Kamervragen zonder Antwoord
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vraag | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 2026Z12777 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vraag | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 2026Z12777 |
Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld die in overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid, draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt u dit met de analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; «Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd»? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk verhogen?
Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkracht instrumentarium.»? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het onderzoek naar de alternatieve koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
Waar blijkt uit dat «De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel»?
Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld «Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen).»? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste fondsen dat nu op maximaal 5–7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant 1 de alternatieven af te serveren?
Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven af te serveren?
Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5 niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de brief wordt gesteld dat «herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»?
Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na het invaren?
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld «om de evaluatie en het aandragen van koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn»? Waarom wordt de bal bij deze organisaties neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen van de Wtp? Is het niet beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten in deze evaluatie bedacht heeft?
Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen aan de Wtp?
Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies, terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel? Graag een toelichting.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: «In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling.»? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12777.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.