Vragen van het lid Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan Minister van Klimaat en Groene
Groei over het Sectorakkoord Gaswinning op Land (ingezonden 21 januari 2026).
Vraag 1
Kunt u alle ingediende zienswijzen op het Sectorakkoord en met name deze van bewoners
en lokale besturen, inclusief de provincies en waterschappen, met de Kamer delen?
Vraag 2
Ziet u op basis van deze zienwijzen een breedgedragen lokaal draagvlak voor gaswinning
op land, zowel bij overheden als bij burgers in de buurt van potentiële gaswinningslocaties?
Zo ja, waaruit precies blijkt dat draagvlak? Zo nee, hoe zult u met het gebrek aan
draagvlak omgaan?
Vraag 3
Hoe onderbouwt u de stelling van EBN dat het sectorakkoord conform het klimaatakkoord
van Parijs zou zijn, in het licht van de vaststellingen van het Internationaal Energie
Agentschap en andere wetenschappelijke bronnen dat er geen ruimte is voor nieuwe velden
als we de 1,5 °C willen halen, en is scope 3 van in Nederland op te pompen gas in
die overweging meegenomen?
Vraag 4
Kunt u de Kamer een vergelijking doen toekomen van de uitstoot van broeikasgassen
over de gehele levenscyclus (dus inbegrepen scope 1, 2 en 3) van in Nederland gewonnen
gas met gas gewonnen in de vijf belangrijkste aan Nederland gas leverende landen,
gezien u schrijft dat gas uit eigen bodem klimaatvriendelijker is dan ander gas?
Vraag 5
Indien de volgens artikel 2 van het Sectorakkoord betrokken omgeving, waaronder bewoners,
in grote meerderheid negatief reageert op een voorstel tot gaswinning, is de vergunninghouder
dan verplicht haar plannen op basis daarvan aan te passen of zelfs schrappen, of kan
de vergunninghouder de inbreng van de omgeving gewoon naast zich neerleggen?
Vraag 6
Kunt u aantonen hoeveel kubieke meter gas in Nederlandse velden op land effectief
technisch en economisch winbaar is?
Vraag 7
Hoe lang zou die hoeveelheid gas het Nederlandse gasverbruik dekken op basis van het
verbruik van 2025?
Vraag 8
Welke stappen moeten er nog genomen worden en hoeveel tijd zal er naar verwachting
over ieder van die stappen gaan vooraleer de herziening van de Mijnbouwwet naar de
Kamer komt?
Vraag 9
Gezien in Groningen nog bijna 10.000 gezinnen wachten op versterking van hun huizen,
de kosten in Groningen ten opzichte van de eerste ramingen stevig opgelopen zijn en
Groningers lang hebben moeten wachten op duidelijkheid over hun schadevergoedingen,
welke regelingen worden in het geval van het verlenen van een vergunning voor bijkomende
gaswinning op land waar dan ook in Nederland getroffen om voldoende geld en zekerheid
te garanderen voor eventuele toekomstige materiële en niet-materiële schade ten gevolge
van aardbevingen en/of bodemdalingen?
Vraag 10
Zullen de maatregelen uit «Nij Begun» uitgebreid worden naar andere gebieden waar
mogelijks aardbevingsschade kan komen ten gevolge van gaswinning? Indien niet alle
maatregelen naar die gebieden uitgebreid worden, welke worden dan wel naar andere
gebieden uitgebreid en welke niet?
Vraag 11
Gezien burgers in Friesland nu al zelf nulmetingen aan het uitvoeren zijn en gezien
burgers en lokale besturen in de noordelijke provincies met veel frustraties zitten
rond de werking van de Commissie Mijnbouwschade, zal er voor alle betrokken regio’s
omgekeerde bewijslast gelden bij schade die mogelijks aan aardbevingen en/of bodemdalingen
toe te schrijven is?
Vraag 12
Welke criteria worden gehanteerd om voor een bepaalde regio waar gaswinning en andere
mijnbouw potentieel kan leiden tot schade door aardbevingen en aardverzakkingen, wel
of niet omgekeerde bewijslast in te voeren?
Vraag 13
Kunt u deze vragen beantwoorden en gevraagde informatie delen voorafgaand aan het
commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?