Vragen van de leden Van Lanschot, Van Ark en Tijs van den Brink (allen CDA) aan de
Ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
over de positie van Arameeërs in Syrië (ingezonden 23 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten
(ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging
over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Vraag 2
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt
gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar
deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
Vraag 3
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij
onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische
identiteit en taal?
Vraag 4
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere
inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid
van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning?
Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende
inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Vraag 5
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor
inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de
Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet
invulling aan?
Vraag 6
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen
voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief
kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
Vraag 7
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs,
sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke
steun hebben kunnen profiteren?
Vraag 8
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende
circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese
inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit
in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Vraag 9
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen
aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed
in Syrië?
Vraag 10
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden
in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke
civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw
van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie
en sociale cohesie?
Vraag 11
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland
structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Vraag 12
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in
Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en
maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Vraag 13
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer,
landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige
intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Vraag 14
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs
met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen
vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?