Vragen van het lid Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden) op 30 juni 2026 medegedeeld
aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de inzet van de omnibusprocedure en het
ontbreken van effectbeoordelingen in vervolg op eerder gestelde vragen over dit onderwerp
d.d. 2 juni 2026.
Vraag 1
Is de Minister bekend met het arrest van het Hof van Justitie (Grote Kamer) van 4 oktober
2024 in gevoegde zaken C 541/20 tot en met C 555/20 (Litouwen e.a. tegen Parlement
en Raad, het ««Mobiliteitspakket»-arrest»), waarbij een bepaling van EU-wetgeving
nietig is verklaard juist omdat het Parlement en de Raad niet konden aantonen dat
zij over voldoende informatie beschikten om de evenredigheid ervan te beoordelen en
zij geen beroep hadden gedaan op een «bijzondere situatie» ter rechtvaardiging van
het ontbreken van een effectbeoordeling?
Vraag 2
Is de Minister het ermee eens dat dit dezelfde juridische toets is als waarop hij
in zijn antwoord steunt en dat dit ook de toets is waarop de EU-wetgever in dit geval
het onderspit heeft gedolven?
Vraag 3
Heeft de Minister de omnibuspakketten – in het bijzonder de Digitale Omnibus – specifiek
aan deze maatstaf getoetst en niet slechts aan het algemene beginsel dat een effectbeoordeling
niet in alle omstandigheden strikt vereist is?
Vraag 4
Is de Minister bekend met het besluit van de Europese Ombudsman van 27 november 2025
(zaak 983/2025/MAS, in samenhang met zaken 2031/2024/VB en 1379/2024/MIK), waarin
zij heeft vastgesteld dat het brede gebruik van «urgentie» door de Commissie om effectbeoordelingen
te omzeilen en raadpleging in te korten – ook in het kader van de omnibusprocedures
– neerkwam op onbehoorlijk bestuur («maladministration»)?
Vraag 5
Is de Minister voorts bekend met het vervolgbesluit dat de Ombudsman op 25 juni 2026
heeft uitgebracht, waarin zij vaststelt dat de reactie van de Commissie en haar nieuwe
communicatie inzake betere regelgeving haar twijfels over het vermogen van de Commissie
om transparante, op bewijs gebaseerde en inclusieve wetgeving tot stand te brengen
niet hebben weggenomen en waarin de Ombudsman uitdrukkelijk stelt dat veranderende
politieke prioriteiten van de Commissie geen rechtvaardiging kunnen vormen voor het
afwijken van de procedurele voorschriften die de verdragen vereisen?
Vraag 6
Handhaaft de Minister in het licht van het voorgaande zijn standpunt dat er «geen
reden is om aan te nemen» dat het volgen van een omnibusprocedure zonder effectbeoordeling
een grond voor onrechtmatigheid oplevert?
Vraag 7
Op welke grond acht de Minister de herhaalde – en meest recentelijk opnieuw bevestigde
– bevindingen van onbehoorlijk bestuur door de Ombudsman ter zake van juist deze praktijk
verenigbaar met dat oordeel?
Vraag 8
Is de Minister bekend met de wetenschappelijke analyse van prof. Alberto Alemanno
(HEC Paris), getiteld The Legality of Omnibus Legislation Under EU Law, waarin hij
vaststelt dat de huidige inzet van de omnibusprocedure een constitutionele functieverschuiving
inhoudt namelijk van incidenteel administratief hulpmiddel voor technische consolidatie
naar geprefereerde procedure in het kader van een brede deregulerings- en vereenvoudigingsagenda?
Vraag 9
Onderschrijft de Minister de analyse dat dit geen kwestie van schaalvergroting is,
maar een verandering van constitutionele functie die structurele risico’s oplevert
voor de democratische en procedurele integriteit van de Unie, waaronder de omzeiling
van specifieke effectbeoordelingen, de verzwakking van de rol van vakcommissies van
het Europees Parlement en het ontstaan van logrolling-effecten waarbij controversiële
wijzigingen «meeliften» op minder omstreden onderdelen? Zo nee, op welke gronden wijkt
het kabinet af van deze analyse?
Vraag 10
Prof. Alemanno waarschuwt dat normalisering van de huidige omnibuspraktijk zonder
duidelijke grenzen dreigt te leiden tot constitutional drift – een permanente verschuiving
van de institutionele balans tussen Commissie, Raad en Parlement – en pleit voor een
specifiek, restrictief juridisch regime of interinstitutioneel kader dat heldere grenzen
stelt aan wanneer en hoe omnibuswetgeving mag worden ingezet. Is de Minister bereid,
mede gelet op zijn eigen uitgesproken bezorgdheid over het ontbreken van effectbeoordelingen,
zich actief in te zetten voor de totstandkoming van een dergelijk interinstitutioneel
kader – en zo ja, op welke termijn en via welke gremia?
Vraag 11
Is de Minister voorts bereid de implicaties van deze constitutionele dimensie mee
te nemen in zijn standpuntbepaling ten aanzien van de Digitale Omnibus en toekomstige
omnibuspakketten?
Vraag 12
De Minister stelt dat het erop zal aandringen dat de Commissie een «overtuigende rechtvaardiging»
geeft wanneer een effectbeoordeling achterwege blijft. Kan de Minister nader specificeren
wat het onder een dergelijke rechtvaardiging verstaat, onder verwijzing naar de maatstaf
die het Hof in het Mobiliteitspakket-arrest heeft aangelegd (voldoende informatie,
dan wel een ingeroepen «bijzondere situatie»)?
Vraag 13
Is de Minister bereid zijn eigen beoordeling van die rechtvaardiging aan beide Kamers
beschikbaar te stellen voordat standpunten in de Raad worden ingenomen?
Vraag 14
Gelet op de drie hierboven geschetste ontwikkelingen – het Mobiliteitspakket-arrest,
de bevindingen van de Ombudsman en de constitutionele analyse van prof. Alemanno –
is de Minister bereid zijn eerdere conclusie dat er «geen meerwaarde» bestaat in een
adviesvraag aan de Raad van State te heroverwegen?