Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over
het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken (ingezonden 19 juni
2026).
Vraag 1
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van
seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin
momenteel vervult?
Vraag 2
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar
Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Vraag 3
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen
deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan
daarbij?
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van
vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging
van de instroom?
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn
om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom
niet?
Vraag 6
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie
kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
Vraag 7
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen
staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
Vraag 8
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling,
doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Vraag 9
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag
automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel
snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Vraag 10
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers
en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Vraag 11
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien
van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
Vraag 12
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij
informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel
belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen
rekening gehouden?
Vraag 14
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd
naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven
en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Vraag 15
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het
CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Vraag 16
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding
van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke
stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Vraag 17
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland
en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting
van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering,
gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer
hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?