Vragen van het lid Van Groningen (VVD) aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat over de beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur
en waterveiligheid (ingezonden 5 juni 2026).
Vraag 1
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt
en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals
zand, grind en klei?1
Vraag 2
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen
kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve
van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Vraag 3
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen
jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting
2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Vraag 4
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind
en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen
en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vraag 5
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op
de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste
bevindingen?
Vraag 6
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige
nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Vraag 7
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel
uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Vraag 8
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse
winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Vraag 9
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld
PFAS?
Vraag 10
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen,
wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal
strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland
staat?
Vraag 12
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen
enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid
en economische ontwikkeling anderzijds?
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen
de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben
om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Vraag 14
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid
van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw,
infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Vraag 15
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking
hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Vraag 16
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid
van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?