Vragen van het lid Wendel (VVD) aan de Minister en de Staatssecretaris van Justitie
en Veiligheid over jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland (ingezonden 9 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege
de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren
in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele
activiteiten?
Vraag 2
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen
over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden
zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit
van dergelijke voorlichting?
Vraag 3
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet
u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar
zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Vraag 4
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland
tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Vraag 5
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere
gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Vraag 6
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden
besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
Vraag 7
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn
bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Vraag 8
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies
die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
Vraag 9
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet
dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader
en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag
dienen te worden gefinancierd?
Vraag 10
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling
tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Vraag 11
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren
in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens
wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Vraag 12
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem
is dat we moeten aanpakken?
Vraag 13
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu
dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren
te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke
trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld
en gefilmd?
Vraag 14
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
Vraag 15
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en
aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Vraag 16
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op
23 april 2026?