2026D41289 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over zijn brieven van 18 en 19 juni 2026 «Modern toezicht Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)» (Kamerstuk 33 835, nr. 262), «Jaarverslag 2025 van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)» (Kamerstuk 33 835, nr. 263) en «Jaarbeeld 2025 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)» (Kamerstuk 33 835, nr. 264).

De voorzitter van de commissie,

Steen

De griffier van de commissie,

Jansma

Inhoudsopgave

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower

II

Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

III

Volledige agenda

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris over modern toezicht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), van het Jaarverslag 2025 van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst (NVWA-IOD) en van het Jaarbeeld 2025 van de NVWA. Deze leden zien de NVWA als een organisatie waar Nederland trots op mag zijn. Zij beschermt zeven publieke belangen tegelijk, in een wereld die snel verandert: meer online handel, meer geopolitieke onzekerheid, nieuwe technologie en een krappe arbeidsmarkt. Betrouwbaar toezicht is bovendien een economisch bezit. Het is de reden dat afnemers binnen en buiten de Europese Unie erop kunnen vertrouwen dat wat in Nederland wordt geproduceerd deugt. Toezicht is in die zin geen last maar een fundament onder onze handelspositie en onze strategische positie in Europa.

De leden van de D66-fractie herkennen zich in de richting die de Staatssecretaris kiest. Vertrouwen als vertrekpunt, ruimte voor wie het goed doet, en stevig optreden wanneer dat vertrouwen wordt beschaamd.

De leden van de D66-fractie steunen het uitgangspunt dat aantoonbaar goed gedrag beloond mag worden met lichter toezicht en dat de vrijgekomen capaciteit vervolgens gaat naar de plekken met de grootste risico’s. Zij hechten er wel aan dat «high trust» verdiend wordt en niet verondersteld. Deze leden vragen de Staatssecretaris om toe te lichten aan welk toetsingskader hij het vermogen tot zelfregulering van een sector of domein zal afmeten, en wie dat oordeel velt. Kan hij aangeven welke minimale, meetbare nalevingsniveaus hij hanteert voordat een sector in aanmerking komt voor systeemtoezicht? Deze leden vragen voorts hoe wordt geborgd dat lichter toezicht omkeerbaar is. Welk mechanisme zorgt ervoor dat een sector of bedrijf bij tegenvallende naleving terugvalt naar intensiever toezicht en op welke termijn? Zij vragen de Staatssecretaris ook of hij bereid is de resultaten van systeemtoezicht periodiek te laten valideren met fysieke steekproeven, zodat de Kamer kan volgen of het instrument doet wat ervan wordt verwacht.

De leden van de D66-fractie zijn positief over de inflatiecorrectie en over de bredere toepassing van de omzetgerelateerde boete. Dat een boete voor een klein familiebedrijf zwaar kan uitpakken terwijl zij voor een grote onderneming een afrondingsverschil is, ondermijnt zowel het gelijke speelveld als het gezag van de toezichthouder. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij kan schetsen in welke type situaties hij verwacht dat de omzetgerelateerde boete daadwerkelijk zal worden toegepast en hoe hij voorkomt dat het instrument opnieuw grotendeels op de plank blijft liggen.

De leden van de D66-fractie lezen in het Jaarbeeld dat de handhavingsaanpak bij pluimvee heeft geleid tot een significante daling van het aantal waargenomen letselgevallen aan de slachtlijn. Dat laat zien dat gericht toezicht werkt. Tegelijkertijd is publiek geworden dat de NVWA de naleving van dierenwelzijnsregels bij veehandelaren en verzamelcentra zelf als zeer slecht typeert en dat opgelegde boetes daar nauwelijks tot gedragsverandering leiden. Deze leden vinden dat contrast veelzeggend en zien hier bij uitstek het domein waar de «high penalty»-kant van het principe zichtbaar moet worden. Deze leden wijzen erop dat verplichte keuring door een dierenarts nu alleen geldt voor exporttransporten, terwijl veel verzamelcentra vrijwel uitsluitend binnenlandse transporten verzorgen. Zij vragen de Staatssecretaris welke opties hij ziet om het fysieke inspectietoezicht op binnenlandse diertransporten te versterken, zowel bij verzamelcentra als bij primaire bedrijven. Kan hij toezeggen dat er op korte termijn ten minste vaker steekproefsgewijs fysiek wordt geïnspecteerd op deze locaties?

De leden van de D66-fractie vragen daarbij hoe de Staatssecretaris de ruimte beoordeelt die de Europese transportverordening lidstaten biedt om voor uitsluitend binnenlandse transporten strengere eisen te stellen. Welke mogelijkheden ziet hij hier concreet, en is hij bereid deze te verkennen? Ten aanzien van het bestaande verscherpt toezichtstraject vragen deze leden de Staatssecretaris om een reflectie op de werking daarvan in de transportsector. Hoeveel transportbedrijven vallen op dit moment onder verscherpt toezicht? Bij hoeveel van hen heeft dit traject aantoonbaar tot betere naleving geleid? Bij hoeveel transportbedrijven is de vergunning of erkenning als gevolg van ernstige overtredingen van de dierenwelzijnsregels (tijdelijk) ingetrokken of geschorst? Deze leden vragen op basis daarvan of de Staatssecretaris zijn eerdere afweging over uitbreiding van een «three strikes out»-benadering naar deze sector nog steeds zo weegt.

De leden van de D66-fractie zijn een warm voorstander van eenvoudiger regels. Onnodige complexiteit kost ondernemers tijd, kost de toezichthouder capaciteit en levert niemand iets op. Zij hechten er wel aan dat vereenvoudiging het publieke doel dichterbij brengt in plaats van verder weg. De Staatssecretaris schrijft zelf dat eenvoud en handhaafbaarheid niet altijd gelijk oplopen. Deze leden onderschrijven dat en wijzen op de eerdere constatering van Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) dat open normen in de roodvleesketen in de praktijk onvoldoende door ondernemers worden ingevuld. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe hij bij de omslag van middel- naar doelvoorschriften borgt dat normen concreet en handhaafbaar blijven. Welke rol krijgt de NVWA daarbij aan de voorkant, en hoe wordt de handhaafbaarheidstoets zichtbaar in de stukken die de Kamer bereiken? Het Jaarbeeld meldt dat de NVWA werkt aan een zorgvuldig ingerichte experimenteerruimte voor novel foods zoals kweekvlees en precisiefermentatie. Deze leden vinden dit een uitstekend voorbeeld van een toezichthouder die niet alleen risico’s afdekt, maar ook helpt om nieuwe dingen mogelijk te maken. Zij vragen de Staatssecretaris naar de stand van zaken van deze experimenteerruimte, naar de vraag hoeveel ondernemers er inmiddels gebruik van maken, en hoe deze ruimte zich verhoudt tot de Europese novel food-toelating. In het verlengde daarvan vragen deze leden aandacht voor de handhaving op de benaming «diernamen voor plantaardige producten». De Staatssecretaris heeft op 23 april 2026 toegezegd de Kamer, na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), rond het zomerreces te informeren over het verzoek om de benaming «diernamen voor plantaardige producten» toe te staan (Toezegging TZ202605-027). De leden van de D66-fractie constateren dat het reces inmiddels achter ons ligt. Zij vragen de Staatssecretaris wanneer de Kamer deze reactie tegemoet kan zien.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over modern toezicht door de NVWA, het Jaarverslag 2025 van de NVWA-IOD en het Jaarbeeld NVWA 2025. Deze leden steunen de richting die de Staatssecretaris kiest: vertrouwen en minder toezichtlast voor ondernemers die zich aan de regels houden en hard optreden tegen fraudeurs en notoire overtreders. Deze leden vinden dat toezicht geen doel op zichzelf is, maar aantoonbaar moet bijdragen aan veilige producten, dierenwelzijn en een eerlijk speelveld.

Een slagvaardige NVWA

De leden van de VVD-fractie willen dat de NVWA wordt afgerekend op maatschappelijk resultaat en niet op aantallen controles, beleidsstukken of nieuwe systemen. Kan de Staatssecretaris vanaf 2026 per publiek belang een beperkt aantal concrete streefwaarden hanteren voor naleving, interventiesnelheid en risicoreductie en deze herkenbaar in het Jaarbeeld opnemen?

De leden van de VVD-fractie lezen dat 35.933 voedselveiligheidsinspecties zijn uitgevoerd bij 19.979 bedrijven en aan 7.935 bedrijven een maatregel is opgelegd. Wat zeggen deze cijfers over de naleving en de kwaliteit van de risicoselectie ten opzichte van 2024? Kan de Staatssecretaris aantonen dat capaciteit daadwerkelijk verschuift van betrouwbare ondernemers naar bedrijven waar de risico’s het grootst zijn?

De leden van de VVD-fractie constateren dat verschillende jaarplandoelen slechts deels zijn gerealiseerd. Welke drie achterblijvende resultaten krijgen in 2026 prioriteit? Welke activiteiten worden gestopt of afgeschaald omdat zij onvoldoende effect hebben? De leden van de VVD-fractie vinden dat modern toezicht ook betekent dat de overheid durft te stoppen met toezicht dat vooral tijd kost en weinig oplevert.

De leden van de VVD-fractie ontvangen vanuit het bedrijfsleven signalen dat de groei van de NVWA niet altijd leidt tot meer capaciteit voor inspecties, keuringen en andere uitvoerende werkzaamheden, maar mede terechtkomt bij management- en ondersteunende functies. Kan de Staatssecretaris voor de afgelopen vijf jaar inzichtelijk maken hoe het aantal fte en de personeelskosten zich hebben ontwikkeld, uitgesplitst naar uitvoerend toezicht, management, beleid, coördinatie en ondersteuning? Welk aandeel van de totale personele capaciteit wordt momenteel daadwerkelijk besteed aan uitvoerende taken en hoe heeft dit aandeel zich in deze periode ontwikkeld?

De leden van de VVD-fractie vinden dat extra middelen voor de NVWA zichtbaar moeten leiden tot meer en beter toezicht in de praktijk. Welke concrete maatregelen neemt de Staatssecretaris om onnodige managementlagen en administratieve werkzaamheden terug te dringen en capaciteit naar de uitvoering te verplaatsen? Is de Staatssecretaris bereid hiervoor een meetbare doelstelling vast te stellen en vanaf het Jaarbeeld 2026 jaarlijks te rapporteren over de verhouding tussen uitvoerende en niet-uitvoerende capaciteit?

High trust, high penalty

De leden van de VVD-fractie willen dat goed gedrag daadwerkelijk wordt beloond. Wanneer merken aantoonbaar goed presterende ondernemers concreet dat zij minder controles, kosten en administratieve lasten ervaren?

De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris per domein concreet te maken hoeveel toezichtlast voor goede nalevers wordt verminderd en hoe de vrijgespeelde capaciteit wordt ingezet tegen notoire overtreders. Wanneer ontvangt de Kamer deze uitwerking?

Toezicht tijdens avond- en nachtelijke uren

De leden van de VVD-fractie vinden dat een verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransport alleen verantwoord kan worden ingevoerd wanneer ondernemers daadwerkelijk kunnen uitwijken naar de koelere uren van de dag. Zij constateren dat de eerder aangekondigde praktijkproef met nachtelijk slachten niet volledig is uitgevoerd, onder meer omdat onvoldoende NVWA-medewerkers bereid waren nachtdiensten te draaien. Welke concrete maatregelen neemt de Staatssecretaris om voldoende toezichthouders en keuringsdierenartsen beschikbaar te krijgen in de avond en nacht, zodat transport en slacht tijdens warme dagen daadwerkelijk naar koelere uren kunnen worden verplaatst? Kan de Staatssecretaris daarbij ingaan op flexibele roosters, passende arbeidsvoorwaarden, landelijke en regionale inzetbaarheid en de mogelijkheden om hiervoor private dierenartsen in te zetten?

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de resterende belemmeringen voor nachtelijk transport en slachten worden opgelost. Kan de Staatssecretaris toezeggen vóór het volgende warme seizoen samen met de NVWA en de sector tot een uitvoerbaar draaiboek te komen, zodat een verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransport niet leidt tot onvoldoende slachtcapaciteit of nieuwe risico’s voor het dierenwelzijn?

Overtredingen mogen niet lonen

De leden van de VVD-fractie steunen hogere en omzetgerelateerde boetes voor grote bedrijven die bewust ernstige overtredingen begaan. Een boete moet pijn doen, maar ook juridisch standhouden. Hoe worden omzet, economisch voordeel en ernst objectief vastgesteld en hoe voorkomt de Staatssecretaris dat vooral het midden- en kleinbedrijf wordt geraakt terwijl grote overtreders een boete als bedrijfsrisico incalculeren?

De leden van de VVD-fractie lezen dat de nieuwe boeteregels op 1 juli 2027 moeten ingaan. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat deze datum haalbaar is, aangeven wanneer de Kamer het ontwerp ontvangt en uiteenzetten hoe tot die tijd wordt voorkomen dat ernstige overtredingen financieel lonen?

Innovatie en eenvoudiger regels

De leden van de VVD-fractie steunen de inzet van cameratoezicht, drones, online scraping en datagedreven risicomodellen als daarmee betere controles tegen lagere kosten mogelijk zijn. Welke concrete besparing in uren en toezichtlast moeten deze innovaties in 2026 en 2027 opleveren en welke pilots worden gestopt als resultaten uitblijven? Blijft bij besluiten met gevolgen voor ondernemers altijd sprake van menselijke beoordeling en effectieve rechtsbescherming?

De leden van de VVD-fractie constateren dat 75 procent van de positieve Handhaafbaarheid, Uitvoerbaarheid en Fraudebestendigheid (HUF)-toetsen nog aanpassingen vereiste en 10 procent een negatieve uitkomst kende. Hoe vaak zijn de aanbevelingen uiteindelijk overgenomen?

De leden van de VVD-fractie vinden dat de politiek geen regels moet invoeren waarvan vooraf al duidelijk is dat zij niet uitvoerbaar, handhaafbaar of fraudebestendig zijn. Is de Staatssecretaris bereid afwijkingen van een HUF-toets voortaan expliciet aan de Kamer te verantwoorden?

De leden van de VVD-fractie steunen het voornemen om regels te vereenvoudigen of te schrappen. Wanneer volgen de eerste concrete voorstellen en welke meetbare regeldrukvermindering wordt nagestreefd?

Gelijk speelveld bij online handel

De leden van de VVD-fractie vinden het onacceptabel als Nederlandse ondernemers aan strenge eisen voldoen, terwijl onveilige producten van buiten de Europese Unie via online platforms eenvoudig de consument bereiken. Hoeveel illegale of onveilige aanbiedingen zijn in 2025 daadwerkelijk verwijderd, hoe vaak keerden dezelfde producten of aanbieders terug en welke extra verantwoordelijkheid wil de Staatssecretaris bij platforms en betaaldienstverleners leggen?

De leden van de VVD-fractie willen voorkomen dat nieuwe verplichtingen opnieuw vooral terechtkomen bij Nederlandse ondernemers die zich al aan de regels houden. Welk deel van de NVWA-capaciteit wordt aan online toezicht besteed en welke nationale bevoegdheden of Europese afspraken zijn nodig om buitenlandse aanbieders en platforms zelf sneller aan te pakken?

NVWA-IOD en de strafrechtketen

De leden van de VVD-fractie waarderen dat 68 procent van de NVWA-IOD-onderzoeken binnen een jaar is afgerond. Zij vinden het echter moeilijk uitlegbaar dat slechts 10% van de IOD-verdachten binnen een halfjaar is beoordeeld, tegenover 50 procent afgesproken, en bij boa-zaken slechts 32 procent binnen twee maanden, tegenover 70 procent. Fraudeurs moeten snel merken dat overtredingen gevolgen hebben. Welke concrete afspraken zijn met het Functioneel Parket gemaakt en wanneer worden de normen wel gehaald?

De leden van de VVD-fractie constateren dat ook de sepotpercentages van 29 procent bij IOD-zaken en 23 procent bij boa-zaken boven de norm van maximaal 19 procent liggen. Welk deel is het gevolg van onvoldoende bewijs of gebrekkige dossiers en welke reductiedoelstelling geldt voor 2026? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat schaarse opsporingscapaciteit wordt besteed aan zaken die onvoldoende kansrijk zijn?

De leden van de VVD-fractie lezen dat het Fraude Expertise Knooppunt acht onderzoeken opleverde, terwijl vijftien tot twintig waren afgesproken, mede door personele onderbezetting. Is deze onderbezetting inmiddels opgelost en welk resultaat wordt in 2026 verwacht?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie

De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd naar de capaciteit van de NVWA en of deze voldoende is om aan alle maatschappelijke opgaven invulling te geven. Zij zijn benieuwd op welke onderdelen van het toezicht heeft de NVWA in 2025 vanwege capaciteitsgebrek minder kunnen doen dan zij vanuit risico-oogpunt noodzakelijk achtte. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke thema’s sprake is van ondercapaciteit? Welke toezichtstaken zijn in 2025 niet, later of minder intensief uitgevoerd als gevolg van personele of financiële beperkingen? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het risico dat structurele capaciteitstekorten ertoe leiden dat risico’s pas worden aangepakt nadat zich incidenten hebben voorgedaan?

De leden van de PRO-fractie lezen dat NVWA actief onderzoek doet naar mestfraude. Hoe groot schat de Staatssecretaris de omvang van mestfraude in Nederland? Welk deel van de vermoedelijke mestfraude komt daadwerkelijk in beeld bij de NVWA? Hoeveel capaciteit is bij de NVWA en NVWA-IOD beschikbaar voor toezicht en opsporing op mestfraude? Is deze capaciteit volgens de Staatssecretaris voldoende om effectief toezicht te houden op de gehele mestketen, van producent en transporteur tot verwerker en gebruiker? Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om de samenwerking tussen NVWA, omgevingsdiensten, politie, Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) en het Openbaar Ministerie (OM) bij milieucriminaliteit verder te versterken? Ook illegale gewasbeschermingsmiddelen verdienen bijzondere aandacht.

De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd of er voldoende capaciteit is om effectief te handhaven op het juist toepassen van de juiste middelen. Verwacht de Staatssecretaris een extra capaciteitsvraag om het nieuwe convenant gewasbescherming te handhaven? Zo ja, is de NVWA hierop voorbereid?

De leden van de PRO-fractie hebben dezelfde vraag met betrekking tot het nieuwe stikstofbeleid. Leidt dit tot een aanvullende capaciteitsvraag en is de NVWA hierop voorbereid? Wat is bijvoorbeeld de beoogde rol van de NVWA in doelsturing en heeft de NVWA al bevestigd deze rol te kunnen vervullen? Zo nee, waar schort het aan en op welke termijn is de NVWA in staat om deze taken op te pakken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de brief Modern toezicht Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, het Jaarverslag 2025 van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA en het Jaarbeeld NVWA 2025. Deze leden hebben naar aanleiding hiervan vragen over het toezicht op het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten en het daarbij behorende convenant.

De leden van de DENK-fractie hechten eraan dat bij het slachten volgens religieuze riten zowel het dierenwelzijn als de vrijheid van godsdienst zorgvuldig worden geborgd. Het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten is vanuit die gedachte tot stand gekomen. De NVWA houdt daarbij permanent toezicht op de uitvoering van de onbedwelmde slacht.

De leden van de DENK-fractie wijzen erop dat Deloitte in de laatste uitgebreide evaluatie uit 2021 concludeerde dat het convenant doelmatig en doeltreffend is en in de praktijk goed functioneert. Ook tijdens het commissiedebat Dieren in de veehouderij en NVWA van 23 april 2026 heeft de Staatssecretaris deze conclusie aangehaald. De Staatssecretaris gaf toen geen voornemen aan om het convenant te wijzigen, maar gaf aan maatschappelijke en politieke ontwikkelingen op dit terrein te blijven volgen. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het in stand houden van het huidige convenant nog steeds het uitgangspunt van het kabinet is? Hoe beoordeelt hij het functioneren van het convenant op dit moment en zijn er sinds de evaluatie uit 2021 ontwikkelingen in de uitvoeringspraktijk geweest die aanleiding geven om de afspraken te wijzigen?

De leden van de DENK-fractie vragen tevens hoe het toezicht op onbedwelmd slachten volgens religieuze riten zich verhoudt tot de in de voorliggende brief aangekondigde modernisering van het NVWA-toezicht. De Staatssecretaris schrijft te willen inzetten op meer risicogericht toezicht, systeemtoezicht, technologische innovatie en waar mogelijk andere vormen van toezicht dan permanente fysieke aanwezigheid. Is de Staatssecretaris voornemens om dergelijke wijzigingen ook toe te passen op het toezicht op onbedwelmd slachten volgens religieuze riten? Zo ja, welke wijzigingen worden overwogen? Kan hij daarbij bevestigen dat eventuele wijzigingen die de uitvoering van het convenant raken vooraf worden besproken met de convenantspartijen en dat daarbij zowel dierenwelzijn als de religieuze uitvoerbaarheid van de afspraken wordt betrokken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de visie van de Staatssecretaris op het toezicht van de NVWA op het LVVN-domein (Kamerstuk 33 835, nr. 262). Zij hebben hier nog enkele vragen over. De Staatssecretaris pleit in het kader van het uitgangspunt «high trust, high penalty» vooral voor aanpassing van het boete-instrumentarium en hogere boetes. Deze leden horen graag ook welke concrete en op de werkvloer merkbare stappen de Staatssecretaris gaat zetten wat betreft het onderdeel «high trust». Gaat hij ervoor zorgen dat meer onderscheid gemaakt wordt tussen bedrijven die incidenteel of administratief de fout ingaan en recidiverende bedrijven met ernstige overtredingen? Welke rol kunnen private kwaliteitssystemen daarbij krijgen? Hoe wordt voorkomen dat veehouderij en andere bedrijven afgerekend worden op onduidelijkheid over open normen, bijvoorbeeld omtrent hokverrijking?

De leden van de SGP-fractie horen graag wanneer de regering uitvoering gaat geven aan de motie-Flach c.s. (Kamerstuk 33 835, nr. 236). Tijdens het Commissiedebat NVWA in april 2026 werd gemeld dat het onderzoek naar de inzet van private laboratoria pas deze zomer afgerond zou worden. In juli werd gemeld dat de resultaten pas later dit jaar worden verwacht (Kamerstuk 33 835, nr. 265). Deze leden maken zich zorgen over de verdere vertraging. Kan de Staatssecretaris ervoor zorgen dat de Kamer voor het begrotingsdebat LVVN geïnformeerd wordt over de onderzoeksresultaten en de uitvoering van de genoemde motie?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de visie van de Staatssecretaris op het toezicht door de NVWA op het terrein van LVVN. Deze leden hebben hierover verschillende vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdD-fractie vinden het allereerst goed dat de Staatssecretaris zijn visie heeft geformuleerd op toezicht door de NVWA. Deze leden en anderen wijzen al jaren op de grote, bekende risico’s voor dierenwelzijn in de veehouderij, tijdens transport en in de slachthuizen, terwijl het toezicht daarop onvoldoende is, niet in de laatste plaats vanwege een gebrek aan capaciteit. Datzelfde geldt voor de risico’s van overbemesting en mestfraude en de risico’s van het gebruik van pesticiden in de landbouw. De Staatssecretaris maakt in zijn brief een analyse van de context waarin de NVWA moet opereren en schrijft dat het toezicht van de NVWA toekomstbestendig moet zijn.

De leden van de PvdD-fractie onderschrijven dit, maar zien dat de analyse nog niet compleet is, terwijl dat wel noodzakelijk is om het toezicht daadwerkelijk toekomstbestendig te kunnen maken. Een fundamenteel en structureel probleem voor het functioneren van het toezicht door de NVWA is dat de risico’s voor dierenwelzijn, natuur, milieu en gezondheid permanent zo groot zijn, dat daar op geen mogelijkheid effectief toezicht op te organiseren is. Zeker als de Staatssecretaris schrijft dat het een illusie is dat met toezicht alle risico’s te mitigeren zijn en dat keuzes maken inherent is aan toezicht (publieke middelen zijn niet onbeperkt), wat deze leden in principe kan beamen, zou het logisch zijn om te beginnen met het verminderen van de risico’s bij de bron. Is de Staatssecretaris dat met deze leden eens? Deze leden geven een aantal voorbeelden. Toenmalig Minister Schouten schreef in 2020 aan de Kamer (Kamerstuk 33 835, nr. 138): «De druk op het slachtproces, ingegeven door economische overwegingen, is naar mijn overtuiging te groot geworden om belangen van dierenwelzijn en voedselveiligheid, maar ook van toereikend toezicht, op een adequate manier te borgen.» In het dreigingsbeeld milieucriminaliteit 2021 werd geconstateerd dat Nederland structureel kampt met een onverantwoord mestoverschot, wat een structurele prikkel vormt tot mestfraude. «Met de bestrijding van mestfraude», zo staat te lezen in het rapport, «zijn bovendien enorme kosten gemoeid aan inzet van de NVWA(-IOD), de Nationale Politie, RVO.nl en het Functioneel Parket.» In het Extern Jaarplan 2026 van de NVWA valt te lezen: «De druk op toezicht en handhaving op bestrijdingsmiddelen door de NVWA neemt toe. Dit wordt veroorzaakt door de achterblijvende naleving bij de toepassing van bestrijdingsmiddelen, alsook de risico’s van de toepassing van deze middelen op de waterkwaliteit, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving.» Ook wordt gesignaleerd dat de druk op de mestmarkt zou kunnen toenemen, «met als mogelijk gevolg dat er een toenemende druk op de naleving van regels ontstaat. Hiermee neemt ook de druk op toezicht en handhaving door de NVWA toe.»

De leden van de PvdD-fractie zouden de Staatssecretaris willen vragen hierop te reflecteren en dit toe te voegen aan zijn analyse over de context waarbinnen de NVWA moet opereren en de keuzes die moeten worden gemaakt met de beschikbare capaciteit. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het verstandig is om structurele risico’s juist bij de bron kern te verminderen waar dat kan en dat dat bijdraagt aan het slagvaardig inzetten van de beschikbare toezichtscapaciteit? Welke mogelijkheden ziet hij daartoe? Deze leden wijzen bijvoorbeeld op de Risicobeoordeling Roodvlees- en Grofwildketen 2024 van het Bureau Risicobeoordeling van de NVWA, waarin wordt geïllustreerd dat toezicht op hokverrijking bij een onveranderd productiesysteem het risico voor dierenwelzijn niet vermindert door de complexe relatie tussen huisvesting, staartbijten en couperen. Buro constateert dat op het primaire bedrijf de omgeving, met name de huisvesting, een belangrijke bedreiging blijkt van het dierenwelzijn in alle onderzochte sectoren binnen de roodvleesketen. «Hierbij gaat het vooral om de inrichting van de stal die niet is aangepast aan de behoeften van het dier, de afwezigheid van passende hokverrijking of de bescherming tegen weersomstandigheden.» De aanbevelingen van dit rapport luiden onder meer: «zet in op een spoedige realisering van een dierwaardige veehouderij» en «stimuleer de transitie van reguliere veehouderijen naar alternatieve vormen van veehouderij van productiedieren waar de dierenwelzijnsrisico’s minder groot zijn.» Deze leden zien dat de transitie naar een dierwaardige veehouderij dus ook een kans biedt om risico’s aan de voorkant weg te nemen, wat kan bijdragen aan een uitvoerbaardere toezichtopgave. Deelt de Staatssecretaris die mening en is het dan ook zijn inzet om de risico’s voor het welzijn van dieren bij de bron te verminderen, met het oog op het moderne, slagvaardige risicogerichte toezicht dat hij voorstaat?

Intimidatie NVWA-medewerkers

De leden van de PvdD-fractie maken zich zorgen over de omstandigheden waarbinnen de NVWA-inspecteurs hun werk moeten doen. Al jarenlang zijn er berichten over (ernstige) intimidatie van NVWA-inspecteurs, met alle gevolgen voor deze mensen van dien. Agressie, bedreiging en intimidatie zijn volstrekt onacceptabel, zo vinden deze leden. In het Jaarbeeld 2026 lezen zij met zorg dat het aantal meldingen «incidenten agressie» het afgelopen jaar is toegenomen. Kan de Staatssecretaris deze cijfers nader duiden en toelichten? Waar en in welke context vinden deze gevallen van intimidatie plaats? Welke verklaring heeft de Staatssecretaris voor de (toename van de) intimidatie? Is met deze cijfers het probleem van intimidatie van NVWA-medewerkers voldoende in beeld of is het ook nog mogelijk dat dit slechts het topje van de ijsberg is omdat niet al het intimiderende gedrag wordt gemeld? Wat gebeurt er in de gevallen waarin geen sprake is van een strafbaar feit of als dat niet bewijsbaar is (en er dus geen aangifte wordt gedaan), anders dan dat de NVWA zulke mensen aanspreekt op hun gedrag? Hoe wordt de (sociale) veiligheid van NVWA-inspecteurs gewaarborgd en hoe wordt voorkomen dat intimiderend gedrag op te inspecteren bedrijven wordt beloond door bijvoorbeeld terughoudender optreden?

High trust, high penalty en systeemtoezicht

De leden van de PvdD-fractie merken op dat de Staatssecretaris aantoonbaar goed gedrag wil belonen met lichter toezicht, onder meer via systeemtoezicht: steekproefsgewijze inspecties op door bedrijven zelf ingerichte systemen, in plaats van fysieke aanwezigheid van een inspecteur of dierenarts. Daarbij wil de Staatssecretaris onderzoeken of wettelijke taken die dierenartsen nu fysiek in slachthuizen moeten uitvoeren even impactvol zijn en of dit slimmer en innovatiever kan worden aangepakt. Kan de Staatssecretaris toelichten aan welke wettelijke taken hij hierbij denkt? Deze leden wijzen op het belang van permanente aanwezigheid van een onafhankelijke dierenarts op de plek waar dierenwelzijnsrisico’s zeer groot zijn, namelijk bij het doden van dieren. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het niet zijn inzet is om de fysieke aanwezigheid van dierenartsen in slachthuizen te verminderen?

De leden van de PvdD-fractie zien dat de Staatssecretaris minder toezicht voor goed presterende ondernemers expliciet koppelt aan het vrijspelen van capaciteit voor de grootste risico’s. Wat zijn de gevolgen van deze visie voor de toezichtintensiteit op dierenwelzijn? Hoe zal de totale toezichtcapaciteit van de NVWA voor dierenwelzijn zich de komende jaren ontwikkelen?

De leden van de PvdD-fractie lezen verder dat de NVWA waar mogelijk in zal zetten op vormen van systeemtoezicht, waarbij steekproefsgewijze inspecties op de werking van door bedrijven ingerichte en vooraf goedgekeurde systemen zullen plaatsvinden. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten bij welke sectoren dergelijk systeemtoezicht met vooraf goedgekeurde systemen al plaatsvindt en hoe dit er in de praktijk uitziet? Bij welke sectoren verwacht hij dat vormen van systeemtoezicht nog zullen worden toegepast, en op welke wijze?

Transparantie en de konijnenhouderij

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het niet alleen van belang is dat de NVWA zorgvuldig toezicht houdt op de veehouderij, maar dat ook door maatschappelijke organisaties en de Kamer gecontroleerd kan worden wat zich in de vee-industrie afspeelt en hoe daarop toezicht wordt gehouden. Onderschrijft de Staatssecretaris dit belang?

De leden van de PvdD-fractie wijzen ter illustratie hiervan op de beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij. Deze leden hebben kennisgenomen van de antwoorden van de Staatssecretaris op de Kamervragen (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2867). Hierin lezen de leden dat bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 bij vijftien van de vijfenveertig geïnspecteerde konijnenbedrijven overtredingen zijn geconstateerd, zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, te donkere stallen en het ontbreken van plateaus. Bij de naleefmeting van 2021/2022 zijn bij vijf van de zeventien geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd, met betrekking tot huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage. Deze leden willen graag precies weten wat bij deze inspecties is aangetroffen. Kan de Staatssecretaris de volledige inspectierapporten (al dan niet geanonimiseerd) met de Kamer delen, en per naleefmeting uitsplitsen om welke overtredingen het ging, hoe vaak elke overtreding voorkwam, en bij hoeveel bedrijven sprake was van meerdere overtredingen tegelijk? Kan hij daarbij aangeven om welke aantallen dieren het ging en waarom ervoor is gekozen om bij alle overtredingen, op een na, een waarschuwing te geven?

De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Staatssecretaris verwijst naar het door de sector opgestelde plan van aanpak huisvesting, waarin staat aan welke bovenwettelijke huisvestingsvereisten houders van konijnen zich in de loop naar 2030 moeten voldoen. Kan de Staatssecretaris dit plan van aanpak integraal met de Kamer delen?

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de conclusie dat er geen sprake is van ernstige overtredingen ertoe heeft geleid dat er in 2023, 2024 en 2025 in het geheel geen inspecties in de konijnenhouderij zijn uitgevoerd. Op het vangen en laden van konijnen is sinds 2017 nooit gecontroleerd. Klopt het dat de NVWA gedurende deze periode in de veronderstelling was dat er geen ernstige overtredingen plaatsvonden in de konijnenhouderij en (risicogericht) toezicht daarom niet noodzakelijk was? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het feit dat in 2019 én 2023 ook al beelden van ernstig dierenleed in de vleeskonijnenhouderij naar buiten kwamen en de risico’s in deze sector dus niet onbekend waren?

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de overheid geen centrale sterftecijfers van konijnen bijhoudt en ook niet beschikt over de cijfers die door de sector worden bijgehouden. En dit terwijl de toenmalige Landbouwminister in 2020 aangaf in te zetten op centrale registratie van sterftecijfers in de konijnenhouderij (Antwoorden op vragen van het lid Ouwehand (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het lijden van konijnen in de Nederlandse konijnenhouderij (ingezonden 12 december 2019, Aanhangsel van de Handelingen 2019–2020, nr. 2951). In plaats daarvan is de toezichthouder nu afhankelijk van de vrijwillige, private Zorgwijzer, waarvan de Staatssecretaris zelf zegt dat de representativiteit onbekend is. Deze leden vragen hoe de NVWA risicogericht en kennisgedreven toezicht kan houden als zelfs basale gegevens over uitval en sterfte in een sector ontbreken. Is de Staatssecretaris bereid om te zorgen voor een centrale, verplichte registratie van sterfte- en uitvalcijfers? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie vragen welke lering de Staatssecretaris uit deze casus trekt voor zijn visie op modern toezicht. We hebben gezien dat in een kleine, overzichtelijke sector, waarvan al bekend was dat er herhaaldelijk dierenwelzijnsmisstanden plaatsvonden, jarenlang geen toezicht is geweest, terwijl ernstige overtredingen bleven voortdoen. De vleeskonijnensector heeft jarenlang het predicaat «High trust» gekregen, waardoor konijnen ongezien jarenlang zeer ruw zijn behandeld. Totdat dit uiteindelijk aan het licht kwam door de inzet van een dierenrechtenorganisatie. Hoe gaat hij voorkomen dat deze situaties zich vaker gaan voordoen?

Naleefmetingen

De leden van de PvdD-fractie lezen in het jaarbeeld van de NVWA (Kamerstuk 33 835, nr. 264) dat er in 2025 naleefmetingen zijn gedaan bij houders van vleesvee en houders van kalkoenen. Kan de Staatssecretaris de resultaten van deze naleefmetingen met de Kamer delen? Deze leden lezen voorts dat in 2026 naleefmetingen worden afgerond onder houders van paarden, houders van opfok- en vermeerderingslegkippen en schapenhouders (naar de bescherming van schapen tegen hitte). Kan de Staatssecretaris ook de resultaten van deze naleefmetingen met de Kamer delen zodra zij beschikbaar zijn en daarbij aangeven welke overtredingen zijn geconstateerd en welke handhaving daarop is gevolgd?

De leden van de PvdD-fractie lezen in antwoord op feitelijke vragen dat er in 2025 628 meldingen van hittestress zijn gedaan bij de NVWA, en dat bij minder dan één op de vijf meldingen een inspectie is uitgevoerd (Kamerstuk 36 945 XIV, nr. 7). Kan de Staatssecretaris aangeven op basis waarvan is geconcludeerd dat bij 530 meldingen geen inspectie nodig was? Deze leden constateren dat de uitgevoerde inspecties uiteindelijk in slechts één op de tien gevallen tot een waarschuwing leidden en dat er in totaal slechts twee boetes zijn opgelegd. Hiertegenover staat een steekproef van Wakker Dier die afgelopen zomer is uitgevoerd, waaruit bleek dat 88 procent van de schapen in Noord-Holland midden op de dag onvoldoende of zelfs helemaal geen schaduw had in de wei, terwijl de zon genadeloos brandde en het buiten snikheet was, met temperaturen tot wel 33 graden Celsius (https://www.wakkerdier.nl/persberichten/merendeel-van-de-schapen-geen-schaduw-op-tropische-dag). Dit wijst er stellig op dat de wettelijke verplichting om dierenbescherming te bieden tegen slechte weersomstandigheden (artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren) op grote schaal niet wordt nageleefd. Hoe verhoudt het zeer geringe aantal opgelegde boetes zich tot deze aanwijzingen van structurele niet-naleving, en tot de aanpak van «High trust, high penalty» die de Staatssecretaris voor ogen heeft?

Herziening boetestelsel Wet dieren

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van de Staatssecretaris om het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren aan te passen met als doel om de doeltreffendheid van de boetes te verhogen. Kan de Staatssecretaris concreet aangeven wat hij gaat wijzigen? Hoe hoog worden de nieuwe boetes om te voldoen aan het principe van «High penalty»? Kan hij toelichten hoe hij de omzetgerelateerde boete «beter en breder» toepasbaar wil maken en in welke gevallen deze straks opgelegd worden?

De leden van de PvdD-fractie maken zich grote zorgen over het voornemen van de Staatssecretaris om de recidivetermijn te verkorten van vijf naar drie jaar. Deze leden constateren dat de Staatssecretaris dit motiveert met het argument dat de recidiveboetes bij een termijn van vijf jaar zo hoog oplopen dat bedrijven standaard bezwaar en beroep instellen. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het procedeergedrag van overtreders geen legitieme reden is om de aanpak van herhaalde overtreders dan maar te verzwakken en dat een kortere termijn juist notoire overtreders in de kaart speelt? Hoeveel bedrijven die onder de huidige vijfjaarstermijn als recidivist zouden worden aangemerkt vallen straks buiten de driejaarstermijn? Hierbij wijzen de leden ook op de situatie die zich heeft voorgedaan in de konijnenhouderij waarbij in de jaren 2021 en 2022 overtredingen zijn geconstateerd en vervolgens pas weer in 2027 nieuwe naleefmetingen plaatsvinden. Door het verkorten van de recidivebepaling, met een lage toezichtintensiteit, kunnen dit soort overtredingen niet met een recidivebepaling worden aangepakt.

Vereenvoudiging en deregulering

De leden van de PvdD-fractie constateren dat «vereenvoudiging en deregulering» een van de drie hoofdlijnen van de brief is. Deze leden vragen de Staatssecretaris te garanderen dat het schrappen of vereenvoudigen van regels op geen enkele wijze leidt tot een verlaging van de beschermingsnormen voor dieren, mensen of natuur. Kan hij toezeggen dat elk voorstel tot vereenvoudiging vergezeld gaat van een expliciete beoordeling van de gevolgen voor het beschermingsniveau?

Vangletsel

De leden van de PvdD-fractie lezen in het jaarbeeld 2025 van de NVWA dat er nog steeds geen oplossing is gevonden om handhavend op te treden wanneer in slachthuizen bij meer dan één procent van de kippen, eenden en kalkoenen zogeheten vangletsel wordt aangetroffen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld kneuzingen, bloedingen, ontwrichtingen en botbreuken, omdat de dieren ruw en hardhandig aan hun poten zijn opgetild, met meerdere tegelijk worden gedragen en in kratten worden geduwd of gegooid. Door pas handhavend op te treden vanaf éen procent werd al gedoogd dat jaarlijks meer dan vijf miljoen dieren (ernstige) verwondingen oplopen, maar nu kan zelfs vanaf vijf miljoen verwonde dieren niet worden gehandhaafd.

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de toenmalige Landbouwminister op vragen van de Partij voor de Dieren antwoordde dat de NVWA zal komen tot de meest effectieve oplossing om toezicht te houden op het vang-, laad- en transportproces en waar nodig passende handhaving toe te passen (Kamerstuk 2025D29645). Kan de Staatssecretaris aangeven wat de uitkomst hiervan is geweest en welke stappen zijn en worden ondernomen om zo snel mogelijk weer handhavend te kunnen optreden? Is de Staatssecretaris bereid om, in ieder geval totdat er weer handhavend kan worden opgetreden, maatregelen te treffen die de risico’s op vangletsel verkleinen, zoals minder dieren in de stallen en kratten, zodat het vangproces rustiger kan plaatsvinden en dieren minder op elkaar gepropt zitten, of structureel toezicht bij het vangen in stallen? Zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris tevens aangeven hoe en per wanneer de NVWA gaat handhaven op het verbod om kippen aan poten op te tillen voordat zij naar de slacht worden afgevoerd, conform de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (ECLI:NL:CBB:2026:335)? Ook hiermee kan veel vangletsel bij dieren worden voorkomen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over modern toezicht door de NVWA, het Jaarbeeld NVWA 2025 en het Jaarverslag NVWA-IOD 2025. Deze leden onderschrijven het belang van een deskundige en slagvaardige toezichthouder die optreedt waar de voedselveiligheid, diergezondheid of het dierenwelzijn daadwerkelijk in het geding zijn. Zij lezen daarom met instemming dat de Staatssecretaris kiest voor risicogericht en kennisgedreven toezicht, waarbij goed gedrag wordt beloond met minder toezichtlast en capaciteit wordt ingezet waar de grootste risico’s liggen. Deze leden hebben naar aanleiding van de stukken nog een aantal vragen.

De leden van de BBB-fractie lezen dat de NVWA nieuwe technologieën, waaronder drones, nadrukkelijker wil inzetten bij het toezicht. Deze leden zijn niet tegen innovatie. Technologie moet het toezicht echter doelmatiger maken en niet leiden tot het steeds gemakkelijker opsporen van situaties die op papier mogelijk ongewenst lijken, zonder dat duidelijk is of daadwerkelijk sprake is van schade aan dierenwelzijn of het publieke belang dat de NVWA behoort te beschermen.

De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris inzet op risicogericht toezicht en het uitgangspunt «high trust, high penalty». Deze leden vinden dat dit uitgangspunt ook daadwerkelijk herkenbaar moet zijn in de handhaving in de veehouderij. Zij zien echter dat in het publieke en politieke debat regelmatig wordt gepleit voor steeds intensiever toezicht, zoals permanent cameratoezicht en een steeds grotere fysieke aanwezigheid van de NVWA. Dat wekt de indruk dat de veehouderij als geheel vanuit wantrouwen wordt benaderd, in plaats van dat toezicht wordt gericht op de bedrijven en situaties waar de risico’s daadwerkelijk het grootst zijn.

Daarnaast leidt het verhoogde gebruik van AI/ slimme technieken volgens deze leden tot een groot risico op het lekken van gevoelige data van ondernemers en gezinnen onder meer door datalekken en openbaarmaking van gegevens. Welke waarborgen gelden bij de toenemende inzet en uitwisseling van data door de NVWA voor privacy, gegevensbescherming en bedrijfsvertrouwelijke informatie? Van wie zijn de verzamelde gegevens en beelden, wie heeft daar toegang toe, voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt en hoe lang mogen deze worden bewaard? Hoe wordt voorkomen dat gegevens die voor één specifiek toezichtdoel zijn verzameld vervolgens zonder duidelijke begrenzing voor andere toezicht- of handhavingsdoeleinden worden gebruikt? Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsvertrouwelijke of persoonlijke informatie via openbaarmakingsverzoeken onbedoeld openbaar wordt?

De leden van de BBB-fractie vinden het terecht dat bedrijven waar regels structureel of ernstig worden overtreden stevig worden aangepakt. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat ondernemers die goed presteren of slechts incidenteel of administratief tekortschieten op dezelfde manier worden benaderd. Hoe borgt de Staatssecretaris dat het toezicht daadwerkelijk onderscheid maakt tussen ondernemers die incidenteel of administratief tekortschieten en bedrijven waar sprake is van structurele of ernstige overtredingen? Deze leden wijzen er daarnaast op dat binnen de veehouderij private kwaliteitssystemen bestaan, zoals Holland Varken Quality, waarin aanvullende eisen worden gesteld en bedrijven periodiek worden gecontroleerd. Private kwaliteitssystemen kunnen bovendien sneller worden aangepast aan nieuwe inzichten dan wet- en regelgeving. Hoe kunnen private kwaliteitssystemen volgens de Staatssecretaris een grotere rol spelen bij risicogericht toezicht? Is de Staatssecretaris bereid ervoor te zorgen dat aantoonbaar goede deelname aan dergelijke kwaliteitssystemen daadwerkelijk leidt tot minder of lichter NVWA-toezicht? Zou de NVWA zich volgens de Staatssecretaris niet juist sterker moeten richten op producten, handelsstromen en sectoren waar géén certificering, ketenborging of structureel kwaliteitssysteem aanwezig is? Hoe wordt deze afweging momenteel gemaakt bij de prioritering van toezichtcapaciteit?

De leden van de BBB-fractie wijzen in dat verband bijvoorbeeld op de handel in afslankmiddelen, spieropbouwende middelen en andere zogenoemde «wondermiddelen», waarvan het gebruik tot ernstige gezondheidsklachten en in sommige gevallen zelfs overlijden kan leiden. Hoeveel capaciteit zet de NVWA momenteel in op het toezicht op dergelijke producten en handelsstromen? Hoe verhoudt die inzet zich tot de toezichtcapaciteit die wordt ingezet in sectoren zoals (maar niet gelimiteerd tot) de Nederlandse vlees- en zuivelproductie, waarin al sprake is van structurele private kwaliteitsborging en periodieke controles?

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat wet- en regelgeving niet alleen verplichtingen oplegt aan ondernemers, maar hun ook rechtszekerheid en bescherming behoort te bieden. Ondernemers moeten zich aan de geldende regels houden, maar moeten er tegelijkertijd op kunnen vertrouwen dat wanneer zij dat doen, zij niet voortdurend worden geconfronteerd met procedures die grote gevolgen hebben voor hun bedrijf en gezin. Deze leden krijgen signalen dat de NVWA veel tijd kwijt is aan handhavingsverzoeken van activistische non-gouvernementele organisaties (ngo’s). Daarbij worden bijvoorbeeld verzoeken ingediend naar aanleiding van foto’s die ondernemers zelf hebben gedeeld in vakbladen of op sociale media, of naar aanleiding van bezoeken aan zichtstallen die ondernemers juist openstellen om burgers kennis te laten maken met de veehouderij. Een ondernemer die transparant probeert te zijn over zijn bedrijf kan daardoor juist onderwerp worden van een handhavingsprocedure.

De leden van de BBB-fractie vinden dat een zeer onwenselijk effect. Deze leden begrijpen dat een verzoek om handhaving een belangrijk juridisch instrument is wanneer daadwerkelijk aanwijzingen bestaan dat wet- en regelgeving wordt overtreden. Zij vragen echter ook aandacht voor de mogelijkheid dat dit instrument strategisch wordt ingezet om via handhavingsprocedures onderwerpen voor de rechter te brengen of politiek te agenderen. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het instrument van het handhavingsverzoek niet bedoeld zou moeten zijn om ondernemers die transparantie betrachten op deze manier voortdurend onderwerp van procedures te maken? Hoeveel handhavingsverzoeken van ngo’s ontvangt de NVWA jaarlijks en hoeveel capaciteit en kosten zijn gemoeid met de beoordeling en afhandeling daarvan? Kan de Staatssecretaris daarbij aangeven welk deel van deze handhavingsverzoeken uiteindelijk leidt tot de constatering van een daadwerkelijke overtreding en welk deel niet? Is de Staatssecretaris het ermee eens dat wanneer een groot deel van dergelijke verzoeken niet tot de constatering van een overtreding leidt, moet worden bezien of de daarmee gemoeide inzet van schaarse NVWA-capaciteit nog in verhouding staat tot het daadwerkelijke risico? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat de NVWA haar schaarse toezichtcapaciteit in de eerste plaats moet richten op bedrijven en situaties waar sprake is van een reëel risico op ernstige of opzettelijke overtredingen, in lijn met het uitgangspunt van risicogericht toezicht? Is de Staatssecretaris bereid het gebruik van handhavingsverzoeken te evalueren, waarbij niet alleen wordt gekeken naar het juridische doel van dit instrument, maar ook naar de wijze waarop het in de praktijk wordt gebruikt, de hoeveelheid NVWA-capaciteit die ermee gemoeid is en de gevolgen voor ondernemers? Is hij bereid daarbij juridisch te laten onderzoeken welke mogelijkheden bestaan om oneigenlijk of evident strategisch gebruik van handhavingsverzoeken tegen te gaan, zonder de mogelijkheid om bij daadwerkelijke overtredingen om handhaving te verzoeken aan te tasten en wil hij daarbij nadrukkelijk onderzoeken hoe ondernemers die aantoonbaar volgens de regels werken beter kunnen worden beschermd tegen een opeenstapeling van dergelijke procedures?

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor de sterk oplopende kosten van het NVWA-toezicht voor het bedrijfsleven. De NVWA wordt deels uit de algemene middelen gefinancierd, maar ondernemers betalen daarnaast voor wettelijk verplichte keuringen, inspecties en certificeringen. Daarbij kunnen zij voor veel van deze diensten niet kiezen voor een andere aanbieder. Juist omdat ondernemers verplicht zijn deze diensten af te nemen en geen normale marktwerking bestaat, vinden deze leden dat hoge eisen mogen worden gesteld aan de doelmatigheid, kostenefficiëntie en kwaliteit van de dienstverlening.

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de NVWA-tarieven de afgelopen jaren fors zijn gestegen. Tegelijkertijd bestaan vanuit het bedrijfsleven zorgen over de verhouding tussen de hoogte van deze tarieven en de kwaliteit en efficiëntie van de dienstverlening. Ook is eerder onderzoek gedaan naar de doelmatigheid van de NVWA. Wat heeft de Staatssecretaris concreet gedaan met de conclusies en aanbevelingen uit het PwC-onderzoek naar de doelmatigheid van de NVWA (Kamerstuk 33 835, nr. 233)? Welke verbeteringen zijn inmiddels doorgevoerd en welke aantoonbare resultaten hebben deze opgeleverd voor de doelmatigheid en effectiviteit van de organisatie? Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken hoe de tarieven voor bijvoorbeeld veterinaire keuringen in Nederlandse slachthuizen zich verhouden tot die in andere Europese lidstaten? Beschikt hij over een vergelijking van deze tarieven? Zo nee, is hij bereid deze vergelijking alsnog te maken? Kan hij daarbij niet alleen kijken naar de tarieven zelf, maar ook naar de wijze waarop de betreffende keuringswerkzaamheden in andere lidstaten worden georganiseerd en gefinancierd? Kan de Staatssecretaris verklaren waarom de Nederlandse NVWA-tarieven zo hoog zijn en inzichtelijk maken hoe deze tarieven precies zijn opgebouwd? Welk deel bestaat uit directe personeelskosten, welk deel uit overhead en welk deel uit overige kosten? Hoe hebben deze verschillende componenten zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld? Wat is de verwachte ontwikkeling van de NVWA-tarieven in de komende jaren? Waarom bestaat er geen plafond voor de kosten die via de NVWA-tarieven aan ondernemers kunnen worden doorberekend? Welke prikkel heeft de NVWA binnen het huidige tariefstelsel om de kosten van de dienstverlening daadwerkelijk te verlagen? Is de Staatssecretaris bereid te onderzoeken of een vorm van kostenplafond of een andere begrenzing van de jaarlijkse tariefstijging mogelijk is? Is de Staatssecretaris daarnaast bereid de jaarlijkse stijging van de NVWA-tarieven te begrenzen, waarbij een stijging boven de reguliere loon- en prijsontwikkeling alleen mogelijk is wanneer afzonderlijk en deugdelijk wordt onderbouwd waarom deze extra stijging noodzakelijk is en welke verbetering van de dienstverlening daar voor ondernemers tegenover staat?

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast met hoeveel fte de NVWA in de afgelopen vijf jaar per jaar is gegroeid. Kan de Staatssecretaris per jaar aangeven hoeveel fte de NVWA telde en voor welke werkzaamheden de uitbreiding van het personeelsbestand is ingezet? Welke functies zijn daarbij toegevoegd en welk deel van deze uitbreiding was specifiek gericht op het verbeteren van de doelmatigheid, efficiëntie en dienstverlening? Welke concrete efficiencywinst heeft deze uitbreiding opgeleverd? Wat is de verwachte omvang van de NVWA in fte voor de komende jaren en welke verdere groei of krimp is voorzien? Kan de Staatssecretaris daarnaast inzichtelijk maken hoe het aantal daadwerkelijk productieve uren zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld ten opzichte van de personele lasten? Welk deel van de beschikbare capaciteit wordt besteed aan overhead, reistijd en andere niet-productieve uren en hoe heeft dit aandeel zich in dezelfde periode ontwikkeld? Welke concrete maatregelen neemt de Staatssecretaris om het aandeel productieve uren te verhogen?

De leden van de BBB-fractie vragen ten slotte hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen een tariefstelsel waarin beter rekening wordt gehouden met de omvang van bedrijven én met aantoonbaar goed naleefgedrag, bijvoorbeeld door middel van arrangementen of abonnementsvormen. Is hij bereid te onderzoeken of ondernemers die structureel goed presteren niet alleen minder toezichtlast, maar ook lagere toezichtkosten kunnen krijgen? Zou dit volgens de Staatssecretaris niet juist een concrete invulling kunnen zijn van de in zijn eigen brief aangekondigde «wortel» van high trust, high penalty?

De leden van de BBB-fractie vinden het daarnaast van belang dat de aangekondigde verbetering van doelmatigheid en efficiëntie ook daadwerkelijk meetbaar wordt. Is de Staatssecretaris bereid voor de NVWA een beperkt aantal concrete en meetbare indicatoren vast te stellen waarmee de Kamer vanaf 2027 kan volgen of de doelmatigheid daadwerkelijk verbetert, de kosten voor het bedrijfsleven dalen en de regeldruk afneemt? Zo nee, hoe wil de Staatssecretaris dan objectief vaststellen of de aangekondigde modernisering voor ondernemers daadwerkelijk resultaat oplevert? Deelt de Staatssecretaris de constatering dat voor wettelijk verplichte diensten van de NVWA geen sprake is van normale marktwerking, omdat ondernemers voor deze diensten niet eenvoudig naar een andere aanbieder kunnen overstappen? Deelt hij de zorg dat een dergelijke monopoliepositie onvoldoende prikkels kan geven om kosten te beperken en de dienstverlening efficiënter te organiseren? Welke mechanismen zijn ingebouwd om desondanks te borgen dat de NVWA deze werkzaamheden zo kostenefficiënt mogelijk uitvoert?

De leden van de BBB-fractie wijzen er daarnaast op dat bedrijven in de vleessector voor hun bedrijfsvoering rechtstreeks afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van de NVWA. Het gaat immers om wettelijk verplichte overheidstaken: zonder de noodzakelijke keuringen en certificaten kunnen dieren niet worden geslacht, producten niet worden vervoerd en exportstromen niet doorgaan. Deze afhankelijkheid brengt naar het oordeel van deze leden een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee voor de overheid om voldoende capaciteit en een betrouwbare dienstverlening te garanderen. Deze leden schrikken ervan dat de retributies voor de vleessector in vijf jaar met ongeveer 40 procent zijn gestegen. Voor de inzet van officiële assistenten bij de vleeskeuring, de huidige het Ondersteunend Medewerker Toezicht (OMT)-medewerkers en voormalige Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS)-medewerkers, is de kostenstijging in drie jaar ongeveer 73 procent, waarvan ongeveer 28 procent alleen al in 2026. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris deze cijfers? Kan hij de ontwikkeling van deze tarieven over de afgelopen vijf jaar inzichtelijk maken en verklaren waardoor deze forse stijgingen zijn veroorzaakt?

De leden van de BBB-fractie ontvangen daarnaast signalen over een zeer hoog ziekteverzuim binnen het OMT, dat structureel boven de 20 procent zou liggen. Klopt dit? Kan de Staatssecretaris het ziekteverzuim binnen OMT over de afgelopen drie jaar per jaar inzichtelijk maken? Hoe verhoudt dit zich tot het ziekteverzuim binnen de rest van de NVWA en binnen de rijksoverheid? Welke oorzaken liggen volgens de Staatssecretaris aan dit hoge ziekteverzuim ten grondslag en welke maatregelen worden genomen om dit terug te dringen? Welke gevolgen heeft het ziekteverzuim binnen OMT voor de beschikbare keuringscapaciteit en voor de kostprijs per daadwerkelijk geleverd keuringsuur? In hoeverre worden de kosten van ziekteverzuim en niet-inzetbare capaciteit via de tarieven doorberekend aan bedrijven? Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat interne inefficiëntie of een structureel capaciteitsprobleem binnen de NVWA niet zonder meer via hogere tarieven mag worden afgewenteld op ondernemers die wettelijk verplicht zijn van deze dienstverlening gebruik te maken? Deze leden krijgen bovendien signalen dat aangevraagde keuringen het afgelopen jaar door capaciteitsproblemen bij de NVWA zijn verschoven, beperkt of afgezegd. Herkent de Staatssecretaris dit beeld? Hoe vaak is dit in 2025 en tot nu toe in 2026 voorgekomen? Kan hij daarbij aangeven hoeveel aangevraagde keuringsuren niet, niet volledig of niet op het aangevraagde tijdstip konden worden geleverd vanwege een tekort aan NVWA- of OMT-capaciteit? Wat zijn de gevolgen voor een bedrijf wanneer een reeds aangevraagde keuring door capaciteitsproblemen bij de NVWA niet kan doorgaan? Wie draagt in dat geval de kosten van bijvoorbeeld stilgevallen productie, betaling van al gepland personeel, gewijzigd of geannuleerd diertransport en andere aantoonbare bedrijfsschade? Acht de Staatssecretaris het redelijk dat dit bedrijfsrisico volledig bij de ondernemer ligt wanneer de oorzaak aantoonbaar binnen de overheidsorganisatie ligt? Welke servicenormen gelden voor de dienstverlening waarvoor ondernemers verplicht betalen? Bestaan er concrete normen voor beschikbaarheid, tijdigheid en betrouwbaarheid van aangevraagde keuringscapaciteit? Zo ja, hoe vaak zijn deze normen in 2025 en 2026 gehaald? Zo nee, waarom worden ondernemers wel verplicht tegen vastgestelde tarieven diensten van de NVWA af te nemen, terwijl daar geen afdwingbaar minimumniveau van dienstverlening tegenover staat? Is de Staatssecretaris bereid te onderzoeken hoe in het tariefstelsel een sterkere relatie kan worden gelegd tussen het tarief dat ondernemers betalen en de daadwerkelijk geleverde dienstverlening, zodat kosten die voortkomen uit interne inefficiëntie, hoog ziekteverzuim of het niet kunnen leveren van aangevraagde capaciteit niet automatisch bij het bedrijfsleven terechtkomen?

De leden van de BBB-fractie hebben de indruk dat de monopoliepositie van de NVWA verkleind kan worden binnen bestaande wet- en regelgeving. Kan een Nederlandse ondernemer voor wettelijk verplichte keurings-, inspectie- of certificatiewerkzaamheden gebruikmaken van een bevoegde autoriteit of erkende dienstverlener uit een andere Europese lidstaat wanneer deze dezelfde werkzaamheden tegen lagere kosten kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet en welke Europese of nationale regelgeving verhindert dit? In dit licht vragen deze leden ook graag opnieuw aandacht voor de uitvoering van de aangenomen motie-Flach c.s. over het accrediteren en inschakelen van private laboratoria voor verplichte onderzoeken bij de import van vers voedsel (Kamerstuk 33 835, nr. 236). In deze motie is vastgesteld dat Europese regelgeving ruimte biedt om private laboratoria hiervoor te accrediteren, dat dit in België reeds gebeurt, waaronder zelfs met Nederlandse laboratoria, en dat de tarieven van private laboratoria substantieel lager kunnen liggen dan die van Wageningen Food Safety Research.

De leden van de BBB-fractie constateren dat in het Jaarbeeld NVWA 2025 slechts wordt gemeld dat naar aanleiding van deze motie een extern onderzoek wordt uitgevoerd naar de gevolgen van de inzet van private laboratoria. Zij vinden dat inmiddels wel erg mager. De Kamer heeft de regering niet gevraagd om uitsluitend te onderzoeken óf private laboratoria zouden kunnen worden ingezet, maar heeft gevraagd private laboratoria die aan de Europese kwaliteitsstandaarden voldoen de mogelijkheid te geven zich voor deze werkzaamheden te accrediteren. Wat is daarom op dit moment de stand van zaken van de uitvoering van deze motie? Wanneer wordt het externe onderzoek afgerond? Waarom zijn private laboratoria die aantoonbaar aan de Europese kwaliteitsstandaarden voldoen nog altijd niet daadwerkelijk toegelaten? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Europese regelgeving geen belemmering vormt om meerdere gekwalificeerde laboratoria voor deze onderzoeken in te schakelen? Zo ja, welke concrete belemmering resteert dan nog? Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken hoeveel ondernemers momenteel betalen voor de betreffende verplichte analyses bij Wageningen Food Safety Research en wat dezelfde analyses gemiddeld zouden kosten bij daarvoor gekwalificeerde private laboratoria? Hoeveel zouden Nederlandse ondernemers op jaarbasis kunnen besparen wanneer meerdere laboratoria worden toegelaten? Deelt de Staatssecretaris de mening dat het moeilijk uit te leggen is wanneer Nederlandse laboratoria voor dergelijke analyses in België wel kunnen worden ingeschakeld, terwijl Nederlandse ondernemers voor dezelfde soort verplichte onderzoeken in Nederland van één laboratorium afhankelijk blijven? Wanneer kunnen de eerste private laboratoria daadwerkelijk voor deze onderzoeken worden geaccrediteerd en ingezet?

De leden van de BBB-fractie lezen in de brief over modern toezicht dat de Staatssecretaris de bestaande boetebedragen met 40 procent wil verhogen vanwege de inflatie. Daarmee stijgt bijvoorbeeld een boete uit categorie 2 van 1.500 naar 2.100 euro. Deze leden wijzen erop dat dergelijke boetes niet uitsluitend worden opgelegd bij fraude of ernstige misstanden, maar ook aan de orde kunnen zijn bij overtredingen van dierenwelzijnsvoorschriften. Tegelijkertijd kondigt de Staatssecretaris met het principe high trust, high penalty ook een duidelijke «wortel» aan: ondernemers die aantoonbaar goed presteren moeten meer ruimte krijgen en minder toezichtlast ervaren.

De leden van de BBB-fractie merken op dat ook eerdere bewindspersonen hebben gesproken over meer risicogericht toezicht en meer ruimte voor goed presterende ondernemers. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat deze aanpak ditmaal daadwerkelijk merkbaar wordt in de praktijk? Welke concrete ideeën heeft de Staatssecretaris voor deze «wortel» en welke voordelen gaan goed presterende ondernemers daarvan daadwerkelijk ervaren?

Hoe ziet het proces eruit om deze «wortel» verder vorm te geven? Op welke termijn moet dit leiden tot concrete veranderingen in de toezichtpraktijk? Wordt bij de uitwerking hiervan nadrukkelijk gebruikgemaakt van de kennis en praktijkervaring van ondernemers en sectororganisaties?

De leden van de BBB-fractie constateren daarbij dat de «high penalty»-kant van het voorgestelde beleid al behoorlijk concreet is uitgewerkt, terwijl voor ondernemers nog nauwelijks duidelijk is wanneer zij voor «high trust» in aanmerking komen en wat zij daar vervolgens concreet van merken. Aan welke objectieve criteria moet een ondernemer voldoen om door de NVWA als iemand die aantoonbaar de regels naleeft te worden beschouwd? Wanneer krijgt een ondernemer daadwerkelijk de status van «high trust» en welke concrete gevolgen heeft dit voor de frequentie, intensiteit en kosten van het toezicht? Hoe lang moet een ondernemer aantoonbaar goed naleven voordat hij hiervoor in aanmerking komt? Welke gevolgen heeft een incidentele of administratieve overtreding voor deze status? Kan één dergelijke overtreding ertoe leiden dat een ondernemer de voordelen van «high trust» weer verliest? Hoe en wanneer worden deze criteria voor ondernemers kenbaar gemaakt? Deelt de Staatssecretaris de mening dat ondernemers vooraf duidelijk moeten kunnen weten waar zij aan toe zijn en dat «high trust» daarom niet afhankelijk mag zijn van een ondoorzichtige of per inspecteur verschillende beoordeling? Is hij bereid de criteria voor «high trust» samen met de betrokken sectoren uit te werken en deze vast te leggen voordat de verhoging van de boetes in werking treedt?

De leden van de BBB-fractie vinden daarnaast dat verhoging van boetes en aanscherping van handhaving niet los kunnen worden gezien van de uitvoerbaarheid van regels in de praktijk. Is de Staatssecretaris bereid om, voordat boetes worden verhoogd of de handhaving op bepaalde voorschriften wordt aangescherpt, hierover eerst in overleg te gaan met de betreffende sectoren? Is hij daarnaast bereid om bij wijzigingen in de handhavingspraktijk te zorgen voor realistische overgangstermijnen, die in overleg met de sector worden vastgesteld? Kan de Staatssecretaris aangeven waarop de veronderstelling is gebaseerd dat de huidige boetes onvoldoende afschrikwekkend zijn en welke onderbouwing bestaat voor de verwachting dat een verhoging van de boetes daadwerkelijk tot betere naleving leidt? Is vooraf onderzocht wat de financiële impact en proportionaliteit van deze verhoging is voor kleine en middelgrote ondernemers, voor wie eenzelfde boetebedrag een geheel andere impact kan hebben dan voor een groot bedrijf? Zo nee, waarom wordt een dergelijke forse verhoging voorgesteld zonder dat deze gevolgen eerst in beeld zijn gebracht? Bij verschillende dierenwelzijnsvoorschriften is bovendien sprake van open normen. Dat geldt bijvoorbeeld voor voorschriften rondom hokverrijking, nestbouwmateriaal en bescherming tegen het weer. De precieze invulling daarvan kan in de praktijk onderwerp zijn van verschillende inzichten of veranderende interpretaties. Is de Staatssecretaris bereid om bij dergelijke open normen sterker in te zetten op nalevingshulp, praktische voorlichting en, waar het dierenwelzijn niet acuut in het geding is, een redelijke hersteltermijn voordat wordt opgeschaald naar zwaardere sancties? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat ondernemers hoge boetes krijgen voor een invulling van een open norm waarvan zij redelijkerwijs mochten veronderstellen dat deze voldeed, maar waarover de NVWA achteraf een andere opvatting blijkt te hebben?

De leden van de BBB-fractie hebben over de open normen voor wat betreft de bescherming tegen het weer nog een aantal aanvullende vragen en opmerkingen. Afgelopen zomer hebben verschillende veehouders bericht ontvangen naar aanleiding van controles met drones op de aanwezigheid van schaduw in percelen waarin jongvee werd geweid. Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel bedrijven op deze wijze met drones zijn gecontroleerd, hoeveel bedrijven naar aanleiding daarvan zijn aangeschreven en hoeveel uren en middelen met deze controles gemoeid waren? Wat waren de totale kosten van deze controles? Kan de Staatssecretaris daarnaast aangeven waarop de selectie van deze percelen en bedrijven was gebaseerd? Was vooraf sprake van concrete aanwijzingen dat het dierenwelzijn in het geding was, of werd met de drone in eerste instantie uitsluitend gekeken naar de aanwezigheid van schaduw?

De leden van de BBB-fractie vinden het essentieel onderscheid te maken tussen een theoretisch risico en daadwerkelijk verminderd dierenwelzijn. Is bij deze controles daarom ook vastgesteld of de betreffende dieren daadwerkelijk tekenen van hittestress vertoonden? Zo ja, bij welk percentage van de gecontroleerde koppels was daarvan sprake? Zo nee, hoe kan dan worden vastgesteld dat met deze controles daadwerkelijk een dierenwelzijnsprobleem is opgespoord? Is daarnaast onderzocht hoe runderen zich gedroegen op percelen waar wél voldoende schaduw beschikbaar was? Hoeveel dieren maakten bij hoge temperaturen daadwerkelijk gebruik van de aangeboden schaduw en hoeveel dieren verkozen ondanks de beschikbaarheid daarvan in de zon te blijven? Is de Staatssecretaris bereid dit nadrukkelijk mee te nemen in de evaluatie van deze controles?

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat weersomstandigheden altijd bepaalde risico’s voor dieren kunnen meebrengen. Dat geldt voor hoge temperaturen, maar bijvoorbeeld ook voor hevige regen, hagel of onweer. Betekent de gekozen benadering dat veehouders uiteindelijk ook gehouden zouden kunnen worden dieren binnen te halen zodra onweer wordt voorspeld, omdat buiten lopen dan theoretisch een risico met zich meebrengt? Waar ligt voor de Staatssecretaris de grens?

Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dierenwelzijnstoezicht uiteindelijk gericht moet zijn op daadwerkelijke risico’s en gevolgen voor het welzijn van dieren en niet uitsluitend op de vraag of op basis van menselijke maatstaven aan bepaalde omgevingsvoorwaarden wordt voldaan? Hoe wordt dit uitgangspunt geborgd bij de verdere inzet van drones en andere vormen van toezicht op afstand?

De leden van de BBB-fractie hebben eerder aandacht gevraagd voor de mogelijkheid om tijdens perioden met hoge temperaturen eerder of juist ’s nachts te slachten. Per juli 2027 geldt een verbod op diertransport bij temperaturen boven de 30 graden. De sector werkt bovendien al sinds 2016 met een hitteprotocol vanaf 27 graden. Deze leden blijven van mening dat het onbegrijpelijk is wanneer enerzijds steeds verdergaande eisen worden gesteld aan diertransport bij hoge temperaturen, maar anderzijds onvoldoende flexibiliteit wordt geboden om dieren te vervoeren en te slachten op de momenten waarop de temperatuur juist het laagst is. Als de overheid vervoer tijdens de heetste uren verbiedt, moet zij naar het oordeel van deze leden ook praktisch mogelijk maken dat vervoer en slacht naar de koelere uren van de dag worden verplaatst. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat slachthuizen tijdens perioden met hoge temperaturen de praktische mogelijkheid krijgen om in de nachtelijke uren te slachten en dat de benodigde keuringscapaciteit van de NVWA daarvoor beschikbaar wordt gesteld? Zo nee, waarom niet? Welke inhoudelijke reden bestaat er om dieren bij hoge buitentemperaturen overdag te laten vervoeren wanneer vervoer en slacht in de koelere nachtelijke uren vanuit dierenwelzijnsoogpunt beter mogelijk zijn?

De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris niet opnieuw om een uiteenzetting van organisatorische bezwaren. Zij willen weten hoe hij ervoor gaat zorgen dat nachtelijk slachten tijdens perioden met hoge temperaturen daadwerkelijk mogelijk wordt. Welke concrete stappen zet hij daarvoor en vanaf wanneer is dit geregeld? Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat een dergelijk «tropenrooster» niet alleen aanpassingen vraagt van veehouders, transporteurs en slachthuizen, maar ook van de NVWA, en dat de benodigde keuringscapaciteit daarom gedurende de volledige benodigde uren beschikbaar moet zijn? Kan de Staatssecretaris daarnaast uitleggen waarom bij eerdere cao-onderhandelingen van de NVWA kennelijk onvoldoende rekening is gehouden met de al langer bestaande wens en noodzaak om tijdens perioden van hitte op koelere momenten van de dag te vervoeren en te slachten? Hoe wordt ervoor gezorgd dat arbeidsvoorwaardelijke of organisatorische afspraken binnen de NVWA vanaf juli 2027 geen belemmering vormen voor de uitvoering van het wettelijke transportverbod én voor een vanuit dierenwelzijn logisch tropenrooster?

De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op de recente sluiting van de laatste Nederlandse slachterij die specifiek oude leghennen slachtte. Hierdoor wordt de Nederlandse legpluimveehouderij voor de slacht van deze dieren in toenemende mate afhankelijk van slachtcapaciteit in het buitenland, met langere transportafstanden tot gevolg. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris deze ontwikkeling vanuit het oogpunt van dierenwelzijn? Heeft hij in beeld welke gevolgen het verdwijnen van Nederlandse slachtcapaciteit heeft voor de gemiddelde en maximale transportduur van leghennen? Deelt hij de opvatting dat beleid dat beoogt het dierenwelzijn tijdens transport te verbeteren uiteindelijk weinig geloofwaardig is wanneer tegelijkertijd omstandigheden ontstaan waardoor dieren voor de slacht juist over steeds grotere afstanden moeten worden vervoerd? Welke rol spelen de kosten en beschikbaarheid van NVWA-keuringen en toezicht bij het behoud van slachtcapaciteit in Nederland? Is de Staatssecretaris bereid bij de verdere modernisering van het NVWA-toezicht nadrukkelijk te bezien hoe kan worden voorkomen dat toezichtlasten en keuringskosten bijdragen aan het verdwijnen van Nederlandse slachtcapaciteit, met langere diertransporten als onbedoeld gevolg?

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor de beoordeling van de transportwaardigheid van varkens met staartschade. De varkenssector heeft de ambitie om in 2030 te stoppen met het couperen van staarten. Deze leden onderschrijven het belang van deze ontwikkeling en hebben grote waardering voor de inzet van de sector op dit punt, maar wijzen erop dat het houden van varkens met intacte krulstaarten ook nieuwe praktische vraagstukken met zich meebrengt. Ook in landen die al langer varkens met intacte staarten houden en in de biologische varkenshouderij komt staartbijten en daarmee staartschade voor.

De leden van de BBB-fractie krijgen signalen dat de huidige richtsnoeren voor transportwaardigheid ertoe kunnen leiden dat varkens met staartschade niet vervoerd mogen worden en dat bij dergelijke dieren aanvullende beoordeling of keuring plaatsvindt. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke wetenschappelijke onderbouwing de huidige beoordeling van de transportwaardigheid van varkens met staartschade precies is gebaseerd? Welke mate en ernst van staartschade leidt ertoe dat een dier niet transportwaardig wordt geacht en op welke wetenschappelijke gegevens zijn deze grenzen gebaseerd? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat de bestaande richtsnoeren opnieuw moeten worden bezien in het licht van de transitie naar het houden van varkens met intacte krulstaarten? Hoe wordt voorkomen dat regels die zijn opgesteld in een situatie waarin het overgrote deel van de varkens gecoupeerde staarten had, straks onbedoeld een belemmering vormen voor de omslag naar het houden van varkens met intacte staarten? Kan de Staatssecretaris aangeven of er wetenschappelijk bewijs is dat lichte staartschade op zichzelf een risico vormt voor de voedselveiligheid? Zo ja, welk bewijs is dat en hoe groot is dit risico? Zo nee, waarom leidt lichte staartschade dan tot aanvullende eisen bij de keuring? Is de Staatssecretaris het ermee eens dat dieren met lichte, niet-geïnfecteerde staartschade die verder klinisch gezond en transportwaardig zijn niet zonder wetenschappelijke onderbouwing als een voedselveiligheidsrisico zouden moeten worden behandeld?

De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris daarbij nadrukkelijk te kijken naar de ervaringen in andere Europese lidstaten waar al langer op grotere schaal varkens met intacte staarten worden gehouden, waaronder Finland, waar 45% van de varkens lichte staartschade heeft aan de slachtlijn. Welke regels en beoordelingscriteria worden daar gehanteerd voor het vervoer en de keuring van varkens met staartschade? Zijn daar onderzoeken uitgevoerd naar de relatie tussen staartschade, transportwaardigheid en voedselveiligheid? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten en worden deze kennis en praktijkervaring betrokken bij het Nederlandse beleid? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat het voorzorgsbeginsel niet zo mag worden toegepast dat een theoretisch risico dat niet kan worden uitgesloten automatisch voldoende reden is voor vergaande beperkingen, zonder dat wordt gekeken naar de waarschijnlijkheid en omvang van dat risico en naar beschikbare praktijkervaring? Is hij bereid de huidige Nederlandse werkwijze voor varkens met staartschade opnieuw te beoordelen aan de hand van wetenschappelijk onderzoek en ervaringen uit andere EU-lidstaten, waaronder Finland? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat ruim vóór 2030 duidelijkheid wordt geboden over een wetenschappelijk onderbouwd en praktisch werkbaar beoordelingskader voor de transportwaardigheid en keuring van varkens met staartschade, zodat de omslag naar het houden van varkens met intacte staarten niet wordt belemmerd door regels die onvoldoende op die nieuwe praktijk zijn toegesneden?

De leden van de BBB-fractie hebben eerder schriftelijke vragen gesteld over de verruiming van de Europese regels voor noodslachting. Deze verruiming maakt het mogelijk dat ook slachtwaardige dieren die niet transportwaardig zijn, zonder dat sprake hoeft te zijn van een ongeval, op het bedrijf kunnen worden gedood ten behoeve van noodslachting. Deze leden vinden deze verruiming belangrijk voor zowel dierenwelzijn als het tegengaan van voedselverspilling. Zij vinden het daarom essentieel dat de uitvoering in Nederland niet onnodig restrictiever wordt gemaakt dan de Europese regelgeving vereist. De Staatssecretaris heeft in antwoord op eerdere vragen aangegeven dat private dierenartsen die momenteel de antemortemkeuring bij noodslachtingen uitvoeren, in 2026 worden ondersteund en opgeleid, zodat zij vanaf 1 januari 2027 ook dieren uit de verruimde categorie kunnen keuren. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat dit nog steeds het uitgangspunt is? Kan de Staatssecretaris bovendien ondubbelzinnig bevestigen dat het vanaf 1 januari 2027 niet de bedoeling is dat noodslachtingen uit de verruimde categorie uitsluitend kunnen worden beoordeeld door dierenartsen in dienst van de NVWA?

De leden van de BBB-fractie vinden het van groot belang dat de bestaande fijnmazige beschikbaarheid van praktiserende dierenartsen behouden blijft. Juist bij een dier dat niet vervoerd kan worden, is snelle beschikbaarheid van een dierenarts essentieel. Kan de Staatssecretaris daarom garanderen dat praktiserende dierenartsen die nu noodslachtingen uitvoeren, dit na 1 januari 2027 ook voor de verruimde categorie kunnen blijven doen, mits zij uiteraard beschikken over de daarvoor benodigde kennis? Hoe staat het inmiddels met de gesprekken met de Stichting Geborgde Dierenarts over aanvullende instructies, opleiding en ondersteuning? Welke eisen zullen aan praktiserende dierenartsen worden gesteld? Wanneer zijn deze eisen bekend en hoeveel tijd krijgen dierenartsen om hieraan te voldoen? Deelt de Staatssecretaris de mening dat deze opleiding en borging zo laagdrempelig mogelijk moet worden ingericht en niet mag leiden tot een situatie waarin slechts een kleine groep dierenartsen de keuring mag uitvoeren? Kan de Staatssecretaris daarnaast aangeven wat het verschil in kosten en beschikbaarheid zou zijn tussen een systeem waarin praktiserende dierenartsen deze keuringen kunnen blijven uitvoeren en een systeem waarin hiervoor een NVWA-dierenarts noodzakelijk zou zijn?

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor de rol van de NVWA bij het voorkomen van de insleep en verspreiding van dierziekten, in het bijzonder Afrikaanse varkenspest (AVP). Deze leden vinden preventie bij uitstek een terrein waarop risicogericht toezicht grote meerwaarde kan hebben. De maatschappelijke en economische gevolgen van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte kunnen immers enorm zijn. Het voorkomen van insleep verdient daarom hoge prioriteit. Een belangrijk risico vormt volgens deze leden het onvoldoende reinigen en ontsmetten van veetransportmiddelen die vanuit het buitenland Nederland binnenkomen. Administratieve controle van reinigings- en ontsmettingsgegevens alleen geeft geen zekerheid dat een transportmiddel daadwerkelijk goed is gereinigd en ontsmet. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe vaak de NVWA buitenlandse veetransportmiddelen fysiek controleert op een correcte reiniging en ontsmetting en hoe vaak daarbij tekortkomingen worden geconstateerd? Hoe verhoudt het aantal fysieke controles zich tot het aantal administratieve controles? Op basis van welke risicoanalyse wordt bepaald welke transportmiddelen fysiek worden gecontroleerd?

Klopt het dat voor Nederlandse en buitenlandse vervoerders in de praktijk verschillen bestaan in de eisen, controle of handhaving rondom reiniging en ontsmetting van veetransportmiddelen? Zo ja, welke verschillen zijn dit en hoe zijn deze te rechtvaardigen vanuit het oogpunt van dierziektepreventie? Is de Staatssecretaris bereid te bezien hoe kan worden geborgd dat veetransportmiddelen die vanuit het buitenland Nederland binnenkomen aan een gelijkwaardig niveau van reiniging en ontsmetting voldoen?

De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op het risico van de introductie van AVP via besmette varkensvleesproducten die vanuit besmette gebieden worden meegenomen. Welke rol heeft de NVWA momenteel bij het toezicht op dit risico? Op welke locaties en bij welke vervoersstromen vinden controles hierop plaats en hoe wordt bepaald waar de risico’s op insleep het grootst zijn? Hoeveel controles zijn hierop in 2025 uitgevoerd en wat waren de resultaten daarvan?

Is de Staatssecretaris het met de leden van de BBB-fractie eens dat het voorkomen van de insleep van een ernstige dierziekte als AVP bij uitstek past bij het in de brief aangekondigde uitgangspunt van risicogericht toezicht? Is hij bereid binnen de beschikbare NVWA-capaciteit meer prioriteit te geven aan fysieke controles op de naleving van preventieve maatregelen tegen dierziekte-insleep, waaronder reiniging en ontsmetting van veetransportmiddelen en risicogerichte controles op de illegale of risicovolle invoer van dierlijke producten? Zo ja, hoe gaat hij dit concreet doen? Zo nee, waarom acht hij de huidige inzet voldoende?

Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower

De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief over het modern toezicht, alsmede de stukken over het jaarverslag en het jaarbeeld en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van Groep Markuszower zien dat de voorgenomen wijzigingen in het toezicht door de NVWA op hoofdlijnen een begrijpelijk kader biedt met het uitgangspunt dat bij overtredingen steviger wordt opgetreden. Tegelijkertijd roept de voorgestelde systematiek de vraag op in hoeverre deze ook ruimte biedt aan bedrijven die aantoonbaar structureel aan de geldende normen voldoen.

De leden van Groep Markuszower vragen een nadere uiteenzetting van wat binnen de voorgenomen toezichtsystematiek concreet wordt verstaan onder «high-trust».

De leden van Groep Markuszower vragen welke objectieve en toetsbare criteria worden gehanteerd om te bepalen of een bedrijf voor de kwalificatie «high-trust» in aanmerking komt.

De leden van Groep Markuszower vragen daarnaast welke concrete voordelen zijn verbonden aan het verkrijgen van de status of kwalificatie «high-trust».

De leden van Groep Markuszower vragen het kabinet aan te geven op welke wijze wordt gewaarborgd dat bedrijven die aantoonbaar structureel aan de geldende normen voldoen, hiervoor ook daadwerkelijk worden beloond binnen de toezichtsystematiek.

De leden van Groep Markuszower vragen of kan worden toegelicht onder welke omstandigheden en op basis van welke criteria kan worden overgegaan tot het verlagen van de bandsnelheid als mogelijke maatregel bij geconstateerde overtredingen.

De leden van Groep Markuszower vragen of bevestigd kan worden dat, indien een bedrijf aantoonbaar structureel aan alle geldende normen voldoet, er weinig tot geen overtredingen worden geconstateerd en een hogere bandsnelheid op alle relevante punten kan worden geborgd, binnen de systematiek ook ruimte bestaat om de bandsnelheid te verhogen en daarmee de productiecapaciteit te vergroten. Zo ja, welke criteria en randvoorwaarden gelden hiervoor? Zo nee, waarom niet en op welke wijze komt het principe van «high-trust» dan concreet tot uitdrukking in de bedrijfsvoering van aantoonbaar goed presterende bedrijven?

De leden van Groep Markuszower vragen of er bereidheid is om bij de verdere uitwerking van het toezicht expliciet een systeem te ontwikkelen waarbij aantoonbaar goede en structurele naleving kan leiden tot meer operationele ruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een hogere bandsnelheid of een andere passende verruiming.

De leden van Groep Markuszower zijn benieuwd wanneer er meer duidelijkheid wordt gegeven over de concrete uitwerking van het «high-trust»-principe, de bijbehorende criteria en de voordelen voor bedrijven die aantoonbaar en structureel aan de geldende normen voldoen.

II Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

III Volledige agenda

Modern toezicht Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Kamerstuk 33 835-262 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens – d.d. 18 juni 2026

Jaarverslag 2025 van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Kamerstuk 33 835-263 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens – d.d. 18 juni 2026

Jaarbeeld 2025 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Kamerstuk 33 835-264 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens – d.d. 19 juni 2026

Naar boven