Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over
windturbines op land (ingezonden 9 maart 2026).
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat Nederland het enige EU-land is dat jaargemiddelde geluidsnormen
voor windturbines hanteert, terwijl landen als Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk
korte-termijnnormen gebruiken (variërend van per uur tot per 10 minuten)?
Vraag 2
Waarom wijkt Nederland af van deze internationale praktijk van kortere beoordelingsperioden,
vooral gezien het feit dat gezondheidseffecten zoals slaapverstoring juist samenhangen
met piekgeluiden en niet met jaargemiddelden?
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid
en Milieu (RIVM) in een Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit-procedure (LOWI)
heeft verklaard dat de RIVM-factsheet over windturbinegeluid «niet gelezen kan worden
als de laatste stand van de wetenschap», maar slechts een «weergave van beleidsonderbouwing»
is? Zo ja, hoe kan dit vervolgens de basis vormen voor gemeentelijke en provinciale
besluitvorming?
Vraag 4
Bent u bereid de gezondheidskundige basis van de normen te actualiseren op basis van
recentere buitenlandse onderzoeken, zoals de Duitse dose-effect relatie (2022), die
wel met feitelijke metingen is gevalideerd?
Vraag 5
Hoe beoordeelt u de berekening1 dat bij Level day-evening-night (Lden) 45 decibel (dB) circa 40% van de omwonenden ernstige hinder ervaart? Bent u bereid
een wetenschappelijke toets uit te laten voeren op deze berekening?
Vraag 6
Bent u bereid onafhankelijk veldonderzoek te laten uitvoeren naar de verspreiding
van PFAS, BPA en andere schadelijke stoffen afkomstig van slijtage van windturbinebladen,
zoals nu door meerdere experts wordt aanbevolen?
Vraag 7
Kunt u uitleggen waarom het voorzorgsprincipe niet wordt toegepast zolang er geen
duidelijkheid is over zowel chemische emissies als mogelijke effecten van infra- en
laagfrequent geluid?
Vraag 8
Kunt u bevestigen dat volgens het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) de directe elektriciteitsvraag
van 2050 (273 terawattuur (TWh)) volledig kan worden gedekt door wind op zee, zon
en kernenergie, ook zonder extra wind op land? (NPE-cijfers: 315 TWh wind op zee, 135 TWh zon, 56 TWh kernenergie)
Vraag 9
Waarom handhaaft het NPE dan een doorgroeiambitie van 29 TWh extra wind op land, terwijl
uit de beantwoording van eerdere Kamervragen blijkt dat de waterstofgerelateerde vraag
in Nederland waarschijnlijk grotendeels goedkoper via import wordt ingevuld?
Vraag 10
Kunt u bevestigen dat maatschappelijke kosten zoals slaapverstoring, stress, zorgkosten,
uitval op werk en school, woningwaardedaling en leefomgevingsschade niet worden meegenomen
in de huidige maatschappelijke kosten-batenanalyse (mkba) en systeemverkenningen voor
het energiesysteem?
Vraag 11
Bent u bereid een integrale mkba uit te voeren waarin wind op land, wind op zee, kernenergie
en import in verschillende scenario’s worden vergeleken, zodat de politiek een transparante
keuze kan maken?
Vraag 12
Kunt u bevestigen dat wind op land vanwege de lagere vollasturen en grotere fluctuaties
een ongunstiger productieprofiel heeft dan wind op zee, waardoor in de praktijk meer
bijstook in gascentrales nodig is? Zo nee, kunt u dit onderbouwen met historische
productiedata?
Vraag 13
Bent u bereid dit CO2-verschil structureel te laten doorrekenen door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
of TNO, zodat de klimaatimpact van extra wind op land objectief beoordeeld kan worden?
Vraag 14
Hoe rijmt u dat in officiële communicatie en in het Klimaatakkoord wordt gesteld dat
windmolens «bij voorkeur op zee» moeten worden geplaatst, terwijl tegelijkertijd de
ambitie voor wind op land wordt vergroot ondanks het al bereiken van de oorspronkelijke
35 TWh-doelstelling?
X Noot
1Baart de la Faille, 2024
X Noot
1Baart de la Faille, 2024