Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 maart 2019
In uw brief van 20 december 2018 verzoekt u mij een reactie te geven op de brief van
de heer H. In deze brief ga hierop in.
Het logboek van de heer H. beschrijft het ziekteverloop van zijn buurman Theo en hun
gezamenlijke ervaringen als mantelzorger respectievelijk zorgvrager. Het logboek beslaat
ongeveer een periode van twee jaar. Het geeft een indrukwekkende inkijk in het ziekteverloop
van Theo, de ondersteuning van de heer H. en hun beider ervaringen met de langdurige zorg. Zij krijgen
te maken met een groot aantal hulpverleners en instanties die, ondanks hun goede bedoelingen,
de gewekte verwachtingen niet altijd waar kunnen maken.
Om goed te begrijpen wat er zich in deze situatie heeft afgespeeld, is een medewerker
van VWS bij de heer H. op bezoek gegaan. Hij heeft daar met hem gesproken over de
situatie en gevraagd wat er volgens hem zou moeten verbeteren. De heer H. begrijpt
dat het Ministerie van VWS geen direct onderdeel uitmaakt van de dagelijkse uitvoeringspraktijk,
maar waar het hem om gaat is dat de Minister van VWS de signalen uit zijn logboek
serieus neemt. Dat is ook de reden dat hij een brief heeft gestuurd aan de vaste commissie
voor VWS.
Ik neem de ervaringen van de heer H. uiterst serieus. Ik vind het ook goed dat hij
u en mij heeft geschreven zodat ik kan onderzoeken of er in de praktijk verbeteringen
mogelijk zijn. Ik heb de signalen uit het logboek, evenals de toelichting uit het
persoonlijk gesprek met de heer H, geanalyseerd. Hieronder geef ik aan wat ik concreet
met de signalen doe, en hoe deze zijn in te passen in mijn beleid.
Zichtbaar zorgkantoor
In de casus van de heer H. kwam het zorgkantoor pas vrij laat in beeld. Het zorgkantoor
heeft daardoor weinig voor Theo kunnen betekenen bij het vinden van een geschikte
plaats. Ik vind het van belang dat het zorgkantoor in een vroeg stadium in beeld is bij de zorgvrager, verwijzers (wmo-consulent,
huisarts, transferverpleegkundige) en eventueel cliëntondersteuning. Zorgkantoren
nemen nu initiatieven om beter zichtbaar te zijn. De NZa ziet er op toe dat dit ook
echt gebeurt. Ik zal in de gesprekken die ik met de zorgkantoren voer ook het voorbeeld
van de heer H. naar voren brengen. Mochten de acties die de zorgkantoren nu nemen
onvoldoende blijken dan bespreek ik met hen welke acties aanvullend nodig zijn om
de zichtbaarheid van het zorgkantoor verder te vergroten.
Cliëntondersteuning, zorgregisseur
De praktijk van de heer H. en Theo laat zien dat het voor hen als mantelzorger en
zorgvrager niet duidelijk was wie wat doet om hen verder te helpen. Er was behoefte
aan meer regie op het zorgproces. Om dit te verbeteren investeer ik in betere cliëntondersteuning.
Ook betere zorgbemiddeling door het zorgkantoor kan hieraan bijdragen. De zorgkantoren
geven in hun toekomstvisie aan dat zij de ambitie hebben om «zorgregisseur» te zijn
in hun regio. Ook op dit punt ziet de NZa toe.
Informatie delen
De casus laat ook zien dat het mooi zou zijn als de zorgvrager zich ruim op tijd kan
oriënteren op het zorgaanbod. Daartoe moet hij beschikken over objectieve keuze-informatie
zoals locaties, wachttijden, voorzieningen, leveringsvormen en alternatieven. Ook
voor zorgprofessionals is het van belang dat essentiële informatie over de cliënt
gedeeld kan worden, zoals: zorgbehoefte, of het thuis nog gaat, urgentie, voorkeur,
opnamewens, Wlz-indicatie. Wanneer deze informatie (domeinoverstijgend Wmo-Wlz-Zvw) wordt ontsloten voor betrokkenen, scheelt dat een hoop uitzoekwerk en misverstanden.
Om dit mogelijk te maken werk ik samen met het Zorginstituut aan het moderniseren
van de gegevensuitwisseling in de langdurige zorg door middel van het implementeren
van het netwerkmodel. Dat is in lijn met de principes van het Informatieberaad voor
een duurzaam zorgstelsel.
De ervaringen van de heer H. laten zien dat het, ondanks alle goede bedoelingen van
betrokkenen, niet altijd goed gaat. Het logboek en het gesprek met de heer H. heeft
mij waardevolle informatie geboden die ik gebruik bij mijn beleid om de langdurige
zorg verder te verbeteren.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge