Vragen van het lid Van Duijvenvoorde (FVD) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap over kunstsubsidies (ingezonden 29 januari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het diversiteits- en inclusiebeleid van gesubsidieerde musea, waaronder
het Stedelijk Museum Amsterdam, en de wijze waarop dit beleid doorwerkt in het aankoopbeleid
van museale collecties?
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat kunstsubsidies nooit mogen leiden tot (directe of indirecte)
uitsluiting van kunstenaars op basis van persoonskenmerken zoals huidskleur, afkomst
of seksuele geaardheid?
Vraag 3
Is het u bekend dat binnen de culturele sector de perceptie bestaat dat het niet actief
voeren van diversiteitsbeleid kan leiden tot een lagere subsidiebeoordeling? Acht
u deze perceptie wenselijk?
Vraag 4
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat «diversiteit en inclusie» een formeel beoordelingscriterium
is bij subsidies die via de Raad voor Cultuur en het Mondriaan Fonds worden toegekend?
Vraag 5
Indien ja, kunt u exact aangeven welk gewicht dit criterium heeft ten opzichte van
artistieke kwaliteit in de beoordelingssystematiek (bijvoorbeeld in punten, wegingsfactoren
of drempelcriteria)?
Vraag 6
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat subsidieaanvragen zonder expliciete doelstellingen
op het gebied van diversiteit en inclusie structureel lager worden beoordeeld dan
aanvragen die deze wel bevatten?
Vraag 7
Indien nee, kunt u de beoordelingsrichtlijnen overleggen waaruit dit blijkt?
Vraag 8
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat instellingen die expliciet stellen uitsluitend artistieke
kwaliteit als leidend criterium te hanteren, zonder aanvullende maatschappelijke doelstellingen,
geen verhoogd risico lopen op afwijzing of korting?
Vraag 9
Indien u dit niet kunt bevestigen: erkent u dan dat er sprake is van indirecte beleidssturing
vanuit de overheid op artistieke keuzes van musea?
Vraag 10
Acht u het verenigbaar met de publieke taak van musea dat zij in hun aankoopbeleid
expliciete prioriteiten communiceren die gebaseerd zijn op identiteitskenmerken van
kunstenaars?
Vraag 11
Acht u het verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel dat musea in subsidieaanvragen
kwantitatieve doelen formuleren voor aankopen op basis van kenmerken van kunstenaars,
zoals afkomst of gender?
Vraag 12
Kunt u uitsluiten, ja of nee, dat dergelijke kwantitatieve doelen in de praktijk functioneren
als de facto quota, ondanks het ontbreken van die term in beleidsdocumenten?
Vraag 13
Bent u bereid alle beoordelingskaders, handreikingen en interne richtlijnen die subsidiecommissies
gebruiken bij de beoordeling van diversiteit en inclusie openbaar te maken?
Vraag 14
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiekader voldoende waarborgen bevat
om ideologische eenzijdigheid bij gesubsidieerde culturele instellingen te voorkomen?
Vraag 15
Hoe ziet u uw rol als Minister in het bewaken van pluriformiteit in de kunstsector,
zowel inhoudelijk als institutioneel?
Vraag 16
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de effecten van
diversiteitscriteria op artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de gesubsidieerde
cultuursector?
Vraag 17
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?