Vragen van het lid Kooiman (SP) aan de minister van Veiligheid en Justitie over angstcultuur bij de politie (ingezonden 27 september 2013).

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de oproep van de voorzitters van de politievakbonden NPB, ACP, ANPV en VMHP over de angstcultuur binnen de politieorganisatie?1

Vraag 2

Wat vindt u van de ontwikkeling dat agenten de mond wordt gesnoerd, er disciplinaire onderzoeken worden ingesteld en agenten te horen krijgen dat ze over knelpunten geen contact mogen opnemen met de vakbonden en medezeggenschapsorganen?

Vraag 3

Wat is volgens u de oorzaak van het ontstaan van deze angstcultuur binnen de politieorganisatie?

Vraag 4

Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de door de Tweede Kamer breed ondersteunde doelstelling dat met de komst van de Nationale Politie niet alleen een structuurverandering in gang zou worden gezet, maar met name ook een cultuurverandering?

Vraag 5

Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot uw uitspraken dat er meer vertrouwen moet komen in de kennis en kunde van de individuele medewerkers?

Vraag 6

Deelt u de opvatting dat een gezond functionerende organisatie baat heeft bij mondige medewerkers en dat er dus ruimte moet zijn voor gefundeerde kritiek en inbreng van de kant van de medewerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom valt dan juist een tegenovergestelde ontwikkeling waar te nemen binnen de politieorganisatie?

Vraag 7

Wat gaat u doen om deze zorgelijke ontwikkeling van een angstcultuur een halt toe te roepen? Hoe gaat u zorgen dat werknemers weer de ruimte krijgen om hun mening te geven, zonder hiervoor afgerekend te worden binnen de politieorganisatie?

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Marcouch (PvdA), ingezonden 27 september 2013 (vraagnummer 2013Z18331)

Naar boven