2019D42809

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2019

U heeft mij verzocht om een reactie op het bericht van mevrouw C. H.-T. te H. van 18 juni 2019 over de European Disability Card in Nederland. Mijn reactie is als volgt.

Mevrouw schrijft over haar ervaring met reizen in Europa met haar dochter met een verstandelijke beperking. Zij schrijft dat op steeds meer plaatsen in Europa wordt gevraagd naar een invalidenkaart, bijvoorbeeld voor het gebruik van sanitaire voorzieningen. Zij verwijst daarbij naar de European Disability Card die in een aantal landen, waaronder België, is ingevoerd en vraagt naar de mogelijkheid om die kaart ook in Nederland in te voeren.

De European Disability Card is een initiatief van de Europese Commissie. In februari 2016 is een pilot gestart waarin acht landen de European Disability Card hebben geïntroduceerd. Het gaat daarbij om België, Cyprus, Estland, Finland, Italië, Malta, Slovenië en Roemenië. In België is de kaart bijvoorbeeld sinds oktober 2017 beschikbaar. De kaart is bedoeld om de toegankelijkheid voor mensen met een beperking te borgen, met name op het terrein van cultuur, vrije tijd en sport. Afhankelijk van de keuzes die het land daarin maakt kan de kaart bovendien recht geven op korting of andere voordelen, zoals speciaal aangewezen plaatsen in een theater. De afspraak is dat de deelnemende landen de kaart onderling erkennen. Alle Europese landen kunnen zelf kiezen of ze al dan niet meedoen aan de European Disability Card.

De bedoelingen van de kaart zijn goed, maar de opzet brengt lastige (grensoverschrijdende) opgaven met zich mee. Ook hebben verschillende landen, waaronder Nederland, gekozen voor andere prioriteiten bij de implementatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Een meerderheid van de lidstaten, waaronder Nederland heeft er dan ook voor gekozen om niet mee doen aan de pilot. Naar aanleiding van deze brief heb ik de visie van een aantal andere landen opnieuw gepolst. Daarbij is opnieuw gebleken dat zeer verschillend gedacht wordt over de toegevoegde waarde van een dergelijke kaart. Nederland staat zeker niet alleen in de keuze om niet mee te doen met de kaart.

Nederland heeft in het Besluit toegankelijkheid als norm gesteld dat gewerkt wordt aan de geleidelijke verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid. Toegankelijkheid van diensten voor mensen met een beperking moet daarbij een vanzelfsprekendheid worden en niet afhankelijk zijn van een bewijs dat diegene een beperking heeft. Het voorbeeld dat mevrouw noemt, waarbij haar diensten worden ontzegd, omdat zij de beperking van haar dochter niet volgens een voorgeschreven format kan bewijzen, is zoals het in mijn ogen juist niet moet.

Eventuele invoering van de European Disability Card zou bovendien een grote operatie betekenen, zowel ten aanzien van de wettelijke verankering, als ten aanzien van het inrichten van een aanvraagprocedure (die een verhoging van de administratieve lasten tot gevolg heeft). Dat kan, maar dat vraagt tijd en energie van alle betrokkenen die in mijn ogen beter besteed kan worden aan het daadwerkelijk toegankelijker maken van Nederland.

De geleidelijke verwezenlijking van de algehele toegankelijkheid krijgt in Nederland steeds meer vorm. Onder andere in de domeinen waarvoor de European Disability Card geldt zijn vele goede voorbeelden. Er kan ook nog heel veel beter. Daarom werk ik met het programma Onbeperkt meedoen! op concrete gebieden aan het verbeteren van de toegankelijkheid voor mensen met een beperking.

Door stap voor stap te werken aan het wegnemen van drempels voor mensen met een beperking zorgen we ervoor dat zij beter mee kunnen doen aan de samenleving. Dat geldt zowel voor Nederlandse staatsburgers, als bezoekers uit andere landen onafhankelijk van het tonen van een pasje.

De Europese Commissie is momenteel de werking van de European Disability Card in de deelnemende landen aan het evalueren. Ik zal de Commissie vragen om de effecten op burgers van niet-deelnemende EU en derde landen mee te nemen in haar evaluatieonderzoek. De resultaten van dit onderzoek worden in het voorjaar van 2020 verwacht.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

Naar boven