Vragen van het lid Schenk (FVD) aan de Ministers van Werk en Participatie en van Asiel
en Migratie over het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen (ingezonden
22 juni 2026).
Vraag 1
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december
2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval
is?
Vraag 2
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders
en asielzoekers aan werk te helpen?
Vraag 3
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en
niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Vraag 4
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Vraag 5
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure
zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
Vraag 6
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk
geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Vraag 7
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk,
scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te
verlenen?
Vraag 8
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Vraag 9
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke
organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een
asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Vraag 10
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen
die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse
arbeidsmarkt te verkrijgen?
Vraag 11
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Vraag 12
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller
naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie
druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op
de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Vraag 13
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren
afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich
de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers
daarop zal hebben?
Vraag 14
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van
Nederlandse werknemers?
Vraag 15
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie
en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende
uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Vraag 16
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante
werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek
of zorg?
Vraag 17
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot
deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de
grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Vraag 18
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in
met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden
en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam
zijn?
Vraag 19
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van
de inburgering onder druk komt te staan?
Vraag 20
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren
maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist
wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders
zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal
blijft?
Vraag 21
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de
regio waar zij werkzaam zijn?
Vraag 22
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van
statushouders over gemeenten?
Vraag 23
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt
dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en
niet uit economische belangen?
Vraag 24
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de
uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Vraag 25
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?