Niet-dossierstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-20182018D31772

2018D31772 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

De vaste commissie voor Financiën heeft op 31 mei 2018 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over zijn brief van 20 april 2018 met zijn inhoudelijke appreciatie van de evaluatie van de 30%-regeling en de gevraagde commentaren van twintig organisaties en personen op de evaluatie (Kamerstuk 34 785, nr. 83).

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Freriks

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de fractie van de VVD hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de evaluatie van de 30%-regeling en hebben nog enkele vragen.

Kan de Staatssecretaris een beeld schetsen van de groepen mensen die door deze maatregel geraakt worden en daarbij ingaan op duur van verblijf in Nederland, de categorie expats en in welke sectoren zij werkzaam zijn? Welke beroepsgroepen of sectoren maken vooral gebruik van de 30%-regeling? De leden van de VVD-fractie zouden graag meer informatie ontvangen over de werkplekken van werknemers die gebruik maken van de 30%-regeling. Hoeveel gebruikers van de 30%-regeling werken bij grote bedrijven? Hoeveel gebruikers van de 30%-regeling werken in het mkb? Ook zouden de leden van de VVD-fractie meer informatie willen ontvangen over de inkomensverdeling van mensen die gebruik maken van de 30%-regeling. Hoeveel gebruikers hebben een hoog, gemiddeld en laag inkomen? Uit wat voor groep bestaan de mensen die langer dan vijf jaar van de 30%-regeling gebruik maken (de genoemde 20%)? Kan meer informatie gegeven worden voor welke groep het forfait van 30% te krap is en voor welke groep te ruim en de reden waarom dit het geval is?

Het kabinet heeft het voornemen om de 30%-regeling te verkorten qua looptijd, namelijk van acht naar vijf jaar. Kan de Staatssecretaris uitgebreid ingaan op de vraag van de leden van de VVD-fractie of een verkorting van de looptijd voor bestaande gevallen juridisch houdbaar is? Bij een eerdere versobering heeft het kabinet gekozen voor een overgangstermijn. Is er in die tijd bewust gekozen voor een overgangstermijn vanwege de mogelijke juridische implicaties? Kan de staatsecretaris ingaan op de aangereikte casussen, waarbij expats op basis van de «beloofde» looptijd investeringsbeslissingen hebben genomen? Kan de Staatssecretaris een beeld schetsen van de omvang van deze groepen? Wat is de budgettaire opbrengst of derving als de looptijd van de regeling met één extra jaar wordt verkort of één jaar minder wordt verkort dan het kabinet thans voorstelt?

De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris de suggestie deelt dat de 30%-regeling in Nederland qua looptijd een relatief ruime regeling is in vergelijking met omliggende landen is. Zo ja, op welke aspecten? Kan de Staatssecretaris ingaan op de verschillende reacties die pleiten voor het behoud van de regeling dan wel een uitbreiding? Kunnen de looptijd en waar mogelijk het forfait/tarief in de landen met een vergelijkbare regeling gegeven worden?

De leden van de VVD-fractie hebben tot slot nog een aantal vragen. Kan de Staatssecretaris een beeld schetsen van deze maatregel in relatie tot het vestigingsklimaat? Kan de Staatssecretaris ingaan hoe de opbrengsten van 284 miljoen euro zijn opgebouwd? Welke mogelijkheden zijn er om de administratieve lasten verder te beperken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de evaluatie van de 30%-regeling. Deze leden achten het gezien de evaluatie een redelijke maatregel om de 30%-regeling te verkorten van acht naar vijf jaar. Daarbij wegen deze leden mee dat de 30%-regeling aan de ene kant zeer effectief is om hooggeschoolde werknemers aan te trekken en een zeer positief effect heeft op het vestigingsklimaat, maar tegelijkertijd moet een korting op de te betalen belasting wel proportioneel zijn, voornamelijk ten opzichte van werknemers die deze korting niet krijgen. Uit de evaluatie blijkt dat slechts een beperkt deel van de ingekomen werknemers de regeling langer dan vijf jaar toepast. Heeft de Staatssecretaris inzicht in welke sectoren dit plaatsvindt? Kan de Staatssecretaris tevens aangeven welke groepen, ongeacht de looptijd, gebruikmaken van de regeling?

In de kabinetsreactie geeft de Staatssecretaris aan dat de maximale looptijd zowel voor nieuwe als voor bestaande gevallen met drie jaar wordt verkort. De leden van de CDA-fractie vragen naar de juridische houdbaarheid van deze materieel terugwerkende kracht. Kan de Staatssecretaris ingaan op het voorbeeld van ouders die drie kinderen hebben die naar een internationale school gaan, waarbij de ouders dit betaalden met behulp van de 30%-regeling?

Deze leden vragen daarbij expliciet ook naar ingekomen werknemers die reeds onder overgangsrecht vallen, namelijk bij de verkorting van de looptijd van tien naar acht jaar. Bij die verkorting is wel gekozen voor overgangsrecht en voor de werknemers voor wie dit overgangsrecht nog loopt, wordt het nu geschonden door een nieuwe beperking. Kan de Staatssecretaris aangeven of het juridisch houdbaar is om dit reeds toegezegde overgangsrecht nu af te schaffen? Kan de Staatssecretaris tevens een toelichting geven op de geraamde opbrengst van de beperking van de regeling?

De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris terug te blikken op alle wijzigingen van de 30%-regeling die per 1 januari 2012 zijn doorgevoerd. Zijn deze wijzigingen effectief geweest?

Een interessante conclusie uit de evaluatie is dat hoge inkomens een groter voordeel hebben van het forfait ten opzichte van de werkelijke extraterritoriale kosten. De Staatssecretaris geeft aan dat deze overcompensatie als prikkel functioneert voor werknemers uit het buitenland met een specifieke deskundigheid. De leden van de CDA-fractie begrijpen dat iedere vorm van differentiatie leidt tot complexiteit. Toch vragen deze leden een nadere toelichting van de Staatssecretaris waarom de regeling ook voor bonus-inkomen, zijnde niet het vaste salaris, geldt, terwijl er voor dit inkomen zeker geen relatie is met extraterritoriale kosten.

De Staatssecretaris geeft in zijn reactie aan dat het vergoeden van werkelijke extraterritoriale kosten meestal aan de orde is als niet aan de voorwaarden van de 30%-regeling wordt voldaan. De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris welke voorwaarden hierbij gelden. Geldt er een inkomensgrens voor deze mogelijkheid? Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel werknemers gebruikmaken van de 30%-regeling en voor hoeveel werknemers de werkelijke kosten worden vergoed? Vindt er verdringing op de arbeidsmarkt plaats door de 30%-regeling? Klopt het dat deze regeling voor werkelijke kosten ingebed is in de CAO voor uitzendkrachten en veelal gebruikt wordt voor ingekomen werknemers uit voormalige Oostbloklanden? Klopt het dat het verrekenen van de extraterritoriale kosten leidt tot een premievoordeel voor werkgevers? Wat is de rechtvaardiging van deze regeling voor werknemers zonder specifieke kennis ten opzichte van Nederlandse werknemers die al dan niet ook veel intra- of extraterritoriale kosten hebben?

In februari 2015 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede namens de Staatssecretaris van Financiën een onderzoek toegezegd naar de toepassing en effecten van de extraterritoriale kostenvergoeding (ET) regeling. Is dit onderzoek reeds uitgevoerd? Was dit een apart onderzoek of is dit naar de mening van de Staatssecretaris meegenomen bij de evaluatie van de 30%-regeling, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

In enkele schriftelijke commentaren op de evaluatie van de 30%-regeling, namelijk van de heer Stevens, professor Heithuis en professor Kavelaars, wordt gesuggereerd om de partiële buitenlandse belastingplicht af te schaffen. De leden van de CDA-fractie begrijpen niet goed waarom deze keuzemogelijkheid er is en achten dit een fors voordeel bovenop de 30%-regeling. De Staatssecretaris is in zijn reactie niet op dit punt ingegaan. Daarom verzoeken de leden van de CDA-fractie hem dit alsnog te doen. Waarom is deze keuzemogelijkheid er? Wat is de rechtvaardigingsgrond van deze keuzemogelijkheid? Als een ingekomen werknemer kiest voor deze mogelijkheid, wordt het box-2- en box-3- inkomen dan nog ergens ter wereld belast? Leidt deze mogelijkheid ook tot onbedoelde gevolgen, bijvoorbeeld omdat vermogende hoogleraren (die gebruik maken van de 30%-regeling, maar geen inkomensgrens kennen) daardoor recht kunnen krijgen op toeslagen? Zijn er nog meer onbedoelde effecten denkbaar?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie naar aanleiding van de evaluatie van de 30%-regeling. Deze leden staan achter de doelstelling van een aantrekkelijk vestigingsklimaat, bijvoorbeeld voor het aantrekken van specifieke deskundigheid en internationaal talent, en hechten tegelijkertijd aan een evenwichtige behandeling van werknemers. Deze leden delen dat een beperking van de 30%-regeling kan bijdragen aan de doelmatigheid van de regeling. Deze leden hebben nog wel enkele vragen.

De leden van de D66-fractie lezen in de evaluatie van Dialogic dat het forfaitaire bedrag voor circa 50% van de gebruikers van de 30%-regeling te ruim is als het wordt vergeleken met de werkelijke extraterritoriale kosten. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris deze bevinding weegt bij het beoordelen van de doelmatigheid van deze regeling.

De leden van de D66-fractie vragen wat de inschatting is van de totale daadwerkelijke extraterritoriale kosten van alle gebruikers als de duur zou worden beperkt naar vijf jaar, zeker gezien het feit dat uit het onderzoek van Dialogic blijkt dat in de eerste twee jaar de meeste kosten worden gemaakt. Deze leden vragen wat in de vergeleken landen de argumentatie was voor het vaststellen van de duur van de vergelijkbare regelingen op vijf jaar. De voorgenoemde leden vragen wat de gemiddelde duur van het tijdelijke verblijf is in deze landen en of deze afwijkt van de gemiddelde duur in Nederland.

De leden van de D66-fractie vragen hoe het aantal ingekomen werknemers waarvoor de 30%-regeling wordt toegepast zich sinds 2015 heeft ontwikkeld. Deze leden vragen of de verwachte ontwikkeling van het aantal ingekomen werknemers waarvoor de 30%-regeling wordt toegepast tot en met 2021 in beeld kan worden gebracht.

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris in beeld kan brengen hoe groot de groep ingekomen werknemers is voor wie de inkorting van de looptijd van acht naar vijf jaar per 1 januari 2019 leidt tot een directe beëindiging van de toepassing van de 30%-regeling. Deze leden vragen of de Staatssecretaris in beeld kan brengen wat het effect in af te dragen belasting per 1 januari 2019 zal zijn voor een individuele werknemer binnen deze groep. De voorgenoemde leden vragen of de Staatssecretaris in beeld kan brengen hoe de af te dragen belasting voor een individuele werknemer binnen deze groep zich verhoudt tot een werknemer in een vergelijkbare situatie waarvoor de 30%-regeling niet toegepast kan worden, bijvoorbeeld als het gaat om een niet ingekomen maar al aanwezige werknemer.

De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de Staatssecretaris ook andere of verdere mogelijkheden heeft overwogen om de 30%-regeling te beperken, bijvoorbeeld door de looptijd verder te verkorten naar vier jaar, het Zwitserse model te gebruiken waarbij een vast absoluut bedrag per maand voor aftrekposten wordt gerekend, het forfait te verlagen voor inkomens boven 100.000 euro, de toepassing van de 30%-regeling te begrenzen tot een maximumbedrag of het uitzonderen van opties en bonussen voor de grondslag voor het berekenen van de maximale toegestane onbelaste vergoeding.

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris mogelijkheden ziet om de 30%-regeling beter toe te spitsen op het aantrekken van werknemers uit het buitenland met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet aanwezig of schaars is. Deze leden vragen of gezien de krappere arbeidsmarkt meer toespitsing op de echt schaarse kennis gewenst is.

De leden van de D66-fractie lezen in de schriftelijke antwoorden van de Staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van vragen over de juridische houdbaarheid van het inperken van de looptijd voor bestaande gevallen tijdens het algemeen overleg over de fiscale agenda op 17 mei 2018 dat het gebruikelijk is dat op beschikkingen voor de 30%-regeling een expliciet voorbehoud staat voor toekomstige wijzigingen in wet- en regelgeving. Deze leden vragen of de Staatssecretaris een voorbeeld kan geven van een dergelijk voorbehoud en uiteen kan zetten of deze voorbehouden juridisch zijn getoetst. De voorgenoemde leden vragen in hoeverre ingekomen werknemers op de hoogte zijn van dit voorbehoud en in hoeverre werkgevers ingekomen werknemers over dit voorbehoud hebben geïnformeerd. Aansluitend lezen de leden van de D66-fractie dat een uitzondering van bestaande gevallen voor de inkorting van de looptijd tot een ongelijke behandeling leidt. Deze leden vragen of de Staatssecretaris dit verder toe kan lichten.

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris meer inzicht kan geven in de budgettaire gevolgen van de beperking van de 30%-regeling voor de begroting van de rijksoverheid, door bijvoorbeeld inzicht te geven in de verwachte in- en uitstroom van de 30%-regeling. Deze leden vragen hoe de meest recente raming van de budgettaire gevolgen voor de periode tot en met 2021 en structureel zich verhoudt tot de eerder geraamde opbrengst van 284 miljoen euro structureel.

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeft genomen van de enquête over de beperking van de 30%-regeling en de enquête over huisvesting zoals uitgevoerd door Stichting ICAP. Deze leden vragen of de Staatssecretaris bekend is met de bevinding dat 80% van de geënquêteerden aangeeft geen financiële tegemoetkoming van de werkgever voor huisvesting te ontvangen. De voorgenoemde leden vragen hoe de Staatssecretaris deze bevinding weegt. Deze leden vragen in hoeverre werkgevers sinds de aankondiging van de beperking van de 30%-regeling hebben aangegeven bij te willen dragen of meer bij te willen dragen aan eventuele kosten voor ingekomen werknemers en/of het ondervangen van eventuele gevolgen van de beperking van de 30%-regeling.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de evaluatie van de 30%-regeling en hebben daarbij nog enkele kritische vragen.

De leden van de fractie van GroenLinks lezen in de evaluatie van de 30%-regeling dat er grote verschillen zijn tussen werknemers en vragen de Staatssecretaris waarom hier niets aan wordt gedaan. Zo blijkt dat werknemers met een brutoloon van meer dan 100.000 euro gemiddeld slechts 6% extraterritoriale kosten maken en dat het forfait voor circa 50% van de gebruikers te ruim is. Is de Staatssecretaris van mening dat dit doelmatig beleid is?

Uit de evaluatie blijkt dat in 5–10% van de gevallen het voordeel van de 30%-regeling vrijwel volledig bij de werkgever neerslaat. In de andere gevallen is sprake van gedeeld voordeel voor de werknemer en de werkgever. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of er meer bekend is over dit gedeelde voordeel. Welk deel gaat naar de werkgever en welk deel naar de werknemer?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de Staatssecretaris niks doet met de aanbeveling uit de evaluatie om het forfait te verlagen bij inkomens boven de 100.000 euro? Kan de Staatssecretaris specificeren tot hoeveel hogere administratieve lasten en uitvoeringskosten het zou leiden als de 30%-regeling alleen zou gelden voor het inkomensdeel tot 100.000 euro? Hoeveel extra belasting zou dit opleveren?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen welke voorstellen de Staatssecretaris heeft overwogen om de regeling te limiteren door middel van een maximale vergoeding,

In 2014 ging 26% (180 miljoen euro) van de totale inkomstenderving naar de 2.000 rijkste expats die allen meer dan 200.0.000 euro per jaar verdienen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de Staatssecretaris inzicht zou kunnen geven in hoe dit zat in 2017. Welk deel van de inkomstenderving in euro’s en in procenten ging naar de rijkste 2.000 expats? En naar de rijkste 100 expats? Is dit doelmatig?

Uit de evaluatie blijkt dat 50% van de gebruikers met de laagste fiscale lonen verantwoordelijk zijn voor slechts 16% van de kosten. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de Staatssecretaris een grafiek kan maken waarin dit ook wordt gespecificeerd voor andere percentages. Welk percentage van de kosten gaat naar de welk percentage van de expats?

In de evaluatie wordt de vraag gesteld waarom de hogere kosten voor het levensonderhoud in Nederland wel worden meegenomen in de discussie rondom de expatregeling, maar geen rekening wordt gehouden met de hogere inkomsten in Nederland. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de Staatssecretaris hierop kan reageren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie vinden het niet uit te leggen dat er tijdens de crisis veel gevraagd is van mensen, zoals hogere belastingen, ongewenst verhuizen van ouderen uit verzorgingshuizen omdat deze sloten, het inleveren van 15% salaris voor thuiszorgmedewerkers, het verlies van werk voor 77.000 mensen die werkten in de zorg, enorme kortingen op het budget voor jeugdzorg, het op slot gooien van sociale werkplaatsen, het verhogen van de AOW-leeftijd naar 67 jaar en verder, het snijden in kunst en cultuur en nog vele tientallen maatregelen om «uit» de crisis te komen, terwijl de hier besproken groep het privilege van de 30%-regeling bleef behouden.

De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris waarom aan de eis van «specifieke deskundigheid die niet of nauwelijks is te vinden op de Nederlandse arbeidsmarkt» wordt voldaan bij een inkomen van 37.296 euro of meer. Zijn mensen met dit inkomen altijd in het bezit van een specifieke deskundigheid? Hoe wordt dit onderbouwd? Hoeveel mensen zijn er in Nederland met een inkomen dat hoger ligt dan dit bedrag?

De leden van de SP-fractie danken de Staatssecretaris voor het in gang zetten van verandering van de 30%-regeling, die al jaren zorgt voor een enorm privilege voor expats en buitenlandse wetenschappers op Nederlandse universiteiten. Deze leden vragen de Staatssecretaris uit te leggen hoe rechtvaardig het is dat medewerkers die elkaars collega’s zijn, fiscaal totaal verschillend worden beoordeeld simpel om het feit dat de ene de Nederlandse nationaliteit heeft en de ander een andere nationaliteit. Toch vinden de leden van de SP-fractie de genomen stap om de duur van het privilege te verkorten een te beperkte aanpassing van de regeling. Zij zouden het liefst zien dat de 30%-regeling wordt afgeschaft en er over wordt gegaan op vergoeding van echt gemaakte kosten. Kan de Staatssecretaris aangeven wat daarvan de geraamde opbrengst zou zijn?

De leden van de SP-fractie betreuren dat er geen afkap plaatsvindt boven 100.000 euro inkomen, omdat dit wel gerechtvaardigd wordt vanuit berekeningen van echt gemaakte kosten van expats. Het heeft er alle schijn van dat het forfaitaire percentage van 30% is gebaseerd op relatief lagere inkomens van buitenlandse werknemers of onderzoekers. Uit onderzoek van Dialogic blijkt dat het percentage van 30% is gerechtvaardigd voor lagere inkomens als verhouding van gemaakte kosten, maar voor inkomens boven 100.000 euro geldt dat de werkelijk gemaakte kosten nog maar 6% van het inkomen bedragen. De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris om aan te geven hoeveel mensen in de 30%-regeling meer verdienen dan 100.000 euro op jaarbasis en wat het financieel beslag is van deze groep – er vanuit gaande dat zij boven de 100.000 euro geen fiscaal voordeel meer genieten. Voorts willen de leden van de SP-fractie graag weten hoeveel mensen onder de regeling vallen die meer verdienen dan 500.000 euro op jaarbasis en hoeveel meer dan 1 miljoen euro.

De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris waarom hij kiest voor de verkorting naar vijf jaar. Welke financiële opbrengst is er als de 30%-regeling wordt verkort naar één, twee, drie of vier jaar?

De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris of hij tevreden is over de evaluatie die gemaakt is door Dialogic en met name over het feit dat zij de evaluatie niet hebben uitgevoerd onder een representatieve onderzoeksgroep. Stichting ICAP wijst erop dat voor het onderzoek geen mensen zijn geïnterviewd die lid zijn van de internationale gemeenschap. Waarom is daarvoor gekozen, zo vragen de leden van de SP-fractie. Ook wijst Stichting ICAP erop dat de respondenten van de enquête voor 62% afkomstig waren uit de academische hoek, daar waar zij zelf onderzoek onder expats doen waarbij zij maar 13% van de respondenten uitmaken. Hoe verklaart de Staatssecretaris dit verschil? Kan de Staatssecretaris aangeven waarom dit verschil zo groot is en kan de Staatssecretaris weergeven hoe de verhouding is in de gehele groep die valt onder de 30%-regeling?

De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris te erkennen dat de 30%-regeling zeer gunstig is voor de werkgevers en universiteiten van de buitenlandse medewerkers of onderzoekers. De regeling heeft zich ontwikkeld naar een soort loonkostensubsidie, daar waar het kabinet loonkostensubsidie voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt uit den boze vindt. Hoe verklaart de Staatssecretaris dat hij wel loonkostensubsidie geeft aan multinationals en universiteiten voor een beperkte groep die uitzonderlijk goed verdient en volledig de pas afsnijdt voor gemeenten die werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking willen compenseren voor verminderde productiviteit? De leden van de SP-fractie zouden graag willen weten hoeveel van de 30%-regeling toe te rekenen is aan de werkgevers, uitgaande van het feit dat de helft van de werkgevers deze «tax-equalisation» gebruiken om een lager brutoloon af te spreken. De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris te reageren op de stelling van de FNV dat het profijt van de regeling voor werkgever en werknemer is, maar dat verkorten van de duur enkel voor rekening van de medewerker komt.

Ondanks het feit dat de leden van de SP-fractie de analyse hebben dat de 30%-regeling beter vervangen kan worden in een «echte kosten regeling» en van mening zijn dat werkgevers en universiteiten wel erg veel baat hebben bij het fiscale voordeel, willen deze leden toch aandacht vragen voor wetenschappers die door het verkorten van de regeling mogelijk in de problemen komen.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel wetenschappers door de beperking van de duur in 2019 geconfronteerd worden met inkomensachteruitgang en welke impact dit heeft op wetenschappelijke onderzoeken. Zij vragen de Staatssecretaris met universiteiten een plan te maken waarmee continuïteit van een opgestart onderzoeksprogramma niet in gevaar wordt gebracht en vragen de Staatssecretaris of er een mogelijkheid is om een overgangssituatie voor wetenschappers te maken. Ook hebben de SP-leden vragen bij de rechtsgeldigheid van afgegeven verklaringen van de Belastingdienst over de loopduur van de regeling, waarin de medewerker of onderzoeker zwart op wit heeft dat het fiscale voordeel langer doorloopt dan 2019.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief aangaande wijzigingen in de 30%-regeling. De leden van de PvdA-fractie waarderen dat het kabinet bereid is naar de regeling te kijken. Zij hebben hierbij nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat het kabinet ervoor heeft gekozen de toepassing van de 30%-regeling te verkorten tot vijf jaar. Waarom is niet gekozen voor een overgangstermijn? Waarom is niet gekozen voor uitfasering, waarbij bestaande gevallen gerespecteerd worden? Is er met de universiteiten contact geweest op dit punt?

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom alleen gekozen is voor verkorting van de toepassingstermijn? Waarom is er niet gekozen voor het beperken van het bedrag waartoe de regeling van toepassing is? De extra kosten voor verhuizing en verblijf in een ander land nemen toch niet onbeperkt toe? Vindt het kabinet het gepast om salarissen van soms een miljoen euro of hoger fiscaal te subsidiëren? De leden van de PvdA-fractie vragen voorts waarom er niet voor gekozen is om de afstand van 150 km uit te breiden.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er onderzoek is gedaan naar het «tax-equalization» effect van de regeling, wat inhoudt dat een deel van de fiscale subsidie resulteert in een lager bruto loon en waarbij de werkgever de fiscale subsidie gewoon in zijn zak steekt? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dit onderzoek? Hoe kan worden voorkomen dat dit effect zich voordoet? Op welke wijze is dit betrokken bij de overwegingen bij het moderniseren van de 30%-regeling?

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er gezien de uitkomsten van evaluatie niet is gekozen om de 30%-regeling af te schaffen. Zijn er meer doelmatige mogelijkheden om de doelen van de 30%-regeling te bereiken? Is de Staatssecretaris van plan de huidige omgang met de deskundigheidstoets aan te passen? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op het rapport inzake de evaluatie van de 30%-regeling van onderzoeksbureau Dialogic. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben enkele vragen voor de staatsecretaris.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hechten eraan te benadrukken dat zij zeer kritisch staan tegenover belastingmaatregelen met een degressief karakter. In de kabinetsreactie wordt gesteld dat werknemers met een brutoloon (exclusief vergoeding) onder de 25.000 euro extraterritoriale kosten hebben van gemiddeld 46% van de grondslag en werknemers met een brutoloon van meer dan 100.000 euro extraterritoriale kosten hebben van gemiddeld 6% van de grondslag, dit terwijl de 30%-regeling uitgaat van extraterritoriale kosten van 30% van de grondslag voor elke werknemer. Werknemers met hoge inkomens profiteren om die reden relatief sterk van de regeling, zo schrijft het kabinet in zijn reactie. Kan de staatsecretaris helderheid bieden of de 30%-regeling de facto degressief uitpakt, in termen van besteedbaar inkomen exclusief de feitelijke extraterritoriale kosten? Indien dit zo is, kan de Staatssecretaris een reflectie op de wenselijkheid daarvan geven?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich af of de voorgestelde inkorting van de termijn van acht naar vijf jaar daadwerkelijk leidt tot een aanzienlijke verlaging van de kosten van deze fiscale regeling, aangezien uit de evaluatie van Dialogic blijkt dat 80% van de gebruikers van de 30%-regeling deze niet langer dan vijf jaar gebruikt. Kan de Staatssecretaris een inschatting geven van het budgettaire belang van het inkorten van de termijn van de 30%-regeling?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich voorts af waarom de Staatssecretaris niet heeft gekozen voor een inperking van de regeling zelf, in plaats van een inperking van de termijn van de regeling. In het advies van Dialogic staat dat een optie zou zijn de forfaitaire vergoeding te maximeren tot een vast bedrag. Kan de staatsecretaris uitleggen waarom daar niet voor is gekozen, zeker gezien het voor de hand ligt dat het maximeren van de vergoeding niet leidt tot extra complexiteit?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben de indruk dat de voordelen van deze regeling voornamelijk bij bedrijven (en daarmee de aandeelhouders van bedrijven) terechtkomen, en in mindere mate bij werknemers waar de regeling voor bedoeld is, en vragen zich af of deze indruk correct is. Zo ja, klopt het dat deze regeling een subsidie is voor het verlagen van de loonkosten van met name multinationals, op kosten van de Nederlandse belastingbetaler? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich in dat geval af of de 30%-regeling niet dient te worden afgeschaft. Kan de Staatssecretaris aangeven wat een redelijke overgangstermijn is indien de regeling afgeschaft wordt? Indien bovenstaande indruk niet correct is, kan de Staatssecretaris dat uitleggen?

Tot slot hebben de leden van de Partij voor de Dieren-fractie een vraag over het abrupt terugbrengen van de termijn van acht tot vijf jaar, zonder een overgangstermijn voor bestaande gevallen. Ondanks dat de leden van de Partij voor de Dieren-fractie zeer kritisch zijn op de 30%-regeling, het gaat immers om een regeling die met name gunstig is voor werkgevers en werknemers met zeer hoge inkomens, vragen deze leden of de staatsecretaris open staat voor een overgangsregeling.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de evaluatie van de 30%-regeling. Deze leden waarderen het dat de evaluatie vervroegd is uitgevoerd en zij zijn blij dat de regeling doeltreffend en doelmatig bevonden is. De leden van de SGP-fractie willen hier nog markeren niet de motie Merkies/Grashoff (Kamerstuk 34 475, nr. 21) gesteund te hebben. Tegelijkertijd hebben zij wel enkele voorstellen in haar verkiezingsprogramma gedaan om de 30%-regeling ietwat te versoberen.

De leden van de SGP-fractie vinden het verkorten van de looptijd van acht jaar naar vijf jaar begrijpelijk, maar zijn het niet eens met het voorstel dat dit ook voor bestaande gevallen gaat gelden. De leden van de SGP-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik om een aantal vragen te stellen.

De leden van de SGP-fractie vrezen dat de gevolgen van een dusdanig snelle termijninkorting voor het bedrijfsleven groot kunnen zijn en vragen dan ook waarom niet gekozen wordt voor een deugdelijke overgangstermijn. Om hoeveel expats gaat het die per 1 januari niet meer in aanmerking komen omdat zij al vijf jaar of langer gebruikmaken van de regeling? En hoeveel mensen komen daar gedurende het jaar 2019 bij? Hoeveel kost het om de bestaande gevallen uit te zonderen, aangezien 80% niet langer dan vijf jaar van de regeling gebruikmaakt? De leden van de SGP-fractie betreuren dat ook bestaande gevallen per 1 januari 2019 onder het voorgestelde regime gaan vallen en zouden graag een overgangsregeling zien.

De extraterritoriale kosten bij een brutoloon van minimaal 100.000 euro zouden gemiddeld genomen maar 6% van de grondslag bedragen. De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet voor de optie van het maximeren van de 30%-regeling op 100.000 euro is gekozen. Klopt het dat het risico op het opteren voor daadwerkelijk gemaakte kosten zeer klein is voor deze groep? Wat zou het budgettaire beslag van een aftopping van de 30%-regeling op 100.000 euro bedragen? En is dit uitvoerbaar? Als reden om deze maatregel niet te nemen wordt genoemd dat de overcompensatie fungeert als prikkel om werknemers binnen te halen. Deze regeling is toch niet bedoeld als ordinaire salarisprikkel?

II. Reactie van de Staatssecretaris