Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 november 2021
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een brief ontvangen van W.A. R. te
Z. d.d. 19 juli 2021 over «Reactie m.b.t. woonadres in Nederland voor ouderen». De
commissie heeft mij op 11 oktober een brief, waarin wordt gevraagd om een reactie
op de ontvangen brief van W.A.R. te Z.
De briefschrijver stelt dat deze in het buitenland staat ingeschreven en enige maanden
per jaar in het buitenland verblijft. De briefschrijver wil zich in Nederland laten
inschrijven en ongeveer 7 maanden per jaar in Nederland verblijven. De briefschrijver
stelt dat de gemeente, waarin de plaats Z. ligt, weigert de briefschrijver in te schrijven,
omdat deze graag wenst te wonen in een recreatiewoning, zonder woonbestemming. De
briefschrijver vraagt ook om wettelijk vast te leggen dat mensen boven een bepaalde
leeftijd een bewoonbaar chalet op een camping mogen bewonen.
De inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) als het beleid omtrent de permanente
bewoning van recreatiewoningen betreft een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Het
is aan gemeenten om in een concreet geval als het onderhavige de feitelijke situatie
te beoordelen met toepassing van de wettelijke kaders. In het onderstaande ga ik eerst
in op het wettelijke kader voor inschrijving in de BRP.
Volgens de Wet BRP moet iedereen die rechtmatig verblijf geniet en naar redelijke
verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland
zal verblijven, ingeschreven worden in de BRP. Het uitgangspunt is dat de feitelijke
verblijfssituatie wordt geregistreerd: het woonadres. Dat geldt ook als dat adres
geen woonbestemming heeft. Omgekeerd geeft inschrijving op een adres op zichzelf niet
het recht om ergens te wonen.
De inschrijving op een adres betekent niet dat de gemeente daarmee permanente bewoning
van het recreatieobject ook dient toe te staan. Het is aan gemeenten om de afweging
te maken om permanente bewoning al dan niet (tijdelijk) toe te staan of te gedogen.
Gemeenten hebben het beste zicht op wat lokaal mogelijk en passend is. Wanneer gemeenten
besluiten om permanente bewoning toe te staan door middel van een omgevingsvergunning
of bestemmingswijziging moet het object ten minste aan het Bouwbesluit voor woningen
voldoen.
Ik heb contact gehad met de gemeente, waarin de plaats Z. is gelegen en heb benadrukt
dat mensen op het feitelijke woonadres geregistreerd dienen te worden, ook wanneer
er geen sprake is van een woonbestemming. De gemeente heeft aangegeven op de hoogte
te zijn van de werking van de wet BRP en daarnaar te handelen.
Om gemeenten te ondersteunen heb ik in 2019, mede in afstemming met de VNG, het Stappenplan inschrijven in de BRP op een adres zonder woonbestemming opgesteld.1 Hierin worden praktische handvatten gegeven voor de behandeling van een verhuisaangifte
en voor de samenwerking tussen de gemeentelijke afdeling die belast is met de BRP-inschrijving
en de afdeling voor huisvestingsbeleid/ toezicht.
Tot slot wil ik ingaan op het verzoek van de briefschrijver om wettelijk vast te leggen
dat mensen boven een bepaalde leeftijd een bewoonbaar chalet op een camping mogen
bewonen. Het is aan gemeenten om te bepalen of permanente bewoning van een recreatiewoning
al dan niet toegestaan dient te worden. Gemeenten hebben het beste zicht op wat mogelijk
en wenselijk is. Niet overal is permanente bewoning passend en geschikt. Ik heb daarom
geen voorkeur voor een wettelijke verplichting, ook niet wanneer deze specifiek ouderen
betreft. Wel ondersteun ik gemeenten bij de vraag aangaande permanente bewoning door
middel van het kwaliteits- en afwegingskader »wonen in recreatiewoningen». Wanneer
gemeenten bovendien besloten hebben om een vakantiepark te transformeren tot woonbestemming
kunnen zij daarbij gebruik maken van ondersteuning door het expert- en aanjaagteam
transformatie van vakantieparken.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren