Vragen van het lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid
over georganiseerd seksueel geweld, online verspreiding van seksueel misbruik en de
recente zedenzaak waarbij vrouwen mogelijk werden gedrogeerd, verkracht en gefilmd
(ingezonden 10 juni 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het
drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden
zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Vraag 2
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen
van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken
vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend
individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Vraag 3
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke
zijn dat?
Vraag 4
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld?
Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld
via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Vraag 5
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd
seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk
moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee,
waarom niet?
Vraag 6
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen
voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig
in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke
voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen
wel strafbaar worden gesteld?
Vraag 7
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van
Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden
nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk
te maken? Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten
online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd
of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van
dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien
niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel
hier wel kan worden ingezet?
Vraag 9
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen
momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van
niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt
die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
Vraag 10
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk
te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal
en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt
u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Vraag 11
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen
worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan
deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?