2021D05855

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 februari 2021

In de brief van 28 december 2020 heeft de vaste Kamercommissie Binnenlandse Zaken verzocht om te reageren op de brief van Stichting Toegankelijk Bergen op Zoom (STBoZ). STBoZ heeft op 6 december 2020 een brief aan de Kamercommissie gestuurd met betrekking tot het gratis parkeren met een gehandicaptenparkeerkaart binnen het gebied waar door een gemeente parkeerbelasting wordt geheven. In de brief vraagt STBoZ uitsluitsel te geven of gemeenten de bevoegdheid hebben om gehandicapten gratis te laten parkeren daar waar parkeerbelasting geheven wordt. De achtergrond van de brief is een wijziging van het parkeerbeleid van de gemeente Bergen op Zoom. Bij de wijziging door de gemeente Bergen op Zoom is gerefereerd aan jurisprudentie waaruit zou volgen dat een wettelijke grondslag ontbreekt om voor het parkeren van een gehandicaptenvoertuig te bepalen dat geen parkeerbelasting wordt geheven.

Gemeenten kunnen op grond van artikel 225 Gemeentewet lid 1 parkeerbelasting heffen in het kader van de parkeerregulering. Gelet op het woordje «kunnen», gaat het om een discretionaire bevoegdheid. Voor een uitzondering is dan wel een objectieve rechtvaardigingsgrond nodig. Uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld worden doorgevoerd voor de voertuigen van hulpdiensten en voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart. In 2010 is door het Gerechtshof Arnhem bevestigd dat vrijstelling van parkeerbelasting aan houders van een gehandicaptenparkeerkaart niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel1.

Het voorgaande brengt met zich mee dat gemeenten een houder van een gehandicaptenparkeerkaart kunnen uitzonderen van het betalen van parkeerbelasting. Gemeenten hebben een autonome bevoegdheid om te bepalen of zij een dergelijke uitzondering noodzakelijk dan wel wenselijk achten.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

ECLI:NL:GHARN:2010:BN7076.

Naar boven