Vragen van het lid Kemperman (FVD) op 9 januari 2026 medegedeeld aan de Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het leed van dieren in de
Oostvaardersplassen, de juridische status van deze dieren alsmede over de zorgplicht
voor deze dieren.
Vraag 1
Erkent u dat de juridische kwalificatie van dieren als «gehouden dieren» of «in het
wild levende dieren», en daarmee de toepasselijkheid van de Wet dieren, een rijksverantwoordelijkheid
is die voortvloeit uit rijkswetgeving, en niet kan worden vastgesteld of gewijzigd
door provinciaal beleid?
Vraag 1a
Zo nee, op welke wettelijke grondslag baseert u dat standpunt?
Vraag 2
Erkent u dat de Heckrunderen en Konikpaarden in de Oostvaardersplassen in eerdere
bestuurlijke besluiten zijn aangemerkt als «in het wild levende dieren» (gehouden
wildstatus), waardoor zij niet onder de volledige zorgplicht van de Wet dieren vallen?
Vraag 3
Erkent u dat deze kwalificatie ertoe heeft geleid dat de NVWA bij deze grote grazers
niet of slechts zeer beperkt kan handhaven bij (individueel) ernstig dierenleed, terwijl
dit bij gehouden dieren op grond van de Wet dieren wél mogelijk is?
Vraag 3a
Zo nee, kunt u exact aangeven op welke wettelijke bepaling(en) de beperkte handhavingsbevoegdheid
van de NVWA berust bij (structurele) voedselschaarste, verwaarlozing of vermijdbare
sterfte van deze dieren?
Vraag 3b
Als u dit niet erkent, kunt u dan concreet aangeven welke handhavingsinstrumenten
de NVWA wél tot haar beschikking heeft en waarin deze gelijkwaardig zijn aan die bij
gehouden dieren?
Vraag 4
Kunt u volledig en juridisch onderbouwd uiteenzetten wat de huidige juridische status
is van Heckrunderen en Konikpaarden in de Oostvaardersplassen en welke verplichtingen
uit de Wet dieren hieruit wel en niet voortvloeien en kunt u daarbij expliciet ingaan
op de vraag of onder deze status ook de verplichting valt om dieren te beschermen
tegen roofdieren, zoals opgenomen in artikel 1.6 van het Besluit houders van dieren?
Vraag 5
Kunt u bevestigen dat het criterium dat de dieren als «wild» zijn aangemerkt, omdat
het gebied groter is dan 5.000 hectare, een beleidsmatig criterium betreft dat niet
expliciet is vastgelegd in de Wet dieren of onderliggende regelgeving, en waarvoor
geen eenduidige wetenschappelijke onderbouwing bestaat?
Vraag 6
Acht u het juridisch houdbaar dat dit criterium is toegepast, terwijl van de circa
5.600 hectare Oostvaardersplassen ongeveer 3.800 hectare uit water bestaat?
Vraag 7
Bent u bereid de juridische status van de grote grazers in de Oostvaardersplassen
te heroverwegen en deze dieren aan te merken als gehouden dieren in de zin van de
Wet dieren, zodat de volledige zorgplicht van toepassing wordt en de NVWA daadwerkelijk
handhavend kan optreden?
Vraag 7a
Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Erkent u dat het verwijzen naar provinciaal beleid en de rol van de provincie Flevoland
in deze kwestie geen afdoende antwoord vormt, aangezien provincies geen bevoegdheid
hebben om rijkswetgeving of de handhaving daarvan door de NVWA buiten toepassing te
verklaren?
Vraag 8a
Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Erkent u dat, zolang het Rijk nalaat de juridische status van deze dieren te wijzigen
of te verduidelijken, bewust een situatie in stand wordt gehouden, waarin dierenwelzijn
voor deze dieren niet effectief handhaafbaar is onder de Wet dieren?
Vraag 9a
Zo nee, kunt u toelichten op welke wijze het Rijk dan wél volledige en afdwingbare
bescherming van het dierenwelzijn waarborgt?
Vraag 10
Kunt u deze vragen vanwege het belang en de urgentie in verband met de strenge weersomstandig-heden
met voorrang beantwoorden?