2019D49068

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 november 2019

Het verzoek dat wordt gedaan in de brief van voetbalvereniging Baarlo, gestuurd aan de Commissie, om het minimum subsidiebedrag te verlagen kan ik niet ten uitvoer brengen.

Bij de opzet van de Subsidieregeling Bouw en Onderhoud van Sportaccommodaties (BOSA) betrek ik de sportsector ieder jaar actief. Zo is de uitvoeringsinstantie DUS-I bij de grote sportaccommodatiebeurzen om vragen van gemeenten en verenigingen te beantwoorden en opmerkingen over de regeling op te halen. Zelf nodig ik de vijftien meest betrokken sportbonden uit om met mij op basis van ervaringen uit eerdere jaren wijzigingen in de regeling door te voeren.

Ook afgelopen jaar, in aanloop naar de BOSA 2020, heb ik met de sector hierover gesproken. Daarbij is ook het minimum subsidiebedrag besproken. In overleg met de sportbonden heb ik besloten dit minimumsubsidiebedrag te handhaven.

De reden hiervoor is dat, hoewel de BOSA geen directe compensatieregeling voor de verruiming van de btw-sportvrijstelling voor sportaanbieders is, de opzet wel is om bij voorkeur de groep te bereiken die hier nadeel van ondervindt. Dit zijn veelal grotere aanbieders die het financiële nadeel direct bemerken en waarvan ik dan ook zie dat zij de grootste groep aanvragers in de BOSA zijn. De kleinere aanbieders maakten vóór 2019, op een enkele uitzondering na, geen gebruik van de fiscale regelingen. Voor hen is een aanvraag in de BOSA regeling dan ook een financiële meevaller.

Met de sportsector heb ik afgesproken dat ik voor de BOSA 2021 op basis van de ervaringen tot dan toe het verlagen van het minimum subsidiebedrag nader zal onderzoeken. Dit doe ik mede op basis van de, eerder aan u toegezegde, tussenevaluatie van de BOSA welke u voorafgaand aan het WGO Sport van 2020 zult ontvangen.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins

Naar boven