Kamervragen zonder Antwoord

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVraagDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20112011Z11350

Vragen van de leden Van Dam en Spekman (beiden PvdA) aan de minister voor Immigratie en Asiel over de mogelijke strijdigheid van de Wet Inburgering Buitenland de Gezinsherenigingsrichtlijn (ingezonden 30 mei 2011).

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 31 maart 2011, waarin de rechtbank heeft beslist prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie te stellen over de verenigbaarheid van de Wet Inburgering Buitenland (WIB) met de Gezinsherenigingsrichtlijn (hierna: de richtlijn)?

Vraag 2

Klopt het dat u op 12 mei 2011 heeft besloten om aan de vreemdeling in de betreffende zaak alsnog in beginsel een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te geven, met vrijstelling van het inburgeringsexamen in het buitenland? Wat is de reden voor deze inwilliging en wat is de grond waarop de mvv nu is verleend? Wat is de reden dat deze beslissing op dit moment alsnog komt, terwijl u twee jaar lang weigerde de mvv af te geven, en dit standpunt twee jaar lang in juridische procedures verdedigde?

Vraag 3

Klopt het dat u in de beslissing op bezwaar en tot tweemaal toe ter zitting in beroep bij de rechtbank heeft verdedigd dat de WIB niet strijdig is met de richtlijn en dat er geen aanleiding is om af te wijken van het relevante beleid of regelgeving? Handhaaft u dit standpunt nog steeds? Kunt u dit toelichten?

Vraag 4

Is het waar dat het de eerste keer is sinds de inwerkingtreding van de WIB dat u afwijkt van uw beleid en de regels omtrent het stellen van de exameneis?

Vraag 5

Heeft u de mvv in deze individuele zaak verleend, omdat u een uitspraak van het Europees Hof wilde voorkomen? Had u indicaties dat het Europees Hof zou oordelen dat de WIB in strijd is met de richtlijn?

Vraag 6

Hoe verhoudt het door u vermijden van het ontstaan van jurisprudentie zich met uw uitgangspunt, dat u onlangs in overleg met de Kamer uitsprak, om in vreemdelingenzaken slechts beroepsprocedures te voeren als daar de eenheid van jurisprudentie mee gediend is?