Vragen van de leden Westerveld (GroenLinks), Kwint (SP), RudmerHeerema (VVD) en Van Meenen (D66) aan de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media over het oppotten van geld door schoolbesturen (ingezonden 11 april 2018).

Vraag 1

Deelt u de opvatting van de Commissie-Don dat, om de doelmatigheid van onderwijsgeld te bevorderen, voor liquiditeit (current ratio) niet alleen een ondergrens van 0,5 maar ook een bovengrens van 1,5 wenselijk is? Zo nee, waarom niet?1

Vraag 2

Deelt u de opvatting dat schoolbesturen in het primair onderwijs (po), gemiddeld genomen, sinds de invoering van de lumpsumfinanciering boven de bovengrens van 1,5 (liquiditeit) zitten? Kunt u een overzicht geven van de spreiding?

Vraag 3

Deelt u de opvatting dat de advieswaarden van de Commissie-Don, zoals voor bijvoorbeeld liquiditeit, solvabiliteit en kapitalisatiefactor, er bewust in voorzien om op financiële risico’s (bijvoorbeeld daling van leerlingaantallen) te kunnen anticiperen? Zo nee, waarom niet?

Vraag 4

Bent u bekend met het rapport Onderzoek naar de Financiële Positie van Schoolbesturen in PO en VO, waarin werd geconcludeerd dat de sector primair onderwijs een te ruime financiële buffer had van minimaal 281 miljoen euro?2

Vraag 5

Is bekend wat het actuele totaalbedrag aan eigen vermogen in het primair en voortgezet onderwijs is en bent u bereid om de afspraken die zijn gemaakt en beschreven in het voornoemde rapport Onderzoek naar de Financiële Positie van Schoolbesturen in PO en VO te evalueren? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6

Hoe rijmt u de conclusie van de onderwijsinspectie dat er een «te ruime financiële buffer was van minimaal 281 miljoen euro» met uw antwoorden op eerdere schriftelijke vragen waarin u stelt dat er van oppotten geen sprake is (terwijl de liquiditeit en solvabiliteit sinds 2012 zijn toegenomen)?3

Vraag 7

Deelt u de opvatting dat de gemiddelde liquiditeit en solvabiliteit in het primair onderwijs substantieel hoger zijn dan die van een gemiddelde mkb’er, terwijl de onzekerheid over inkomsten van een mkb’er in het algemeen hoger is dan die van een po-schoolbestuur?4

Vraag 8

Herinnert u zich uw antwoorden op bovengenoemde schriftelijke vragen waaruit blijkt dat de onderwijsinspectie in gesprek gaat met schoolbesturen die grote reserves hebben en waarvan tegelijkertijd de onderwijskwaliteit slecht is? Gaat de onderwijsinspectie ook in gesprek met schoolbesturen waarvan de onderwijskwaliteit op orde is, maar tegelijkertijd ook sprake is van een te grote financiële buffer?

Vraag 9

Denkt u dat het nuttig is om bovengrenzen voor liquiditeit in te voeren waarin de omvang van po-schoolbesturen wordt meegewogen?

Vraag 10

Kent u het artikel «Waar is het extra geld in het VO gebleven?» dat onlangs de onderwijsblogprijs heeft gewonnen en waarin wordt geconcludeerd dat de extra middelen die naar het voortgezet onderwijs zijn gegaan niet hebben geleid tot de inzet van meer docenten, kleinere groepen en tot een hoger salaris? Wat is uw reflectie op de conclusies van het stuk?5 6


X Noot
1

Rapport van de Commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstellingen, 2009

X Noot
2

Inspectie van het Onderwijs, 2012

X Noot
3

Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks) aan de Minister van Basis en Voortgezet Onderwijs en Media over het oppotten van geld door schoolbesturen (ingezonden 28 december 2017). Antwoord van Minister Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media) ontvangen 5 februari 2018, Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1046

X Noot
4

Financieringsmonitor 2017-1: Onderzoek naar de Externe Financiering van het Nederlandse Bedrijfsleven en Marcel Maasse en Arjen Schutte, Kengetallen Accountancy Kleine en Middelgrote Kantoren, 2017.

X Noot
6

Het betreft een extra uitgave de periode tussen 1998 en 2012 (gecorrigeerd naar gelijkblijvend leerlingaantal en omgerekend naar het prijspeil van 2016) van jaarlijks ruim 1,4 miljard euro.

Naar boven