Vragen van het lid Van Hattem (PVV) medegedeeld aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van het debat gevoerd op 21 december 2021 inzake de Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (35 925 VI) voor het jaar 2022 (ingezonden 20 januari 2022).

Vraag 1

In de beantwoording van Kamervragen van Tweede Kamerlid Omtzigt over de juridische grondslag voor de aanwijzing van asielopvanglocaties in gemeenten stelt de Staatssecretaris van J&V:

«De aanwijzingen hebben geen grondslag in Nederlandse wet- en regelgeving, zoals ik gemeld heb bij de begrotingsbehandeling JenV in de Eerste Kamer op 21 december jl. Het betreft geen aanwijzing in juridische zin en de brieven hebben dan ook geen publiekrechtelijk rechtsgevolg. Het gebruik van de term aanwijzing is ingegeven door de acute noodsituatie waarvan sprake was, mede gezien de internationaalrechtelijke verplichtingen waaraan Nederland zich verbonden heeft

In het debat op 21 december jl. gaf de toenmalige Staatssecretaris echter nadrukkelijk aan wél over een juridische grondslag te beschikken voor deze aanwijzing, in het debat stelde de Staatssecretaris in antwoord op de vraag naar de juridische grondslag voor de aanwijzingsbevoegdheid:

«Het Rijk heeft een uitgebreid scala aan juridische instrumenten om, als dat nodig is, alsnog daarin te voorzien. Ik verwijs in ieder geval naar wet- en regelgeving op het terrein van de ruimtelijke ordening. Welke rechtsmiddelen vervolgens voor gemeenten openstaan, is afhankelijk van het precieze juridische instrumentarium dat wordt ingezet, en is situationeel bepaald. We hebben gekozen voor de gemeenten die genoemd zijn – dat zijn in ieder geval de regio Rotterdam, Gorinchem, Venray en Enschede – omdat op die plekken op korte termijn meteen en snel ruimte mogelijk is en omdat die bovendien van een goede omvang is. Want we moeten aan het eind van deze maand 2.000 plekken beschikbaar hebben. Vandaar deze plaatsen

Kan de Staatssecretaris, als ambtsopvolger van mevrouw Broekers-Knol, aangeven op welke concrete uitspraak in het Eerste Kamerdebat van 21 december gedoeld wordt in de beantwoording van de Kamervragen?

Vraag 2

Kan de Staatssecretaris tevens onderbouwen waarom in de beantwoording van de Kamervragen nadrukkelijk wordt gesteld dat er geen formele grondslag is voor de aanwijzing, terwijl de toenmalig Staatssecretaris dit in het Eerste Kamerdebat van 21 december wél nadrukkelijk stelde (zoals bovenstaand aangegeven)?

Vraag 3

Is de Staatssecretaris bereid om de aanwijzingen aan de gemeenten, waarvoor geen formele aanwijzingsbevoegdheid bestaat, officieel in te trekken?

Vraag 4

Kan de Staatssecretaris uitsluiten nog vaker zulke aanwijzingen richting gemeenten te sturen om asielopvang af te dwingen?

Naar boven