Vragen van het lid Russcher (FVD) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening over onbetaalbare hypotheeklasten (ingezonden 26 mei 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Zorgen bij huiseigenaren over hypotheeklasten: «Echt
een keerpunt»» en met het onderliggende onderzoek van de Nationale Hypotheek Garantie
(NHG)?1
Vraag 2
Deelt u de analyse van NHG-directeur Van der Linde dat de financiële positie van Nederlandse
huiseigenaren structureel verslechtert?
Vraag 3
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, wat is dan volgens u de grondoorzaak
voor de verslechtering van deze positie?
Vraag 4
Wat is uw verklaring voor het gegeven dat het percentage huiseigenaren tot 34 jaar
dat het eigen inkomen onvoldoende vindt om de woonlasten te betalen, is verdubbeld
en acht u dit een aanvaardbare uitkomst van het gevoerde beleid?
Vraag 5
Erkent u dat de sterk gestegen huizenprijzen mede het gevolg zijn van een door de
overheid kunstmatig beperkt woningaanbod en jarenlang ruim monetair beleid van de
Europese Centrale Bank?
Vraag 6
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, waarom niet?
Vraag 7
In hoeverre dragen de stapeling van verduurzamingsverplichtingen, energiebelastingen
en netbeheerkosten bij aan de structureel hoge woonlasten van huiseigenaren?
Vraag 8
Kunt u de bij vraag zeven aangeleverde kostenposten afzonderlijk kwantificeren?
Vraag 9
Wat zegt het over de wenselijkheid van verduurzamingsinvesteringen dat Roald van der
Linde (directeur NHG) aangeeft dat de betalingsachterstanden voornamelijk worden veroorzaakt
door verduurzamingsinvesteringen die jongeren moeten betalen omdat zij de hoge energieprijzen
willen drukken?
Vraag 10
Hoe verhoudt de constatering dat Nederland nog altijd een van de landen met de hoogste
woonlasten van de eurozone is zich tot de belofte van opeenvolgende kabinetten dat
wonen betaalbaar zou worden?
Vraag 11
Bent u bereid uit te sluiten dat de hypotheekrenteaftrek verder wordt afgebouwd of
beperkt, gelet op de toenemende betalingsproblemen onder huiseigenaren?
Vraag 12
Hoe beoordeelt u het feit dat een groot deel van de ondervraagden bezuinigt op vakanties,
restaurantbezoek en zelfs boodschappen om de woonlasten te kunnen dragen?
Vraag 13
Wat zeggen de bij vraag 12 beschreven bezuinigingen volgens u over de kwaliteit van
leven, de bestedingsruimte en de koopkracht van hardwerkende Nederlanders?
Vraag 14
Wat gaat het kabinet doen aan psychische en financiële druk die het lasten- en woningbeleid
op burgers legt, aangezien één op de vijf ondervraagden stress, slecht slapen en moedeloosheid
ervaart door de financiële situatie?
Vraag 15
Deelt u de opvatting dat woonlasten stijgen wanneer het aanbod van woningen de vraag
ernaar niet kan bijbenen?
Vraag 16
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom niet?
Vraag 17
Indien het antwoord op vraag 15 bevestigend luidt, bent u het dan eens dat de fundamentele
oplossing voor de hoge woonlasten ligt in méér bouwen in plaats van in nieuwe subsidies,
garanties of inkomensafhankelijke regelingen die de symptomen bestrijden? Zo nee,
waarom niet?
Vraag 18
In hoeverre is EU-regelgeving – waaronder de herziene Energy Performance of Buildings
Directive (EPBD) en bijbehorende verduurzamingsverplichtingen – verantwoordelijk voor
de gestegen woonlasten door enerzijds nieuwbouw duurder te maken en anderzijds kostbare
energiebesparende verbouwingen af te dwingen?
Vraag 19
In hoeverre blijft er door de herziene EPBD nog beleidsruimte van het kabinet over
om de woonlasten voor huiseigenaren te verlagen?
Vraag 20
Bent u bereid zich in Brussel in te zetten voor het terugdringen van deze verplichtingen?
Vraag 21
Kunt u een internationale vergelijking geven van de ontwikkeling van de woonlasten
en huizenprijzen in Nederland ten opzichte van vergelijkbare EU-lidstaten over de
afgelopen tien jaar, en daarbij aangeven welke landen erin slagen wonen wél betaalbaar
te houden, inclusief een analyse over waarom hen dit lukt?
Vraag 22
Bent u bereid een concreet en afrekenbaar pakket te presenteren – inclusief lastenverlaging
en versnelling van de bouw – dat de woonlasten voor met name jonge huiseigenaren binnen
deze kabinetsperiode aantoonbaar verlaagt, en de Kamer daarover voor Prinsjesdag te
informeren?
Vraag 23
Indien het antwoord op vraag 22 ontkennend luidt, waarom laat u deze groep in de steek?