Vragen van het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
over de houdbaarheid van de AOW (Algemene Oudersdomswet) (ingezonden 27 februari 2026).
Vraag 1
Kunt u onder elkaar zetten hoe groot de beroepsbevolking naar verwachting is ten opzichte
van het aantal AOW’ers in 2033, 2040, 2050 en 2060, op basis van de huidige wetgeving
en de meeste recente bevolkingsprognose? Hoeveel werkenden zijn er naar verwachting
in die jaren per AOW’er?
Vraag 2
Kunt u ook onder elkaar zetten wat de verwachtingen hierover waren in 2019, nadat
het pensioenakkoord werd afgesloten, op basis van de afspraken in het pensioenakkoord
en de bevolkingsprognoses uit die tijd?
Vraag 3
Kunt u onder elkaar zetten hoeveel de verwachte uitgaven aan de AOW zijn als percentage
van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in 2033, 2040, 2050 en 2060? Wat was de verwachting
hierover in 2019, na het afsluiten van het pensioenakkoord?
Vraag 4
In hoeverre zijn de verwachtingen over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW
volgens u verbeterd of verslechterd sinds 2019, toen het pensioenakkoord werd afgesloten?
Vraag 5
Wat is volgens u de reden dat het kabinet van plan is de AOW versneld te verhogen?
In hoeverre is dit vanwege de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW, en hoe verhoudt
dit zich tot de prognoses in 2019 en de onderbouwing van de afspraken over dit onderwerp
in het pensioenakkoord?
Vraag 6
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei
dat er in 2033 maar twee werkenden per AOW’er zijn? Waar baseerde hij dat cijfer op?
Vraag 7
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei
dat de reden om de AOW versneld te verhogen was dat het kabinet zich zorgen maakt
over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW? Waarom heeft het kabinet die zorgen,
gegeven de ontwikkeling van de prognoses hierover in de afgelopen tien jaar?
Vraag 8
Kunt u een tabel maken met de jaarlijkse kosten van de AOW tot en met 2060, zowel
vóór als na de voorgenomen maatregel?
Vraag 9
Welk deel van de mensen die langer door zouden moeten werken door het voorstel om
de AOW-leeftijd versneld te verhogen houdt het volgens u vol om daadwerkelijk langer
door te werken? Welk deel komt in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA),
Werkloosheidswet (WW) of Participatiewet terecht?
Vraag 10
Bent u zich ervan bewust dat het CPB uitgaat van een ombuiging op de AOW van € 4,9
miljard en een netto ombuiging van € 2,7 miljard in 2060 als gevolg van de voorgenomen
versnelde verhoging van de AOW-leeftijd? Klopt het dat daarmee zo’n 45%, dat wil zeggen
bijna de helft, van de groep die langer door zou moeten werken in plaats daarvan een
andere uitkering krijgt?
Vraag 11
Kunt u deze cijfers nader uitsplitsen? Hoeveel meer mensen komen respectievelijk terecht
in de WIA, WW en Participatiewet, en met hoeveel nemen de kosten van deze regelingen
respectievelijk toe?
Vraag 12
Welke overlap ziet u tussen de plannen voor de AOW, WIA en WW? Hoeveel mensen hebben
door de voorgenomen plannen dubbel of driedubbel pech, bijvoorbeeld omdat zij later
AOW krijgen én korter WW, en daardoor in de bijstand terechtkomen?
Vraag 13
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en de antwoorden vóór aanvang van de
plenaire behandeling van de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026 aan de
Tweede Kamer doen toekomen?