelsturing duidelijkheid houden over hun rechten en verplichtingen. Deze leden vragen het kabinet daarom welke wet- en regelgeving naar verwachting moet worden aangepast om doelsturing volledig te kunnen implementeren. Daarnaast vragen deze leden hoe de overgang van middelsturing naar doelsturing juridisch wordt vormgegeven. Wordt voorzien in overgangsrecht of overgangsperioden voor bestaande bedrijven en investeringen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Algemeen

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende notities en brieven over de transitie van middel- naar doelsturing. Deze leden vrezen dat dit beleid van het kabinet in werkelijkheid zal ontaarden in een nieuw bureaucratisch monster waarbij de voedselzekerheid van Nederland en de autonomie van de Nederlandse boer worden opgeofferd aan onhaalbare milieudoelen.

Transitie van middel- naar doelsturing

De leden van de PVV-fractie constateren dat er 10 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld voor een transitie die stoelt op de ASB. Hoe kan de Minister garanderen dat de ASB niet exact hetzelfde rampzalige pad zal volgen als het eerdere MINAS dat wegens juridische onhoudbaarheid en beperkte effectiviteit in 2006 moest worden afgeschaft? Is de Minister zich ervan bewust dat de agrarische sector al zwaar gereguleerd is en waarom wordt er dan opnieuw ingezet op een systeem dat volgens de bronnen nog steeds kampt met hoge administratieve lasten?

De leden van de PVV-fractie vernemen graag dat de Minister 100 procent zekerheid geeft dat de administratieve lasten worden verlaagd, graag een reachtie hierop van de Minister.

De leden van de PVV-fractie vragen in hoeverre er bij de selectie van genodigden voor het rondetafelgesprek werkelijk oog voor de praktijkervaring van de gewone boer is. Of worden hier enkel partijen gehoord die meebewegen met de klimaatagenda van het kabinet?

Programma Vernieuwing Stalbeoordeling

De leden van de PVV-fractie hebben vragen bij de overheveling van verantwoordelijkheden naar private partijen zoals de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN). Waarom wordt een taak als stalbeoordeling overgeheveld naar private certificeringsinstanties en hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit leidt tot torenhoge kosten en extra bureaucratie voor de veehouder? Hoe verhoudt de weigering om boeren te compenseren voor investeringen in stalsystemen die achteraf onvoldoende worden bevonden zich tot het principe van rechtszekerheid voor ondernemers?

Onderzoek Borging en Faalfactoren

De leden van de PVV-fractie constateren dat uit onderzoek van Connecting Agri & Food blijkt dat doelsturing gepaard gaat met hogere kosten en een enorme tijdsbesteding voor de veehouder. Deze leden vragen hoe de regering kan spreken over perspectief voor boeren als uit dit onderzoek blijkt dat de kosten voor brede implementatie van sensoren momenteel te hoog zijn en de uitvoering voor natuurlijk geventileerde stallen nog onvoldoende betrouwbaar zou zijn. De onderzoekers stellen dat veehouders staltechnieken vaak instellen op dierprestaties in plaats van milieudoelen. Vindt de Minister het acceptabel dat het welzijn van het dier ondergeschikt wordt gemaakt aan de stikstofboekhouding van het kabinet?

Uitvoerbaarheid en Bedrijfsgerichte Doelsturing

De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister de belofte van het centraal stellen van vakkennis rijmt met het feit dat boeren door dit nieuwe beleid feitelijk worden gedegradeerd tot fulltime boekhouders die elke gram stikstof moeten millimeteren. Kan de Minister garanderen dat doelsturing niet zal leiden tot een gedwongen inkrimping van de veestapel in gebieden rondom Natura 2000, ondanks de belofte dat boeren ruimte krijgen om te ondernemen?

Bovenwettelijke Eisen en Marktinvloed

De leden van de PVV-fractie vragen wat het kabinet gaat doen om boeren te beschermen tegen de machtsconcentratie van supermarkten die, bovenop de overheidsregels, extra eisen stapelen zonder daarvoor een eerlijke prijs te betalen.

Contouren Bedrijfsspecifieke Emissienormen

De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet wil toewerken naar afrekenbare normen in 2035. Deze leden vragen hoe het kabinet nu al kan koersen op een niet vrijblijvende daling van emissies terwijl de juridische basis wankel is en de data-infrastructuur voor doelsturing nog volledig in de kinderschoenen staat.

Overig

De leden van de PVV-fractie vrezen voor de voedselzekerheid en vragen of de Minister klip en klaar kan aangeven welk effect deze fundamentele systeemwijziging zal hebben op de totale voedselproductie in Nederland. Deze leden verwachten een gedetailleerde en feitelijke beantwoording van deze vragen, waarbij niet langer voorbij wordt gegaan aan de dagelijkse realiteit en de belangen van de agrarische ondernemers.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk overleg over doelsturing en hebben hierbij nog enkele vragen.

Vormgeving en reikwijdte van doelsturing in de landbouw

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister een wettelijk verankerd en gefaseerd systeem van doelsturing op emissies, met landelijke doelen, regionale differentiatie, keuzevrijheid voor bedrijven, beperkte generieke randvoorwaarden, een betrouwbare datastructuur en expliciete beloning en afrekening, beschouwt als de meest effectieve aanpak.

De leden van de CDA-fractie vragen of naast een doelsturingsaanpak er ook een eenvoudige forfaitaire (systeem)norm kan bestaan waarmee eenvoudig aan doelen kan worden voldaan.

Deze leden vragen of doelsturing kalenderlandbouw kan vervangen en zo ja, onder welke voorwaarden.

De leden van de CDA-fractie zien mogelijkheden om waterkwaliteit te koppelen aan doelsturing om zo regie bij de ondernemer te leggen en de waterkwaliteit te bevorderen. Deze leden vragen hoe de Minister doelsturing concreet wil inzetten om de waterkwaliteit te verbeteren en welke instrumenten daarbij worden overwogen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van initiatieven in provincies, zoals Gelderland en Friesland, waar doelsturing wordt gekoppeld aan vergunningverlening. Is de Minister op de hoogte van deze initiatieven en ziet de Minister hierin een wenselijke ontwikkeling? Zo ja, onder welke voorwaarden?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister de rol van de kringloopwijzer ziet in de monitoring en borging van doelsturing. In hoeverre acht de Minister de kringloopwijzer geschikt als instrument om bedrijfsspecifieke prestaties inzichtelijk te maken en te toetsen aan gestelde doelen? Ook vernemen deze leden graag hoe de Minister de kringloopwijzer wil positioneren ten opzichte van andere monitoringsinstrumenten en meetmethoden en of hij voornemens is het gebruik hiervan te standaardiseren of verder te ontwikkelen binnen het kader van doelsturing.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister waarborgt dat ondernemers voldoende worden beschermd bij het verstrekken van gegevens in het kader van doelsturing, met name ten aanzien van databescherming en het voorkomen van oneigenlijk gebruik.

Ketenverantwoordelijkheid behalen natuur- en milieudoelstellingen en kosten doelsturing

De leden van de CDA-fractie constateren dat doelsturing van boeren investeringen en aanpassingen op het boerenerf vergt, terwijl de financiële opbrengst van duurzamere productie achterblijft. Het regeerakkoord stelt dat ketenpartijen hun verantwoordelijkheid moet nemen in het (financieel) steunen van de transitie van boeren naar duurzame landbouw. Deze leden vragen hoe de Minister concreet gaat borgen dat ketenpartijen een eerlijke financiële bijdrage leveren aan de meerkosten van doelsturing op het boerenerf.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is om via productschappen 2.0 bindende afspraken te realiseren over een structurele financiële bijdrage van verwerkers en retail aan boeren die aantoonbaar presteren op doelsturings-KPI’s.

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat uit recente inventarisaties, waaronder het eindrapport van True Value Language (True Value Language, 25 februari 2026, «Bevindingen en aanbevelingen uit de inventarisatie», (https://truevaluelanguage.nl/wp-content/uploads/2026/03/260226_TVL_Inventarisatierapport_final.pdf)), blijkt dat een directe koppeling tussen prestatieniveau op KPI's en financiële beloning in de keten nog zeldzaam is. Veel initiatieven werken met een zogeheten pass/fail-systeem met een forfaitaire beloning, waardoor koplopers niet worden onderscheiden van boeren die net aan de norm voldoen. Deze leden vragen de Minister of hij mogelijkheden ziet om, in samenwerking met ketenpartijen, toe te werken naar een meer gedifferentieerd beloningssysteem dat aantoonbare prestatieverbetering op doelsturings-KPI's daadwerkelijk financieel waardeert.

Harmonisatie van keurmerken en bovenwettelijke eisen

De leden van de CDA-fractie constateren dat boeren in de praktijk te maken hebben met een groot aantal keurmerken, ketenprogramma's en bovenwettelijke eisen die elk hun eigen indicatoren, definities en verificatie-eisen hanteren. Dit leidt tot dubbele registraties, onduidelijkheid en administratieve lasten. Deze leden vragen de Minister hoe hij de harmonisatie van keurmerken en private duurzaamheidseisen wil bevorderen, zodat de boer niet voor ieder afzonderlijk programma een aparte set gegevens moet bijhouden. Ziet de Minister een rol voor de overheid om een gedeelde meetbasis, zoals de KPI-Kernset, als gemeenschappelijke standaard te stimuleren waarop keurmerken en ketenprogramma's kunnen aansluiten?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister de stapelbaarheid van beloningen uit verschillende ketenprogramma’s en keurmerken wil verbeteren. Is de Minister bereid om binnen de vorm te geven productschappen 2.0 afspraken te maken zodat boeren die aan meerdere duurzaamheidseisen voldoen cumulatief worden beloond en niet telkens dezelfde inspanningen hoeven te verantwoorden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk overleg Doelsturing. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de JA21-fractie lezen dat afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen een fundamentele systeemwijziging vergen, dat deze niet van vandaag op morgen gerealiseerd zijn en dat implementatie, borging en vastlegging dit jaar nog niet geregeld kunnen zijn.

De leden van de JA21-fractie vragen welk concreet tijdpad de Minister hanteert tot het moment waarop afrekenbaarheid gerealiseerd is.

De leden van de JA21-fractie merken op dat verschillende stakeholders een tijdpad van 10 tot 15 jaar schetsen voor normerende doelsturing. Hoe beoordeelt de Minister de effectiviteit van doelsturing in deze voor de te behalen doelen in 2035?

De leden van de JA21-fractie constateren dat het opzetten van een robuust meetnetwerk op grote schaal, mede vanwege de benodigde validatie, een meerjarig traject kan zijn. Hoe beoordeelt de Minister berekende reductie in verhouding tot gemeten reductie en biedt berekende reductie op bedrijfsniveau voldoende zekerheid?

De leden van de JA21-fractie constateren dat de Minister in de brief van 14 februari 2025 (Kamerstuk 35 334, nr. 331) heeft aankondigd dat in 2025 pilots zouden starten om de stoffenbalans en bedrijfsspecifieke emissiedoelen in de praktijk te testen. Inmiddels zijn we ruim een jaar verder. Wat is de huidige stand van zaken van deze pilots en zijn er inmiddels resultaten geboekt?

De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de gevolgen van Wet open overheid (Woo)-verzoeken voor de agrarisch ondernemers in verband met privacygevoelige gegevens zoals woonadressen en de kwetsbaarheid voor concurrentie. Welke maatregelen is de Minister voornemens te nemen om de privacy van deze ondernemers te verbeteren?

De leden van de JA21-fractie constateren dat doelsturing weliswaar een bijdrage kan leveren aan het verminderen van de stikstof problematiek, maar niet voldoende is om de volledige opgave in te vullen en aanvullend beleid nodig blijft. Kan de Minister kwantitatief aangeven welk deel van de stikstofopgave hij verwacht te realiseren via doelsturing?

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over de voortgang van bedrijfsgerichte doelsturing. Deze leden onderschrijven het uitgangspunt dat boeren moeten worden gestuurd op doelen in plaats van op middelen zodat vakmanschap, innovatie en ondernemerschap centraal staan. Voor deze leden geldt dat doelsturing hand in hand moet gaan met het loslaten van middelenvoorschriften. Tegelijkertijd constateren zij dat de uitwerking van doelsturing complex is en in de praktijk nog aanzienlijke vragen en zorgen oproept.

De leden van de BBB-fractie benadrukken dat doelsturing alleen kan slagen als deze haalbaar, uitlegbaar en betaalbaar is en als boeren erop kunnen vertrouwen dat het systeem eerlijk en uitvoerbaar is.

De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing wordt gepresenteerd als een fundamentele systeemverandering, waarbij ondernemers uiteindelijk afrekenbaar worden op bedrijfsspecifieke emissienormen. Deze leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat te snel wordt overgestapt naar afrekenbare doelsturing, terwijl de randvoorwaarden nog niet op orde zijn.

De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om concreet uiteen te zetten wat volgens hem de minimale randvoorwaarden zijn voordat sprake kan zijn van afrekenbare doelsturing. Wanneer is het systeem volgens de Minister «rijp» om daadwerkelijk juridisch afdwingbaar te worden?

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat experts tijdens een georganiseerd rondetafelgesprek in de Kamer aangeven dat normerende doelsturing realistisch gezien een tijdpad van 10 tot 15 jaar kent (Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2 april 2026, «Rondetafelgesprek Doelsturing», (https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2025A03989)). Hoe verhoudt dit zich tot de huidige ambities en tijdslijnen van het kabinet? Acht de Minister het realistisch dat boeren eerder dan dat al worden afgerekend op doelen?

De leden van de BBB-fractie vinden dat doelsturing voor iedereen die mee wil doen, mits realistisch en uitvoerbaar, haalbaar moet zijn. Kan de Minister ingaan op de middelen die hij tot zijn beschikking heeft om het systeem van doelsturing uit te werken en hoeveel middelen hij tot zijn beschikking heeft om boeren daarin vervolgens te ondersteunen? Kan hij deze twee bedragen naast de bedragen zetten die het vorige kabinet tot haar beschikking had? Heeft dit kabinet meer of minderen middelen om het systeem op touw te zetten? Heeft dit kabinet meer of minder middelen om boeren te ondersteunen binnen het systeem van doelsturing?

De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing een ingrijpende systeemverandering is die gepaard zal gaan met aanzienlijke kosten, zowel voor de overheid als voor individuele ondernemers. Deze leden vragen de Minister om een gedetailleerde onderbouwing te geven van de verwachte kosten van de invoering en uitvoering van doelsturing. Kan de Minister inzichtelijk maken wat de structurele en incidentele kosten zijn voor de overheid en welke kosten op het bord van de boer terechtkomen? Hoe verhouden deze kosten zich tot de beschikbare budgetten, en acht de Minister dit financieel haalbaar voor de sector? Graag ontvangen deze leden alle beschikbare documenten van de Minister die inzicht kunnen geven in de te verwachten kosten om het systeem op touw te zetten.

De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing sterk afhankelijk is van meet- en rekenmethoden, waaronder KPI-systematiek en stoffenbalansen. Tegelijkertijd is men er in zijn algemeenheid over eens dat zowel metingen als modellen aanzienlijke onzekerheden kennen.

De leden van de BBB-fractie vragen de Minister hoe wordt omgegaan met deze onzekerheden. Hoe wordt voorkomen dat boeren worden afgerekend op uitkomsten die mede afhankelijk zijn van modelaannames, weersinvloeden of meetfouten? Deze leden vragen voorts of de Minister kan garanderen dat een ondernemer altijd kan herleiden hoe zijn score tot stand is gekomen en welke handelingsperspectieven daaruit volgen. Hoe wordt geborgd dat doelsturing niet ontaardt in een «black box»?

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe de Minister aankijkt tegen de veel gehoorde aanname dat volledige metingen op bedrijfsniveau praktisch en financieel nauwelijks haalbaar zijn en dat daarom altijd een combinatie van modellen en metingen nodig blijft. Wat betekent dit voor de juridische houdbaarheid van doelsturing?

De leden van de BBB-fractie constateren dat de doelsturingssystematiek sterk leunt op KPI’s als centrale stuurinformatie. Tegelijkertijd ontvangen deze leden signalen dat dit kan leiden tot een forse toename van administratieve lasten en complexiteit. Deze leden vragen de Minister hoe hij voorkomt dat doelsturing in de praktijk leidt tot méér regeldruk in plaats van minder. Kan de Minister concreet maken hoeveel extra administratieve handelingen een gemiddeld bedrijf moet verrichten?

De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing moet passen binnen Europese regelgeving en juridisch houdbaar moet zijn. Deze leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat Nederland opnieuw een systeem ontwikkelt dat uiteindelijk juridisch onderuitgaat. Zij vragen de Minister expliciet in te gaan op de verhouding tussen doelsturing en bestaande Europese verplichtingen, zoals de Nitraatrichtlijn en staatssteunkaders. In hoeverre is doelsturing daadwerkelijk verenigbaar met deze kaders?

De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de omgang met bedrijfsgegevens binnen doelsturing. Deze leden constateren dat gegevens over individuele bedrijven onder de Woo kunnen vallen. Deze leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat gevoelige bedrijfsinformatie openbaar wordt, met risico’s voor boeren. Welke concrete waarborgen worden ingebouwd? Zij vragen tevens of de Minister bereid is om dataverzameling zoveel mogelijk buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenpartijen of onafhankelijke platforms, om risico’s te beperken. Is de Minister nog voornemens om te komen tot een vorm van een data-autoriteit of vergelijkbare structuur die toeziet op het gebruik en de bescherming van agrarische data? Zo ja, op welke termijn en met welke bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?

De leden van de BBB-fractie vragen de Minister in hoeverre hij mogelijkheden ziet om de uitvoering van doelsturing, met name op het gebied van dataverzameling en -beheer, zoveel mogelijk bij de sector zelf te beleggen, bijvoorbeeld via coöperaties of andere collectieve verbanden. Deze leden zien hierin het grote voordeel dat de gegevens dan privaat blijven en niet «Woo-baar» zijn. Is de Minister bereid om serieus te onderzoeken of doelsturing op basis van gebiedsdoelen, georganiseerd via coöperaties, een werkbaar alternatief of aanvulling kan zijn op individuele afrekenbaarheid?

De leden van de BBB-fractie constateren dat vertrouwen tussen overheid en sector onmisbaar is voor het slagen van doelsturing. Tegelijkertijd ontvangen deze leden signalen van boerenorganisaties dat dit vertrouwen onder druk staat, onder andere door onzekerheid, complexiteit en mogelijke juridische risico’s. Zij vragen de Minister hoe hij het draagvlak onder boeren concreet gaat versterken. Op welke wijze worden boeren daadwerkelijk betrokken bij de verdere uitwerking van het systeem?

De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing nauw samenhangt met andere trajecten, zoals het vernieuwde stelsel van stalbeoordeling en vergunningverlening. Deze leden vragen de Minister hoe deze systemen op elkaar aansluiten. Hoe wordt ervoor gezorgd dat verschillende systemen (stalbeoordeling, doelsturing, vergunningverlening) elkaar versterken en op elkaar aansluiten? Zij vragen tevens hoe continue metingen en doelsturing zich tot elkaar verhouden en of ondernemers daadwerkelijk keuzevrijheid houden tussen verschillende manieren om aan doelen te voldoen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de stukken ten behoeve van het schriftelijk overleg over doelsturing. Deze leden constateren dat er verschillende gradaties van doelsturing zijn. De ultieme vorm bestaat uit juridisch afdwingbare, bedrijfsspecifieke doelen. Bijbehorende berekeningen en metingen zijn echter complex en gaan gepaard met onzekerheden. Deelt de Minister de mening dat eerst ervaring moet worden opgedaan met minder vergaande vormen van doelsturing, zoals benchmarken en belonen? Komt er op korte termijn substantiële inzet op bijvoorbeeld het belonen van prestaties op het gebied van reductie van de ammoniakemissie? Zo ja, hoe?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in verschillende provincies wordt gewerkt met subsidieregelingen waarbij positieve scores op verschillende kritische prestatie indicatoren worden beloond. Hoe waardeert de Minister de ervaringen met deze regelingen? Is de Minister voornemens meer te investeren in het op deze wijze stimuleren van onder meer emissiereducties?

De leden van de SGP-fractie constateren dat er grote verschillen kunnen zijn tussen bedrijven, zeker in een sector als de melkveehouderij, wat betreft de mate waarin ongewenste emissies verlaagd kunnen worden. Deze leden pleiten voor een vorm van flexibiliteit en uitruil, bijvoorbeeld door een aanpak waarbij in coöperatieverband of op gebiedsniveau eerder gestuurd wordt op een gezamenlijk (gebieds)doel dan op harde, bedrijfsgebonden normen. Zij horen graag hoe de Minister dit weegt.

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat voor eventuele invoering van bedrijfsemissienormen een tijdpad van tien tot vijftien jaar realistisch is. Deelt de Minister de analyse dat een dergelijke normering op korte termijn niet zal helpen om Nederland van het stikstofslot te krijgen?

De leden van de SGP-fractie horen graag wat voor het kabinet de randvoorwaarden zijn voor eventuele invoering van bedrijfsspecifieke emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen.

De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de dataverzameling in het kader van doelsturing in relatie tot de Woo. In hoeverre zijn bedrijfsdata die opgeslagen zijn bij private partijen, maar wel relevant zijn in het kader van het behalen van overheidsdoelen, milieu-informatie die opgevraagd kan en verstrekt moet worden in het kader van de Woo? Op welke wijze kan dit worden voorkomen, zo vragen deze leden. Lopen er trajecten om de Woo aan te passen om ondernemers beter te beschermen tegen de ongewenste effecten van de openbaarheid. Zo ja, welke en wanneer?

De leden van de SGP-fractie horen graag op welke wijze de Minister doelsturing wil verwerken in het 8e AP.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk overleg over doelsturing en hebben hier nog enkele vragen over.

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de invoering van normerende vormen van doelsturing een lange tijd kan duren (Ros e.a., 2 april 2026, «Position paper doelsturing», (https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2025A03989). Deze leden vragen de Minister om te reflecteren over hoe dit tijdpad zich verhoudt tot de nodige veranderingen in de landbouw die niet zo lang kunnen wachten.

De leden van de PvdD-fractie vragen verder wat de concrete doelen zullen zijn waarop gestuurd zal worden middels doelsturing. Op welke manier wordt de daadwerkelijke staat van de natuur hierin meegenomen? Deze leden vragen of de Minister kan toelichten welke concrete normering en monitoringmechanismen het kabinet gaat instellen en op welke termijn dit juridisch bindend zal zijn. Hoe wordt er voorkomen dat doelsturing in de praktijk te veel op vrijwillige basis zal blijven en daarmee onvoldoende of moeilijk meetbaar zal bijdragen aan het halen van wettelijke doelen?

De leden van de PvdD-fractie willen verder aandacht vragen voor de wettelijke uitspraken uit het Greenpeace-vonnis over stikstofreductie in 2030 (ECLI:NL:RBDHA:2025:578). Deze leden vragen of de Minister kan toelichten hoe de voorgestelde doelsturingssystematiek concreet bijdraagt aan het behalen van de resterende reductieopgave in 2030. Acht de Minister doelsturing voldoende snel en effectief om de wettelijke verplichtingen te halen?

Ook wijzen de leden van de PvdD-fractie op de zorgen die gedeeld werden door onder andere WUR en Caring Farmers tijdens het rondetafelgesprek met betrekking tot de administratieve lasten en transactiekosten die gepaard gaan met doelsturing. Deze leden vragen of de Minister kan aangeven hoe voorkomen wordt dat doelsturing leidt tot een kostbaar controleapparaat, terwijl we allang weten welke maatregelen nodig zijn, zoals een forse krimp van het aantal dieren in de veehouderij en de omslag naar een landbouwsysteem in balans met de natuur. Zij vragen of de Minister het ermee eens is dat technologische innovatie onvoldoende kan bijdragen aan het halen van de stikstofdoelen, de druk op landgebruik te verlichten, positief kan bijdragen aan biodiversiteit en de omslag naar een dierwaardige veehouderij. Zo ja, hoe zal dit worden meegenomen in het beleid?

De leden van de PvdD-fractie vragen tevens hoe de Minister gaat waarborgen dat doelsturing er niet toe leidt dat veehouders volop gaan investeren in bepaalde technieken die in het gunstige geval maar één probleem voortkomend uit het huidige landbouwsysteem oplossen. Als voorbeeld wijzen deze leden op koeientoiletten, waarbij koeien in de stal moeten staan en ze door een robot worden geforceerd te urineren in een potje. Is de Minister het ermee eens dat dergelijke technieken geen integrale oplossing bieden voor de uitdagingen in de landbouw, zoals de transitie naar een dierwaardige veehouderij uiterlijk in 2040? Hoe gaat de Minister garanderen dat boeren niet nu volop gaan investeren in dergelijke technieken, zodat er iets minder uitstoot is, maar zonder dat de problemen integraal worden opgelost?

De leden van de PvdD-fractie vragen ook aandacht voor koplopers in de landbouw, diverse boeren die juist bewuste keuzes maken om bij te dragen aan een duurzame landbouwtransitie. Zij hebben aangegeven dat ze door doelsturing juist tegen obstakels aanlopen omdat regelgeving is ingericht op de intensieve landbouw. Is dit probleem bij de Minister bekend? Wat gaat hij hieraan doen?

De leden van de PvdD-fractie vragen tot slot hoe het kabinet gaat voorkomen dat doelsturing een langdurig beleidsproces zal worden dat noodzakelijke keuzes en maatregelen verder vooruit gaat schuiven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie

De leden van de CU-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderliggende stukken en maken graag van de gelegenheid gebruik om nog wat vragen aan de het kabinet te stellen. Deze leden onderschrijven het belang van het overschakelen op doelsturing, maar zijn daarbij waakzaam op een effectieve en uitvoerbare uitwerking. Doelsturing moet boerenondernemers prikkelen en belonen op hun vakmanschap, zodat er veel minder nadruk komt te liggen op de voor velen frustrerende middelsturing. Tegelijk waken deze leden voor te veel optimisme, alsof elk middelvoorschrift ten grave gedragen kan worden. Bij alle positieve gevoelens die deze leden koesteren voor doelsturing, hebben zij ook scherp voor ogen dat een managementtool nog niet hetzelfde is als een te handhaven instrument. Hoe ziet de Minister deze verhoudingen, tussen doel- en middelsturing en tussen management en handhaving?

De leden van de CU-fractie merken op dat zij nog niet zijn geïnformeerd over de visie en voortgang van het nieuwe kabinet op het gebied van doelsturing. Deze leden zijn erg benieuwd naar de uitwerking hiervan. Immers, door de ambtsvoorganger van de huidige Minister van LVVN is bij herhaling een doelsturingswet aangekondigd. Hoe staat het daarmee, wat houdt deze in en wanneer komt deze naar de Kamer? Kan de Minister rapporteren over de voortgang van het uitwerken van doelsturing? Deze leden zouden graag een indicatief tijdpad krijgen voor de invoering van doelsturing. Ook vragen zij om een plan van aanpak waarin wordt gespecificeerd welke stappen worden genomen alvorens er wordt overgegaan op het invoeren van doelsturing. Hoe wordt het een stelsel dat uitvoerbaar is in de praktijk? Welke rol kan met het oog op de handhaafbaarheid en controle een «groene accountant» daarbij spelen? Deze leden zijn tevens benieuwd hoe de diverse moties-Grinwis c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 634) (Kamerstuk 28 973, nr. 273) inzake doelsturing daarin worden meegenomen en uitgevoerd.

De leden van de CU-fractie zien verschillende randvoorwaarden om doelsturing op een effectieve en efficiënte wijze uit te werken. Hoe borgt de Minister dat de doelen onderbouwd en realistisch zijn? Hoe biedt de Minister voldoende handelingsperspectief aan boeren om de milieunormen daadwerkelijk te kunnen realiseren? Hoe ziet de Minister daarbij de wisselwerking tussen een individueel bedrijf en een gebied? Is de Minister voornemens tot een emissieruimte per gebied te komen, een gebiedsplafond, in lijn met het rapport «De stikstofcrisis: van verwarring naar verbinding»? Ziet de Minister daarbij een route voor zich waarbij emissienormen in de tijd steeds scherper worden, zodat er enerzijds tijd is om toe te werken naar een lagere uitstoot en er anderzijds ruimte blijft voor nieuwe ontwikkelingen in een gebied? En hoe ziet de Minister de relatie tussen doelsturing en vergunningverlening?

De leden van de CU-fractie lezen in ieder geval in het coalitieakkoord dat er gebiedsspecifieke doelen worden vastgelegd, waarna waar mogelijk dit wordt uitgesplitst per bedrijf. In hoeverre komt er daarbij ruimte dat bij bedrijf A op doel X een extra inspanning levert en bedrijf B op doel Y en dat ze dat kunnen «poolen» op regionaal niveau? Hoe beziet hij het risico dat verschillen in provinciaal beleid de verschillen tussen agrarische bedrijven vergroten? Met andere woorden: hoe wil de Minister een gelijk speelveld borgen?

De leden van de CU-fractie achten het van groot belang dat er op lange termijn perspectief wordt geboden voor agrarische ondernemers en de natuur. Is de Minister bereid een meerjarenprogramma vast te stellen omtrent doelsturing, waarin vooraf duidelijkheid wordt geboden over een tijdspad naar implementatie, de juridische borging en consequenties, wijze van borging/monitoring en de Ontwikkeling van de ASB?

De leden van de CU-fractie zijn waakzaam op veel extra administratieve lasten voor agrarische ondernemers. Hoe zorgt de Minister ervoor dat het uitgangspunt om administratieve lasten te minimaliseren wordt meegenomen in de uitwerking van doelsturing? Deze leden beseffen dat doelsturing meer vergt van het vakmanschap van agrariërs dan middelsturing, maar zij beseffen ook het belang van eenvoud en uitvoerbaarheid op het boerenerf. Hoe wil de Minister deze verschillende noties bij elkaar brengen en daar recht aan doen?

De leden van de CU-fractie vragen hoe de Minister doelsturing ziet in relatie met de andere sporen in de stikstofaanpak, namelijk landelijke generieke maatregelen en gebiedsspecifiek beleid. Daarnaast zijn deze leden benieuwd naar de keuze voor de indicator voor ammoniak (onder andere: ammoniak per dier of per dierrecht/fosfaatrecht; ammoniak per hectare; ammoniak uitstal versus ammoniak voor veldemissies). Hoe verhoudt dit zich tot het concept van grondgebondenheid, waartoe ook in het coalitieakkoord een voorzet wordt gedaan?

De leden van de CU-fractie vragen wanneer de Minister verwacht het vernieuwde 8e AP te kunnen presenteren? Deze leden benadrukken het belang van het sturen op waterkwaliteit door middel van doelsturing. Zij zien nu dat niet in alle regio’s de waterkwaliteitsdoelen worden gehaald. Zij vinden doelsturing op basis van milieunormen een effectieve methode om de waterkwaliteit te verbeteren, maar ook om ruimte te geven aan boeren en telers. Zij hebben hierover verschillende vragen aan de Minister. Op welke wijze geeft de regering concreet uitvoering aan de aangenomen motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 634)? Welke stappen zijn gezet om metingen op het N-mineraal residu mogelijk te maken dit najaar? Is er een passende vergoeding vanuit de overheid om deze metingen mogelijk te maken? Gaat het behalen van goede N-mineraal residu scores concreet leiden tot vrijstellingen of uitzonderingen op generieke mestmaatregelen? Let de Minister er daarbij op dat een bepaalde interpretatie van de Kaderrichtlijn Water toepassing van doelsturing in de praktijk niet onmogelijk maakt? Daar hebben deze leden namelijk al enige tijd zorgen over, wat ook één van de redenen is dat dit zo expliciet staat verwoord in de reeds genoemde motie.

De leden van de CU-fractie vragen te slotte of de Minister kan ingaan op de Woo-zorgen inzake doelsturing en hoe deze zijn te mitigeren.

Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower

De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de agenda van het schriftelijk overleg Doelsturing en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van Groep Markuszower constateren dat de haalbaarheid van doelsturing nog steeds onzeker is. Wanneer doelsturing wordt ingevoerd, ontstaat er een groot risico voor de agrarische sector. Wat zijn de consequenties wanneer doelen niet gehaald worden terwijl dat buiten de invloedssfeer van ondernemers ligt? Agrarische ondernemers hebben daar geen invloed op, maar worden in een systeem van doelsturing mogelijk wel afgerekend. Immers, er wordt afgerekend op de uiteindelijke uitkomst, niet op de inspanningen. Op welke manier houdt de Minister hier rekening mee?

De leden van Groep Markuszower staan niet achter onomkeerbare maatregelen waarvan de effectiviteit niet is bewezen. Maatregelen moeten aantoonbaar werken voordat ze structureel worden ingevoerd.

De leden van Groep Markuszower vragen hoe de Minister rekening houdt met de veiligheid op het boerenerf in verband met Woo-verzoeken. Is de Minister bereid om de conclusies van het lopende onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarische ondernemers mee te nemen in zowel de reikwijdte van Woo-verzoeken op doelsturing alsmede op de uitwerking van doelsturing in het algemeen?

De leden van Groep Markuszower constateren dat vergunningverlening een wezenlijk onderdeel is van mogelijke doelsturing. Hoe ziet de Minister de vergunningverlening voor zich in relatie tot de maatregelen die voor doelsturing nodig zijn? Welke specifieke plannen zijn er om de capaciteit van vergunningverlening op orde te brengen, onder andere bij de provincies?

II Antwoord / Reactie van de Minister

III Volledige agenda

Bedrijfsgerichte doelsturing

Kamerstuk 30 252-176 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma – 21 oktober 2024

Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling

Kamerstuk 28 973-258 – Brief Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, C.A. Jansen – 19 december 2024

Contourenbrief bedrijfsspecifieke emissienormen stikstof en broeikasgassen

Kamerstuk 35 334-331 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

F.M. Wiersma – 14 februari 2025

Opvolging bezoek agro-innovatiecentrum De Marke

Kamerstuk 28 973-265 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

F.M. Wiersma – 25 april 2025

Antwoorden op vragen commissie over Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling (Kamerstuk 28973–258)

Kamerstuk 28 973-267 – Brief Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, C.A. Jansen – 14 mei 2025

Uitwerking Programma Vernieuwing Stalbeoordeling

Kamerstuk 28 973-283 – Brief Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.A. Aartsen – 22 september 2025

Voortgang bedrijfsgerichte doelsturing

Kamerstuk 30 252-209 – Brief regering – Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma – 23 september 2025

Naar boven