Vragen van de leden Van Duijvenvoorde en Dekker (beiden FVD) aan de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over de handelsdeal tussen de EU en India (ingezonden 9 februari 2026).

Vraag 1

Kunt u bevestigen welke categorieën Indiase burgers onder het Europese Unie (EU)-India handels- en mobiliteitsakkoord in aanmerking komen voor toegang tot Nederland en andere EU-lidstaten? Kunt u dit uitsplitsen naar studenten, arbeidsmigranten, zelfstandigen en gezinsleden?

Vraag 2

Hoeveel extra migratie vanuit India verwacht u als gevolg van dit akkoord, uitgesplitst naar tijdelijke en langdurige verblijven? Is hiervoor een impactanalyse uitgevoerd en zo ja, kan deze met de Kamer worden gedeeld?

Vraag 3

In hoeverre behoudt Nederland volledige zeggenschap over toelating, verblijf en uitzetting van Indiase burgers nu mobiliteitsafspraken op EU-niveau worden gemaakt?

Vraag 4

Klopt het dat het akkoord voorziet in versoepelde toegang voor Indiase hoogopgeleide professionals en dienstverleners? Hoe wordt voorkomen dat deze regeling in de praktijk leidt tot verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt?

Vraag 5

Hoe wordt voorkomen dat deze regeling in de praktijk zal leiden tot druk op de salarissen van Nederlandse arbeidskrachten?

Vraag 6

Welke waarborgen zijn opgenomen om misbruik van tijdelijke visa (zoals overstaying of schijnzelfstandigheid) door Indiase arbeidsmigranten te voorkomen?

Vraag 7

Hoe verhoudt de verruiming van mobiliteit voor Indiase studenten en professionals zich tot de huidige druk op huisvesting, onderwijs en publieke voorzieningen in Nederland?

Vraag 8

Bent u bereid om per sector en per lidstaat plafonds te hanteren voor het aantal Indiase professionals dat via dit akkoord toegang krijgt, of wordt dit volledig aan de markt overgelaten?

Vraag 9

In hoeverre kunnen gezinsleden van Indiase werknemers meereizen naar Nederland en welke gevolgen heeft dit voor gezinsmigratie op de middellange termijn?

Vraag 10

Hoe wordt geborgd dat dit akkoord geen precedent schept voor vergelijkbare mobiliteitsafspraken met andere landen, wat kan leiden tot een structurele toename van arbeids- en studiemigratie naar de EU?

Vraag 11

Welke mogelijkheden heeft Nederland om zich (tijdelijk of structureel) te onttrekken aan onderdelen van het mobiliteitskader indien de maatschappelijke gevolgen groter blijken dan voorzien?

Vraag 12

Bent u het ermee eens dat handelsakkoorden primair economisch van aard zouden moeten zijn en niet via de achterdeur moeten leiden tot verruiming van immigratiebeleid? Zo nee, waarom niet?

Vraag 13

Op welke manier wordt de Kamer betrokken bij toekomstige besluiten over de verdere uitwerking van mobiliteitsafspraken binnen het EU-India kader?

Vraag 14

Kunt u deze vragen afzonderlijk, compleet en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?

Naar boven