Vragen van het lid Recourt (PvdA) aan de Minister-President, Minister van Algemene
Zaken over de berichten dat leden van het Koninklijk Huis financiële compensatie krijgen
voor de vermogensbelasting die zij moeten betalen (ingezonden 12 oktober 2016).
Vraag 1
Kent u de berichten «Geheime deal over compensatie Koning»1, «Oranjes krijgen al tientallen jaren compensatie voor betalen belasting»2, «Reconstructie: zo wordt het staatshoofd gecompenseerd voor betalen belasting»3 en «Linksom of rechtsom: staatshoofd werd gecompenseerd»4?
Vraag 2
Bevat een van de bovengenoemde berichten feitelijke onjuistheden? Zo ja, welke?
Vraag 3
Herinnert u zich de motie-Recourt waarin u expliciet verzocht werd «inzicht te geven
in de concrete criteria die worden gehanteerd bij het vrijstellen van belasting van
vermogen van leden van het Koninklijk Huis» (Kamerstuk 33 000 III, nr. 7)? Zo ja, had u met de kennis van nu ook informatie over de discussie over compensatie
van de vermogensbelasting kunnen en moeten geven?
Vraag 4
Is er op enig moment in de periode 1969–1972 sprake geweest van financiële compensatie
voor het moeten gaan betalen van vermogensbelasting door leden van het Koninklijk
Huis? Zo ja, op welke momenten en door wie is dat ter sprake gebracht? En wat was
de uitkomst van het overleg hierover?
Vraag 5
Is het waar dat, toen in de jaren ’70 de belastingvrijstelling over een deel van het
vermogen van de leden van het Koninklijk Huis werd afgeschaft, zij die afdracht via
de uitkering op grond van de Wet op het Financieel Statuut, (deels) gecompenseerd
kregen? Zo ja, waarom werd er gecompenseerd en voor welk bedrag? Zo nee, waarom was
dat niet het geval en hoe verhoudt zich dat tot de genoemde berichten?
Vraag 6
Kan de in het vierde bericht genoemde fl.150.000,= voor «incidentele kosten» los worden
gezien van de in dezelfde tijd aan de orde zijnde discussie tussen leden van het Koninklijk
Huis en het kabinet over een compensatie voor vermogensbelasting? Zo ja, waarom? Zo
nee, waarom niet? Zo nee, ging het dan daadwerkelijk om kosten voor «geboortes en
doopceremonies»?
Vraag 7
Is de conclusie juist dat uit de memorie van toelichting bij het voorstel tot Regeling
van het financieel statuut van het Koninklijk Huis uit 1972 (Kamerstuk 11 848, nr. 3, p. 4) niet blijkt dat het bedrag van fl. 150.000,= een ander doel diende dan het
compenseren voor kosten die leden van het Koninklijk Huis maken? Zo nee, waarom is
die conclusie niet juist»
Vraag 8
Is de Tweede Kamer, door in 1972 over «bepaalde uitgaven met een incidenteel of sterk
wisselend karakter» (Kamerstuk 11 848, nr. 3) te spreken, in die tijd wel volledig en juist geïnformeerd over de werkelijke achtergrond
van het bedrag van fl.150.000,=? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Is het waar dat de toenmalige Minister van Financiën zich aan de toevoeging van fl.
150.000,= ergerde? Zo ja, waarom werd dat bedrag dan toch toegevoegd?
Vraag 10
Deelt u de mening dat, indien het bedrag van fl.150.000,= verdisconteerd is in de
grondwettelijke uitkering, die jaar in jaar uit dezelfde grondslag heeft gehouden
en geïndexeerd werd, er geen sprake was van incidentele maar van structurele kosten?
Zo ja, welke conclusies verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Vraag 11
Is er na 1972 nog op enig moment sprake geweest van de genoemde financiële compensatie
die voor die tijd is besproken? Zo ja, door wie en op welke wijze?
Vraag 12
Was u eerder op de hoogte van het feit dat er in het begin van de jaren ’70 sprake
was van genoemde compensatie van vermogensbelasting? Zo ja, op welke wijze en wanneer
was u daar van op de hoogte? Zo nee, waarom niet?
Vraag 13
Werkt de genoemde compensatie nog steeds door in de hoogte van de grondwettelijke
uitkering aan de leden van de Koninklijke Familie? Zo ja, op welke wijze? Zo nee,
waarom niet en hoe verhoudt dit zich tot het feit dat, ook bij de technische herziening
van de Wet op het Financieel Statuut in 2008, er geen verandering is gekomen in de
grondslag van de grondwettelijke uitkering?
Vraag 14
Hoe hoog zouden de genoemde grondwettelijke uitkeringen na alle indexeringen nu zijn
indien het bedrag in 1972 fl.150.000,= lager zou zijn geweest?
Vraag 15
Ziet u reden om de genoemde compensatie naar aanleiding van genoemde berichtgeving
terug te draaien en de grondwettelijke uitkering aan leden van het Koninklijk Huis
te verlagen? Zo ja, waarom en met welk bedrag? Zo nee, waarom niet?
Vraag 16
Kunt u de genoemde documenten uit de periode 1969–1973, waar RTL-Nieuws over bericht,
aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, wat verzet zich hiertegen?
Vraag 17
Wilt u deze vragen vóór de plenaire behandeling van begrotingshoofdstuk I (De Koning)
beantwoorden?