2019D02793

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 januari 2019

Met deze brief kom ik tegemoet aan uw verzoek te reageren op de brief die uw commissie ontving op 29 november 2018. In de brief die uw commissie ontving wordt een casus beschreven van verschillende problemen in de zorgverlening aan een demente vrouw. Ik heb daarom bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (inspectie) navraag gedaan en de casus voorgelegd.

De casus en de informatie uit de brief van 29 november 2018 was reeds bij de inspectie bekend. De inspectie heeft in 2016 onderzoek gedaan naar deze situatie en dit onderzoek afgesloten. De briefschrijfster was hiermee niet tevreden en diende in augustus en november 2016 een formele klacht in bij de inspectie. De onafhankelijke klachtencommissie van de inspectie kwam tot de conclusie dat die klacht ongegrond was. Ook de Nationale ombudsman, die vervolgens op verzoek van briefschrijfster onderzoek deed, kwam in november 2017 tot de conclusie dat de inspectie de melding voldoende serieus had genomen. Daarna heeft de inspectie tot op heden veelvuldig contact gehad met briefschrijfster, schriftelijk, telefonisch en in persoonlijk gesprek. De inspectie heeft echter geen aanleiding om nogmaals onderzoek naar te doen naar deze situatie.

De inspectie en ikzelf realiseren ons terdege dat mevrouw zich in een voor haar zeer lastige situatie bevindt. Mevrouw strijdt voor hetgeen in haar ogen rechtvaardig en goed is maar voelt zich alleen in deze strijd. Ik wens mevrouw oprecht veel sterkte en wijsheid toe voor de toekomst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

Naar boven