Vragen van het lid Claassen (Groep Markuszower) aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over de positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel
(ingezonden 9 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het rapport «The Longevity Shift: A New Era of Physician Engagement
in Longevity Medicine» (Ipsos, maart 2026), waaruit blijkt dat artsen in toenemende
mate worden geconfronteerd met patiënten die vragen stellen over longeviteitsgeneeskunde,
maar dat zij daarvoor onvoldoende zijn opgeleid, en dat bestaande bekostigingsstructuren
preventieve en op gezondheidsoptimalisatie gerichte zorg structureel ontmoedigen?
Vraag 2
Deelt u de analyse dat de huidige fee-for-servicebekostiging een structurele drempel
opwerpt voor preventieve en longeviteitsgerichte zorg, doordat artsen niet of nauwelijks
worden gecompenseerd voor tijdsintensieve consulten bij gezonde patiënten zonder gediagnosticeerde
aandoening? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit knelpunt weg te nemen?
Vraag 3
In hoeverre is longeviteitsgeneeskunde als interventioneel vakgebied geïntegreerd
in de basisopleiding en nascholing van huisartsen en medisch specialisten in Nederland?
Bent u bereid dit te onderzoeken (met de Minister van OCW) en of de opleidingseisen
op dit punt aanvulling behoeven, mede in het licht van de toenemende vraag vanuit
de samenleving naar gezondheidsoptimalisatie en verlenging van de gezonde levensduur?
Vraag 4
Bent u bekend met het signaal uit het rapport dat artsen bij longeviteitsgeneeskunde
interventies voorschrijven aan mensen die zich gezond voelen, zonder dat er sprake
is van een vastgestelde aandoening, terwijl de standaard van zorg op dit terrein grotendeels
ongedefinieerd blijft? Welke rol ziet u voor de overheid bij het ontwikkelen van klinische
richtlijnen en evidence-based standaarden voor longeviteitsgerichte preventiezorg,
zodat artsen niet zonder professioneel kader opereren?
Vraag 5
Bent u bereid te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg binnen de Nederlandse
bekostigingssystematiek een structurele plek kan krijgen, bijvoorbeeld via uitkomstbekostiging
of een gerichte aanvulling op de Zorgverzekeringswet, naar voorbeeld van ouderenzorgmodellen
in Denemarken en Finland.
Vraag 6
In hoeverre acht u het wenselijk dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken
van een vergoedingsstructuur, primair ontwikkelt in de cash-pay en conciergegeneeskunde
en daarmee feitelijk voorbehouden blijft aan vermogenden? Welke maatregelen overweegt
u om de toegankelijkheid van preventieve longeviteitszorg voor een breed publiek te
waarborgen?
Vraag 7
Bent u bereid te bezien hoe longeviteitsgerichte preventiezorg beter kan worden ingebed
in bestaande beleidskaders, zoals het Nationaal Preventieakkoord, het Integraal Zorgakkoord
en de Wet publieke gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Bent u bereid om, in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad, beroepsverenigingen
en relevante wetenschappelijke instituten, een Nationale Strategie Longeviteitsgeneeskunde
te ontwikkelen, met concrete doelstellingen voor de integratie van longeviteitsgerichte
preventiezorg in het zorgstelsel, de opleiding van zorgprofessionals, wetenschappelijk
onderzoek en de toegankelijkheid van deze zorg voor alle Nederlanders? Zo nee, waarom
niet?
Vraag 9
Bent u bereid te onderzoeken hoe de bestaande onderzoeksinfrastructuur van onder andere
Maastricht University en Maastricht UMC+, waaronder The Maastricht Study met haar
grootschalige biobanking en deep phenotyping en het MERLN Institute for Technology
Inspired Regenerative Medicine, strategisch kan worden ingezet als nationaal expertisecentrum
voor longeviteitsgeneeskunde, door koppeling van biobankdata, biomarkers van biologische
veroudering en klinische toepassingen? En hoe deze kennisinfrastructuur structureel
kan worden ingebed in de nationale onderzoeks- en zorgagenda?
Vraag 10
Bent u bereid de Kamer te faciliteren met een technische briefing over longeviteitsgeneeskunde,
waarbij in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad en academische centra de stand
van de wetenschap, de klinische toepasbaarheid, de ethische en maatschappelijke implicaties
en de mogelijke inbedding in het Nederlandse zorgstelsel integraal worden toegelicht?