Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 april 2011
In uw brief van 25 februari jl. vraag u mij om een reactie op de brief die u ontving van het college van burgemeester en wethouders
van de gemeente Boekel. Gemeente Boekel geeft in haar brief aan dat zij de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) op de hoogte
heeft gesteld van besluiten van de gemeenteraad over de uitvoering van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
(Wko).
Eén van de besluiten van de gemeente Boekel betreft het verantwoordelijk houden van het gastouderbureau voor de kwaliteit
van de gastouderopvang. Op grond hiervan wordt inspectie bij de gastouders thuis achterwege gelaten. Gemeente Boekel geeft
aan dat deze werkwijze aanleiding zou kunnen zijn tot aanpassing van de richtlijnen en wetgeving.
In reactie daarop deel ik u het volgende mede.
Ik acht de werkwijze die de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de gastouderopvang volledig bij de gastouderbureaus
legt, strijdig met de wet. Hoewel het gastouderbureau een rol speelt in de borging van de kwaliteit van de gastouderopvang,
is op grond van de Wko de gastouder (en niet de ouders of het gastouderbureau) primair verantwoordelijk voor het bieden van
verantwoorde opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. De
houder van een gastouderbureau is op grond van de Wko primair verantwoordelijk voor een verantwoorde uitvoering van de werkzaamheden
van het gastouderbureau. Het college van burgemeester en wethouders dient toe te zien op de naleving van de op grond van de
Wko gestelde eisen aan gastouder en gastouderbureau. Hiertoe wijst het college de GGD aan als uitvoerend toezichthouder. De
GGD onderzoekt na een aanvraag van een gastouderbureau voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang
te bieden, of de gastouder zal voldoen aan de door de Wko gestelde eisen aan gastouderopvang. Daarnaast inspecteert de GGD
zowel de gastouder als het gastouderbureau. Bij overtredingen van de Wko is het de taak van het college van burgemeester en
wethouders om handhavend op te treden.
Inspectie van gastouderopvangvoorzieningen is dus een wettelijke taak van gemeenten (en niet van gastouderbureaus). Omdat
met de gewijzigde Wet kinderopvang de taken voor GGD-en en gemeenten aanzienlijk zijn uitgebreid door de registratie en het
toezicht op de gastouder is zowel voor 2010 als voor 2011 € 10 mln. extra ongeoormerkt aan het gemeentefonds toegevoegd.
Om de grote aantallen gastouders binnen dit budget te kunnen inspecteren, zijn afspraken gemaakt met VNG en GGD-NL over versobering
van het toezicht op de kindercentra in 2010 en 2011. Zo hoefden bijvoorbeeld kindercentra die bij inspectie in 2009 op de
belangrijkste punten voldoende scoorden, in 2010 niet te worden geïnspecteerd. Voorts is ten aanzien van de gastouderopvang
met de VNG en GGD-NL afgesproken dat de GGD-inspecteur per bezoek niet het gehele toetsingskader doorloopt, maar een selectie
maakt aan de hand van wat men daar ter plaatse aantreft. Voor het fysieke bezoek aan de locatie van de gastouder wordt uitgegaan
van een bezoek van één uur. Tot slot is afgesproken dat geen inspecties van gastouderlocaties bij de vraagouder thuis hoeven
te worden verricht, behoudens wanneer zwaarwegende signalen daartoe aanleiding geven. Binnen dit kader is op macroniveau overeenstemming
met de VNG en GGD NL dat de Wko uitvoerbaar is.
Voor de inrichting van toezicht en handhaving in 2012 ben ik in overleg met GGD NL, VNG, IvhO en branchepartijen. Met de VNG
en het Ministerie van Binnenlandse Zaken zal ik op korte termijn de verdeelsleutel voor de middelen ten behoeve van toezicht
en handhaving op de gastouderopvang bespreken. In dit kader wordt ook bezien of na de scherpe controle op gastouders aan de
poort in de overgangsjaren 2010 en 2011 vanaf 2012 gastouderlocaties meer risicogestuurd kunnen worden geïnspecteerd en of
de controle op het gastouderbureau kan worden aangescherpt. Over de uitkomsten daarvan infomeer ik u gaarne vóór het Algemeen
Overleg Kinderopvang van 27 april a.s..
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H. G. J. Kamp